Maatschappelijke ontwikkelingen maken dat beleidsmedewerkers, politici en rekenkamers publieke uitgaven aan cultuur helder en inzichtelijk willen maken. Zo wordt er steeds meer gewerkt met subsidieafspraken in contracten met prestatie-indicatoren. Maar welke indicatoren zeggen iets over het succes of falen van je cultuurbeleid? Hoe meet je dit alles precies? Zijn die zaken altijd wel meetbaar? En wordt de kunst er beter van of scheelt het in de portemonnee?
Daarover organiseerden de Boekmanstichting en de VNG een discussiemiddag op vrijdag 11 januari 2013 in het gebouw van de VNG in Den Haag. Leidraad in het programma was de nieuw verschenen publicatie Effectief cultuurbeleid: leren van evalueren van Quirijn van den Hoogen. In dit boek onder meer gouden tips voor het opzetten van een bruikbare en betrouwbare evidence base in het cultuurbeleid. Daarnaast wordt utigelegd hoe met een beperkte evidence base toch uitspraken over het cultuurbeleid kunnen worden gedaan. Tenslotte maken verschillende deskundigen de stand van de evidence base voor onderdelen van het Nederlands cultuurbeleid op, zowel op gemeentelijk als op landelijk niveau.
Tijdens de boekpresentatie hield hoofdauteur Quirijn van den Hoogen (RuG) een inleidend verhaal. Aansluitend interviewde moderator Siewert Pilon (VNG) Angela Rijnhart (gemeente Enschede) en Josee Ligteringen (Rekenkamer Enschede) over het onderzoek dat Van den Hoogen in de zomer van 2012 deed naar de evidence base van het Enschedese cultuurbeleid. Vervolgens gaf Claartje Bunnik (auteur Niet tellen maar wegen) een reactie op de publicatie in verhouding tot haar boek. Tenslotte hield Rudi Turksema (Algemene Rekenkamer) een slotbeschouwing. Alle bijdragen zijn integraal na te lezen in het uitvoerige verslag, geschreven door Ineke van Hamersveld.
Het laatste nieuws van de redactie van Boekman en medewerkers van de Boekmanstichting op het gebied van symposia, benoemingen, promoties, publicaties.
woensdag 30 januari 2013
maandag 10 december 2012
Tiele-leerstoelenmiddag
Na een korte inleiding van hoofd bedrijfsvoering van de KB en voorzitter van de Tielestichting Els van Eijck van Heslinga was het woord aan Arianne Baggerman. Zij is bijzonder hoogleraar Geschiedenis van uitgeverij en boekhandel aan de Universiteit van Amsterdam en vertelde over haar onderzoek naar de rol van gebonden boeken in autobiografische documenten. De titel van haar lezing, Van geheugensteun tot decorstuk: de transformaties van het gebonden boek, verwees naar recente ontwikkelingen waarbij het gebonden boek gebruikt wordt als een decorstuk in onverwachte omgevingen. Ze duiken steeds vaker op in de etalages van kleding- en schoenenwinkels en kunnen zelfs een bruiloft van extra cachet voorzien. Inmiddels kunnen kant en klare wandjes van ruggen van gebonden boeken besteld worden om de boekenkast een mooie aanblik te geven. Het gaat dan puur om het fysieke omhulsel van het boek. Uit haar onderzoek naar autobiografische documenten komt echter een heel andere rol van de boekband naar voren. Het is daar vaak een extensie van het geheugen, waarbij niet zozeer de inhoud als wel de fysieke kenmerken een belangrijke rol spelen. In de documenten roepen bepaalde banden vaak een herinnering aan vroeger tijden op, zoals de zolder in het ouderlijk huis waar de schrijver voor het eerst kennismaakte met de boeken van Walter Scott. Baggerman haalde zo nog een aantal voorbeelden aan. Veel van de egodocumenten hebben een titel die direct aan boeken refereert, zoals De bladen uit het boek van mijn leven.
Hierna betrad Paul Hoftijzer het podium voor een toelichting op zijn onderzoek. Hoftijzer is bijzonder hoogleraar in de geschiedenis van het Nederlandse boek in de vroegmoderne tijd aan de Universiteit Leiden. De krant als boekhistorische bron was de titel van zijn lezing. Bij zijn onderzoek maakt Hoftijzer veelvuldig gebruik van kranten. Advertenties spelen daarbij een belangrijke rol en kunnen inzicht geven in bijvoorbeeld de opkomst van bepaalde genres, van een nieuw lezerspubliek of van de ramsj-handel. De ingebruikname van de Databank Digitale Dagbladen, maakt zijn onderzoek aanzienlijk minder tijdrovend dan voorheen. Was het eerst nog het oude handwerk waarbij kaartenbakken en in het gunstige geval microfiches doorzocht werden, nu volstaat het invullen van zoektermen en de resultaten verschijnen zo op het scherm. Alhoewel momenteel nog slechts 8 procent van de totale hoeveelheid kranten gedigitaliseerd is, maakt de databank het onderzoekers al een stuk gemakkelijker. Vooralsnog zijn alle dagbladen van vóór 1800 gedigitaliseerd evenals legale en illegale kranten tijdens de Tweede Wereldoorlog. Dat die slechts zo’n beperkt percentage op het geheel is, komt door de gigantische hoeveelheid kranten in de laat 19de en 20ste eeuw.
Na deze twee lezingen over de actuele stand van zaken in boekhistorisch onderzoek, blikte Gerard Unger in zijn afscheidslezing terug op de vijf jaar dat hij bijzonder hoogleraar was. Hij nam daarbij zijn inaugurele rede Typografie als (voertuig van de) wetenschap als uitgangspunt. Met name de hoge verwachtingen die Unger had van digitalisering voor het verspreiden van kennis en de rol die typografie daarbij zou kunnen spelen moest hij herzien. Zo krijgen jongeren als gevolg van het veelvuldig gebruik van digitale media concentratieproblemen bij het lezen van langere teksten. Terwijl Unger in zijn inaugurele rede nog de verwachting uitsprak dat typografische vormgeving het gebruik van digitale teksten zou kunnen verbeteren, moest hij concluderen dat de krakkemikkige typografische opmaak van internet inmiddels zijn weg naar het papieren boek heeft gevonden. Voorwaar geen vooruitgang!
André Nuchelmans
woensdag 28 november 2012
M. Hartog en M.A. Remmelink - Een familievriendelijk museum
De laatste jaren hebben musea er alles aan gedaan om kindvriendelijker te worden. Maar als de nadruk te veel op kinderen wordt gelegd, is museumbezoek al snel geen familie-uitje meer. In opdracht van de VSC (Vereniging voor Samenwerkende Centra en musea in wetenschap en techniek), een netwerk waarin het delen van kennis over wetenschapseducatie centraal staat, schreven Mijke de Hartog en Marie Anne Remmelink daarom dit handboek. Uitgangspunt is samen nieuwe dingen ontdekken: museumbezoek waaraan (groot)ouders, ooms, tantes en vrienden evenveel plezier beleven als kinderen.
In zeven hoofdstukken wordt uiteengezet waarom families naar musea komen, hoe musea een groot en breed publiek kunnen bereiken, welke wensen kinderen en volwassenen hebben, hoe sociale interactie bereikt kan worden en tentoonstellingen het beste kunnen worden ingericht – denk aan objecten die aangeraakt mogen worden en het gebruik van multimedia. De auteurs benadrukken dat het educatieve aspect van een tentoonstelling belangrijk is, maar amusement en sociale interactie van even grote waarde zijn. Technieken die voor kinderen werken, hoeven daarvoor geen metamorfose te ondergaan: ook volwassenen spelen graag, stellen de auteurs.
Aan de hand van interviews met experts, onder wie Kate Steiner (hoofd publieksonderzoek en evaluatie van het Science Museum) en Marlous van Gastel (medewerker educatie bij het Stedelijk Museum Amsterdam), laten De Hartog en Remmelink zien hoe diverse musea zich succesvol op families richten. Aan de hand van praktijkvoorbeelden en checklists kunnen musea controleren hoe gastvrij en familievriendelijk ze zijn – en waarmee eventueel nog winst valt te behalen.
De genoemde aanbevelingen lijken soms zo logisch, dat het verwonderlijk is dat niet alle musea ze al implementeren. Om bezoekers zo goed mogelijk te faciliteren is het bijvoorbeeld van belang dat musea een gebruiksvriendelijke website hebben, online of live met hun bezoekers in gesprek gaan en in alle communicatie gastvrijheid uitstralen. De auteurs geven echter ook aan waaraan het schort in veel musea, wat de relevantie van het boek direct duidelijk maakt. Enkele belangrijke conclusies van het boek bieden handvatten waarmee musea direct aan de slag kunnen. Voor museumprofessionals die zich op families willen richten, is de publicatie daarmee een nuttige, laagdrempelige en praktische handleiding.
Kim van der Meulen
M. Hartog en M.A. Remmelink - Een familievriendelijk museum - Amsterdam: VSC, 2012 - ISBN 9789081863605 - Prijs: 15 euro
In zeven hoofdstukken wordt uiteengezet waarom families naar musea komen, hoe musea een groot en breed publiek kunnen bereiken, welke wensen kinderen en volwassenen hebben, hoe sociale interactie bereikt kan worden en tentoonstellingen het beste kunnen worden ingericht – denk aan objecten die aangeraakt mogen worden en het gebruik van multimedia. De auteurs benadrukken dat het educatieve aspect van een tentoonstelling belangrijk is, maar amusement en sociale interactie van even grote waarde zijn. Technieken die voor kinderen werken, hoeven daarvoor geen metamorfose te ondergaan: ook volwassenen spelen graag, stellen de auteurs.
Aan de hand van interviews met experts, onder wie Kate Steiner (hoofd publieksonderzoek en evaluatie van het Science Museum) en Marlous van Gastel (medewerker educatie bij het Stedelijk Museum Amsterdam), laten De Hartog en Remmelink zien hoe diverse musea zich succesvol op families richten. Aan de hand van praktijkvoorbeelden en checklists kunnen musea controleren hoe gastvrij en familievriendelijk ze zijn – en waarmee eventueel nog winst valt te behalen.
De genoemde aanbevelingen lijken soms zo logisch, dat het verwonderlijk is dat niet alle musea ze al implementeren. Om bezoekers zo goed mogelijk te faciliteren is het bijvoorbeeld van belang dat musea een gebruiksvriendelijke website hebben, online of live met hun bezoekers in gesprek gaan en in alle communicatie gastvrijheid uitstralen. De auteurs geven echter ook aan waaraan het schort in veel musea, wat de relevantie van het boek direct duidelijk maakt. Enkele belangrijke conclusies van het boek bieden handvatten waarmee musea direct aan de slag kunnen. Voor museumprofessionals die zich op families willen richten, is de publicatie daarmee een nuttige, laagdrempelige en praktische handleiding.
Kim van der Meulen
M. Hartog en M.A. Remmelink - Een familievriendelijk museum - Amsterdam: VSC, 2012 - ISBN 9789081863605 - Prijs: 15 euro
Labels:
cultuuroverdracht,
kinderen,
musea,
ouderen,
publiek,
tentoonstellingen
maandag 1 oktober 2012
Robert Darnton, ‘Digitize, Democratize: Libraries and the Digital Future’
Vanaf 21 september vierde SPUI25 haar eerste lustrum met een feestelijk programma onder het thema ‘toekomst’. Een onderdeel van dit programma was een lezing van de directeur van de Harvard Library Robert Darnton. De lezing was bovendien een afsluiting van de reeks lezingen die de Faculteit der Geesteswetenschappen van de Universiteit van Amsterdam samen met Athenaeum Boekhandel in SPUI25 organiseerde. Darnton sprak over de gevolgen van de digitale revolutie voor de toekomst van de bibliotheken en met name over het project Digital Public Library of America (dpla). Het boek zoals het nu bestaat heeft volgens hem nog een heel leven voor zich. Digitalisering is in zijn ogen niet zo zeer een bedreiging maar biedt juist mogelijkheden.
Voor de gelegenheid was van het Spui uitgeweken naar het Singel. Na een korte introductie door René van Stipriaan nam Robert Darnton in een afgeladen Doopsgezinde Kerk het woord. Darnton begon met een korte historische beschouwing over bibliotheken. Bibliotheken vormen zowel letterlijk als figuurlijk het hart van universiteiten. Alhoewel het tegenwoordig de normaalste zaak van de wereld is dat bibliotheken een publieke functie hebben, is dat niet altijd zo geweest. De bibliotheek van Alexandrië was vooral bedoeld als opslag, niet voor gebruik. Hetzelfde geldt voor de universiteitsbibliotheken, die aanvankelijk uitsluitend voor de wetenschappelijke, intellectuele elite toegankelijk waren. Tijdens de Verlichting werden bibliotheken langzaam maar zeker meer voor het publiek opengesteld. Tijdens zijn lezing toonde Darnton beelden van de afrasteringen en hekken die bibliotheken als een fort van de buitenwereld afsloten. Digitalisering is voor hem een volgende stap in de publieke functie die bibliotheken hebben en biedt mogelijkheden om alles voor iedereen overal toegankelijk te maken.
In de wetenschappelijke wereld biedt het ongekende kansen om commentaar op een onderzoek of artikel te krijgen. ‘Circuits of knowledge are no longer closed’. Hier staat echter tegenover dat de wetenschappelijk kennis in wetenschappelijke tijdschriften voor veel mensen ontoegankelijk wordt door de opvoering van de prijzen voor abonnementen op dergelijke tijdschriften. Bibliotheken kunnen deze prijzen niet meer betalen, waardoor de informatie voor een kleiner publiek beschikbaar is. Op de achtergronden hiervan ging Darnton al in in zijn artikel dat in De Groene Amsterdam (http://www.spui25.nl/binaries/content/assets/projectsites/spui25/map-1/robert-darnton.pdf) van 13 september 2012 verscheen. Hij constanteert een conflict tussen twee effecten van digitalisering: ‘democratisation’ versus ‘commercialisation’. Een voorbeeld hiervan is Google, dat in 2004 begon met digitalisering van onderzoeksbibliotheken. Bibliotheken werden geacht hun boeken beschikbaar te stellen voor digitalisering, maar vervolgens konden ze hun eigen informatie bij Google terug kopen. Darnton is hier een fel tegenstander van: ‘The public should have access to knowledge that was produced with public funds’.
Met dit doel is een groep idealisten twee jaar geleden in de Verenigde Staten begonnen met het initiatief Digital Public Library of America. In april 2013 is het systeem voor het publiek toegankelijk. De digitalisering wordt op lokaal niveau gestart door het publiek er bij te betrekken. Lokale bibliotheken worden aangespoord contact met lokale verzamelaars te leggen om hun collectie te digitaliseren. Door alles in een digitale databank aan elkaar te linken ontstaat zo een gigantisch reservoir aan informatie. De technische kant van dpla verloopt voorspoedig, zo vertelt Darnton, maar het grootste probleem blijft het copyright. ‘This shoud exist for a limited time’. Gold het aanvankelijk voor een periode van 28 jaar, inmiddels is dat voor minimaal 100 jaar. Toch ziet Darnton ook hier mogelijkheden en wordt er achter de schermen door een team advocaten hard aan gewerkt ook dit probleem op te lossen. Darnton gelooft er echt in dat dit project op wereldwijde schaal mogelijk is. De organisatie er ook op ingericht om elke belangenverstrengeling met commercialisering en politieke betrokkenheid uit te sluiten. Daarnaast is het van belang om niet met zevenmijlslaarzen vooruit te willen snellen. Stap voor stap, beetje bij beetje krijgt het project vorm.
Op 18 april 2013 komen in ieder geval alle gedichten van Emily Dickinson beschikbaar, aangevuld met manuscripten, brieven et cetera. ‘The delights of dpla will have no limits’, spreekt een enthousiaste Darnton. René van Stipriaan plaatst na afloop van de lazing nog wel enige kanttekeningen bij de haalbaarheid van het project en Darnton erkent dat er natuurlijk nog wel een aantal struikelblokken zijn die opgeruimd moeten worden. De concurrentie met Google books is in ieder geval van de baan. De kracht van dpla is volgens Darnton dat het door private fondsen wordt gefinancierd, er is dus geen winstoogmerk. Ook de auteurs zijn coöperatief en het uitgangspunt van ‘fair use’ van informatie kan volgens Darnton oplossing bieden voor het copyrightprobleem. Hoe Van Stipriaan ook probeerde om een bres te slaan in de ideologische uitgangspunten, hij bracht er Darnton niet mee van de wijs. Die bekende volmondig dat het project niet op alle problemen een adequaat antwoord heeft, maar hij heeft de hoop dat er een oplossing voor gevonden wordt.
André Nuchelmans
Voor de gelegenheid was van het Spui uitgeweken naar het Singel. Na een korte introductie door René van Stipriaan nam Robert Darnton in een afgeladen Doopsgezinde Kerk het woord. Darnton begon met een korte historische beschouwing over bibliotheken. Bibliotheken vormen zowel letterlijk als figuurlijk het hart van universiteiten. Alhoewel het tegenwoordig de normaalste zaak van de wereld is dat bibliotheken een publieke functie hebben, is dat niet altijd zo geweest. De bibliotheek van Alexandrië was vooral bedoeld als opslag, niet voor gebruik. Hetzelfde geldt voor de universiteitsbibliotheken, die aanvankelijk uitsluitend voor de wetenschappelijke, intellectuele elite toegankelijk waren. Tijdens de Verlichting werden bibliotheken langzaam maar zeker meer voor het publiek opengesteld. Tijdens zijn lezing toonde Darnton beelden van de afrasteringen en hekken die bibliotheken als een fort van de buitenwereld afsloten. Digitalisering is voor hem een volgende stap in de publieke functie die bibliotheken hebben en biedt mogelijkheden om alles voor iedereen overal toegankelijk te maken.
In de wetenschappelijke wereld biedt het ongekende kansen om commentaar op een onderzoek of artikel te krijgen. ‘Circuits of knowledge are no longer closed’. Hier staat echter tegenover dat de wetenschappelijk kennis in wetenschappelijke tijdschriften voor veel mensen ontoegankelijk wordt door de opvoering van de prijzen voor abonnementen op dergelijke tijdschriften. Bibliotheken kunnen deze prijzen niet meer betalen, waardoor de informatie voor een kleiner publiek beschikbaar is. Op de achtergronden hiervan ging Darnton al in in zijn artikel dat in De Groene Amsterdam (http://www.spui25.nl/binaries/content/assets/projectsites/spui25/map-1/robert-darnton.pdf) van 13 september 2012 verscheen. Hij constanteert een conflict tussen twee effecten van digitalisering: ‘democratisation’ versus ‘commercialisation’. Een voorbeeld hiervan is Google, dat in 2004 begon met digitalisering van onderzoeksbibliotheken. Bibliotheken werden geacht hun boeken beschikbaar te stellen voor digitalisering, maar vervolgens konden ze hun eigen informatie bij Google terug kopen. Darnton is hier een fel tegenstander van: ‘The public should have access to knowledge that was produced with public funds’.
Met dit doel is een groep idealisten twee jaar geleden in de Verenigde Staten begonnen met het initiatief Digital Public Library of America. In april 2013 is het systeem voor het publiek toegankelijk. De digitalisering wordt op lokaal niveau gestart door het publiek er bij te betrekken. Lokale bibliotheken worden aangespoord contact met lokale verzamelaars te leggen om hun collectie te digitaliseren. Door alles in een digitale databank aan elkaar te linken ontstaat zo een gigantisch reservoir aan informatie. De technische kant van dpla verloopt voorspoedig, zo vertelt Darnton, maar het grootste probleem blijft het copyright. ‘This shoud exist for a limited time’. Gold het aanvankelijk voor een periode van 28 jaar, inmiddels is dat voor minimaal 100 jaar. Toch ziet Darnton ook hier mogelijkheden en wordt er achter de schermen door een team advocaten hard aan gewerkt ook dit probleem op te lossen. Darnton gelooft er echt in dat dit project op wereldwijde schaal mogelijk is. De organisatie er ook op ingericht om elke belangenverstrengeling met commercialisering en politieke betrokkenheid uit te sluiten. Daarnaast is het van belang om niet met zevenmijlslaarzen vooruit te willen snellen. Stap voor stap, beetje bij beetje krijgt het project vorm.
Op 18 april 2013 komen in ieder geval alle gedichten van Emily Dickinson beschikbaar, aangevuld met manuscripten, brieven et cetera. ‘The delights of dpla will have no limits’, spreekt een enthousiaste Darnton. René van Stipriaan plaatst na afloop van de lazing nog wel enige kanttekeningen bij de haalbaarheid van het project en Darnton erkent dat er natuurlijk nog wel een aantal struikelblokken zijn die opgeruimd moeten worden. De concurrentie met Google books is in ieder geval van de baan. De kracht van dpla is volgens Darnton dat het door private fondsen wordt gefinancierd, er is dus geen winstoogmerk. Ook de auteurs zijn coöperatief en het uitgangspunt van ‘fair use’ van informatie kan volgens Darnton oplossing bieden voor het copyrightprobleem. Hoe Van Stipriaan ook probeerde om een bres te slaan in de ideologische uitgangspunten, hij bracht er Darnton niet mee van de wijs. Die bekende volmondig dat het project niet op alle problemen een adequaat antwoord heeft, maar hij heeft de hoop dat er een oplossing voor gevonden wordt.
André Nuchelmans
Labels:
bibliotheken,
boekenvak,
digitalisering,
lezing,
verslag
donderdag 27 september 2012
Discussiemiddag Boekmanstichting en KNAW: Liberaal cultuurbeleid: de voor- en nadelen
Samen met de KNAW organiseerde de Boekmanstichting 25 september in Het Trippenhuis in Amsterdam een discussiemiddag over liberaal kunstbeleid. Directe aanleiding voor de besloten bijeenkomst was de uitgave Manifestaties van de vrijheid des geestes van de Teldersstichting. Hierin wordt vanuit liberale invalshoek gekeken naar o.a. erfgoed en de kunsten, maar ook doneren aan cultuur, sportieve ambities, leefstijlbeleid en bewegingsonderwijs. Onder voorzitterschap van Kitty Zijlmans gaven Mark van de Velde, staflid Teldersstichting en een van de auteurs van het boek, en Frans Becker, adjunct-directeur Wiardi Beckman Stichting, een korte inleiding. Daarna kregen drie respondenten tijd om te reageren namens resp. D66, CDA en GroenLinks. Een discussie volgde. Is een sociaal-liberale grondslag voor kunst- en cultuurbeleid een realistische ambitie?
Mark van de Velde gaf de kern van het rapport weer: de overheid dient zich bij kunstbeleid niet te laten leiden door instrumentele motieven. Met kunst als inzet van industriepolitiek vergroot je haar kwetsbaarheid, aldus Van de Velde. Hij zocht de legitimering in neutraliteit van de overheid en het bieden van kans op ontplooiing voor de burger.
Waarom toch die nadruk op het willen beschermen van nationaal erfgoed? En hoe kun je enerzijds het cultuuronderwijs willen stimuleren, maar anderzijds de gedachte achter cultuurspreiding loslaten? Frans Becker plaatste vraagtekens bij het verhaal van zijn liberale opponent. Vervolgens waagde hij de sprong naar de actualiteit. Hij zei: als de PvdA en de VVD samen gaan regeren, dient er flink gerepareerd te worden. Hij refereerde specifiek aan de situatie van een aantal zwaar gedupeerde instellingen (Reisopera, Rijksmuseum Twenthe e.a.) en pleitte voor een opwaardering van de positie van kunst en cultuur in het openbaar bestuur.
De discussie dient over het proces gaan, over de vertaalslag van ideologie, reageerde Alexander Rinnooy Kan (D66). Kijk naar de subsidiesystematiek, een terugkerende bron van problemen. De hoogleraar economie en bedrijfskunde aan de UvA vroeg zich af waarom kunstenaars en instellingen niet het heft in handen nemen en zelf, op basis van gezag en vertrouwen, een verdeelsleutel leveren.
Ook Bart van Meijl (lid dagelijks bestuur CDA) richtte zich op de vertaalslag naar beleid, en minder op ideologie. Wat dat betreft vertoont het CDA weinig variatie in de afgelopen dertig jaar, aldus Van Meijl. Centraal staan regionale spreiding en cultuuronderwijs. Cultureel ondernemerschap dient beleidsmatig gestimuleerd te worden in de vorm van opdrachten, ter aanvulling op subsidies.
Kritiek op de neutrale staat bij de liberalen kwam er vooral van Dick Pels, directeur Bureau de Helling, wetenschappelijk bureau GroenLinks. Als het de markt is die bepaalt wat van waarde is (VVD), dan bedoel je het grote publiek, waarschuwde hij. Dat mag niet de bedoeling zijn. Een warm pleidooi voor een opvoedende overheid, die meer wil bewerkstelligen dan het spreiden van cultuur, volgde. Volgens Pels dient de overheid burgers te begeleiden in het proces van oordeelsvorming en te beschermen tegen de invloed van media en markt. ‘Maar wij zijn zelf de markt’, verzuchtte Van de Velde.
Van toenadering tussen hen zou het deze middag niet meer komen. Over de waarde van kunst en cultuur waren ze het evenwel allemaal eens, vatte Zijlmans samen. Over de uitwerking veel minder.
In de daaropvolgende discussie werd de afstand tussen de ideologieën niet beslecht, hooguit opgehelderd. Interessant was de vergelijking die Hugo van der Poel, directeur van de Mulier Instituut, maakte tussen de cultuur- en de sportsector. Een opvallend en groot verschil is de hoge mate van zelforganisatie die de sportwereld kenmerkt maar de cultuursector ontbeert. Daar zijn verschillende verklaringen voor. Eén ervan is dat sportbeleid grotendeels gemeentelijk beleid is. Sport kent bovendien een enorm draagvlak. Gemeentebesturen springen vurig in de bres voor hun voetbalclub, maar doen dat minder snel voor hun orkest of zangkoor.
Jeroen Bartelse, algemeen secretaris van de Raad voor Cultuur, toonde zich, terecht, nieuwsgierig naar het gewicht van de liberale beginselen zodra het gaat om bijvoorbeeld talentontwikkeling. Maar Van de Velde kon daar kort over zijn: talentontwikkeling, vernieuwing, het zijn geen onderdelen van liberaal cultuurbeleid. Want wie kan nu al aangeven wat in de toekomst tot erfgoed gerekend zal worden? Liberaal cultuurbeleid richt zich op bewezen kwaliteit. Een merkwaardige redenering, vond Valerie Frissen, hoogleraar ICT en sociale verandering aan de EUR en lid van het Topteam Creatieve Industrie. Vernieuwing in de wetenschap kun je toch ook niet uitsluiten? Kwestie van gevoel, aldus Van de Velde. Wetenschap dient het algemeen belang. Bartelse benadrukte hierop juist de meerwaarde van kunstenaars voor innovatieve processen en experiment. Becker viel hem bij en refereerde aan Emanuel Boekman die eveneens oog had voor het belang van experiment. Volgens Becker getuigde het, meer dan van een ideologie, van een soort houding tegenover kunst en cultuur.
Mark van de Velde bracht nog het cultuuronderwijs op islamitische scholen ter sprake. Daar is geen plaats voor moderne dans en theater in het lesprogramma. Allochtonen staan niet voor niets telkens laag genoteerd in statistieken over cultuurdeelname.
Tot een onvoorwaardelijk antwoord op de hoofdvraag van de bijeenkomst, of een sociaal-liberale grondslag voor kunst- en cultuurbeleid een realistische ambitie is, kwam het deze middag niet. Het is dan ook lastige materie verschillende fundamenten te vertalen naar beleid, aldus voorzitter Kitty Zijlmans in haar slotwoord. Zolang we maar een bewindvoerder van formaat krijgen in Den Haag, iemand die kunst en cultuur werkelijk een warm hart toedraagt, sprak Cas Smithuijsen, directeur van de Boekmanstichting.
Jack van der Leden
Labels:
beleidslegitimering,
cultuurbeleid,
debat,
kunstbeleid,
liberalisme,
socialisme
maandag 30 juli 2012
M. Reugebrink: Het geluk van de kunst
De Vlaamse dichter, schrijver en essayist Marc Reugebrink stelt zichzelf in zijn nieuwste boek Het geluk van de kunst de vraag: maakt kunst gelukkig? Die vraag tracht hij te beantwoorden in essays die hij de afgelopen jaren schreef voor onder meer De Standaard, waarin de rol en betekenis van kunst – om preciezer te zijn: literatuur en het schrijverschap in de huidige maatschappij – centraal staan.
Naast een missie om kunstverloedering tegen te gaan, getuigt Het geluk van de kunst ook van een grote liefde voor literatuur zelf: er zijn essays over dichtvormen, persoonlijk leed als onderwerp van poëzie, de Italiaanse schrijver en dichter Cesare Pavese en de Poolse essayist en dichter Zbigniew Herbert. Hoewel deze essays passen bij Reugebrinks pleidooi voor meer nadruk op de inhoud, zullen deze passages vooral echte literatuurfanaten aanspreken. De korte journalistieke stukken waarmee de essays zijn aangevuld (in een laatste hoofdstuk onder de noemer ‘Dagwerk’ geschaard) vormen een welkome en toegankelijke aanvulling op de zwaardere voorgaande artikelen. Deze artikelen gaan ook over kunst en cultuur, onderwijs en de invloed van het marktdenken daarop, maar zijn luchtiger en praktischer van aard. De Nederlandse maatschappij wordt aan de kaak gesteld door voetbalgekte (inclusief leuzen) te beschrijven, een gedicht van Hans Vaverey dient als uitgangspunt om aan te geven hoe moeilijk het voor dichters is om over de liefde te schrijven en Reugebrink bekritiseert het engagement van Joost Zwagerman en Arnon Grunberg terwijl hij meteen een kritische recensie geeft van Thomas Vaessens’ De revanche van de roman. Literatuur, autoriteit en engagement (2009). Vooral dankzij dit laatste hoofdstuk wordt Reugebrinks verzamelwerk een actueel betoog en geen herhaling van zetten.
M. Reugebrink - Het geluk van de kunst - Antwerpen: De Bezige Bij, 2012. ISBN 9789085423423 - Prijs: 19,50 euro
Kim van der Meulen
Het geluk van de kunst is een aanklacht tegen de commercialisering en een pleidooi voor een hoger literair gehalte en een betere positie van literatuur in de maatschappij, maar vooral een kritisch onderzoek naar het belang en de huidige positie van literatuur in de maatschappij: de betekenis ervan, wat het zegt over de manier waarop mensen naar de wereld kijken en op welke manier de media met literatuur omgaan.
Reugebrink begint zijn boek met een beschrijving van zijn eigen ‘literaire geluksmoment’: het winnen van de Gouden Uil voor zijn in 2007 verschenen roman Het grote uitstel. In Vlaanderen zorgde dit voor de nodige commotie, omdat Reugebrink allesbehalve een gedoodverfde winnaar was en zijn boek voorafgaand aan de uitreiking niet bepaald lovend ontvangen werd. Met ironie beschrijft hij ‘het spel van de Gouden Uil’, wat volgens de auteur een grote farce is, maar waaraan hij ondertussen graag meedoet. Het is de opmaat naar de rode draad in zijn essays: de kunstwereld is te commercieel en te onderhevig aan een marktideologie, waardoor het literair gehalte van de gemiddelde publicatie er nauwelijks meer toe doet en schrijvers moeten scoren en tegelijkertijd een romantisch ideaal hoog moeten houden.
Reugebrinks scherpe kritiek op de literaire wereld, met de nodige humor verpakt, wordt opnieuw duidelijk wanneer hij uitlegt wat schrijven voor hem betekent: het is een noodzaak, een romantische droom en een ‘oefening in metafysisch denken’ – allemaal zaken die niet passen in een tijd waarin een boekrecensie in een dagblad ‘eigenlijk niets anders is dan een consumentenadvies’ en een schrijver vooral verworden is tot ‘opiniemaker en ondertekenaar van petities’. Reugebrink noemt zichzelf echter niet alleen een romanticus, maar ook een realist, die de werkelijkheid van het auteurschap erkent: een wereld waarin beginnende auteurs door dito recensenten besproken worden en boeken na twee maanden alweer uit de boekwinkel zijn verdwenen wegens een enorme omloopsnelheid. Ook stelt hij dat literatuur onderdeel is geworden van de massacultuur en het belang van auteurs afhankelijk is geworden van de hoeveelheid media-aandacht die ze krijgen. Reugebrink klinkt hier en daar verongelijkt en spreekt bijna met heimwee naar het verleden over de huidige staat van kunst en cultuur, maar het maakt zijn pleidooi voor het belang van kunst voor de samenleving wel sterk. Zo pleit hij voor gedegen literatuuronderwijs, al dan niet ingebed in geschiedenisonderwijs, om het aanzien en de betekenis van literatuur op te krikken en de aandacht van marktgedrevenheid te verleggen naar inhoud en (historische) context.
Naast een missie om kunstverloedering tegen te gaan, getuigt Het geluk van de kunst ook van een grote liefde voor literatuur zelf: er zijn essays over dichtvormen, persoonlijk leed als onderwerp van poëzie, de Italiaanse schrijver en dichter Cesare Pavese en de Poolse essayist en dichter Zbigniew Herbert. Hoewel deze essays passen bij Reugebrinks pleidooi voor meer nadruk op de inhoud, zullen deze passages vooral echte literatuurfanaten aanspreken. De korte journalistieke stukken waarmee de essays zijn aangevuld (in een laatste hoofdstuk onder de noemer ‘Dagwerk’ geschaard) vormen een welkome en toegankelijke aanvulling op de zwaardere voorgaande artikelen. Deze artikelen gaan ook over kunst en cultuur, onderwijs en de invloed van het marktdenken daarop, maar zijn luchtiger en praktischer van aard. De Nederlandse maatschappij wordt aan de kaak gesteld door voetbalgekte (inclusief leuzen) te beschrijven, een gedicht van Hans Vaverey dient als uitgangspunt om aan te geven hoe moeilijk het voor dichters is om over de liefde te schrijven en Reugebrink bekritiseert het engagement van Joost Zwagerman en Arnon Grunberg terwijl hij meteen een kritische recensie geeft van Thomas Vaessens’ De revanche van de roman. Literatuur, autoriteit en engagement (2009). Vooral dankzij dit laatste hoofdstuk wordt Reugebrinks verzamelwerk een actueel betoog en geen herhaling van zetten.
M. Reugebrink - Het geluk van de kunst - Antwerpen: De Bezige Bij, 2012. ISBN 9789085423423 - Prijs: 19,50 euro
Kim van der Meulen
Labels:
auteurs,
beleving,
kunstkritiek,
kunstprijzen,
leesgedrag,
literatuur,
literatuuronderwijs
dinsdag 12 juni 2012
Uitreiking 2e Boekman Dissertatieprijs en presentatie Boekman 91, 6 juni 2012
‘Döner Kebab stamt niet gewoon uit Turkije, maar is ontwikkeld in Berlijn door Turkse Duitsers’. Migranten als ondernemers in de culturele industrie van het land van bestemming.
SPUI25 in Amsterdam was afgelopen woensdag het podium van de uitreiking van de 2e Boekman Dissertatieprijs voor kunst- en cultuurbeleid 2012 en de presentatie van Boekman 91 over kunst en onderzoek. In het verlengde daarvan organiseerde de Boekmanstichting het paneldebat ‘Verspild inzicht? over onderzoek en cultuurbeleid’.
Annick Schramme (hoogleraar Cultuurmanagement aan de Universiteit Antwerpen) sprak over de onafhankelijkheid en objectiviteit van onderzoek in relatie tot de economische agenda van met name de creatieve industrie, die op dit moment erg booming is. Liane van der Linden (directeur Kosmopolis Rotterdam) verhaalde over onderzoekers die al in een vroeg stadium betrokken worden bij de ontwikkeling van culturele producties, toegespitst op het voorbeeld van etnische ondernemers en superdiversiteit. Imagine IC en Kosmopolis Rotterdam laten bijvoorbeeld met de robot, de videoportretten van de restauranthouder en de ondernemeruitvinder samen, het achtergrond verhaal zien van de Döner Kebab en daarmee van de verschillende dimensies van actueel en transnationaal ondernemerschap. Als resultaat van de wisselwerking tussen onderzoek, cultuurproductie en erfgoededucatie.
Onder leiding van Paul Steenhuis (chef Cultuurredactie NRC) gingen de drie genomineerden voor de prijs van 2012 - Amanda Brandellero (EUR), Christian Handke (EUR) en Leentje Volker (TUD) - de discussie aan met de twee eerder genoemde sprekers. Aan de orde kwamen de objectiviteit en onafhankelijkheid van de onderzoeker, de vraag hoe die positie te handhaven is en de rol die onderzoekers kunnen spelen om de resultaten van hun onderzoek sterker uit te dragen.
De genomineerden plaatsen met hun onderzoeken namelijk grote kanttekeningen bij het huidige Nederlandse en Europese cultuurbeleid en doen voorstellen voor verbetering daarvan. Het gaat om drie onderzoeken over respectievelijk de invloed van etnische verscheidenheid op creatieve productieprocessen door Amanda, de veranderende rol van het auteursrecht in de muziekindustrie door Christian en blunderende overheidsfunctionarissen die architecten selecteren via Europese aanbestedingsprocedures door Leentje.
Juryvoorzitter Gillis Dorleijn (RUG) vertelde dat de jury voor de Boekman Dissertatieprijs 2012 zich geconfronteerd zag met drie excellente proefschriften. Alle drie zijn innovatief op hun terrein: dat van Amanda Brandellero avontuurlijk, van Christian Handke methodisch scherpzinnig, en van Leentje Volker praktisch toepasbaar. ‘Wie die drie zeer uiteenlopende proefschriften wil vergelijken stuit op het appels-en-peren-syndroom: een cliché, toegegeven, maar daarom in dit geval niet minder waar.’
De jury, die bestond uit Jaap Boter (VU en UvA) Helleke van den Braber (Radboud), Erik Hitters (EUR) en Judith Thissen (UU), heeft volgens Dorleijn echter na ‘lang en zorgvuldig beraad’ unaniem en van harte gekozen voor een proefschrift dat prikkelend en uitdagend is. ‘Waarin resultaten worden gepresenteerd die richting kunnen geven aan verder onderzoek op het terrein en die beleidsmakers iets kunnen leren. Het is een proefschrift waarmee wetenschappers en de culturele sector nog lang mee vooruit kunnen’. De winnende dissertatie is van Amanda Brandellero en heeft als titel The art of being different: exploring diversity in the cultural industrie. De eer ging helaas voorbij aan Christian Handke met zijn proefschrift The creative destruction of copyright: innovation in the record industry and digital copying en Leentje Volker met haar proefschrift Deciding about design quality: value judgements and decision making in the selection of architects by public clients under European tendering regulations. In het dankwoord ging Amanda in op wat het onderzoek haar heeft gebracht: ‘So what this thesis allowed me to delve are questions of cultural boundaries, and how they come to matter in the production and appreciation of cultural products. Cultures are increasingly deterritorialising and being reproduced, recreated and shaped through the serendipitous and deliberate encounters and exchanges across groups. As cultures travel, keeping them alive might also be to support them in their new environments, forms of expression and dynamic practices.’
‘In sum, my research concluded that diversity has different values. It can be both an economic force (of different forms) and a force for developing cultural identity. But those identities aren't fixed, and can be a means of bringing people together. Understanding these dynamics is the first step in a longer journey. A journey in which institutions learn and respond to what is happening on the ground.’
Ook Boekman 91 over Kunst en onderzoek werd gepresenteerd. Hierin komt naar voren dat bestuurders onderzoek met ongewenste uitkomsten het liefst in de la laten verdwijnen. Relevante cijfers en conclusies dringen maar mondjesmaat door tot de praktijk. Met als schoolvoorbeeld rapporten die de laatste tien jaar aandacht vroegen voor de groeiende kloof tussen podiumkunst en publiek. Commerciële consultants halen de meeste opdrachten binnen terwijl universitaire onderzoekers onvoldoende meedoen aan het binnenlandse cultuurdebat. Onderzoekers moeten meer van zich laten horen, is de conclusie. Vooral analyses op basis van harde cijfers zijn van belang. Daarom in het nieuwe nummer van Boekman een stevig pleidooi voor de Cultuurindex Nederland die de Boekmanstichting in samenwerking met het SCP wil gaan maken.
In het e-journal Cultural Policy Update dat eind juni verschijnt op de website van de Boekmanstichting komt co-creatie naar voren als een veelbelovende nieuwe vorm van kennisontwikkeling. Onderzoekers gaan allianties aan met kunstinstellingen voor de verzameling van onderzoeksmateriaal, of met de overheid voor de evaluatie vanaf het prille begin van gevoerd beleid. Een andere suggestie, hier en daar al uitgevoerd in de praktijk, is het beleggen van bijeenkomsten voor onderzoekers, cultuurmanagers en beleidsmakers om onderzoeksresultaten te bespreken. De Boekman Dissertatieprijs is een samenwerkingsverband van de Boekmanstichting met NWO Geesteswetenschappen. Uitgebreide informatie over de drie genomineerde dissertaties, de lijst met de 62 geselecteerde deelnemers aan de prijs met de titels van hun dissertaties en de 1e uitreiking van de Boekman Dissertatieprijs aan Marijke de Valck voor haar studie naar filmfestivals is te vinden op de website van de Boekmanstichting.
Marjolein van der Steen
Abonneren op:
Reacties (Atom)




