maandag 30 juli 2012

M. Reugebrink: Het geluk van de kunst

De Vlaamse dichter, schrijver en essayist Marc Reugebrink stelt zichzelf in zijn nieuwste boek Het geluk van de kunst de vraag: maakt kunst gelukkig? Die vraag tracht hij te beantwoorden in essays die hij de afgelopen jaren schreef voor onder meer De Standaard, waarin de rol en betekenis van kunst – om preciezer te zijn: literatuur en het schrijverschap in de huidige maatschappij – centraal staan.

Het geluk van de kunst is een aanklacht tegen de commercialisering en een pleidooi voor een hoger literair gehalte en een betere positie van literatuur in de maatschappij, maar vooral een kritisch onderzoek naar het belang en de huidige positie van literatuur in de maatschappij: de betekenis ervan, wat het zegt over de manier waarop mensen naar de wereld kijken en op welke manier de media met literatuur omgaan.

Reugebrink begint zijn boek met een beschrijving van zijn eigen ‘literaire geluksmoment’: het winnen van de Gouden Uil voor zijn in 2007 verschenen roman Het grote uitstel. In Vlaanderen zorgde dit voor de nodige commotie, omdat Reugebrink allesbehalve een gedoodverfde winnaar was en zijn boek voorafgaand aan de uitreiking niet bepaald lovend ontvangen werd. Met ironie beschrijft hij ‘het spel van de Gouden Uil’, wat volgens de auteur een grote farce is, maar waaraan hij ondertussen graag meedoet. Het is de opmaat naar de rode draad in zijn essays: de kunstwereld is te commercieel en te onderhevig aan een marktideologie, waardoor het literair gehalte van de gemiddelde publicatie er nauwelijks meer toe doet en schrijvers moeten scoren en tegelijkertijd een romantisch ideaal hoog moeten houden.

Reugebrinks scherpe kritiek op de literaire wereld, met de nodige humor verpakt, wordt opnieuw duidelijk wanneer hij uitlegt wat schrijven voor hem betekent: het is een noodzaak, een romantische droom en een ‘oefening in metafysisch denken’ – allemaal zaken die niet passen in een tijd waarin een boekrecensie in een dagblad ‘eigenlijk niets anders is dan een consumentenadvies’ en een schrijver vooral verworden is tot ‘opiniemaker en ondertekenaar van petities’. Reugebrink noemt zichzelf echter niet alleen een romanticus, maar ook een realist, die de werkelijkheid van het auteurschap erkent: een wereld waarin beginnende auteurs door dito recensenten besproken worden en boeken na twee maanden alweer uit de boekwinkel zijn verdwenen wegens een enorme omloopsnelheid. Ook stelt hij dat literatuur onderdeel is geworden van de massacultuur en het belang van auteurs afhankelijk is geworden van de hoeveelheid media-aandacht die ze krijgen. Reugebrink klinkt hier en daar verongelijkt en spreekt bijna met heimwee naar het verleden over de huidige staat van kunst en cultuur, maar het maakt zijn pleidooi voor het belang van kunst voor de samenleving wel sterk. Zo pleit hij voor gedegen literatuuronderwijs, al dan niet ingebed in geschiedenisonderwijs, om het aanzien en de betekenis van literatuur op te krikken en de aandacht van marktgedrevenheid te verleggen naar inhoud en (historische) context.

Naast een missie om kunstverloedering tegen te gaan, getuigt Het geluk van de kunst ook van een grote liefde voor literatuur zelf: er zijn essays over dichtvormen, persoonlijk leed als onderwerp van poëzie, de Italiaanse schrijver en dichter Cesare Pavese en de Poolse essayist en dichter Zbigniew Herbert. Hoewel deze essays passen bij Reugebrinks pleidooi voor meer nadruk op de inhoud, zullen deze passages vooral echte literatuurfanaten aanspreken. De korte journalistieke stukken waarmee de essays zijn aangevuld (in een laatste hoofdstuk onder de noemer ‘Dagwerk’ geschaard) vormen een welkome en toegankelijke aanvulling op de zwaardere voorgaande artikelen. Deze artikelen gaan ook over kunst en cultuur, onderwijs en de invloed van het marktdenken daarop, maar zijn luchtiger en praktischer van aard. De Nederlandse maatschappij wordt aan de kaak gesteld door voetbalgekte (inclusief leuzen) te beschrijven, een gedicht van Hans Vaverey dient als uitgangspunt om aan te geven hoe moeilijk het voor dichters is om over de liefde te schrijven en Reugebrink bekritiseert het engagement van Joost Zwagerman en Arnon Grunberg terwijl hij meteen een kritische recensie geeft van Thomas Vaessens’ De revanche van de roman. Literatuur, autoriteit en engagement (2009). Vooral dankzij dit laatste hoofdstuk wordt Reugebrinks verzamelwerk een actueel betoog en geen herhaling van zetten.

M. Reugebrink - Het geluk van de kunst - Antwerpen: De Bezige Bij, 2012. ISBN 9789085423423 - Prijs: 19,50 euro


Kim van der Meulen




dinsdag 12 juni 2012

Uitreiking 2e Boekman Dissertatieprijs en presentatie Boekman 91, 6 juni 2012


‘Döner Kebab stamt niet gewoon uit Turkije, maar is ontwikkeld in Berlijn door Turkse Duitsers’. Migranten als ondernemers in de culturele industrie van het land van bestemming.

SPUI25 in Amsterdam was afgelopen woensdag het podium van de uitreiking van de 2e Boekman Dissertatieprijs voor kunst- en cultuurbeleid 2012 en de presentatie van Boekman 91 over kunst en onderzoek. In het verlengde daarvan organiseerde de Boekmanstichting het paneldebat ‘Verspild inzicht? over onderzoek en cultuurbeleid’.

Annick Schramme (hoogleraar Cultuurmanagement aan de Universiteit Antwerpen) sprak over de onafhankelijkheid en objectiviteit van onderzoek in relatie tot de economische agenda van met name de creatieve industrie, die op dit moment erg booming is. Liane van der Linden (directeur Kosmopolis Rotterdam) verhaalde over onderzoekers die al in een vroeg stadium betrokken worden bij de ontwikkeling van culturele producties, toegespitst op het voorbeeld van etnische ondernemers en superdiversiteit. Imagine IC en Kosmopolis Rotterdam laten bijvoorbeeld met de robot, de videoportretten van de restauranthouder en de ondernemeruitvinder samen, het achtergrond verhaal zien van de Döner Kebab en daarmee van de verschillende dimensies van actueel en transnationaal ondernemerschap. Als resultaat van de wisselwerking tussen onderzoek, cultuurproductie en erfgoededucatie.

Onder leiding van Paul Steenhuis (chef Cultuurredactie NRC) gingen de drie genomineerden voor de prijs van 2012 - Amanda Brandellero (EUR), Christian Handke (EUR) en Leentje Volker (TUD) - de discussie aan met de twee eerder genoemde sprekers. Aan de orde kwamen de objectiviteit en onafhankelijkheid van de onderzoeker, de vraag hoe die positie te handhaven is en de rol die onderzoekers kunnen spelen om de resultaten van hun onderzoek sterker uit te dragen.

De genomineerden plaatsen met hun onderzoeken namelijk grote kanttekeningen bij het huidige Nederlandse en Europese cultuurbeleid en doen voorstellen voor verbetering daarvan. Het gaat om drie onderzoeken over respectievelijk de invloed van etnische verscheidenheid op creatieve productieprocessen door Amanda, de veranderende rol van het auteursrecht in de muziekindustrie door Christian en blunderende overheidsfunctionarissen die architecten selecteren via Europese aanbestedingsprocedures door Leentje.

Juryvoorzitter Gillis Dorleijn (RUG) vertelde dat de jury voor de Boekman Dissertatieprijs 2012 zich geconfronteerd zag met drie excellente proefschriften. Alle drie zijn innovatief op hun terrein: dat van Amanda Brandellero avontuurlijk, van Christian Handke methodisch scherpzinnig, en van Leentje Volker praktisch toepasbaar. ‘Wie die drie zeer uiteenlopende proefschriften wil vergelijken stuit op het appels-en-peren-syndroom: een cliché, toegegeven, maar daarom in dit geval niet minder waar.’

De jury, die bestond uit Jaap Boter (VU en UvA) Helleke van den Braber (Radboud), Erik Hitters (EUR) en Judith Thissen (UU), heeft volgens Dorleijn echter na ‘lang en zorgvuldig beraad’ unaniem en van harte gekozen voor een proefschrift dat prikkelend en uitdagend is. ‘Waarin resultaten worden gepresenteerd die richting kunnen geven aan verder onderzoek op het terrein en die beleidsmakers iets kunnen leren. Het is een proefschrift waarmee wetenschappers en de culturele sector nog lang mee vooruit kunnen’. De winnende dissertatie is van Amanda Brandellero en heeft als titel The art of being different: exploring diversity in the cultural industrie. De eer ging helaas voorbij aan Christian Handke met zijn proefschrift The creative destruction of copyright: innovation in the record industry and digital copying en Leentje Volker met haar proefschrift Deciding about design quality: value judgements and decision making in the selection of architects by public clients under European tendering regulations. In het dankwoord ging Amanda in op wat het onderzoek haar heeft gebracht: ‘So what this thesis allowed me to delve are questions of cultural boundaries, and how they come to matter in the production and appreciation of cultural products. Cultures are increasingly deterritorialising and being reproduced, recreated and shaped through the serendipitous and deliberate encounters and exchanges across groups. As cultures travel, keeping them alive might also be to support them in their new environments, forms of expression and dynamic practices.’

‘In sum, my research concluded that diversity has different values. It can be both an economic force (of different forms) and a force for developing cultural identity. But those identities aren't fixed, and can be a means of bringing people together. Understanding these dynamics is the first step in a longer journey. A journey in which institutions learn and respond to what is happening on the ground.’

Ook Boekman 91 over Kunst en onderzoek werd gepresenteerd. Hierin komt naar voren dat bestuurders onderzoek met ongewenste uitkomsten het liefst in de la laten verdwijnen. Relevante cijfers en conclusies dringen maar mondjesmaat door tot de praktijk. Met als schoolvoorbeeld rapporten die de laatste tien jaar aandacht vroegen voor de groeiende kloof tussen podiumkunst en publiek. Commerciële consultants halen de meeste opdrachten binnen terwijl universitaire onderzoekers onvoldoende meedoen aan het binnenlandse cultuurdebat. Onderzoekers moeten meer van zich laten horen, is de conclusie. Vooral analyses op basis van harde cijfers zijn van belang. Daarom in het nieuwe nummer van Boekman een stevig pleidooi voor de Cultuurindex Nederland die de Boekmanstichting in samenwerking met het SCP wil gaan maken.

In het e-journal Cultural Policy Update dat eind juni verschijnt op de website van de Boekmanstichting komt co-creatie naar voren als een veelbelovende nieuwe vorm van kennisontwikkeling. Onderzoekers gaan allianties aan met kunstinstellingen voor de verzameling van onderzoeksmateriaal, of met de overheid voor de evaluatie vanaf het prille begin van gevoerd beleid. Een andere suggestie, hier en daar al uitgevoerd in de praktijk, is het beleggen van bijeenkomsten voor onderzoekers, cultuurmanagers en beleidsmakers om onderzoeksresultaten te bespreken. De Boekman Dissertatieprijs is een samenwerkingsverband van de Boekmanstichting met NWO Geesteswetenschappen. Uitgebreide informatie over de drie genomineerde dissertaties, de lijst met de 62 geselecteerde deelnemers aan de prijs met de titels van hun dissertaties en de 1e uitreiking van de Boekman Dissertatieprijs aan Marijke de Valck voor haar studie naar filmfestivals is te vinden op de website van de Boekmanstichting.

Marjolein van der Steen

woensdag 23 mei 2012

Concertinnovatie moet belangstelling voor klassieke muziek verbreden

Oude muziek in nieuwe jassen?

Tien jaar geleden was er een concertserie in Groningen waar de formule van klassieke muziek in een relaxte omgeving werd uitgeprobeerd. De deuren bleven open, je mocht in en uit lopen, drankjes waren toegestaan. De aanleiding vormde mijn boek over de concertetiquette. Onderzoek naar dat verschijnsel bracht het inzicht dat in de loop van een paar eeuwen mensen elkaar voor de lengte van een concert het zwijgen hadden opgelegd. Ik werd vaak gevraagd wat ik daar eigenlijk zèlf van vond. Ik ontweek die vragen omdat ik er eigenlijk geen antwoord op had. Nog steeds vind ik het ellendig als iemand de pianistieke hoogstandjes van een Meesterpianist stukhoest. Aan de andere kant begrijp ik dat de stiltedwang potentiële concertbezoekers afschrikt. In een recent verschenen vrolijk boekje geeft Johan Idema meer dan 40 voorbeelden van muzikale ontmoetingen tussen musici en repertoire. Verrassend en inspirerend om te lezen en ook bemoedigend voor al diegenen die geloven in de vitaliteit van klassieke muziek. Het interessante van Idema’s inventarisatie is dat alle voorbeelden afkomstig zijn van buíten de concertzaal: van parken en zwembaden tot musea en theatrale kerkgebouwen. Het merendeel van de gevallen betreft kleine ensembles of solisten. Die zijn van nature flexibeler dan grote orkesten, en daarmee sterker ingetuned op kansen die innovatie aanreiken. Op basis van de gevalsbeschrijvingen ontvouwt Idema twee strategieën over hoe het verder zou moeten: voeg een beeldverhaal of andere zintuiglijke prikkelingen toe aan de muziek om er zo een performance van te maken die je totaal in beslag neemt. En daarnaast: maak het klassieke repertoire urgenter door het te verbinden met actuele voorvallen. Dat gaat behoorlijk boven Groningen uit en daarmee lijkt buiten de concertzaal toch wel degelijk een nieuwe context voor ons kostbare muzikale erfgoed te zijn gevonden.

Regio - Randstad

Hoe het verder binnen die zalen moet, daarover breekt Miranda van Drie zich het hoofd. Zij publiceerde een scenariostudie met betrekking tot het Nederlandse orkestenbestel, op basis van een serie interviews en aanvullend bronnenonderzoek. Orkesten zijn – in tegenstelling tot de ensembles van Idema – vrijwel altijd veroordeeld tot intramurale bedrijvigheid. De zaaldiscipline geeft ze de mogelijkheid op te stijgen naar het hoogste niveau van muzikale excellentie, maar daarmee komt de concertetiquette weer om de hoek kijken. In de kosmopolitisch wereld van de Randstad lijkt dat minder problematisch. Daar is het type van de culturele omnivoor dik gezaaid. En die is gewend plezier af te wisselen met inspanning, ook in de cultuur. Dit type bezoeker wordt ook niet meteen afgeschrikt door een stevig bedrag dat voor een concertkaartje moet worden betaald. Dat zit ingebakken in zijn leefstijl. Buiten de Randstad wordt ook wel grif betaald, maar dan wel voor een muzikale amuse. Het is het domein van André Rieu. Een musicus die furore maakt op het Vrijthof, maar met zijn klassieke repertoire nooit is te vinden in het Concertgebouw. Die sociaalgeografische tweedeling bemoeilijkt de positie van het regionale orkest in het bestel. Het wordt door de subsidies gedwongen afstand te houden van André Rieu, maar een vergelijking met het Koninklijk Concertgebouworkest pakt vrijwel altijd ongunstig uit. Miranda van Drie probeert deze spagaat te neutraliseren door er een kwadrant van te maken. De linkerhelft van dat kwadrant krijgt veel subsidie, de rechterhelft weinig of geen. Linksboven heeft het genoemde Concertgebouworkest zich geposteerd. Het heeft in Nederland als enig symfonieorkest een top bereikt die is te vergelijken met het Rijksmuseum. Linksonder plaatst Van Drie (blazers) ensembles, die nieuwe routes vinden waarlangs ze nieuw klassiek repertoire aan de man brengen. Rechtsboven profiteert de klassieke muziek van events als de EK, van het publiek dat kaartjes koopt voor concerten met Music for the Millions. En rechtsonder zijn muziekorganisatoren bezig langlopende verkoopformats te vinden waardoor zij met één of een paar producties jaren achtereen in hun inkomsten kunnen voorzien. Van Drie voorziet nogal wat migratie van de regionale orkesten, waarbij de overheden de richting aangeven. Het beste zou toch zijn als ze door de regio worden omarmd. Maar de regio hoopt natuurlijk dat het rijk blijft betalen... De twee boeken geven stof tot denken, debat en dialoog. Ze verschijnen op een moment dat de rijksoverheid zelf met haar eigen scenario komt: fuseren. Dat scenario zien we al vanaf de jaren 1970 periodiek de kop opsteken. Het is het scenario van het chronisch vooruitgeschoven keuzemoment. Aan de onderzoekers zal het niet liggen, die komen met voldoende stof tot nadenken, tot het legitimeren van keuzen. Nu maar blijven hopen dat het kwartje een keer valt bij de verzamelde bestuurders.

Cas Smithuijsen

Miranda van Drie, Erfgoed of innovatie. De toekomst van het orkestbedrijf. Forque Press, 2012. Prijs: 24,50 euro

Johan Idema, Present! Rethinking Live Classical Music. Muziek Centrum Nederland, 2012. Prijs: 23,95 euro

Cas Smithuijsen, Stilte! Over het ontstaan van concertetiquette. Podium, 2001. Uitverkocht, beschikbaar in bibliotheek Boekmanstichting

woensdag 9 mei 2012

Evert van Straaten: Verlangen naar volmaaktheid: 21 jaar verzamelen door het Kröller-Müller Museum

Ruim 100 jaar geleden begon Helene Kröller Müller met verzamelen. In 1908
deed ze haar eerste belangrijke aankopen en na een aantal jaren had ze al een verzameling van wereldfaam bij elkaar gebracht, geadviseerd door kunsthistoricus H.P.Bremmer en met financiële steun van haar echtgenoot Anton Kröller. Kunsthistorica Eva Rovers promoveerde in 2011 aan de Universiteit van Groningen op een uitgebreide biografie over het leven en de totstandkoming van de kunstverzameling van Helene Kröller-Müller, De eeuwigheid verzameld (zie Boekman 89, p. 110-111 voor een boekbespreking).

Evert van Straaten, 21 jaar (tot 2012) directeur van het museum Kröller-Müller en betrokken bij de uitbreiding van de kunstverzameling maakt de balans op in zijn gelijknamige afscheidstentoonstelling Longing for perfection, te zien in het museum van 1 april tot 28 oktober 2012. Veel werken zijn nog maar zelden getoond of zelfs voor het eerst te zien. Naast bekende werken als het Uiltje van Pablo Picasso of The Paintings (with Us in the Nature) zijn er bijzondere werken te zien van Armando, Jo Baer, Louise Bourgeois, Daan van Golden, Matt Mulligan, Anselm Kiefer, Bruce Naumann, herman de vries, Franz West, Rémy Zaugg en vele andere kunstenaars.

Van Straaten legt als het ware verantwoording af aan Kröller-Müller voor zijn keuzes en de aankopen onder zijn directeurschap . Het begrip utopie is daarin altijd een belangrijke leidraad in termen van het streven naar een ideaal dat met veel ‘idealistische’ werken in de verzameling verbonden kon worden. Hij acht het in zijn functie als directeur, overigens evenals zijn voorgangers Bram Hammacher (die de verzameling vooral uitbreidde op het terrein van beeldhouwkunst) en Rudi Oxenaar (die zorg droeg voor de uitvoering van de nieuwbouwplannen voor het museum van Wim Quist en betrokken was bij de overdracht van de particuliere collectie van verzamelaar Martin Visser (400 werken), van groot belang dat de door Kröller-Müller gekozen lijn aanwezig blijft in de collectie. De opvolgster van Evert van Straten is Lisette Pelsers, afkomstig van het Rijksmuseum Twenthe waar zij vanaf 2009 directeur was en daarvoor conservator.

Belangrijke toevoegingen in de collectie onder het bewind van Van Straaten zijn in de eerste plaats, op het gebied van de klassiek modernen, werken van kunstenaars van De Stijl en hun tijdgenoten met als doel hun wereldverbeterende bedoelingen een extra accent te geven en hun ruimtelijk werk een belangrijke plaats te geven in de verzameling en daardoor parallellen met de hedendaagse kunst te kunnen trekken. Op de tweede plaats een accent op beeldende kunst uit de jaren 70 waarin de kunstenaars weer op zoek gaan naar de essentie van kunst. Deze onderzoekende kunst zag Van Straaten als een importante schakel tussen de pionierende kunstenaars van voor de oorlog en de toonaangevende kunstenaars van nu. Op de derde plaats noemt hij de kunstenaars die hij beschouwt als hedendaagse kritische geesten die volgens hem alle nuances tussen empathie en kritiek in hun werk laten zien, maar nooit een cynische visie hebben en op de vierde plaats de hedendaagse utopisten, die enerzijds bewust het principe van vernietigen en opbouw toepassen en dat mengen met een besef van vergankelijkheid waarin melancholie en ironie doorschemeren. Als laatste een wandeling langs een aantal aanwinsten in de beeldentuin.

Uitgaande van het utopiebegrip en analyse van de collectie zijn de leidende thema’s door directeur en medewerkers bij het verzamelen verder uitgewerkt. Dit leidde tot een nieuwe lijn met tegenstellingen en begrippen die enerzijds houvast geven bij het kiezen van kunst en anderzijds de collectie laten ademen zoals utopie en wetenschap/cognitie, destructie en opbouw, empathie en kritiek, tijd en ruimte, melancholie en ironie en natuur en cultuur. Ook wordt in het museum de kwetsbaarheid van de kunst gekoppeld aan de kwetsbaarheid van de natuur.

Het totaalbeeld van de verzameling is een driedimensionaal spinnenweb met in het hart de werken uit de oorspronkelijke Kröller-collectie: er is een grote samenhang maar om van het ene naar het andere kunstwerk te komen moeten soms heel veel kruispunten overgestoken worden. Als men zich daarop instelt dan loont het, zoals Van Straaten ook betoogt, om van Vincent van Gogh naar Anselm Kiefer te gaan, van James Ensor naar Jan Fabre of van Piet Mondriaan naar Ad Reinhardt.

Alle inhoudelijke aspecten van de verzameling komen uitgebreid en in historisch perspectief aan de orde. De motivatie voor de uitbreiding van de collectie in de loop der tijd met nieuwe aanwinsten wordt door Van Straaten heel nauwkeurig en precies maar ook vanuit gepassioneerde en inhoudelijke betrokkenheid beschreven. Gevolg is wéér een prachtig boek over het museum met hele mooie afbeeldingen en de basisgegevens van alle sinds 1991 verworven werken toegevoegd.

Evert van Straaten, Verlangen naar volmaaktheid: 21 jaar verzamelen door het Kröller-Müller Museum. Stichting Kroller-Müller Museum, 2012. Prijs: 34,50 euro.

Truus Gubbels

vrijdag 4 mei 2012

Urgentie stond centraal tijdens ‘De staat van het boek’

Urgentie en met name het gebrek daaraan was een terugkerend thema tijdens het 4e KVB-symposium “De staat van het boek”, op 24 april in de sfeervolle Beurs van Berlage in Amsterdam. De bijeenkomst werd voor het eerst georganiseerd in samenwerking met de Vlaamse collega’s. De Vlaamse editie had een dag eerder in Antwerpen plaatsgevonden.

Het was jammer voor degenen die voortijdig het pand hadden verlaten, want het sluitstuk van de bijeenkomst, de Tiele-lezing, bleek het vuurwerk te zijn waar iedereen de hele dag op had zitten wachten. Werd het toch nog echt spannend op de bijeenkomst van KBV-leden! Door interessante openingspeeches van onder andere Rene Bego van Mo’media en Jos Debeij, OB Deventer en bestuurslid VOB, o.l.v. dagpresentator Frenk van der Linden, kwam de zaal tot leven. Na deze aftrap ging een ieder zijns weegs naar een van de drie sessies: uitgeverij-boekhandel, boekhandel-bibliotheek en marktcijfers.

Ik bezocht de sessie boekhandel-bibliotheek waar onder de hoede van Frank Huysmans (Siob, Uva) werd gezocht naar aanknopingspunten voor de samenwerking tussen deze partijen. Dit leverde niet veel nieuws onder de zon op. Na een korte pauze volgde de tweede serie van 3 soortgelijke sessies. Ditmaal woonde ik de sessie uitgeverij-bibliotheek bij, wederom o.l.v. Frank Huysmans. Helaas bleek er weinig eer te behalen dankzij de ietwat starre houding van de uitgeverskant. Tot soortgelijke conclusies kwamen ook de 3 gesprekleiders van de dag: Frank Huysmans, Lisa Kuitert en Adriaan van der Weel tijdens de plenaire slotzitting.

Joost Kirch reikte de Tiele-scriptieprijs uit aan Chiara Piccoli. Zij behaalde met de beloonde scriptie ‘Publishing in the Republic of Letters: The Theasurus Antiquitatum et Historiarum Italiae' haar Master Book and Digital Media aan de Universiteit Leiden. Uiteindelijk kwamen we bij het verfrissende sluitstuk van de dag: de Tiele-lezing door Arne Gast, partner van McKinsey & Company. Overrompelend, duidelijk, dicht op de huid. Hier kan je wat mee! Hij refereerde eerst aan de diverse sessies die hij zelf had bijgewoond en begon met de opmerking dat het naar zijn mening de hele dag was blijven hangen om het ebook en het boek.

Als kind uit een boekhandel- en uitgeverijgeslacht (en dit verschafte hem geloofwaardigheid), waste hij zijn publiek de oren. Hij schetste de ontwikkelingsgeschiedenis van organisaties. Het ouderwetse credo ‘hoe groter hoe beter’ gaat nu niet meer op, legde hij uit. Bedrijven gaan eerder failliet en boeken minder resultaten. Alleen bedrijven die zichzelf telkens opnieuw uitvinden en eigen identiteit vasthouden overleven ook ten tijde van verandering en zelfs in slechte markten. Hierbij geeft hij als voorbeeld SouthWest Airlines en Toyota. Waar gaat het om? Om morgen te presteren moet je o.a. sneller vernieuwen (dan de concurrent), richting geven. Welke rol kies je? Genoemd worden NU.nl als aggregator, Spotify met haar service en een prachtig voorbeeld van de supermarkt Tesco in de Koreaanse markt waar alles gericht is op thuisbezorgen. Posters ophangen met per product een QR-code zodat mensen via de mobiel een boodschappenlijstje kunnen maken en laten thuisbezorgen door de supermarkt. Misschien iets voor bibliotheken in de toekomst?

Een aantal van zijn overtuigingen t.a.v. het boekenvak kwamen naar voren: ‘books vs ideas’, ‘collective vs solo’. Belangrijkste in het geheel is om het geloof en gedrag te veranderen (het systeem) door een goede/sterke/uitdagende visie en motivatie, verhaal met duidelijk voorbeeld/leidersgedrag tonen, verwachtingen t.a.v. personeel, training om de mindset anders te krijgen. Wat en hoe gedeeld door waarom en wie.

Na afloop van een gezellige netwerkborrel kreeg iedere bezoeker de Tiele-publicatie ‘Schakels in de keten van het boek’, het tweede deel in de reek Boeketje Boekwetenschap, mee naar huis. In dit boekje doen de vier Tielehoogleraren Arianne Baggerman, Paul Hoftijzer, Gerard Unger en Adriaan van der Weel verslag van interessant boekwetenschappelijk onderzoek.

Marjolein van der Steen

maandag 2 april 2012

Boekpresentatie van Blauwdruk: plannen, schetsen en geschiedenis van het Nationaal Historisch Museum (2008-2011)

‘Gaan we het toch nog over de inhoud hebben’, zo opende gespreksleider Hans Goedkoop het debat op 26 maart 2012 in Felix Meritis in Amsterdam naar aanleiding van het verschijnen van Blauwdruk, een mooi verzorgde publicatie over het Nationaal Historisch Museum (NHM). Daarin leggen museumdirecteuren Erik Schilp en Valentijn Byvanck rekenschap af van hun inhoudelijke en strategische keuzes in de afgelopen drie turbulente jaren waarin zij (tevergeefs) werkten aan het realiseren van hun ideale geschiedenismuseum. Belangrijkste leidraad van hun filosofie: de bezoeker moet het zelf doen. Jan Marijnissen, destijds initiatiefnemer van het idee (SP) hekelde deze insteek toentertijd als ‘postmoderne hutspot’. Die mening heeft hij wel bijgesteld inmiddels, maar hoe kijken de overige aanwezigen hierop terug? In hoeverre doen authentieke objecten ertoe in een museumopstelling? En hoe belangrijk ís een chronologische presentatie? Daarover debatteerden de panelleden met de directie en de aanwezigen in de zaal. De sprekers waren Jan Marijnissen (SP), Frits van Oostrom (universiteitshoogleraar in Utrecht en voorzitter van de commissie Canon van Nederland), Marjan Scharloo (directeur Teylers Museum), Robert Stiphout (journalist Elsevier) en Willem Velthoven (nieuwe media partner NHM en directeur Mediamatic).

Erik Schilp sprak over een geweldig avontuur, dat helaas niet goed is afgelopen. Het ‘best doordachte museum van de geschiedenis’ verdiende beter, aldus Stiphout. Het liep anders. Hoe het had kunnen eindigen, valt nu te lezen in Blauwdruk. De panelleden geven hun eerste indruk van het boek. Woord, beeld, beleving, de zes thema’s, het is prachtig afgestemd, maar wat een overdaad, vindt Marjan Scharloo. Jan Marijnissen mist toch nog altijd de chronologie maar vindt de thematische invalshoek wel interessant. Het eerste deel is een mooi ‘doeboek’ geworden, ‘een knutselboek om je eigen geschiedenis in elkaar te timmeren’, aldus Willem Velthoven, panellid en directeur van Mediamatic. Het tweede deel is daarentegen een saai jaarverslag vindt hij. Lees juist dat deel, klinkt het uit de zaal, zodat de fouten van dit project een volgende keer niet gemaakt zullen worden.

Frits van Oostrom benadrukte het nog maar eens: het was een goede keuze om de canonvensters los te laten. Chronologie is voor het onderwijs een must maar hoeft wat hem betreft in een museum niet per se. Waar hij wel voor vreesde in de opzet, die gerust als beeldenbombardement kan worden omschreven: het recentere verleden is perfect te verbeelden, maar hoe pakt dat uit voor het verre verleden? Het tweede kwetsbare aspect van de opzet omschrijft hij als de ‘ikkerigheid’ die wel het meest prominent tot uiting komt in het thema ‘ik en wij’. Alles draait tegenwoordig teveel om wat je er zelf van vindt, ‘omdat je het waard bent’. Dat mag wel een tandje minder, niet alleen binnen, maar ook buiten de museale wereld, vindt hij. In dat thema hoort het museum inmiddels zelf ook thuis, vindt Schilp. Van Oostrom vindt dat geen goede ontwikkeling. Langzamerhand kan het museum als 51ste venster aan de canon toegevoegd, concludeerde hij ironisch.

Robert Stiphout mist de authentieke topstukken uit de vaderlandse geschiedenis in het concept van de collectie. De kisten van Hugo de Groot kunnen eenvoudigweg toch niet ontbreken? Valentijn Bijvanck benadrukte daarop dat er juist ontzettend veel authentieke stukken getoond zouden worden. Maar de Nachtwacht, nee, die kregen we niet. Daarover liet Wim Pijbes, directeur van het Rijksmuseum, geen twijfel over bestaan. Dat zou niet eens kunnen, blijkt uit de discussie die volgde, omdat het belangrijkste stuk uit de collectie Nederland niet onder rijksverantwoording valt. De stad Amsterdam gaat daarover. Dat is historisch zo gegroeid. Deze casus geeft aan hoe ondoorzichtig en vol tegenstrijdige belangen de wereld van ons nationale erfgoed in elkaar steekt. Twee ambitieuze directeuren van het Nationaal Historisch Museum, noch een eigenwijze minister, konden daar veel beweging in krijgen.

Raspoliticus Jan Marijnissen gelooft er nog steeds in: ‘dat museum komt er toch’. Hij is van mening dat het draagvlak voor het idee onverminderd aanwezig is en daar zal dit boek nog eens extra bij helpen. Goedkoop ziet dat iets minder positief. Mocht het idee opnieuw postvatten, dan gaat de nieuwe directeur het vast weer helemaal anders doen. Want, ja, het zijn toch kleine zonnekoninkjes in die museale wereld, zoals Van Oostrom al eerder tijdens de middag terecht opmerkte. Ernst Veen, rasondernemer, ziet hoop aan de horizon qua locatie: De pier van Scheveningen, karakteristiek op de grens tussen water en land. Als dat geen prachtige blauwdruk schetst voor het Nationaal Historisch Museum 4.0?

Valentijn Byvanck, Blauwdruk. Plannen, schetsen en geschiedenis van het Nationaal Historisch Museum (2008-2011), SUN, Prijs: Tot 12 juni 2012 verkrijgbaar voor € 29,50, daarna € 34,50.

Marielle Hendriks

donderdag 22 maart 2012

De noodzaak en het belang van kunst en kunstbeleid in weerbarstige tijden

Ter gelegenheid van het verschijnen van de boeken Kunst moet; ook in tijden van cholera van voormalig topambtenaar Thije Adams (onder meer directeur Algemeen Cultuurbeleid en directeur Internationale betrekkingen van het Ministerie van WVC en OCW) en Kunstbeleid in tijden van cholera; een nieuwe rol voor de overheid van Thije Adams en Frans Hoefnagel (jurist, voormalig projectleider bij de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid. Zijn promotie had als onderwerp de relatie tussen wetgeving en cultuurbeleid) werd er op vrijdag 16 maart in Spui 25 in samenwerking met uitgeverij Van Gennep een discussie georganiseerd waarin de mogelijkheden van vernieuwing van het kunstbeleid centraal stond.

Aan de orde was wat er de komende tijd veranderen moet aan de verantwoordelijkheid van de Nederlandse overheid, hogere en lagere, voor het behoud, de ontwikkeling en de distributie van kunst en cultuur, en de participatie daaraan. Uitgangspunt waren vragen en kwesties rondom het (grote) maatschappelijke belang van (hoge) kunst waarvoor Adams een hartstochtelijk pleidooi hield; hoewel het belang van kunst moeilijk wetenschappelijk is te definiëren is, zijn de inzichten die ermee uitgedrukt kunnen worden van grote importantie maar ook nodig en noodzakelijk voor de samenleving. Hoefnagel voegde daaraan toe dat de normen waarom kunst ondersteund moet worden nu te simpel zijn en nooit goed uitgewerkt hetgeen geleid heeft tot een traditioneel zwak besef van kunst als waarde op zich. Volgens hem moet de overheid een meer sturende rol hebben en ook haar eigen verantwoordelijkheid kennen en daar hoort bijvoorbeeld ook bij te onderzoeken of zaken zonder overheidssteun tot hun recht (kunnen) komen.

Prioriteiten in de rol van de overheid moeten zijn: zorgen voor culturele vrijheid, cultuurbehoud, reageren op maatschappelijke initiatieven, een verschuiving van de dominantie van professionals (aanbod) naar de vraagkant (het beleid heeft volgens Adams te veel overgenomen van de burgers; daarom is er nu geen steun uit de samenleving en geen burger te bekennen nu het beleid wordt afgebroken) Waar Nederland vroeger een gidsland was met een ruimhartig kunstbudget, lijkt het op dit moment een gidsland in bezuinigen. Vitale delen van het culturele leven worden door de bezuinigingen bedreigd. In dat licht lijkt het nodig een nieuw cultuurbeleid voor de langere termijn te ontwikkelen.

Alexander Ribbink, secretaris van de Turing Foundation en voorzitter van de Raad van Toezicht van het Stedelijk Museum en Guikje Roethof, algemeen secretaris van de Amsterdamse Kunstraad, waren gevraagd om een reactie te geven op beide auteurs en het boek. Ribbink bevestigde Adams in zijn opmerking dat het maatschappelijk draagvlak weg is. De burger voelt geen verantwoordelijkheid meer voor cultuur. Hij verbond daaraan ook de opmerking dat het een illusie is dat het mecenaat de bezuinigingen door de overheid kan opvangen ‘ het mecenaat kan nog geen 1/10de doen van wat de overheid laat’. Ook Roethof benadrukte dat de overheid beslist een grote financiële rol moet blijven spelen maar hetzelfde geld slimmer moet verdelen. Dat werd bevestigd door Thije Adams die stelde dat de rol van de overheid als financier niet te missen is maar de overheid geen oordelaar/bemoeial moet zijn. Al met al een waardevolle en levendige bijeenkomst ter viering van een pleidooi voor een andere overheidsrol. Opvallend was het aantal grijze haren bij de bijeenkomst, het zou mooi zijn als er wat meer jongeren zich in de discussie zouden mengen. In Boekman 91, die in juni verschijnt, worden de boeken besproken.

Thije Adams Kunst moet ook in tijden van cholera, Van Gennep, prijs: 4,95
Thije Adams en Frans Hoefnagel Kunstbeleid in tijden van cholera, Van Gennep, prijs: 3,95

Truus Gubbels