dinsdag 20 december 2011

Openbare jaarvergadering Nederlands Uitgeversverbond

Op maandag 19 december vond in de St. Olofskapel in Amsterdam de openbare jaarvergadering van het Nederlands Uitgeversverbond (NUV) plaats. Centrale thema was hoe te overleven in een tijdperk van digitalisering en nieuwe media als twitter en facebook. Na een korte introductie door NUV-directeur Geert Noorman, sprak NUV-voorzitter Loek Hermans zijn jaarrede uit. In het huidige tijdperk, zo begon hij, ligt er een taak voor uitgevers in het aanbieden van betrouwbare informatie en een interpretatie van die informatie. Mensen zijn wel degelijk bereid daar voor te betalen. Hij constateerde de toenemende verspreiding van iPads, waardoor er in de Eerste Kamer bijvoorbeeld geen papier meer aan te pas komt. Maar zonder apps is een iPad niets, daar liggen kansen. Uitgevers zijn daar ook al mee bezig. De mogelijkheden van nieuwe media worden steeds beter benut. Maar nieuwe media zorgen ook voor nieuwe spelers, zoals amazon en bol.com. De nieuwe media hebben ook tot gevolg dat de verhouding producent – consument verandert. Hermans opperde dat het wellicht tijd wordt om na 100 jaar het auteursrecht onder de loupe te nemen en te kijken of het nog voldoet. Het NUV is niet tegen downloaden, maar wel tegen downloaden uit illegale bronnen. Je moet als uitgever inspringen op nieuwe ontwikkelingen en je hakken niet in het zand zetten. De twee sprekers na hem borduurden op deze laatste opmerking voort.

Als eerste was het woord aan Robert Levine, auteur van Free Ride: how digital parasites destroy the culture business and how the culture business can fight back en daarvoor als journalist verbonden aan Billboard, Wired en Rolling Stone. Hij vatte de inhoud van zijn boek in een half uur samen. Hij begon zijn betoog met het aanhalen van een lezing van de eindredacteur van The Guardian op een conferentie in de VS. Die legde daar uit hoe de toekomst van The Guardian verzekerd was door de inhoud gratis op internet aan te bieden. Alle aanwezigen kwamen geïnspireerd de zaal uit. Daartegenover stond de lezing van de eigenaar van een dagblad uit Arkansas, die geld vroeg voor de digitale versie van zijn dagblad. Hij verdiende er niet veel mee, maar de verkoop van de papieren versie bleef wel constant. De Guardian verdiende niets aan de internetversie en zag zijn abonneebestand teruglopen. Het was dan ook zaak, zo hield Levine de zaal voor, ‘to think about the future, making money in the mean time’.
De komst van de iPad is een uitkomst voor bijvoorbeeld uitgevers, want in tegenstelling tot internet zet het aan om te kopen. Waar internet opgezet is om gratis informatie uit te wisselen, zet de iPad juist aan om te kopen. ‘It’s easier to sell in a closed system’. Ook prijsdifferentiatie is een mogelijkheid geld te verdienen. Mensen zijn uiteindelijk niet prijsgevoelig legde hij uit. Tijs Rotmans betoogt hetzelfde in Boekman 89. Mensen betalen graag voor wat extra’s. Het gemak om het te krijgen is belangrijker dan het prijskaartje dat er aan hangt. Hij besloot zijn lezing met drie adviezen. Zoek uit waar je informatie naar toe gaat/wie het gebruikt. Zoek uit hoe het met je rechten zit en houdt zo de controle over je informatie.

Dick Molman, CEO van Sanoma Media, zorgde in zijn lezing voor de praktische uitvoering van het technische verhaal van Levine. Aanvankelijk actief in de tijdschriftenbranche is Sanoma inmiddels ontwikkelaar van apps en eigenaar van SBS. Molman legde uit wat hier achter zit. De komst van internet was een duidelijke bedreiging voor zijn branche. Hoe reageer je daarop? Hij onderscheidde drie varianten. Of je trekt je terug op je eigen terrein en optimaliseert dat. Of je vertaalt je eigen werkterrein naar het nieuwe medium. Of je slaat nieuwe paden in. Sanoma heeft niet voor een maar voor alle drie de varianten gekozen. Niet alleen zijn de tijdschriften gerestyled, ge-upgrade en alle niches inmiddels gevuld, elk tijdschrift heeft ook zijn vertaling op het internet. Daar is een speciale afdeling voor opgezet zodat alle kennis en kosten centraal beheerd worden. Het wiel heeft dus maar één keer uitgevonden te worden. Hier wordt echter weinig winst gemaakt. Het is eerder ondersteunend voor en aanvullend op de papieren versie. De derde variant is voor Sanoma financieel het meest interessant. Zo is Sanoma een eigen apps afdeling begonnen. Dit kost geld maar door het weer in een afzonderlijke afdeling te doen wordt daar de kennis geconcentreerd. In tegenstelling tot de tijdschriftenmarkt is het een groeimarkt. In Nederland zijn inmiddels ruim 3 miljoen Sanoma apps gedownload, de markt is in anderhalf jaar 5x zo groot geworden. Ook op het gebied van sociale media is er een afdeling die alles wat daar in gebeurt nauwkeurig bijhoudt.
Sinds kort is Sanoma ook actef op de televisiemarkt. De reden daarvoor is dat dat medium het hoofd in al de huidige ontwikkelingen boven water heeft weten te houden. Daarmee bestrijkt Sanoma inmiddels alle media. Het is nu zaak de kijkcijfers omhoog te halen, daar kunnen de tijdschriften en andere media voor ingezet worden. Zo begint het verhaal weer van voor af aan. De rol van het mediabedrijf is veranderd. Het is niet meer nodig als mediair tussen het content en de consument. Om te overleven moet je verbreden.

Een mooie combinatie van Amerikaanse theorie en Nederlands koopmanschap die de uitgevers in deze barre tijden een hart onder de riem steekt en inspiratie biedt er in het nieuwe jaar vol enthousiasme tegenaan te gaan.

André Nuchelmans

donderdag 1 december 2011

De portretfabriek van Michiel van Mierevelt (1566-1641)

Vanaf het einde van de 16de eeuw kenden alle Noord Nederlandse steden van enige betekenis een of meer gevestigde schilders die voorzagen in de lokale behoefte aan portretten. Met name stedelijke regentenfamilies, rijke kooplieden, legerofficieren en telgen uit oude adellijke families lieten portretten schilderen maar ook predikanten en geleerden.
Michiel Jansz. van Mierevelt was de meest productieve kunstenaar van zijn tijd in Delft en maakte talloze portretten waaronder in 1607 een portret van Prins Maurits waarmee hij faam verwierf en wat leidde tot tal van andere opdrachten. Zijn leven viel samen met een turbulente periode in de vaderlandse geschiedenis waarbij Delft nauw betrokken was. Vlak na zijn geboorte begon de tachtigjarige oorlog die pas zeven jaar na zijn overlijden zou eindigen. Karel van Mander beschrijft de kwaliteit van de portretten van de schilder in zijn beroemde Schilderboeck als ‘heerlijck, uytnemend en wonderlijck uitmuntend’.
Museum het Prinsenhof te Delft besteedde van 24 september 2011 tot en met 8 januari 2012 een expositie aan het oeuvre van de vooraanstaande portretschilder uit de 17de eeuw met als titel: Portretfabriek Van Mierevelt. Ontdek de hand van de meester. Van Mierevelt had een enorme productie: er kwamen drie of vier schilderijen per week uit het atelier waar het werk met hulp van zonen, leerlingen en assistenten werd gemaakt. De kunstenaar was in de Gouden Eeuw fameuzer dan Vermeer en heeft de 17de eeuwse Hollanders het gezicht gegeven waarmee ze nu nog steeds geassocieerd worden. In de overzichtstentoonstelling zijn veel portretten uit binnen- en buitenland bij elkaar gebracht, de meeste uit Nederlandse musea maar ook een aantal uit buitenlandse musea. 38 werken uit de collectie van het Prinsenhof worden aan hem toegeschreven. De tentoonstelling en het boek geven een inkijk in een zeer bedrijvig kunstenaarschap voorzien van een uitgebreide klandizie. Overigens waren er op de lokale kunstenaarsmarkt ook andere schilders actief maar van een felle concurrentiestrijd was naar alle waarschijnlijkheid geen sprake. Vaak was het zo dat voormalige assistenten een deel van de markt van de met opdrachten overladen meester overnamen. De bloeiperiode van de ‘prins der schilders’ die het als zakenman net zo goed deed als als schilder.
Van Mierevelt stamt uit een geslacht van ambachtslieden afkomstig uit het Brabantse plaatsje Mier in de buurt van Turnhout. Zijn overgrootvader vestigde zich rond 1500 met twee kinderen in Delft. Zijn vader was goudsmid en hij groeide dus op in een artistiek milieu. Na verschillende leermeesters rondde hij zijn opleiding af en in 1589 trouwde hij met Stijntge Pietersdr. Van der Pes met wie hij in de veertien jaar die daarop volgden acht kinderen kreeg.
Het grootste deel van de portretten werd begin 17de eeuw, tijdens de bloeiperiode van zijn carrière, vervaardigd in zijn statige huis, ‘Het Wapen van Spangien’, een hoofdhuis met zijhuis aan de gracht en een achterhuis, aan de Oude Delft te Delft. Van Mierevelt schilderde voornamelijk op panelen die niet in het atelier werden gemaakt maar aangeleverd werden door schrijnwerkers. Portretten konden besteld worden in een aantal standaardformaten, afhankelijk van de draagkracht en wensen van de klant. De kunstenaar hanteerde een extreem doorgevoerde standaard in de portretten; de houding van het lijf, zelfs de hoek van de draaiing van het hoofd waren telkens hetzelfde. De kleding van de geportretteerde is vaak sober maar wel gemaakt van kostbare stoffen en geschilderd met veel oog voor detail. Van het bewaard gebleven werk bestaat ongeveer 50 procent uit replieken of kopieën. Het aantal versies dat van een werk gemaakt werd, varieërde van twee tot 42 (Prins Maurits). Dat gold ook voor de prijzen: een borststuk of een kniestuk ‘geconterfeyted nae ’t leven’ waren respectievelijk 48-50 gulden en 200-300 gulden.
Het atelier ontwikkelde zich tot een familiebedrijf vanaf het moment dat de oudste zoon van de kunstenaar een rol ging spelen, maar ook drie andere zonen leverden in de loop der tijd een bijdrage aan het maken van portretten en dus aan het familiebedrijf.
De meeste klanten (bijna de helft) waren afkomstig uit Delft, maar er kwamen ook portretopdrachten van elders, bijvoorbeeld uit Amsterdam, Den Haag en het buitenland. Wat de sociale herkomst betreft waren het vooral rijke mensen uit de burgerij, weer met name uit Delft, maar ook, weliswaar in mindere mate, waren officieren, bevelhebbers, gezanten, diplomaten, familieleden, theologen klanten van Van Mierevelt.
Een hoofdstuk is gewijd aan het productieproces in het atelier en gaat in op het materiaalgebruik en de schildertechniek van de kunstenaar; de panelen en penselen. In het slothoofdstuk worden de portretten van Prins Maurits beschreven. Van Mierevelt startte aan het begin van de 17de eeuw met de productie van portretten van de prins. De portretten werden in soorten en maten geschilderd; zowel knie- en (kleine) borststukken als ten voeten uit geleverd. Een enkele keer werd de prins geschilderd in een glad metalen harnas in plaats van een pronkharnas, een ‘swart lere colderken’, of ook in kostuum, veelal een met gouddraad geborduurde buis met pofbroek met een bijbehorende hoge zwarte hoed met pluim. Tot de dood van de kunstenaar zouden deze portretten het handelsmerk van het atelier vormen.
Het boek is heel erg mooi geïllustreerd en voorzien van een uitvoerige catalogus met portretten. Daarnaast zijn er, behalve de bij de afzonderlijke hoofdstukken horende afbeeldingen, tussen de hoofdstukken pagina’s met details van de schilderijen opgenomen zoals een pagina met neuzen en monden, een pagina met handen, een pagina met sieraden, een pagina met kragen een pagina met portretten van prins Maurits.

Anita Jansen, Rudi Ekkart en Johanneke Verhave − De portretfabriek van Michiel van Mierevelt (1566-1641) – Zwolle/Delft: WBooks/Museum Het Prinsenhof Delft, 2010 – ISBN 978 90 400 7824 8 – Prijs: € 39,50

Truus Gubbels

vrijdag 25 november 2011

ABC van de literaire kritiek

Met de opkomst van blogs en sociale media als facebook en twitter stellen gevestigde media als kranten en tijdschriften zich met enige regelmaat de vraag of het nog wel nut heeft een speciaal katern of deel van het tijdschrift aan recensies van boeken te wijden. De literaire kritiek staat wat dat betreft niet alleen, ook in andere kunstsectoren als muziek, theater, film en beeldende kunst vragen media zich af of zij nog een rol te vervullen hebben.
Critici en recensenten geven meestal een bevestigend antwoord. De reden die ze er voor geven, is dat zij, meer dan de liefhebber op zijn blog of facebookpagina, het boek in een breder kader kunnen plaatsen. Met andere woorden, hun belezenheid en kennis van zaken gaat altijd verder dan dat van een gemiddelde lezer die een andere lezer wil overtuigen een bepaald boek te lezen of juist niet. Elsbeth Etty betoogde het al in haar oratie De literaire kritiek als journalistiek genre, die zij uitsprak bij de aanvaarding van het bijzonder hoogleraarschap Literaire kritiek aan de Vrije Universiteit te Amsterdam. Daarin stelde ze de literaire criticus gelijk aan elke ander journalist. Hij diende dan ook aan dezelfde eisen te voldoen: betrouwbaarheid en objectiviteit. In het ABC van de literaire kritiek zet ze het aan de hand van een aantal steekwoorden allemaal nog eens op een alfabetisch rijtje. Het boekje verscheen ter gelegenheid van het 25-jarig bestaan van uitgeverij Balans.
Het leven van een literair criticus is geen lolletje, je doet het namelijk nooit goed. Als je een positieve recensie schrijft wordt je al snel van omkoping beticht, schrijf je een negatieve recensie dan heb je nog een rekening met de auteur te vereffenen. Maar dat hoort er bij. ‘Wantrouw dus vooral de recensent die nog nooit is uitgemaakt voor aasgier of erger’, houdt Etty de lezer voor. En zij kan het weten. In 2001 verklaarde auteur Joke J. Hermsen naar aanleiding van de bespreking door Etty van haar roman Tweeduister, dat ze had overwogen aangifte tegen Etty te doen voor een poging tot doodslag. En zo noemt ze nog een aantal voorbeelden op.
Ze betoont zich absoluut geen voorstander van een aanpassing van de kritiek aan de wens van de meerderheid van de lezers, die graag hapklare, amusante stukjes wil. En ook de beoordeling zoals die tegenwoordig in veel dag- en weekbladen wordt gehanteerd met ‘debiliserende ballen of sterren’, kan haar goedkeuring niet wegdragen. Het doel van de literaire kritiek is meer dan alleen ‘een betrouwbare en gefundeerde beoordeling te geven’, het moet ook een ‘lezenswaardig en boeiend artikel’ opleveren. Er is in haar optiek maar één manier om het gezag van de literaire kritiek weer te herstellen en dat is het verbeteren van de kwaliteit. Daarmee gaat ze dwars in tegen de mening van bijvoorbeeld Thomas Vaessens, hoogleraar moderne letterkunde aan de Universiteit van Amsterdam. Hij verkondigde in zijn boek De revanche van de roman dat boekenbijlages maar beter konden verdwijnen, want daar zat niemand behalve een kleine culturele elite nog op te wachten. Om de studenten tegemoet te komen en zijn vak nog enigszins de moeite waard te houden, ging hij in zijn colleges de boeken van Kluun, Saskia Noort en andere lectuur te behandelen. Elsbeth Etty is er de vrouw niet naar om de handdoek in de ring te gooien. Met dit ABC van de literaire kritiek weet ze dat op overtuigende wijze te onderbouwen. Het is niet alleen een must voor iedere criticus die zijn vak serieus neemt – je hoeft het daarvoor niet met haar eens te zijn – maar kan zeker ook van dienst zijn bij het schrijven van een goede blog.

Elsbeth Etty – ABC van de literaire kritiek – Amsterdam: Balans, 2011 – ISBN 978 94 600 3335 3 – Prijs: € 6,95

André Nuchelmans

donderdag 10 november 2011

Niet tellen, maar wegen

Jet de Ranitz, voorzitter van het College van Bestuur van de Amsterdamse Hogeschool voor de kunsten, wordt de nieuwe voorzitter van Kunsten ’92. Met dat nieuwtje opende de huidige voorzitter Ad ’s-Gravesande het Kunsten '92 en Boekmandebat Niet tellen maar wegen op 8 november in het uitverkochte Amsterdamse Compagnietheater. Het debat vond plaats aansluitend op de besloten ledenvergadering van Kunsten ’92, waar de voordracht was aanvaard. Aanleiding voor het debat was de publicatie van Boekmanstudies Niet tellen, maar wegen. Over de zin en onzin van prestatieafspraken in de culturele sector. Na een korte inleiding op het programma, gaf 's-Gravesande het woord aan Maud van de Wiel die het debat in goede banen moest leiden. Wethouder Michiel van Wessem, die in Arnhem namens de VVD cultuur in zijn portefeuille heeft, moest helaas verstek laten gaan. Er bleken echter meerdere lokale politici in de zaal aanwezig op wie Van der Wiel een beroep mocht doen tijdens het debat over hoe prestatieafspraken vorm te geven en de rol die cijfers daar in spelen.

Marjolein Februari, publiciste en adviseur over maatschappelijke en bestuurlijke onderwerpen, zette de publicatie Niet tellen maar wegen en het gebruik van cijfermateriaal in een breder kader, door een voorbeeld uit de luchtvaart aan te halen. Ze betoogde dat getallen de situatie op papier kunnen verbeteren, terwijl die in de praktijk verslechtert. Cijfers gaan een eigen leven leiden. In 2003 ontstond commotie onder de bewoners in de buurt van Maastricht Aachen Airport omdat 87 woningen binnen de contour bleken te liggen waar een grotere kans op overlijden als gevolg van het vliegverkeer was. Het model was gebaseerd op aannames. Door deze te wijzigen werd het aantal woningen al gereduceerd tot 23 huizen. Als klap op de vuurpijl werd de landingsbaan met 150 meter ingekort en bleek er geen enkele woning meer binnen de gevarenzone met verhoogd risico te liggen. Het probleem was opgelost. Februari haalde dit voorbeeld aan om aan te tonen dat de fixatie op papier zo groot is dat de werkelijkheid uit het zicht verdwijnt. Ze besloot haar lezing met drie opmerkingen naar aanleiding van het boek. De eerste was dat het boek binnen de tijdgeest past dat niet alles binnen het nutsdenken te vangen is. Er is steeds meer sprake van een algehele ontevredenheid over meten en de consequenties van een verantwoordingsplicht. Daarnaast wees het boek haar op het verschil tussen ideaal en norm, dat haar al langer bezig houdt. Normen sturen iedereen naar het midden, alles wordt bijgeschaafd naar het gemiddelde. Tegenover het SMART-principe (specifiek, meetbaar, acceptabel, realistisch, tijdgebonden) van doelstellingen stelde zij het FUZZY-principe (feestelijk, uitdagend, zuiver, zindelijk, yes). Tot slot ging ze in op de begrippen vitaliteit en weerbaar. Ze bedoelde hiermee dat je instelling moet zijn om je werk goed te doen, in plaats van achteraf te kijken hoe je het gedaan hebt. Niet de regels sturen je, maar je eigen professionaliteit. Dit is in de kunstwereld niet zo vanzelfsprekend en dat moet in deze barre tijden onder ogen gezien worden. Er is maar één ding dat werkt en dat is je werk beter doen!

Vervolgens ondervroeg Maud van de Wiel Hans de Bruijn, hoogleraar bestuurskunde aan de Technische Universiteit Delft, als relatieve buitenstaander naar zijn mening over prestatieafspraken. De Bruijn refereerde daarbij vooral aan de prestatieafspraken zoals die tot voor kort in de universitaire wereld gelden. Daar hanteerde men voor elke publicatie een puntensysteem, afhankelijk van onder andere het soort publicatie en de taal. Het enige doel was nog om aan het gestelde aantal punten te komen. De inhoud deed er niet meer toe. In de universitaire wereld is de kritiek op het verantwoordingsdenken inmiddels ingedaald. Maar, zo nuanceerde hij zijn betoog, cijfers kunnen zeker heilzaam zijn in alle sectoren. Hij bedoelde daar vooral simpele cijfers mee, zoals bijvoorbeeld publiekcijfers. Als degene die de cijfers levert, moet je er begrip voor opbrengen dat er behoefte is aan cijfers. Maar het moet niet alleen bij de cijfers blijven. Van belang is dat er een goed gesprek over ontstaat over de achtergronden van de cijfers. Zijn advies was om je als kunstinstelling proactief op te stellen. Laat merken dat je cijfers wel degelijk van belang vindt, maar dat er daarnaast nog iets anders is, zoals kwaliteit. Ga daarover het gesprek aan.

Na deze relatieve buitenstaanders, kwamen de meest direct betrokkenen aan het woord: de auteurs. Van de Wiel ondervroeg Claartje Bunnik en Edwin van Huis over de achtergronden van het boek. Uit hun dagelijkse adviespraktijk viel hun op dat subsidiegevers en –ontvangers verschillende talen spraken en dat de inhoud nauwelijks aan de orde kwam. Wat vertellen cijfers eigenlijk? Ze haalden Rotterdam als voorbeeld aan van hoe het moet. Daar wordt een gesprek met de subsidiënten gevoerd op basis van de bredere doelstellingen van de stad en praten ook verschillende sectoren met elkaar. Bunnik sprak de tijdgeest die Februari constateerde tegen. In de cultuursector richt men zich volgens haar nog steeds meer op cijfers. Van Huis sloot zich hierbij aan en hoopte dat culturele instellingen toch vooral zichzelf blijven. Sta er bij stil waar je het voor doet en doe mee, maar blijf jezelf, was zijn advies.

De paneldiscussie sloot hier direct op aan. Aan tafel namen George Lawson, directeur van het Fonds Podiumkunsten, Benno Tempel, directeur van het Gemeentemuseum Den Haag en Hans Waege, algemeen directeur van het Rotterdam Philharmonisch Orkest, plaats. In de zaal kon gesprekleidster Van de Wiel een beroep doen op Eric van der Want, wethouder namens D66 in Hilversum. Tussen de panelleden heerste opvallend veel eensgezindheid. Zo benadrukten ze dat de culturele sector veel te breed is om onderlinge vergelijkingen mogelijk te maken. Cijfers zeggen in zo’n geval niets. Het is appels met peren vergelijken. Ook hechten alle panelleden aan een gesprek tussen subsidiegever en subsidiënt. Natuurlijk zijn cijfers ook belangrijk, maar ze zijn niet alleszeggend. Een gesprek kan duidelijk maken waarom de cijfers zijn zoals ze zijn. Waege kon zich vinden in de complimenten van auteur Van Huis voor de gemeente Rotterdam. Maatschappelijke verankering speelt daar een grote rol en is wel degelijk te meten door bijvoorbeeld het aantal wijkconcerten, lokale sponsoren en concerten op scholen. Maar naast die cijfermatige verantwoording moet je het ook woordelijk doen. Tempel wees op een artikel in Trouw waarin het feit dat enkele musea er nu in geslaagd zijn particulier geld te vinden als het gelijk van staatssecretaris Zijlstra wordt gezien. Musea zijn onderling echter zo verschillend, je kunt een kunstmuseum niet met een historisch museum vergelijken. Lawson hecht er erg veel waarde aan dat het fonds de logica van de subsidiering aan de subsidiënten en de buitenwereld duidelijk kan maken. Peerreviews zijn daarin van groot belang, naast andere criteria. De fysieke waarneming van kwaliteit speelt mee in de beoordeling. Door deze helderheid te creëren kom je als partners tegenover elkaar te staan.

Naar het einde toe mengde ook de zaal zich nadrukkelijker in het gesprek. Meest opvallend daarin was wel de mededeling van Rob Boonzajer Flaes, voormalig lid van de Raad voor Cultuur, dat je het allemaal niet erger moet maken dan het is. ‘De overheid doet niets met alle aangeleverde gegevens. Vul gewoon in wat ze vragen, ze onthouden het toch niet. Als ze je willen korten, doen ze dat toch wel.’ Maud van de Wiel besloot het debat dat naast een interessante discussie ook nog een aantal alternatieve titels had opgeleverd, zoals Tellen is niet weten; Eerst wegen, dan tellen; en Intelligent tellen en dan wegen.

André Nuchelmans

woensdag 5 oktober 2011

De boekenbusiness. Hoe geld het boekenvak heeft veranderd

‘Hoe het grote geld het boekenvak en het lezen heeft veranderd’, luidt de ondertitel van André Schiffrins levendige en persoonlijke boek over de vercommercialisering van de boekenwereld. Volgens de oud-uitgever van Pantheon Books, de Amerikaanse uitgeverij van onder anderen Günter Grass en Simone de Beauvoir, is een boek tegenwoordig een product ‘zoals een pak zeep’, dat zijn succes uitsluitend aan winst afmeet.

De Boekenbusiness begint als de memoires van Schiffrin, die als klein jongetje in het New York van de jaren veertig graag op bezoek ging bij de uitgeverijen waar zijn vader werkte: eerst Gallimard en later, vanaf 1942, Pantheon Books. Dialogen tussen rijke Amerikaanse investeerders en intellectuele Europeaanse uitgevers, eigen gedachten en de vertellende ik-figuur maken het boek prettig leesbaar en aansprekend. Ondanks de vele romantitels, auteurs, jaartallen en zakelijke kwesties die aan de orde komen, is Schiffrins vertelling allesbehalve een geschiedenisles.

Rode draad in het verhaal zijn de ontwikkelingen binnen uitgeverij Pantheon, die zich sinds eind jaren vijftig steeds meer zou richten op verkoop en promotie. Destijds veranderde geld de toekomst van het bedrijf door onder meer Doctor Zhivago in een oplage van 4000 exemplaren te drukken. De schrijver, Boris Pasternak, kreeg een Nobelprijs en de moeilijke Russische roman werd met meer dan zes miljoen verkochte exemplaren een bestseller.

Dat was pas het begin, zo vertelt Schiffrin. Uit alles in zijn boek spreekt liefde voor het vak en een wens voor een intellectueel en verstandig uitgeefbeleid en een afkeer van vercommercialisering die daar decennialang een einde aan maakte. Het is fascinerend om te lezen hoe de auteur sinds 1961, toen hij zijn vader opvolgde als hoofd van uitgeverij Pantheon, steeds meer te maken kreeg met financieel gewin en kortzichtige commerciële keuzes, die diversiteit en experimenten in de boekenwereld langzaam naar de achtergrond verdreven. In de jaren negentig werden ‘substantiële titels’ geschrapt omdat ze de budgettair opgelegde verkoopcijfers niet haalden, de rol van uitgever werd langzaam vervangen door marketingmanagers. Het boek was geen intellectueel of maatschappelijk waardevol goed meer, maar een product.

Hoewel De Boekenbusiness hier en daar een ‘vroeger-was-alles-beter’-neiging heeft, schrijft Schiffrin zijn betoog overtuigend en haalt hij genoeg voorbeelden aan om te onderbouwen dat de boekenwereld vroeger waarschijnlijk inderdaad beter was. De auteur liet het hoofd echter niet hangen: sinds de jaren negentig is hij hoofd van uitgeverij The New Press, waar auteur en boek centraal staan.

In een nawoord beschrijft Laurens van Krevelen vergelijkbare ontwikkelingen in Nederland.

André Schiffrin - De Boekenbusiness. Hoe het grote geld het boekenvak en het lezen heeft veranderd - Amsterdam: Wereldbibliotheek, 2011 - ISBN 9789028423572 – prijs: euro 19,90

Ook te leen in de bibliotheek van de Boekmanstichting, signatuur: 11-283

Kim van der Meulen

dinsdag 4 oktober 2011

De oogst van KOERS KUNST, presentatie en debat

Maandag 3 oktober stond de oogst van KOERS KUNST centraal in Pakhuis De Zwijger in Amsterdam. Buiten was het fraai weer. Desondanks kwamen circa 150 mensen naar de bijeenkomst, bestaande uit een presentatie door initiatiefnemer Johan Idema en een discussie m.m.v. Dingeman Kuilman (collegevoorzitter van ArtEZ hogeschool voor de kunsten), Nanette Ris (directeur muziekcentrum Vredenburg) en Hans Maarten van den Brink (directeur Mediafonds). De gespreksleiding was in handen van Ilona Eichhorn. Met uitroepen als ‘U haalt adem, dus u wilt vast iets vragen!’, slaagde ze er in de aandacht vast te houden. Een beetje vreemd, was het wel.

KOERS KUNST is een landelijke brainstorm, opgezet door Idema en Simon van den Berg, bedoeld om de mogelijkheden voor vernieuwing in de wereld van kunst en cultuur te verkennen. Van april tot juli kreeg iedereen die kunst en cultuur een warm hart toedraagt de kans om zijn of haar ideeën aan te dragen. De beste initiatieven werden online verspreid (zie www.koerskunst.nl) en becommentarieerd door een panel van deskundigen. Sinds april hebben circa 10.000 belangstellenden op enigerleiwijze hun stem laten horen op de interactieve website, twitter of andere media. De sector mag dit niet negeren, aldus Idema, die nog benadrukte dat het project al voor de bezuinigingen was ontstaan. De behoefte aan vernieuwing in de kunstwereld dateert al van daarvoor.

De resultaten van het project kregen hun neerslag in een publicatie, die de eerste honderd bezoekers van de bijeenkomst kregen uitgereikt. Johan Idema presenteerde aan de hand van een powerpoint een terugblik op het project en lichtte de belangrijkste conclusies toe. Hij bracht ze onder in drie zogenaamde routes: 1. Van bekijken naar begrijpen; 2. Van bestoken naar betrekken; 3. Van binnenkant naar buitenkans. De belangrijkste conclusie was: echte vernieuwing draait om meer dan financiering en publiek. Het begint bij de missie, ambities en bedrijfsprocessen. Frisse ideeën kunnen leiden tot vernieuwing in de praktijk, aldus Idema.

Het panel kwam vervolgens aan het woord. Aanpassen of uitsterven? Dat was de eerste stelling die Eichhorn de gasten voorlegde. Aanpassen natuurlijk, reageerden ze. Instellingen zijn al druk bezig, legde Ris uit. Er volgden meer stellingen, soms gebaseerd op vragen vanuit het publiek. Bijvoorbeeld de vraag: Is de sector niet allang bezig met de drie genoemde routes? (ja, min of meer...) Ook de kwestie elitekunst versus populaire cultuur dook op. Moeten kunstinstellingen en kunstenaar zich richten op de inhoud of op vermaak? De meningen waren licht verdeeld, maar uiteindelijk was men het er over eens dat het zaak is publiek te betrekken bij kunstuitingen door het ervoor te enthousiasmeren, en niet dwingend ´vóór te schrijven´. Wie maakt zich tegenwoordig nog werkelijk druk om het toegankelijk maken van kunst? Wat is er eigenlijk mee mis wanneer Oprah Winfrey in haar boekenclub op weinig literaire wijze een lans breekt voor Tolstoj’s Anna Karenina en het boek daarmee tot bestseller weet te transformeren? Helemaal niets! ‘Het gaat er om dat publiek zich realiseert dat het boek over hen gaat, en dus een bepaalde relevantie voor ze heeft. Ze stellen zich er vervolgens voor open’, legde Kuilman uit. ‘Daarom moet je je als instelling verdiepen in de belevingswereld van je publiek’.

Kuilman kon zich ook vinden in het voorstel vanuit de zaal voor trapsgewijze instroom. Niet iedereen wil hetzelfde, pas je aanbod daar op aan. De een wil meer inhoud en diepgang, een ander komt puur om zich te vermaken. Het is niet het een of het ander, je kunt je aanbod ook variëren. Idema noemde nog een ander voorbeeld: rondleidingen in musea. Bezoekers leren kijken naar wat ze eerst wel zagen, maar misschien niet ‘ begrepen’. In het geval van bepaalde kunstuitingen bestaat er van oudsher weliswaar een zekere afstand tot het grote publiek, zoals bij poëzie. Dat neemt niet weg dat het tijd wordt dat er weer eens iets wordt ondernomen om ook deze afstand te beslechten, aldus Kuilman. De Nacht van de poëzie was een prachtig initiatief, maar is al weer een paar decennia oud. ‘Kortom, tijd om iets nieuws te verzinnen’. Vanuit de zaal werd hem het verwijt gemaakt dat hij teveel op de hoge kunst inzette. Hiphop is eigenlijk ook poëzie en daar luisteren veel meer mensen naar. Zo kwam ook deze discussie weer terug bij het onderscheid hoge en lage kunst.

Nanette Ris zette in heldere woorden uiteen dat de moeizame onderlinge verhoudingen bij de realisatie van Het Muziekpaleis in Utrecht de betrokken partijen de afgelopen maanden hebben gedwongen te kijken naar de eigen DNA en interne discussies te voeren over missie en doelstellingen. Tivoli zag Vredenburg vooral als elitaire kunst, andersom zag Vredenburg de popzaal vooral als bierschenker. Je moet dan vooral niet in het defensieve schieten, maar proberen te achterhalen waar die vooroordelen op berusten. Vanuit haar ervaringen onderstreepte ze de bevindingen van Idema en Van de Berg. Organiseer je eigen zelfkritiek, was haar aanvullend devies. Experimenteer met formats, probeer nieuw publiek te overtuigen, spring niet direct in een defensieve houding. ‘Luister naar je publiek’. Hans Maarten ten Brink viel haar bij. ‘Als instelling moet je gaan waar je publiek is.’

Idema benadrukte dat hij hoopt dat financiers dezelfde richtlijnen volgen bij het ondersteunen van initiatieven. Fondsen en andere geldschieters zouden meer eisen moeten stellen aan de subsidiënt om de drie routes te volgen. De in de zaal aanwezige vertegenwoordigers van fondsen lieten zich daar nog niet zo duidelijk over uit. Het is aan de instellingen om naast het produceren ook het experiment ruimte te bieden, maar daarvoor hebben ze de steun van geldschieters nodig. Ook zouden die geldschieters minder geld voor de producties kunnen geven en meer voor publiciteit en marketing. Vooralsnog gaat subsidie vooral naar de productie en komt promotie op een tweede plan. Hans Maarten ten Brink bepleitte meer samenwerking tussen de fondsen. Iets wat het Mediafonds de afgelopen jaren al in de praktijk heeft gebracht.

Een feestelijke borrel rondde de bijeenkomst af. De versnaperingen waren overigens op kosten van de gebruiker. Het leek rechtstreeks afkomstig uit de ideeënkoker van KOERS KUNST.

U kunt de publicatie vinden op www.koerskunst.nl

Jack van der Leden en André Nuchelmans

vrijdag 23 september 2011

De koopman en de kunstenaar. Hoe kunst en handel elkaar – kunnen – versterken

Op de toepasselijke locatie het ING House vond op 22 september de door Sica samen met ING georganiseerde bijeenkomst De koopman en de kunstenaar plaats. Na een heldere keynotespeech van Paul Hughes werd in een plenaire discussie uitgebreid ingegaan op de samenwerkingsverbanden bij de wereldtournee die het Koninklijk Concertgebouw Orkest (KCO) in 2013 gaat houden. Na 3 parallelle workshops legde dagvoorzitter Rob Vermaas de Vlaming Hugo de Greef een aantal vragen voor op het middagthema. Een mooi afgerond programma waarin de deelnemers vol ideeën en goede moed weer vertrokken.

Na een kort welkomstwoord door Jan Kennis, adjunct-directeur bij Sica, stak Paul Hughes van wal. Hughes is mede-oprichter en strategisch directeur van Lava, dat zich bezighoudt met branding en design. In slechts een kwartier deed hij uit de doeken waar Nederlandse kunstinstellingen en kunstenaars vaak in de fout gaan als zij zich in het buitenland willen presenteren. De titel van de lezing,Sweet spot, verwees naar de kracht van samenwerking. De kracht zit hem in de combinatie niet in de individuele elementen. De combinatie van koolstof, waterstof en zuurstof levert suiker. Hetzelfde geldt voor de Nederlandse cultuur. Momenteel wordt het vooral op individueel niveau gepromoot, terwijl een combinatie veel meer op kan leveren. Het brandverhaal is daarbij van belang (Why? What? How?). ‘It’s not what you do, it’s how you do it’, hield Hughes de aanwezigen voor. ‘Connect your stories and unify under the Dutch brand’. Kenmerken van het Nederlandse merk zijn ‘pragmatic openmindedness, collaborative diversity and local/global’. Treed daar collectief mee naar buiten en verplaats je in de buitenstaander. Hoe kijkt die tegen je aan?

De plenaire discussie over de wereldtournee van het KCO gaf direct aan hoe je dit model in praktijk kunt brengen. In het panel zaten vertegenwoordigers van het KCO en van partners waarmee het de wereldtournee organiseert. Jan Meddens, manager corporate relations & sponsoring bij het KCO, legde kort uit wat de wereldtournee inhoudt en hoe het KCO dit organisatorisch aan gaat pakken. Rutger Hamelynck, global head sponsorship bij ING, vertelde dat ING als sinds 1989 partner is van KCO. De merkverhalen van ING en KCO passen goed bij elkaar en ze hebben beide belang bij internationale optredens. De optredens bieden ING goede mogelijkheden contacten in het buitenland aan te halen. Een andere partner is de AVRO. Willemijn Maas, algemeen directeur van de AVRO, overtrof ING door mee te delen dat de banden tussen AVRO en KCO al bijna 90 jaar oud zijn. De AVRO wil kunst en cultuur toegankelijk maken bij een breed publiek, maar is daarbij op zoek naar andere vormen dan een pure concertregistratie. De bedoeling is dan ook om een roadmovie van de wereldtour te maken. Jan van Weijen, verbonden aan de Nederlandse ambassade in Londen, maakte duidelijk wat de ambassade voor het KCO kan betekenen als het Groot-Brittannië aandoet en welke mogelijkheden optredens van het KCO aldaar de ambassade bieden. Het KCO is daarbij een visitekaartje waar je als ambassade mee voor de dag kunt komen door bijvoorbeeld buitenlandse investeerders voor het concert uit te nodigen. Agentschap NL biedt het KCO vooral contacten in de landen die tijdens de wereldtournee aangedaan worden, zo lichtte Vincent Stokman toe. Kunst en cultuur worden daar vooral gebruikt om contacten voor het bedrijfsleven te leggen en te onderhouden.
Tot besluit kwam dagvoorzitter Rob Vermaas terug op de samenwerking en hoe dit als voorbeeld voor andere culturele instellingen zou kunnen werken. Hier kwam naar voren dat je als culturele instelling niet kost wat kost het buitenland voor ogen moet houden. Veel instellingen zijn daar ook niet voor bedoeld. Als je echter naar het buitenland wilt, is het van belang daar een helder en goed onderbouwd plan voor op te stellen, waarmee je bij eventuele partners aan kunt komen. Het KCO heeft wat dat betreft als wereldvermaard orkest dat overal welkom is een duidelijke voorsprong. ING verbindt zich niet aan optredens van het KCO. Zo heeft ING geen enkel belang in Zuid-Afrika. Daar zal het zich dan ook niet met het KCO afficheren. Het zal echter niet moeilijk zijn daar een andere partner voor te vinden. Willemijn Maas bracht in dat het model niet alleen internationaal maar ook nationaal bruikbaar is. ING gaf in de persoon van Hamelynck te kennen dat als kunstinstellingen ondernemend zijn, het ING daar graag bij aanhaakt.

Na een korte pauze werden de aanwezigen verdeeld over 3 workshops: Hoe weet ik wat ik waard ben? Het buitenland gold als voorbeeld. En wat doet de koppelaar? Ik was ingedeeld bij de eerste workshop waar Steven Kop, creatief directeur van adviesbureau Creatieve Koppen, een inleiding hield over de werkwijze van zijn bureau. Aan de hand van een aantal pitches werden de aanwezigen uitgedaagd mogelijke oplossingen aan te dragen. Zoals in het huidige klimaat te verwachten, betrof het vooral het zoeken van financiers voor projecten. Het viel me op hoeveel oplossingen mensen uit de kunst- en cultuursector hier in korte tijd voor aan kunnen dragen. Zo werd een pianist die een festival wilde organiseren waar pianisten en drummers voorstellingen gaven door de aanwezigen gekoppeld aan een datingbureau of een bedrijf met veel duobanen. Kop kwam zelf met het voorbeeld van de Cliniclowns die meer voorstellingen wilden geven, maar hoe dat te financieren? Hij stelde daarop voor de cliniclowns ook in het bedrijfsleven in te zetten. Door daar een ziekenhuisclown voor op te offeren, konden 3 anderen extra in het ziekenhuis aan de slag. Een reden om de banden met het bedrijfsleven op andere manier aan te halen dan alleen als directe financier.

Een kort interview met Hugo de Greef, momenteel adviseur van de Vlaamse regering over de vormgeving van haar internationaal cultuurbeleid, besloot de bijeenkomst. Op de vraag naar zijn mening over de combinatie kunst en koopman was De Greef duidelijk. Dit levert in een aantal gevallen zeker goede combinaties op, maar het dient geen uitgangspunt te zijn. Net zo min als het uitgangspunt dat de overheid eigen inkomsten van cultuur- en kunstinstellingen een op een matcht. De kunst- en cultuursector is daarvoor te divers en de verschillen tussen de verschillende sectoren zijn daarvoor te groot. Een orkest is niet te vergelijken met een filmregisseur of beeldend kunstenaar. Maar zoals ING-medewerker Rutger Hamelynck in de paneldiscussie al aangaf: ‘op ieder potje past een dekseltje’.

André Nuchelmans

dinsdag 20 september 2011

Incubate. DIY conference

Afgelopen vrijdag was de conferentiedag op het Tilburgse festival Incubate. Het thema was dit jaar DIY oftewel Do It Yourself. In het Midi Theater was een afwisselend programma in de theaterzaal en de bar. De term DIY stamt uit de jaren 70 toen veel punkbandjes het heft in eigen hand namen en niet langer afhankelijk wilden zijn van grote platenmaatschappijen. Ze konden niet alleen zelf de muziek maken, maar die ook opnemen en aan de man of vrouw brengen. In het huidige digitale tijdperk is dat allemaal nog iets eenvoudiger dan toentertijd. In het programma kwam zowel heden als verleden aan de orde, waarbij de balans enigszins doorslag naar de DIY in de jaren 70.

Allereerst was het woord aan Michael Azerrad, auteur van het boek Our band could be your life. In het boek beschrijft hij de opkomst van de DIY cultuur, zoals een aantal Amerikaanse bands dat eind jaren 70, begin jaren 80 in de praktijk bracht. Zijn lezing was een korte weergave van de inhoud van het boek, waaruit hij veelvuldig citeerde. Zoals de titel al aangeeft, was de DIY cultuur in de beschreven periode meer dan alleen een manier waarop bandjes zich manifesteerden. Het was een manier van leven. De lezing was een soort verheerlijking van de beschreven periode. Het was absoluut niet rooskleurig, maar er sprak wel iets uit van 'toen was alles nog serieus (en beter)'. Jammer was bovendien dat Azerrad de draad zelf nauwelijks doortrok naar de huidige tijd. Gelukkig waren er vragen uit de zaal die daar wel op inspeelden. Belangrijkste conclusie was dat de hedendaagse indie cultuur inmiddels veel meer onderdeel is van de media-industrie dan in de vorige eeuw. Alle indielabels zijn onderdeel van een van de grote platenmaatschappijen. De echte DIY manier van muziek maken en distribueren speelt zich daarbuiten af.

Vervolgens was er in de theaterzaal een vertoning van de documentaire PressPausePlay die zich volledig toespitste op de mogelijkheden die de huidige digitale wereld de DIY cultuur biedt. In tegenstelling tot de lezing van Azerrad kwamen hier niet alleen de voordelen, maar ook de nadelen uitvoerig aan de orde. Als grootste nadeel noemden diverse geïnterviewden dat iedereen zijn product wereldwijd kan aanbieden en verspreiden. Je hoeft absoluut geen talent te hebben om een filmpje met je uiting op internet te plaatsen. Ook is het mogelijk om valse of niet in het ritme passende zang electronisch niet vals of ritmisch passend te maken. Hierdoor ontstaat een grote hoeveelheid middelmatige of zelfs minderwaardige cultuurproducten, waar je nauwelijks nog de weg naar het echte talent in kunt vinden. Aansluitend vond een discussie over de film plaats. Tegelijkertijd vond onder leiding van Niels Aalberts (EHPO) een discussie in de bar plaats met studenten over DIY. Daarbij werd hetzelfde punt als in de documentaire aangeroerd: de negatieve effecten van het feit dat iedereen zijn product tegenwoordig via YouTube of een ander digitaal kanaal wereldwijd aan kan bieden.

Na deze discussie in de bar gaf Slava Rubin van IndieGogo in de theaterzaal een presentatie van Crowfunding zoals alleen Amerikanen dat kunnen. In een razend tempo gaf Rubin een zogenaamd objectieve presentatie van crowdfunding, waarbij IndieGogo alom aanwezig was. Desalniettemin was het een enthousiasmerende en informatieve lezing. Iedereen kan op IndieGogo’s een project aanbieden om dat via crowdfunding gefinancierd te krijgen. Je krijgt je geld altijd netjes op je rekening gestort of je je streefbedrag gehaald hebt of niet. Kom je in de lijst van favoriete projecten (opgesteld op basis van zuiver analytische cijferbewerkingen en niet op subjectieve oordelen, aldus Rubin) dan zal IndieGogo er alles aan doen om je een handje te helpen. Van belang is vooral om je via je directe vrienden- en familiekring te verzekeren van een startkapitaal en je product zo onder de aandacht te brengen dat ook andere mensen in je project geïnteresseerd raken. De site herbergt van alles: van industriële ontwerpen tot een bandje dat een cd op wil nemen. IndieGogo kan er van bestaan door van de geslaagde projecten 4% van de opbrengst te vragen en van niet geslaagde 9%. Het meest interessante van de lezing van Rubin was dat hij de term DIY naar de prullenbak verwees. Hij spreekt liever van DIWO: Do It With Others.

Het daaropvolgende interview van John Robb met Steve Ignorant, frontman van de Engelse punkband Crass, verzandde al snel in een verzameling anecdotes die vooral voor de diehard fans interessant waren. Net als de eerste lezing van Azerrad werd het thema van de conferentie niet of nauwelijks naar het heden doorgetrokken. Het slotwoord van de conferentie was aan Bill Drummond, met wie diezelfde dag ook al een uitgebreid interview in de Volkskrant stond. Het onderwerp was nagenoeg hetzelfde. Na een korte terugblik op zijn activiteiten in de popsector vanaf de jaren 90, hekelde Drummond de huidige cultuur waarbij iedereen de gehele dag met oortjes in rondloopt. Het creëert een soort steriele wereld waarin mensen geïsoleerd en geluidloos leven. Iedereen geeft zich de gehele dag over aan een passieve geluidsstroom. Je hoort nooit meer iemand fluiten op straat. Drummond probeert zich hier zelf aan te onttrekken door zich op straat als schoenenpoetser aan te bieden onder een zelfgeproduceerd riedeltje fluiten. Dat hij de daad bij het woord voegde was voor zijn lezing te zien, toen hij de schoenen van nietsvermoedende bezoekers van het congres en voorbijgangers voor de deur van het Miditheater poetste.

Het meest treffende voorbeeld van DIY in het huidige digitale tijdperk leverde Erwin Blom die vrijdagavond al een Ebook van de conferentie produceerde, gemaakt met een gedownloade app op zijn Ipad.

André Nuchelmans

maandag 12 september 2011

Gala van het Nederlands Theater

Acteur Jacob Derwig kwam op straat een man tegen die hem herkende maar niet precies wist waarvan. 'De televisieserie In therapie?', probeerde Derwig. Of misschien de film Lek of Enclave? Het deed geen bel rinkelen bij de voorbijganger en de acteur vervolgde: 'Ik werk ook bij Toneelgroep Amsterdam, het grootste gezelschap van Nederland, als acteur.' De zoekende blik van de man maakte plaats voor minachting: 'Tonéél?!' Hij maakte zich snel uit de voeten. In een tijd waarin gesubsidieerde kunst en podiumkunst in het bijzonder in diskrediet zijn geraakt, vraagt zelfs een acteur die de Louis d’Or 2011 wint zich af of hij er nog wel mee door moet gaan. Derwig won deze prijs voor de meest indrukwekkende mannelijke dragende rol voor zijn personage in Kinderen van de Zon van Toneelgroep Amsterdam. Elsie de Brauw kreeg de Theo d’Or voor de meest indrukwekkende vrouwelijke dragende rol, die zij speelde in Gif van NTGent.

Zondagavond 11 september zijn tijdens het Gala van het Nederlands Theater in de Amsterdamse Stadsschouwburg de VSCD Toneelprijzen, de VSCD Mimeprijs, de VSCD Jeugdtheaterprijzen en de AVRO Toneel Publieksprijs 2011 uitgereikt. Acteurs Leopold Witte en Geert Lageveen verzorgden de presentatie en kwamen op in sjofele kleding met een ouderwetse grammofoon. Voor iedere prijswinnaar was er een nostalgische plaat, variërend van Boney M. tot The Beatles.

De afspraak was ‘om het er niet over te hebben’, over de aangekondigde bezuinigingen. Maar, meestal via een geestige omweg, verwees iedereen er naar: de ‘linkse hobby’ en de ‘kaalslag’ die vooral nadelig uit lijken te pakken voor de toekomst van jong talent. Onny Huising, artistiek leider van Het Speeltheater Holland, samen met Het Houten Huis winnaar van De Gouden Krekel voor Adios, de beste jeugdtheatervoorstelling, riep door de microfoon: 'Ik ga het er tóch over hebben!' Hij vroeg aandacht voor jong talent zoals regisseur Eileen van den Hoek die naast hem op het podium stond.
Toch was de sfeer vooral feestelijk, met stevige muzikanten van Orkater op het podium. De acteurs waren zenuwachtig en de twee presentatoren juist losjes, met de ene kwinkslag na de andere.
De winnaar van de prestigieuze Prosceniumprijs Jan Joris Lamers, die volgens de jury een wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het toneelklimaat, schitterde door afwezigheid want hij stond in Utrecht op de planken. De jury acht het theaterpedagogisch aspect van Lamers’ werk ‘van onmetelijk belang voor de ontwikkeling van het Nederlandse toneel’.

Belangrijk voor het draagvlak van theater blijft de AVRO Toneel Publieksprijs, waarvoor meer dan 30.000 mensen hun stem uitbrachten, met stemformulieren in het theater en een online stemronde. Winnaars Peter Blok en Loes Lucca, acteurs van de productie DOEK!, krijgen van de AVRO zendtijd en € 25.000,-, voor een volgende productie.
De Arlecchino 2011, voor de meest indrukwekkende mannelijke bijdragende rol, ging naar een zichtbaar ontroerde Peter Bolhuis voor zijn rol in Augustus: Oklahoma van De Utrechtse Spelen. De Vlaamse actrice Lies Pauwels, die de Colombina, voor de meest indrukwekkende vrouwelijke bijdragende rol, in ontvangst nam voor haar rol in Freetown van Dood Paard kreeg de lachers op haar hand. 'Ik sta hier in een kleed van 295 euro', zei ze met een hulpeloze blik op haar iets te slobberige gewaad. 'Ik weet, het is er niet aan af te zien. Maar ik zeg het u tóch. Als we het geld dat iedereen vanavond voor zijn feestkleding heeft uitgegeven in één pot zouden doen, zou daarmee misschien een bescheiden theaterproductie zijn te financieren.' Maar dan was het uitbundige bal na afloop op het podium nogal saai geweest.

Het volledige juryrapport is te downloaden via www.galavanhetnederlandstheater.nl of www.vscd.nl.

Anita Twaalfhoven

vrijdag 9 september 2011

Mythen van het atelier. Werkplaats en schilderpraktijk van de negentiende-eeuwse kunstenaar

In 2002 ging op het Rijksbureau voor Kunsthistorische Documentatie (RKD) te Den Haag een onderzoek naar negentiende-eeuwse ateliers en schilderspraktijk in Nederland van start. In de afgelopen jaren zijn egodocumenten, brieven, reisverslagen, memoires van kunstenaars, tijdschriftartikelen, schilderijen, tekeningen en foto’s uit eigen en andere collecties bijeen gebracht en bestudeerd. Het bronnenmateriaal werd vastgelegd in een database, RKDstudio, het beeldmateriaal ontsloten via RKDimages. Hierdoor werd het mogelijk om op allerlei manieren in de verzamelde informatie te zoeken en de gegevens met elkaar te combineren. Drie tentoonstellingen werden ter gelegenheid van boek en database georganiseerd onder dezelfde titel: Mythen van het atelier. In het Teylers Museum te Haarlem van 18 september 2010 tot en met 9 januari 2011, in Museum het Valkhof te Nijmegen van 31 maart tot en met 8 mei 2011 en in Luxemburg in Villa Vauban, Musée d’Art de la ville de Luxembourg van 10 juni tot en met 10 oktober 2011.

Mythen van het atelier. Werkplaats en schilderpraktijk van de negentiende-eeuwse Nederlandse kunstenaar is een eerste kunsthistorische beschouwing die ter gelegenheid van de database is verschenen. Het boek bestaat uit twee delen. In de eerste zeven hoofdstukken komen de sociale aspecten van het atelier en het imago van de schilder aan de orde met onderwerpen als de status van de kunstenaar in relatie tot zijn werkruimte, de verschillende soorten kunstenaars variërend van de ‘broodkunstenaar’ tot ‘gentleman-artist’, de schilder als publiek figuur, de atelierbezoeker, de door meerdere kunstenaars gedeelde ateliers (bijvoorbeeld uit dezelfde familie of hetzelfde gezin, zoals de broers Lamme, de familie Knip en het gezin Van de Sande Bakhuyzen). Een speciaal hoofdstuk is gewijd aan vrouwelijke kunstenaars. Steeds meer kunstenaressen, vaak wel afkomstig uit kunstenaarsfamilies en/of gegoede milieus werden in de loop van de negentiende eeuw actief en hun kunstbeoefening emancipeerde van de huiskamer naar (gezamenlijk) gedeelde professionele ateliers.

In het tweede deel van het boek zijn de verschillende aspecten van het ‘schilderen als zodanig’ in het atelier als ruimte expliciet gekozen als uitgangspunt. Het schilderen en plein air komt nu en dan wel aan de orde maar aangezien daarover al eerder is gepubliceerd (bijvoorbeeld W. Loos (et al.) Langs velden en wegen. De verbeelding van het landschap in de 18e en 19e eeuw. Tentoonstellingscatalogus Rijksmuseum Amsterdam 1997-1998) is dit in grote lijnen buiten beschouwing gebleven. De schilderspraktijk; gebruikte technieken, verf, ander materiaal, de schildersezel en de schilderskist, maar ook de modellen van de schilder ‘van hout, van stof, van vlees en bloed’ komen uitgebreid in 13 hoofdstukken aan de orde. De periode tussen ongeveer 1800 en 1914 is als uitgangspunt gekozen met als reden dat vanaf die tijd de aandacht van het in kunst vastleggen van een weergave of impressie van de werkelijkheid verschuift naar de complexiteit van het kunstwerk zelf waarin in toenemende mate compositie en kleur als zelfstandige gegevens met een eigen uitdrukkingswaarde gezien worden.

Al met al een zeer mooi en leesbaar boek. Met veel prachtige foto’s van (schilderijen van) ateliers en attributen die behoren bij het schildersvak, maar ook van de kunstenaars aan het werk achter hun ezels, atelierbezoekers, schildersmodellen en van de werken zelf. Het boek is verschenen met twee verschillende omslagen. Een met het bekende Meisje in witte kimono van George Hendrik Breitner en een met een zelfportret van Jan Toorop in zijn atelier. Een uitgebreide literatuurlijst en register vervolmaken het geheel tot een publicatie die zeer de moeite waard is en bovendie een voorbeeldige verzameling bronnen bij elkaar heeft gebracht die nu via de rkd digitaal toegankelijk is.

Mayken Jonkman en Eva Geudeker (redactie) Mythen van het atelier. Werkplaats en schilderspraktijk van de negentiende eeuwse Nederlandse kunstenaar. Zwolle/Den Haag: Uitgeverij d’jonge Hond/RKD. Prijs: € 34,95

Ook te leen in de bibliotheek van de Boekmanstichting,
signatuur: 11-250.

Truus Gubbels

maandag 5 september 2011

Staat van het theater: Joop van den Ende roept kunstsector op tot actie

Het nieuwe theaterseizoen werd op donderdag 1 september traditiegetrouw geopend met de Staat van het Theater, de openingstoespraak van het Nederlands Theater Festival. Dit jaar was de eer aan Joop van den Ende, die met een positieve blik en enkele concrete ideeën naar de toekomst van de kunsten keek.

Het eerste woord van de avond was aan presentatrice Clairy Polak. Als juryvoorzitter van het festival selecteerde zij de beste voorstellingen van het afgelopen theaterseizoen. “We zijn gewogen en te links bevonden”, verwoordde ze de koers van het huidige kabinet. Door de regeringsmaatregelen wordt een avondje theater een luxeproduct en wordt kunst elitairder, stelde ze. Kunstenaars moeten kiezen op wie ze zich willen richten: een doelgroep of juist een breed publiek? Volgens Polak kunnen instellingen en kunstenaars juist nu gewaagde keuzes maken, omdat de sector niks meer te verliezen heeft. “Het mag wel wat minder veilig. We leven tenslotte in gevaarlijke tijden.”

Stoppen met klagen
Joop van den Ende begon zijn toespraak met een beschrijving van zijn liefde voor theater, die gegroeid was in de Amsterdamse Stadsschouwburg. Hij noemde de cultuurbezuinigingen “heel erg”, maar erger vond hij het dedain waarmee de politiek over de kunsten spreekt. Als onafhankelijk producent heeft Van den Ende niets te maken met subsidies en de bezuinigingen daarop. Als ondernemer met eigen theaters in onder meer Duitsland, Groot-Brittannië, Spanje en Italië benadrukte hij echter dat het belangrijk is om goede contacten met de gesubsidieerde sector te onderhouden. In Nederland is er volgens Van den Ende te weinig eenheid binnen de kunstwereld. Als die er eenmaal is, valt er veel te winnen. “Laten we stoppen met klagen en een antwoord bedenken op wat er nu gebeurt.”

Onbenutte mogelijkheden
Volgens Van den Ende is de kwaliteit van de Nederlandse podiumkunsten, film en muziek van internationaal niveau, zijn de kunstopleidingen goed en trekken de podiumkunsten jaarlijks al meer publiek dan alle sporten bij elkaar. De houding van de cultuursector kon dan ook rekenen op de nodige kritiek: “We doen net of we zieke kinderen zijn, terwijl het beroep van kunstenaar een beroep van de toekomst is. We moeten het alleen anders inkleden. Wij kunnen een antwoord bieden aan mensen die totaal niet creatief zijn”. De mediamagnaat pleitte voor een betere kunstlobby in Den Haag, zeker nu er niemand namens de kunstensector betrokken is bij het opzetten van de Geefwet. Van den Ende vindt dat het de sector ontbreekt aan een gezaghebbende woordvoerder die namens de gehele sector spreekt. “Alle belangenorganisaties in de kunst moeten geld opzij zetten voor zo’n lobby, zodat we een volwaardige gesprekspartner worden.” Mecenassen als de VandenEnde Foundation worden in de toekomst belangrijker voor de inkomsten van culturele instellingen; zeker als de Geefwet er is. Ook is er volgens hem nog veel Europees geld beschikbaar voor de kunsten, dat we in Nederland laten liggen.

Aan het werk
Wat betreft programmering moeten er volgens Van den Ende scherpe keuzes gemaakt worden, waarbij het publiek verrast wil worden. Een afwisselend aanbod blijft ook belangrijk. “Onder het geweld van grote producties moeten er kleinere voorstellingen zijn, die niet voor een groot publiek gemaakt worden.” Van den Ende concludeerde zijn toespraak met een oproep aan theatermakers, directeuren en medewerkers van het ministerie om er het beste van te maken, ondanks de ellende. “Er is veel mogelijk; creativiteit zal altijd overwinnen. Aan het werk.”

Na afloop van zijn toespraak kreeg Joop van den Ende de VSCD Oeuvreprijs uitgereikt. Hij kreeg de prijs vanwege zijn grote en blijvende bijdrage aan de Nederlandse podiumkunsten. “Van den Ende heeft de musical als genre in Nederland geïntroduceerd, groot gemaakt en altijd met bijzondere kwaliteit op de planken gezet”, vermeldde het juryrapport.

Kim van der Meulen

maandag 29 augustus 2011

Paradisodebat – Stad versus staat: tegenhangen of meebuigen?

Vorig jaar werd tijdens het Paradisodebat, traditiegetrouw de afsluiting van de Uitmarkt, geconcludeerd dat de bezuinigingen van 20% op het totale cultuurbudget de gehele sector zouden ontwrichten. Een jaar, vele Kamerdiscussies en demonstraties en een Btw-verhoging van zes naar negentien procent op de podiumkunsten later, zijn de bezuinigingen onvermijdelijk. Onder het thema Stad versus staat: tegenhangen of meebuigen? werd gisteren in een drukbezocht Paradiso besproken wat de keuzes van het Rijk betekenen voor stad en provincie. Berekeningen van Bureau Berenschot en Atlas voor Gemeenten lieten verontrustende toekomstscenario’s zien voor zowel de maatschappij als de economie, die van toepassing zijn wanneer steden het rijksbeleid volgen in de grootscheepse bezuinigingen. Onder leiding van Ruben Maes werd vervolgens gediscussieerd over stedelijk cultuurbeleid en welke keuzes gemaakt moeten worden. Deelnemers aan het debat waren cultuurwethouders Mary-Ann Schreurs (Eindhoven), Michiel van Wessem (Arnhem) en Antoinette Laan (Rotterdam), Frits Lintmeijer (Utrecht), Marijke van Hees (Enschede) en Ton Schroor (Groningen). Overige deelnemers aan het debat waren enkele leden van de Tweede Kamer: cultuurwoordvoerders Jetta Klijnsma (PvdA), Bart de Liefde (VVD), Boris van der Ham (D66), Liesbeth van Tongeren (GL) en Jasper van Dijk (SP). Grote afwezige was de PVV. Het debat liet vooral zien dat de kaasschaafmethode niet werkt en dat lokale beleidsvoerders scherpe keuzes moeten maken. Er werd, wellicht tevergeefs, gepleit voor het terugdraaien van de Btw-verhoging. Onbegrip voor de snelheid waarmee de bezuinigingsplannen zijn doorgevoerd en het gebrek aan een duidelijke visie van staatssecretaris Zijlstra werden regelmatig aangehaald met begrijpelijke, maar weinig nieuwe argumenten.


Utrecht maakt scherpe keuzes
Ad ’s-Gravesande, voorzitter Kunsten ’92, opende de middag door het belang van kunst en cultuur voor steden te onderstrepen. Hij pleitte voor een gemeentelijk beleid waarbij gekozen wordt voor slimme bezuinigingen, met behoud van diversiteit en kwaliteit in het cultureel aanbod. Naast het terugdraaien van de Btw-verhoging wenste hij van de Tweede Kamer een goede regeling rond de Geefwet en de juiste omstandigheden voor zelfstandig ondernemers. Ook de burgemeester van Utrecht, Aleid Wolfsen, schetste het stedelijk belang van kunst en cultuur. Een gezond cultureel klimaat maakt een stad aantrekkelijk, leefbaar, stimuleert de huizenmarkt, genereert werkgelegenheid en levert geld op. De stad Utrecht is tegen de rijksbezuinigingen en is van plan jaarlijks twee miljoen extra te investeren in kunst en cultuur om de culturele infrastructuur op peil te houden en te versterken. Bij subsidiëring maakt de stad keuzes op basis van vernieuwing en de verbinding tussen cultuur en onderwijs, wijken en het bedrijfsleven.

Te weinig tijd voor alternatieven
De cijfers van Bureau Berenschot vormden de meest concrete informatie van de bijeenkomst. Bastiaan Vinkenburg liet zien hoe de inkomsten en uitgaven van de cultuursector eruitzagen bij de start van de cultuurnotaperiode in 2009 en hoe ze eruit zullen zien in 2013. Het onderzoek liet zien dat subsidies van gemeenten, provincies en het Rijk samen 64% van de inkomsten vormden in 2009. De overige 36% werden binnengehaald met eigen inkomsten: van entreekaartjes tot zaalverhuur, horeca en lesgelden voor workshops. Voor 2013 wordt verwacht dat deze eigen inkomsten mogelijk stijgen naar 41%, door een toename van bijdragen uit private fondsen. Beperkt weliswaar, omdat deze voortdurend onder druk staan van beleggingsresultaten. In sponsoring zit volgens Bureau Berenschot weinig beweging en het mecenaat heeft nog jaren nodig om zich te ontwikkelen. Een weinig rooskleurig toekomstperspectief, aangezien nu al afnemende entreekosten en een beperkt cultureel aanbod zichtbaar zijn. Bovendien zullen de lasten van de cultuursector blijven toenemen. Als zowel Rijk als gemeenten en provincies 25% bezuinigen op kunst en cultuur, zijn de inkomsten voor de culturele sector in 2013 maximaal 1 miljard euro lager dan in 2009. Alle cijfers van Bureau Berenschot zijn hier te bekijken.

Gerard Marlet liet namens Atlas voor Gemeenten zien wat de maatschappelijke en economische schade van de cultuurbezuinigingen zijn. Een onderzoek dat naar eigen zeggen beter vooraf door het Rijk uitgevoerd had kunnen worden. Aan de hand van vijf maatschappelijke waarden, variërend van sociale waarden (leefbaarheid, werkgelegenheid, gezondheid) tot economische waarden (toerisme, export van cultuur) liet Marlet zien welke bijdrage kunst en cultuur leveren aan de welvaart van een stad. Hoewel steden de maatschappelijke schade kunnen tegengaan door extra sponsoring, efficiëntieverhoging en inkomstenoptimalisatie, kunnen culturele instellingen deze opties onmogelijk binnen twee jaar doorvoeren. Conclusie: het welvaartsverlies blijft hoger dan de overheidsfinancieringen. Het gevolg van te snelle en te drastische bezuinigingen. Het onderzoek is binnenkort terug te vinden op www.atlasvoorgemeenten.nl.

Herhaling van zetten
In het debat tussen de cultuurwethouders en -woordvoerders, dat uitstekend werd geleid door Ruben Maes, was te merken dat veel steden het voorbeeld van Utrecht volgen door scherpe keuzes te maken in plaats van te schaven en door niet evenredig aan het Rijk te bezuinigen. De cultuurwethouders lieten weten de bezuinigingen niet te kunnen compenseren en samen met de sector en fondsen keuzes te maken en naar alternatieven te zoeken. Frits Lintmeijer (Utrecht) pleitte voor innovatie van de sector en daarmee op voortschrijdend inzicht van de staatssecretaris – ook al mochten brieven van de G8 naar Den Haag niet baten. Hoewel bij de cultuurwethouders de wens leeft niet afhankelijk te willen zijn van rijkssubsidie en zij niet willen meebuigen, noemden ze nog weinig concrete criteria om de noodzakelijke keuzes binnen hun eigen stad te maken. Het gebrek aan visie van Zijlstra en de snelheid waarmee de maatregelen worden doorgevoerd, werd regelmatig aangehaald. Jasper van Dijk (SP) noemde de Btw-verhoging een ordinaire belastingverhoging en volgens Jetta Klijnsma (PvdA), zelf oud-staatssecretaris, kan Zijlstra nog op zijn besluit terugkomen. Ton Schroor (Groningen) gaf aan dat de dialoog tussen lokale bestuurders en Den Haag ontbreekt en ook Michiel van Wessem (Arnhem) wil een dringend beroep op de staatssecretaris doen om opnieuw in gesprek te gaan over het maatschappelijk en economisch belang van kunst en cultuur. Het leidde tot een discussie die al regelmatig gevoerd is in de Tweede Kamer. Bart de Liefde (VVD) benadrukte dat zijn partij hart voor cultuur heeft en de snelle bezuinigingen doorvoert vanuit het geloof in een herstructurering van de sector. De doemscenario’s die eerder geschetst zijn, noemde hij weinig overtuigend. Boris van der Ham (D66) liet weten dat de PVV, grote afwezige bij het debat, besprekingen over het terugdraaien van de Btw-verhoging in de Tweede Kamer regelmatig tegenhoudt. Het beeld dat het kabinet bewust afrekent met kunst en cultuur, blijft daarmee overeind – en de oplossing nog ver weg.

Kim van der Meulen

dinsdag 26 juli 2011

Dr. Rat. Godfather van de Nederlandse graffiti


‘Sommige mensen willen overleven onder alle omstandigheden. Anderen willen alleen maar branden, zo fel mogelijk’. Deze regels, op de achterzijde van de biografie van Ivar Vičs, beter bekend als Dr. Rat, zijn een treffende typering van het ‘enfant terrible’. Vičs (1960-1981) staat te boek als de eerste bekende Nederlandse graffitikunstenaar en speelde een hoofdrol in de Amsterdamse punkscene van het einde van de jaren zeventig. Journalist Martijn Haas brengt het korte leven van de ‘godfather’ in kaart aan de hand van tientallen interviews met vrienden en andere betrokkenen en een groot aantal gedrukte en (audio)visuele documenten. Ook de familie van Vičs is bij de publicatie betrokken geweest, maar heeft de uitgave niet geautoriseerd.

Het resultaat van wat Haas een ‘oral history’ noemt, is een bevlogen, bijna intiem verslag over een getalenteerde jongeman die van jongsafaan moeite heeft in het gareel te blijven. Vurig, opstandig, extreem en ongeremd. Zo omschrijven zijn vrienden hem als kind. School interesseerde hem weinig, vertelt een klasgenoot. Hij spijbelde en hield het op geen enkele school lang uit. Tijdens zijn schooljaren rookte hij hasj, maar al snel wordt hij een, in hulpverlenersjargon, experimenteel polygebruiker, iemand die van alles eens wat probeert.

In 1978 komt hij opnieuw in contact met Diana Ozon, het meisje waar hij als kind mee speelde en dat uitgroeide tot een van de hoofdrolspelers in de chaotische punkbeweging in Amsterdam. Hij voelt zich in de punk- en krakersbeweging direct thuis. ‘Ivar houdt van punk’, schrijft Haas, ‘hij omarmt het, kneedt het, drukt het aan zijn borst.’ Ozon, Christiaan Maat en Hugo Kaagman, early adopters, hielden zich in de punkbeweging bezig met verschillende artistieke, geengageerde projecten, zoals het blaadje Koecrant. Vičs ging er aan de slag als redacteur en ontwikkelde zich als graffitikunstenaar. Hij ontpopte zich als obervator, boodschapper en initiator van de punkbeweging, legt Haas uit. Met zijn eigen stijl, typografieën en slogans laat hij overal in de stad zijn sporen achter, op muren, straatmeubilair, op (maar ook in) trams en bussen. Ook telefooncellen, die toen nog bestonden, werden door hem ‘versierd’. Fans volgden Dr. Rat massaal met hun eigen graffiti. De naam Dr.Rat was overigens een verwijzing naar de gelijknamige roman van William Kotzwinkle over experimenten met proefdieren, waarin ratten tevergeefs in opstand komen.

Niemand minder dan punkzangeres Nina Hagen raadde Vičs aan om zich meer te richten op zijn creatieve talent in plaats van zijn drugsverslaving, en zelfs zijn naam te veranderen in Dr. Art. Hagen beschrijft het relaas in haar autobiografie uit 2006, volgens Haas. In 1979 bracht ze enige tijd met Vičs door in het gekraakte NRC gebouw aan de Nieuwezijds Voorburgwal in Amsterdam. Zelfs zij was behoorlijk geschrokken van de grote hoeveelheid drugs die de pandbewoners tot zich namen. De LSD trip die zij er samen met Vičs beleefde, leidde voor haar tot het goddelijk geluk: Hagen is sindsdien een devoot christen. Voor Dr. Rat liep het geheel anders. Hij nam Hagens advies niet aan want hij was van mening dat zijn creativiteit en drugsgebruik onlosmakelijk met elkaar verbonden waren, aldus Haas.

Dr. Rat had inmiddels de status van graffitilegende, hij was een cultfiguur geworden. De media besteeddenveel aandacht aan hem. Uit de vele verhalen van zijn vrienden ontstaat het beeld van iemand die steeds meer ongrijpbaar en onnavolgbaar was. Het ene moment stond hij midden in de belangstelling en dook hij overal op, op het andere moment verdween hij spoorloos om na een paar dagen een kaartje te sturen vanuit de jeugdgevangenis in Scheveningen. De verslagen geven ook aan dat zijn drugsgebruik volledig uit de hand liep. In de zomer van 1981 overleed hij aan een overdosis.

De gesprekken die Haas met betrokkenen heeft gevoerd leveren een schat aan informatie op. Maar hij geeft zijn informanten soms teveel ruimte om hun verhaal te vertellen en had hier en daar beter een verslag van de gesprekken kunnen maken in plaats van de geïnterviewden alsmaar te citeren.

Is de straatkunst van Ivar kunst te noemen? Daarover zijn de meningen verdeeld, aldus Haas in zijn epiloog. Fans zien zijn oeuvre vooral als een handschrift. Nog steeds doen ze dat, het aantal fans blijft zelfs groeien. Twintig jaar na het overlijden van Dr. Rat organiseert Haas samen met het IISG een tentoonstelling in het IISG-gebouw aan de Cruquiusweg 31 in Amsterdam, met artwork van Dr. Rat, bestaande uit posters, muurtekeningen en fanzines. De expositie is een unieke gelegenheid om kennis te maken met zijn werk, want de graffitikunstwerken zijn goeddeels uit het stadsbeeld verdwenen. Tot en met 29 juli kunt u er nog terecht (www.iisg.nl)


Martijn Haas - Godfather van de Nederlandse graffiti – Amsterdam: Lebowski, 2011 – ISBN 9789048808519 – prijs: euro 19,90

Jack van der Leden

vrijdag 1 juli 2011

United Art Forces


In het verlengde van het congres Cultuur rekent op draagvlak en het zomernummer van Boekman over verbreding van het draagvlak voor kunst, organiseerde Boekmanstichting op 30 juni in de Singelkerk in Amsterdam United Art Forces, een debat over de vraag hoe cultuurliefhebbers de krachten effectief kunnen bundelen.

In zijn inleiding introduceerde Cas Smithuijsen, directeur van de Boekmanstichting, het zogenaamde Carrouselmodel. Hij onderscheidde hierin zes maatschappelijke sectoren die als de zijden van een carrousel het dak van kunst en cultuur dragen. In het ideale model zijn de zes zijden even hoog, waardoor het dak er stevig op rust. De zes sectoren die het draagvlak voor kunst en cultuur vormen zijn het politieke bestuur, de coalitiepartijen, de culturele instellingen (producenten van kunst), steunkringen zoals vriendenverenigingen, politieke verenigingen/het electoraat, en het algemene publiek. Idealiter zijn de vlakken door een draaibeweging met elkaar in verbinding.

Na deze theoretische onderbouwing van het draagvlak voor kunst en cultuur was het woord aan Jan Jaap de Graeff, directeur van de vereniging Natuurmonumenten. Hoe pakt deze brancheorganisatie het aan om een zo breed mogelijk draagvlak voor natuur te mobiliseren? Om de overeenkomsten tussen de natuur- en de cultuursector te bevestigen verving De Graeff het woord cultuur in de uitnodiging voor het debat door natuur. Ook zijn sector ligt onder vuur en wordt bedreigd met verregaande bezuinigingen en wordt weggezet als iets elitairs. Hoe nu verder? Hij gaf vier adviezen. Allereerst moet de sector niet onderschatten wat er aan de hand is. Daarnaast hoeft ze niet meer te rekenen op het poldermodel. Het klimaat is verschoven: de overheid is minder aanspreekbaar en voelt zich niet gebonden door eerder gemaakte afspraken. Het is dan ook van belang elkaars hand vast te houden en elkaar niet af te vallen. Tot slot moet de sector het niet opgeven. Het is juist nu van belang om je te manifesteren naar een groot publiek. Je moet mensen raken waar hun belevingswereld ligt. Ook Natuurmonumenten merkt dat het draagvlak voor haar werkterrein slinkt: tegenover een jarenlange stijging van het aantal leden, heeft de vereniging de afgelopen twee jaar met een daling te maken.

Na deze twee inleidingen riep gespreksleider Martijn Sanders, onder meer voorzitter van de Vereniging Rembrandt en het Holland Festival, de panelleden aan tafel. Naast Jan Jaap de Graeff waren dat Margot Gerené (directeur Nederlands UITBURO), Simone van den Ende (hoofd kunst en cultuur AVRO), Josine Meurs (directeur Publiek), Hans Onno van den Berg (voorzitter Federatie Cultuur) en Roel van de Weijer (Cinecrowd). Sanders vroeg de panelleden om hun reactie op de lezing van De Graeff. Margot Gerené erkende dat het voor de kunstensector onmogelijk is om met één stem te spreken. Je kunt echter wel voor de gehele sector meer draagvlak verwerven door je op de bezoekers te richten en die duidelijk te maken wat de schade zal zijn die het huidige beleid aanricht. Maar doe dat dan niet direct tijdens of na de voorstelling. Laat mensen eerst nog even nagenieten om ze hier een of twee dagen later op te wijzen. Simone van den Ende gaf aan dat de AVRO het segment kunst en cultuur binnen haar programma’s verder uit wil breiden. Vervolgens werden de aanwezigen op een kort filmisch overzicht van het huidige aanbod getrakteerd. Op een vraag uit de zaal waarom het allemaal leuk en grappig moet zijn, reageerde Van den Ende, dat dit slechts bij een klein deel van de programma’s is, de meeste zijn vooral informatief en laagdrempelig. De bezuinigingen bij de omroep zullen vooral die programma’s treffen die niet tot de speerpunten van de taken van de publieke omroep behoren, zoals human interest programma’s en quizzen. Hans Onno van den Berg benadrukte dat het vooral een kwestie van taal is. Het draagvlak voor kunst en cultuur is in principe enorm. ‘Iedereen luistert de godganse dag naar muziek. Kunst en cultuur zijn identiteitsbepalend voor de dagelijkse omgang tussen mensen’. De kunstensector heeft de rekening gepresenteerd gekregen voor haar hoogmoed. Het gaat zijns inziens tegenwoordig niet meer over genieten, maar over begrijpen. Als je het dan niet begrijpt, haak je af. De kunsten moeten op zoek naar een nieuwe taal om met het publiek te communiceren. Josine Meurs sloot zich hierbij aan. Ze sloot zich ook aan bij De Graeff door te onderkennen dat de sector te maken heeft met een ernstig probleem. Het is meer dan een taalprobleem. De dialoog was beperkt tussen overheid en kunst en kunst is daardoor met de rug naar het publiek gaan staan. Roel van de Weijer introduceerde Cinecrowd, een initiatief van crowdfunding voor film. Op de website wordt een aantal projecten geïntroduceerd waar mensen in kunnen investeren. Als het project doorgaat kunnen die investeerders bijvoorbeeld op de set aanwezig zijn, een bijrolletje krijgen of bij de première aanwezig zijn. Het doel van Cinecrowd is om een van de bouwstenen van de totale financiering te vormen. Hun financiering maakt de aftrap van een project mogelijk.

Na deze reacties van de paneltafel betrok Sanders het publiek bij de discussie. Een van de meest aansprekende voorbeelden om het publiek bij evenementen te betrekken is het initiatief van Lowlands om haar internetcommunity te betrekken bij de programmering van een deel van het festival. Communityleden kunnen bandjes en artiesten voordragen voor het festival, waarvan de organisatie er een aantal programmeert.
Jan Jaap de Graeff reageerde op de opmerking dat de sector een andere taal moet gaan spreken. Hij legde uit dat je je als sector niet te veel moet inperken en haalde zijn eerder genoemde voorbeeld van elitenatuur aan. Hij constateerde dat de kunstensector bijvoorbeeld nogal smalend doet over het levenslied. Je doet er als sector echter beter aan dit ook tot je domein te rekenen. Hiermee sloot hij zich aan bij de opmerking van hoogmoed van Hans Onno van den Berg. De zaal kon het echter niet eens worden over hoe dit dan in de praktijk vorm moet krijgen. Waar Hans Onno van den Berg pleitte voor minder nadruk op vernieuwing en doe gewoon het oude nog een jaar als het succesvol is, vond een aantal aanwezigen dat het juist de taak van de kunst is om zich te vernieuwen en voor de maatschappij uit te lopen. Die volgt vanzelf. Het lijkt in de huidige constellatie echter raadzaam met enige regelmaat achterom te kijken of de maatschappij nog wel volgt of dat de afstand wellicht te groot wordt.
Tot slot vroeg Sanders alle panelleden om een aanbeveling hoe de huidige impasse te doorbreken. Simone van den Ende stelde intensievere samenwerking met anderen voor. ‘Zet de poorten voor iedereen open’. Josine Meurs opperde dat alle culturele instellingen de helft van hun marketingbudget in een grote pot stoppen. Een deel hiervan kan dan gebruikt worden voor gezamenlijke marketing van de gehele sector en een ander deel om in educatie te steken. Margot Gerené zocht het in het verlengde van Boekman 87 in het aangaan van verbanden met andere sectoren zoals bijvoorbeeld het toerisme. Van belang is daarnaast een gezamenlijke visie. ‘En leg de afzonderlijke agenda’s open op tafel’.

In een kort slotwoord drukte Cas Smithuijsen de aanwezigen op het hart dat de huidige omslag slechts een indicator is van een grotere omslag. Het is zaak dat de sector op allerlei manieren publiek mobiliseert voor kunst.

Lees ook het verslag van het debat in het online tijdschrift van het Centrum Beeldende Kunst Utrecht, Lucy.

André Nuchelmans

vrijdag 27 mei 2011

Cultuur en Markt


Op 26 mei vond ter afsluiting van het NWO onderzoekprogramma Transformaties in Kunst en Cultuur in Scheltema in Leiden het symposium Cultuur en Markt plaats. Organisatoren Kitty Zijlmans (Universiteit Leiden) en Judith Thissen (Universiteit Utrecht) heetten de deelnemers welkom, waarna Zijlmans een kort overzicht gaf van de tien jaar dat het onderzoeksprogramma heeft geduurd. Het programma richtte zich op drie transformaties: commercialisering, globalisering en technologisering. Het laatste onderwerp heeft uiteindelijk de meeste aandacht gekregen, terwijl commercialisering relatief weinig aandacht kreeg.

Vervolgens was het woord aan René Boomkens, die de eerste keynote speech, Ontaarding van de kunst, hield. Zoals hij zelf al aankondigde, ‘zonder plaatjes, heel serieus, want daar is de toestand naar’. In zijn boeiende betoog trok Boomkens een vergelijking tussen de situatie waarin de kunsten zich aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog bevonden en zoals ze er nu voor staan. In beide periodes was er sprake van een kloof tussen avant-gardistische kunst en het brede publiek. De oorzaak van deze kloof zocht hij in de overgang van een Fordistische naar een post-Fordistische maatschappij en in de opkomst van populaire cultuur. De eerste oorzaak kwam later op de dag nog uitgebreid aan de orde in de lezing van Pascal Gielen, vandaar dat Boomkens zich vooral op de tweede oorzaak richtte. Hij voerde aan dat de opkomst van een mondiale populaire cultuur de vreedzame coëxistentie tussen kunst en volkscultuur verstoorde, omdat populaire cultuur de concurrentie met beide aan gaat. Onder invloed van de media krijgt het publiek een steeds belangrijkere rol toebedeeld. Hierdoor is kunst haar traditionele waarden verloren en tot koopwaar verworden.De esthetische functie die kunst aanvankelijk had, wordt overgenomen door andere sectoren, waaronder de populaire cultuur. Verwijzend naar een LP-titel van Elvis Presley, 50 million Elvis fans can’t be wrong (dus dan moet het wel goed zijn), lijkt het in het huidige tijdsbeeld niet meer dan normaal dat als 6 miljoen Nederlandse kunstsubsidie niet ondersteunen, die dan ook maar afgeschaft moet worden. Door de publieke sfeer op deze manier aan de markt over te leveren, diskwalificeert de politiek zichzelf. Zagen de nazi’s kunst als onderworpen aan de macht, in de neo-liberale ideologie is kunst onderworpen aan de markt, aan het nut. In een nieuwe vorm van ontaarding kan wellicht volgens Boomkens een uitweg gevonden worden. In plaats van het verlies van de autonomie te bejammeren, moeten kunstenaars terugvallen op voorbeelden van niet-autonomie: kunst als ambacht, als onderzoek, als documentatie, als curator van de stedelijke ruimte. Na afloop van de lezing merkte Zijlmans toepasselijk op dat Boomkens ontaarding van een negatieve naar een positieve lading had verschoven.

Hierna waren er twee parallelle seminar sessies, waarbij ik koos voor Culturele omnivoren en Het M-woord: markt en mecenaat in de huidige kunstwereld. In de eerste sessie gaf Koen van Eijck (Erasmus Universiteit) een kort college over de intrede van de culturele omnivoor in de sociale wetenschappen en de kritiek op deze theorie. André van der Velden (Universiteit Utrecht) gaf hem daar vanuit de historische en geesteswetenschappen een reactie op. Het blijft opvallend hoe sterk de verschillende wetenschapsgebieden op zichzelf gericht zijn en nauwelijks buiten hun eigen gebied kijken. Wanneer ze dit wel doen, komen er al direct interessante constateringen aan de oppervlakte. Zo bleek uit historisch onderzoek dat sociale mobiliteit in de 19de eeuw juist tot een verdere afperking van de hoge cultuur leidde. De elite onderscheidde zich daarmee nog meer dan voorheen. In de 20ste eeuw leidde sociale mobiliteit juist tot een bredere smaak, zo constateerde sociologen. Voer voor verder onderzoek!
Het M-woord seminar richtte zich op de rol van het bedrijfsleven in de kunsten en het mecenaat in Nederland. Arno Witte (Universiteit van Amsterdam) gaf een historisch overzicht van de achterliggende gedachten bij bedrijfscollecties. Renée Steenbergen (Bureau Renée Steenbergen) belichtte de mogelijkheden voor mecenaat in Nederland. Eva Rovers (Rijksuniversiteit Groningen) pleitte voor een masteropleiding mecenaat en kunst verzamelen. Er is de afgelopen jaren veel aandacht voor het mecenaat en de particuliere en bedrijfsverzamelaar, maar het ontbreekt de culturele sector aan kennis om de particuliere geldschieter op de juiste manier te benaderen.

In de tweede keynote speech ging Pascal Gielen (Rijksuniversiteit Groningen en Fontys Academie) in Creative Labor in a Network Society. Gielen verving Angela McRobbie (Goldsmiths, University of London), die op het laatste moment af had moeten zeggen. Gezien zijn korte voorbereidingstijd, kon hij helaas niet op het onderzoek waar hij momenteel mee bezig is, ingaan en beperkte hij zich tot eerder genoemd onderwerp waarover hij al gepubliceerd heeft. Gielen constateert een verschuiving van Fordisme naar post-Fordisme. De term Fordisme verwijst naar Henry Ford, de man achter de T-ford. Het Fordisme kenmerkt zich door een materieel product. Het gaat om de gebruikswaarde en het is een product economie. Ook de arbeidskracht is materieel. Hij is immobiel, heeft standaard werktijden en wordt geacht iets te doen. In het post-Fordisme is dat veranderd naar een immaterieel product, het gaat vooral om ‘sign value’ en het is consumentgerichte economie. In navolging hierop is ook de arbeidskracht immaterieel geworden. Hij is zowel fysiek als mentaal mobiel, heeft flexibele arbeidstijden, communicatie en aanpassing zijn belangrijk en het draait vooral om ideeën. In de kunstwereld aan het eind van de 19de eeuw ziet Gielen al een voorproefje van het post-Fordisme in de vorm van de ‘bohemien’. Creativiteit speelt in het post-Fordisme een centrale rol. Het beperkt zich daarmee niet meer tot de kunstenaar, maar ook de manager wordt geacht creatief te zijn. Door tijdgebrek kwam Gielen niet helemaal toe aan een mooie afronding van zijn verhaal. Maar daarvoor kunnen geïnteresseerden in zijn publicaties terecht.

Ter afsluiting maakte Rob Zwijnenberg nog een aantal slotopmerkingen over het symposium. In het verlengde van het marktdenken filosofeerde hij over het eigenaarschap. Wie is er eigenaar van kunst, natuur, ja zelfs van de mens. Overal is inmiddels een markt voor, zodat zelfs de dode mens een marktwaarde heeft. Het programma was mooi gevarieerd en diende door de invulling niet alleen als een afsluiting van het huidige programma, maar evenzeer als een opmaat voor nieuw onderzoek.

Meer informatie is te vinden op www.nwo.nl/programmatransformaties.

André Nuchelmans

vrijdag 20 mei 2011

Mandeville lezing: Mecenaat in Nederland

In een afgeladen aula van de Erasmus Universiteit sprak Joop van den Ende op 19 mei 2011 de zeventiende Mandeville lezing uit, getiteld ‘Mecenaat in Nederland’. De Mandeville Lezing is een initiatief van de Erasmus Universiteit, het Rotterdamse bedrijfsleven (Club Rotterdam) en de Vereniging Trustfonds EUR. Joop van den Ende werd deze middag onderscheiden met een maatschappelijk eredoctoraat vanwege zijn pioniersrol in de live entertainment sector maar ook voor zijn waardevolle impulsen voor de cultuur in Nederland.

Van den Ende hield een gepassioneerd en persoonlijk verhaal over zijn leven als cultureel ondernemer en weldoener. Als klein jochie uit Amsterdam Oost raakt hij via de amateurtoneelvereniging verslingerd aan de wereld van het toneel. Hij speelde in Cyrano de Bergerac, 'de mooiste liefdesgeschiedenis ooit' en kwam in aanraking met Pinters werk, Anne Frank en Gijsbrecht van Aemstel. 'Ik snapte er niets van, maar vond het zo móói'. Die jeugdervaring bleek bepalend voor de rest van zijn leven en nog geen vijftien jaar later was hij op zijn achtentwintigste de grootste vrije theaterproducent van Nederland. Hij brak, hoe toepasselijk, echt door met de musical Cyrano de Bergerac. Niet veel later volgde de stap naar televisie. Ook daar werd het een zegetocht: binnen tien jaar schopte hij het tot de grootste televisieproducent van Nederland. Zijn ambities reikten inmiddels verder. En via een omweg – de politiek en de publieke omroep bleken destijds niet ontvankelijk voor zijn cultureel ondernemerschap – begon hij met RTL4 vanuit Luxemburg. Binnen een jaar had RTL4 een marktaandeel van 38 procent. De buitenlandse podia lonkten, en Van den Ende nam zijn geliefde Cyrano mee naar Broadway. Het werd een flop, maar de ervaring had hij niet willen missen. Hij belandde op een punt in zijn carrière waarin hij zich moest bezinnen op nieuwe stappen. Ook privé had hij een hectische tijd achter de rug door een scheiding. Toen hij zijn grote liefde Janine ontmoette, met haar trouwde en twee kinderen kreeg, keerde de energie en de hem kenmerkende creativiteit weer terug. Samen met John de Mol start hij Endemol, dat binnen acht jaar uitgroeit tot de grootste televisieproducent ter wereld. Na tachtig overnames opereert Endemol in achttien landen en werken er ruim 4000 mensen. Allemaal fantastische mensen, die hart hadden voor de onderneming. Maar het harde werken eiste zijn tol. Er volgde een burn-out en Joop en John besluiten hun bedrijf te verkopen. En toen, 58 jaar, vermogend, kwam de vraag wat nu? Van den Ende richt Stage Entertainment op en dat wordt wederom een groot succes: 3.500 mensen werken in acht landen waar het 25 theaters heeft. In diezelfde tijd besluiten Joop en Janine om hun onbezoldigde werk, zoals het oprichten van een zorghotel voor gehandicapten en het incidenteel steunen van kunst en cultuur, meer richting te geven en hun hart te volgen. De VandenEnde Foundation ziet het licht, inmiddels het grootste culturele fonds van Nederland. Hun pijlers zijn cultureel ondernemerschap, talentontwikkeling, kansen creëren voor jong talent en – omdat Joop dat zelf pas later in zijn leven mocht ontdekken – zo veel mogelijk internationale contacten op doen. De geweldige activiteiten van de VandenEnde Foundation zijn schier eindeloos: van het steunen van de virtuoze jonge pianisten Arthur en Lucas Jussen tot het betalen van het salaris van een marketing directeur voor het Holland Festival. De VandenEnde Foundation stelt daarbij randvoorwaarden, maar zal zich nooit met het creatieve beleid bemoeien. De kroon op hun mecenaatwerk is hun eigen cultuurhuis aan de Marnixstraat: het DeLaMar Theater. Van den Ende benadrukt hoe trots hij op het resultaat is, en hoe groot de voldoening om zo’n waardevol cadeau aan de stad Amsterdam, en breder, de maatschappij te mogen geven. Hij wil zich sterk maken om andere vermogende Nederlanders te vertellen hoe leuk het is om aan cultuur te geven en te helpen met hun know-how. Die blije gezichten, het goede gevoel, het geeft onnoemelijk veel voldoening aan het echtpaar Van den Ende. Hij is er ongelofelijk trots op dat hij, zoals hij het zelf zei ‘een stukje verschil heeft mogen maken’.

Naast het ‘geven’ wil hij ook graag het cultureel ondernemerschap stimuleren. Van den Ende ageert dan ook tegen de rigoureuze bezuinigingen op de kunsten van dit kabinet. Een regering die zich via zijn landsadvocaat verdedigt voor de voorgenomen BTW-verhoging op toegangskaartjes door te stellen dat de podiumkunsten ‘voor welgestelden zijn, die dat makkelijk zelf kunnen betalen’, die is bijna gevaarlijk, aldus Van den Ende.
Als cultureel ondernemer in hart en nieren rekent hij voor hoe cultuur een geweldige motor voor een stad kan zijn. Hij noemt het Guggenheim Museum in Bilbao, ‘het Hengelo van Spanje’, en hoe de komst van dit museum de hele stad ten positieve heeft veranderd dankzij de 1,2 miljoen bezoekers die sindsdien speciaal voor dit museum komen. Er zijn meer hotels, leukere restaurants, de opleidingen zijn beter, de middenstand verdient meer en dat alles dankzij het cultureel ondernemerschap van twee wethouders die dit grootse plan aandurfden.
Of neem Hamburg, waar Van den Ende drie theaters bezit. 22 Procent van de hotelovernachtingen is direct gelieerd aan het musicalbezoek aan zijn theaters. In de haven wordt nu de mooiste concertzaal van Duitsland gebouwd, dankzij vooruitstrevende lokale politici die hun huiswerk hebben gedaan. Cultuur is wel degelijk profijtelijk voor een stad, een regio.
En, dichter bij huis, Scheveningen, waar voor de komst van het Circustheater alleen de patatjeugd rondhing. Nu komen er alleen al voor het theater 800 duizend mensen per jaar.

Van den Ende eindigt zijn lezing met een advies aan de staatssecretaris. Kunst is geen linkse hobby, kunst is belangrijk. Hoe kunnen we dit financieren? Zijn advies: richt een overheidsfonds van 100 miljoen voor grote, mooie blockbuster tentoonstellingen in Nederlands belangrijke musea. Reserveer de helft van dit bedrag voor internationale marketing om deze bijzondere tentoonstelling in Nederland te komen zien. In de slipstream van deze tentoonstellingen zullen ook de Nederlandse Opera, het ballet en de symfonische orkesten meeprofiteren van deze stroom toeristen. We kennen de cijfers uit Londen, New York en Parijs en hij rekent het op basis van die cijfers graag even voor: er zullen 3,4 miljoen meer toeristen naar Nederland komen. Gemiddeld besteden die 388 euro per persoon, wat neerkomt op 1,3 miljard inkomsten. Daarvan vloeit 650 miljoen via belastingen zo de staatskas in. Met een investering van 100 miljoen praat je over 500 procent bruto winst. Dames en heren, cultuur is eerder een rechtse hobby!

Na afloop van zijn lezing vertolkten de broertjes Jussen een prachtig quatre-mains van Schubert, sprak prof. dr. Cees Langeveld zijn laudatio uit en sprak Ben Vree, voorzitter van Club Rotterdam, Van den Ende toe. Beiden roemden zijn vernieuwende en beeldbepalende bijdrage aan het cultureel ondernemerschap, het mecenaat, de culturele industrie en zijn onnavolgbare leiderschapskwaliteiten. Maar bovenal zijn tomeloze enthousiasme en betrokkenheid bij de kunsten. Aansluitend reikte Henk Schmidt, rector magnificus van de Erasmus Universiteit het maatschappelijke eredoctoraat uit aan een zichtbaar tevreden Van den Ende.

Lees ook de blog bij NRC Next en de reacties daarop.

Marielle Hendriks

donderdag 19 mei 2011

De overheid en het mecenaat - water en vuur?

‘Waarom geen Museumjaarkaart of bibliotheekpas in het kerstpakket?’ Dat was één van de suggesties van Sigrid Hemels, hoogleraar Belastingrecht aan de Erasmus Universiteit Rotterdam, tijdens een bijeenkomst over mecenaat, op 18 mei bij SPUI25. Sinds maart organiseren SPUI25 en het Prins Bernhard Cultuurfonds een zesdelige lezingenreeks over mecenaat. Het onderwerp wordt vanuit diverse invalshoeken en telkens door verschillende sprekers belicht. Op 18 mei werd ingegaan op de voorwaarden voor een vruchtbare voedingsbodem voor het mecenaat. Op welke manier kunnen fiscale en overheidsinvloeden de geefcultuur in Nederland stimuleren? Wat is idealiter de rol van de overheid bij het stimuleren van het mecenaat in Nederland? En wat is de realiteit?
Adriana Esmeijer, directeur van het Prins Bernhard Cultuurfonds, heette de aanwezigen welkom. De belangstelling was groot, net als tijdens de vorige bijeenkomsten. Esmeijer vreest de gevolgen van de bezuinigingen en verwacht, na juni, wanneer de staatssecretaris van zich heeft laat horen, een enorme toename van het aantal aanvragen bij het PBF. Maar ook het aantal fondsen-op-naam, te beschouwen als een vorm van modern mecenaat, zal groeien. Nu zijn het er circa 260.
Aan de hand van historische voorbeelden besprak Ellinoor Bergvelt vervolgens het Nederlandse mecenaat sinds 1795, met voorbeelden als Pieter Teyler en Adriaan van der Hoop. Hoe lagen de verhoudingen tussen overheid en particuliere kunstliefhebbers en wat kan het verleden ons leren? Bergvelt had op grond van haar analyse een duidelijke boodschap: mocht je als particulier een kunstcollectie willen nalaten, dan kun je het beste een stichting in het leven roepen én zorgen voor een flinke som geld ten behoeve van het onderhoud en het beheer van de collectie. Want in het verleden heeft de overheid zich niet altijd een betrouwbare beheerder getoond. Nederland kent geen traditie op het gebied van kunstmecenaat, legde Bergvelt uit.
Sigrid Hemels ging daarna in op de vraag of fiscale voordelen ook daadwerkelijk een geefcultuur tot stand kunnen brengen. De fiscale voordelen in Nederland zijn niet gering, legde Hemels uit. Maar fiscaliteit is op zich geen voorwaarde voor het bewerkstelligen en onderhouden van een geefcultuur. Wel kan het een stimulerende werking hebben. De overheid steunt mecenaat, maar het is aan culturele instellingen om nu eindelijk eens meer hun best te gaan doen om een geefcultuur te creëren! Ze moeten proberen met name de middengroep aan te spreken, de mensen die goed verdienen, regelmatig een voorstelling of museum bezoeken en bereid zijn om er méér geld voor uit te trekken. Zoek je publiek op en behandel ze met respect, was haar boodschap voor culturele instellingen. Ze benadrukte het belang van een geefcultuur: particulieren zijn niet alleen interessant als geldschieters, maar bieden als zodanig ook een meer stabiele basis dan de overheid en vormen het draagvlak voor kunst en cultuur. ‘Giften versterken de band tussen een instelling en de gever’.
Cees de Graaff, directeur van de SICA (Stichting Internationale Culturele Activiteiten), vergeleek de situatie van mecenaat in Nederland met die in andere landen. In Turkije wordt 95% van de cultuur gefinancierd door het mecenaat en in Brazilië kunnen bedrijven 20% van de Vennootschapsbelasting investeren in cultuur. In Frankrijk en Duitsland is er veel meer belangstelling en waardering bij de overheid voor kunst en cultuur, legde hij uit. Nederland gaat zwaar gebukt onder een gebrek aan waardering voor kunst en cultuur. Hij toonde zich bezorgd. De fiscale wetgeving in Nederland is weliswaar niet slecht, maar de overheid ziet kunst slechts als franje. ‘Trek de gordijnen open en haal inspiratie van buiten’, was zijn emotionele oproep aan het kabinet.
Hans den Hartog Jager leidde de discussie tussen de drie sprekers. Een van de kwesties die werden besproken was het feit dat de overheid zich meer zou moeten inspannen om het mecenaat te stimuleren, door middel van wetgeving maar ook door te zorgen voor een gezond cultureel klimaat. Verder was iedereen het er over eens dat het mecenaat nooit de rol van de overheid kan overnemen. Esmeier: ‘Wij zijn allemaal mecenassen, maar de basis moet door de overheid worden gelegd’. Vanuit de zaal waren er meerdere reacties te beluisteren. Renée Steenbergen benadrukte dat het mecenaat ook voor experimentele kunst een belangrijke rol speelt. Zij ziet de toekomst van het mecenaat met optimisme tegemoet. Minder positief was Maarten Asscher. De oproep aan de cultuursector, vanuit de zaal door Julienne Straatman, om nu eindelijk eens grondig te gaan samenwerken, ook op het gebied van mecenaat, vond bij Asscher geen weerklank. ‘Dat gaat echt niet lukken, de sector is te heterogeen’, riep hij uit. Eigenlijk benoemde hij daarmee het dilemma van deze gehele bijeenkomst: het is lastig praten over de overheid, de sector en het mecenaat, alsof het eenduidige begrippen zijn. De vraagstelling had scherper gekund. Straatman liet het er overigens niet bij. Ze legde uit dat de sector al veel eerder over samenwerking had moeten nadenken. Maar instellingen zijn alsmaar bang voor verlies van hun eigen positie en hebben daardoor geen antwoord op de huidige ontwikkelingen. Aldus Straatman. Later merkte Asscher op dat in de Verenigde Staten bestuursleden van culturele instellingen tevens gulle gevers zijn, terwijl dat in Nederland niet het geval is. Hemels viel hem bij: ‘Bestuurders roepen particulieren op om geld te schenken, maar zelf doen ze het niet!’ En waarom zou je als instelling eigenlijk een politicus in je bestuur wensen?’, vroeg Hemels. ‘Ga beter op zoek naar rijke particulieren en het bedrijfsleven.’ Nog een laatste tip van Hemels: Geef geld aan cultuur in plaats van een handtekening onder een petitie. 'Put your money where your mouth is’.

Jack van der Leden