Posts tonen met het label verslag. Alle posts tonen
Posts tonen met het label verslag. Alle posts tonen

maandag 2 september 2013

Cultuur, daar geef je om




Op 30 augustus, de vrijdagmiddag voorafgaand aan de opening van het nieuwe culturele seizoen, stroomde de Kleine zaal van het Concertgebouw in Amsterdam vol voor het seminar ‘Cultuur, daar geef je om’. Het seminar maakte deel uit van de gelijknamige campagne die gevers en culturele instellingen dichter bij elkaar wil brengen. Enerzijds door potentiële gevers – individuen en bedrijven – te  informeren over de mogelijkheden een bijdrage aan cultuur te geven. Anderzijds door culturele instellingen te helpen bij hun wervingsactiviteiten. Het seminar bood daartoe achtergrondinformatie over geven en een aantal praktijkvoorbeelden.

Na een  introductie van dagvoorzitter Tracy Metz, gaf Ilja van Beest, hoogleraar Social and Behavioral Sciences aan de Universiteit van Tilburg, een kort college over de sociaal psychologische aspecten van geven. Zo blijkt uit onderzoek dat mensen het leuker vinden iets aan een ander dan aan zichzelf te geven. Daarnaast vinden vrouwen het leuker dan mannen iets te geven en kunnen zij ook beter inschatten wat de ontvanger het liefst zou hebben. Bij hen ligt het probleem ook niet, maar hoe trek je mannen over de streep? Het inbrengen van een competitief, statusverhogend element zou daarbij kunnen helpen. Mannen blijken daar gevoelig voor. Dus: maak giften openbaar en niet anoniem. Zo wordt het een wedstrijdje en verhoogt het de status van de gever ten opzichte van de niet- of mindere gever, die weer extra geprikkeld wordt ook te geven en dan natuurlijk meer. Een systeem dat zichzelf in stand houdt.
Na dit theoretische college, gaf Tijs Rotmans van The Pricing Company, praktische tips uit de commerciële wereld. Daar blijkt het culturele veld nog wat van te kunnen leren. Het was Rotmans tweede optreden voor de culturele sector, na een eerdere lezing bij Kom je ook! in 2011. Aan de hand van  voorbeelden die hij her en der van internetsites van culturele instellingen had geplukt, maakte hij kort en krachtig duidelijk waar punten van verbetering lagen. Veel instellingen koppelen steun aan hun organisatie direct aan economische tegenprestaties, waardoor de donateur haast gedwongen wordt uit te rekenen wat het hem economisch oplevert. Het werkt veel beter om dat niet te doen, zoals bijvoorbeeld het Museum Meermanno die gevers een bedankje en een certificaat aanbiedt. Ook komt naar voren dat veel culturele instellingen het doel van hun giften niet specificeren. Het blijkt echter beter te werken financiële ondersteuning voor een specifiek project te vragen. Dus: omschrijf wat je met je binnengehaalde giften wilt gaan doen, zodat de gevers het resultaat zien. Daarnaast gaf hij nog een aantal trucjes om meer geld binnen te krijgen en mensen te verleiden meer te geven. Voorbeeld: geef een aantal mensen 100 euro om die aan je te schenken en vermeldt die als de eerste giften. Gegarandeerd dat mensen dit bedrag als richtlijn nemen. Het vervangen van kleingeld in donatiebussen door groter briefgeld heeft hetzelfde resultaat. Helemaal netjes en eerlijk is deze manier van werken niet, en dat is iets waar culturele instellingen nog aan moeten wennen, zo was aan het geroezemoes in de zaal te merken.

Na deze algemene verhalen hoe het geefgedrag te stimuleren volgde een aantal praktijkvoorbeelden van culturele instellingen en groepen. Twee leden van theatergroep Schuim lichtten toe hoe zij 130 procent van hun doelsom via crowdfunding hadden binnengehaald.
Jolien Schuerveld, directeur van het Concertgebouw Fonds, gaf een kijkje achter de schermen van het beleid van het Concertgebouw op het gebied van geven. Rotmans noemde het Concertgebouw al als een voorbeeld van hoe het moet als het gaat om een persoonlijk contact met de gever in plaats van een anoniem emailadres (info@...nl). Schuerveld begon haar verhaal met de mededeling dat ze al vaker benaderd was om haar ervaringen te delen. Alhoewel het beleid van het ministerie van OCW de culturele instellingen van partners in concurrenten heeft veranderd en het dus niet meer gebruikelijk is dit te doen, hield ze het niet voor zichzelf. In haar lezing benadrukte ze het belang van een gedifferentieerde aanpak op maat die het Concertgebouw potentiële gevers biedt. Je kunt al voor een klein bedrag donateur worden, voor degenen die meer willen geven, is er het fonds op naam en voor echt grote gevers kunnen gebruik maken van het legaat. Het Concertgebouw heeft zijn gevers in kaart gebracht, gerelateerd aan het bedrag dat zij schenken, en dat resulteert in een piramide van gevers en daaraan gekoppeld een omgekeerde piramide van de bedragen die zij schenken. Veel mensen geven een klein bedrag en een beperkt aantal mensen is verantwoordelijk voor het leeuwendeel van het geld dat binnengehaald wordt. Schuerveld drukte de aanwezigen ook op het hart de schenker te leren kennen en om vooral zelf het goede voorbeeld te geven. Zorg ervoor dat je bestuursleden ook aan je instelling geven, dat heeft een stimulerend effect op anderen.
Na de pauze vertelde Ryclef Rienstra, managing director bij de VandenEnde Foundation, hoe de gever te verleiden. Een persoonlijke benadering, redeneren vanuit je eigen kracht, je onderscheiden van anderen, doelgericht en selectief te werk gaan, maken de kans groter om een gever tot een bijdrage te bewegen. Hij introduceerde in zijn verhaal het begrip ‘emotioneel rendement’, en sloot zo aan bij het verhaal van Rotmans om niet op puur economische motieven in te zetten. Ook de Vereniging Rembrandt zet op emotioneel rendement in. Minke van Hooff gaf inzicht in de werkwijze van de vereniging, die zijn ledental de afgelopen twintig jaar zag toenemen. Vereniging Rembrandt zet niet in op een economisch rendement van het lidmaatschap, maar biedt een ‘fysieke tegenprestatie’, in de vorm van een kunstwerk dat door een bijdrage van de vereniging in een museum is te bewonderen. Om een jonger publiek te trekken riep de vereniging speciale ‘cirkels’ voor jongeren in het leven en heeft daar inmiddels een stop op moeten zetten, zo succesvol bleek het uit te pakken. Dat zal ongetwijfeld ook te maken hebben met de status van een lidmaatschap. Mensen halen elkaar over de brug en daarmee ontstaat de 'sociale dwang' uit het verhaal van Van Beest: het systeem zorgt als vanzelf voor de toevloed van nieuwe donateurs.

De laatste twee bijdragen lieten zien dat geven niet alleen op financiën betrekking hoeft te hebben, maar ook om het beschikbaar stellen van tijd en energie als vrijwilliger. Doro Siepel, directeur van Theater Zuidplein in Rotterdam vertelde hoe de inzet van vrijwilligers en stagiaires de verankering van het theater in de samenleving verdiept en ook zijn vruchten afwerpt in een bredere programmering, die meer op lokale behoeften is afgestemd. Caroline van Diest vertelde een soortgelijk verhaal voor het Glasmuseum in Leerdam.
Het seminar werd afgesloten met een column van acteur, ambassadeur en presentator van de publiekscampagne, Sieger Sloot. Hij vatte in zijn bijdrage het hele middagprogramma samen in de beschrijving van de crowdfundingcampagne voor een theaterstuk. Zijn waarschuwing voor incrowdfunding was een mooie afsluiter.

André Nuchelmans

donderdag 23 mei 2013

Verslag debat: Erfgoed een hete aardappel?

vergaderzaal Trippenhuis
‘Erfgoed is als een hete aardappel, lijkt het. Iedereen zit er mee in zijn maag’. Met deze woorden opende Kitty Zijlmans de discussiemiddag ‘Erfgoed: van wie, voor wie?’, op 17 mei in het Trippenhuis te Amsterdam. Het debat was georganiseerd door de Boekmanstichting en de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW).

Circa 30 hooggeleerden en andere deskundigen, vooral erfgoedprofessionals, wisselden van gedachten over de vraag wie er nu eigenlijk verantwoordelijk is voor erfgoed. Wie draait er op voor de lasten; wie valt de lusten toe? Aanleiding tot de discussie was de terugtredende overheid. Die verplaatst ie zich steeds meer naar de achtergrond als eigenaar en beheerder van erfgoed. Het Kabinet Rutte I confronteerde de cultuursector met bezuinigingen én met de boodschap dat de verantwoordelijkheid voor erfgoed deels bij particulieren thuishoort.

Kortom, erfgoed van wie en voor wie? Zijlmans, hoogleraar kunstgeschiedenis aan de Universiteit Leiden en voorzitter van het debat, legde de vraag voor aan twee sprekers, Hester Dibbits, lector cultureel erfgoed aan de Reinwardt Academie (AHK) en Jos Bazelmans, bijzonder hoogleraar archeologische monumentenzorg aan de VU en hoofd sector Kennis van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE). Ter voorbereiding hadden de inleiders kennis genomen van een aantal artikelen die op verzoek van de redactie van het tijdschrift Boekman over het onderwerp zijn geschreven. In september worden deze en andere stukken, samen met een verslag van dit debat, gepubliceerd in een themanummer (Boekman 96) over Erfgoed.
Bazelmans was in de voorgelegde artikelen met name de urgentie van erfgoedzorg opgevallen, maar ook de introverte toon van de discussie over erfgoed. Erfgoedprofessionals hebben de neiging elkaar te sterken in hun kritiek op buitenstaanders, maar missen de durf om onderling de messen te scherpen en met elkaar een pittige discussie te voeren. ‘Ook onder de aanwezigen alhier bestaan stevige meningsverschillen!’. Bazelmans benadrukte vooral dat we niet langer op de overheid hoeven te rekenen, ‘dat is niet van de 21ste eeuw’. Hij constateerde voorts een gebrek aan verantwoordelijkheid op lokaal niveau en pleitte daarom voor een systeem van ‘checks and balances’. Voor Bazelmans behelst de definitie van erfgoed niet enkel het object, maar ook de sociale context. In het erfgoedbeleid moet het accent dan ook liggen op het gebruik van het object in plaats van op het object zelf. Bovendien: ‘Wie claimt, die financiert’.
Dibbits pleitte voor een sterke overheid, die verantwoordelijkheid neemt en een deel van de lasten draagt. ‘Doet ze dat niet, dan zit er niets anders op dan mensen te mobiliseren’.Vanuit een visie op het waarom van erfgoedzorg kun je beleid afstemmen op de toekomst, legde ze uit. Wat haar betreft staat de tijd (verleden, heden en toekomst) daarin centraal, zodat we ons bewust kunnen blijven van veranderingen, dynamiek, patronen en processen. Tijdsbesef, en niet identiteit, maakt het mogelijk dat mensen zich kunnen verhouden tot de plaats waar ze zich bevinden. ‘We laten ons in de omgang met erfgoed gijzelen door pre-occupatie met identiteit en gemeenschappen’, aldus Dibbits. Dit brengt met zich mee dat we enkel oog hebben voor wat bepaalde gemeenschappen aanstaat. Erfgoedzorg is gebaat bij transparante onderzoeksnetwerken, waaraan iedereen kan deelnemen en erfgoedprofessionals als makelaar optreden. Gemeenschappen worden netwerken, benadrukte ze. ‘Open en dynamisch’.

Haar afrekening met de identiteits- en gemeenschapsgedachte riep bij Bazelmans weerstand op. Hij benadrukte juist het sociale belang van gemeenschappen. Ook Julia Noordegraaf, hoogleraar erfgoed en digitale cultuur aan de UvA, was geen voorstander. Ze legde uit dat digitaal erfgoed bij uitstek samenhangt met gemeenschappen, omdat het er als het ware een product van is.

Maar wie bepaalt dan wat erfgoed is, legde Zijlmans de aanwezigen voor. Alles is erfgoed, aldus Pieter Matthijs Gijsbers, directeur Openluchtmuseum. Ook co-creaties, ‘hoog’ en ‘laag’, creatieve industrie. Hij pleitte voor democratisering van het begrip. Inge van der Vlies, hoogleraar staats- en bestuursrecht en kunst en recht aan de UvA, wees erop dat onze identiteit samenhangt met de gemeenschap, en daarom altijd in beweging is. Dat geldt ook voor draagvlak voor erfgoed. ‘Mijn studenten zouden er niets op tegen hebben wanneer de Nachtwacht naar het Louvre verhuist.’ Karel Loeff, directeur Erfgoedvereniging Heemschut, vond dat zijn collega’s en hij met het oog op draagvlak als erfgoedprofessionals het debat met de eigen omgeving moeten aangaan. ‘Misschien dat vervolgens bij ambtenaren vroeg of laat het kwartje valt’, want van de overheid valt vooralsnog weinig te verwachten, viel hij Bazelmans bij. ‘In het Regeerakkoord van Rutte II komt het woord erfgoed simpelweg niet voor’. Maar creatieve industrie als een van de negen topsectoren wèl, vulde Lucky Belder hem aan. Belder is werkzaam als universitair docent bij het Centrum voor Intellectueel Eigendomsrecht aan de Universiteit Utrecht. De opmars van deze tak heeft toch positieve invloed op toekomstig erfgoedbeleid, vroeg ze aan Bazelmans? Die gaf toe enige moeite te hebben met beantwoording van de vraag, maar hield het erop dat de overheid in de jaren zeventig en tachtig onvoldoende oog had voor succesvolle crossovers… ‘Zelfgenoegzaamheid speelde hierbij een rol’.

Martin Berendse, directeur Nationaal Archief, legde uit dat de rijksarchieven inzetten op toegankelijkheid en de deuren voor het grote publiek hebben opengezet, maar nu worden geconfronteerd met slinkende budgetten. Zijn oplossing was pragmatisch: een aantrekkelijk basispakket bieden voor de gebruiker.

Zijlmans bracht de eigendomskwestie nog ter sprake. Geld speelt daarbij een cruciale rol. Erfgoed leeft in de maatschappij, meer dan ooit, aldus Jan Rouwendal, bijzonder hoogleraar economische waardering van erfgoed aan de VU. Aan draagvlak geen gebrek. De overheid heeft al zo veel betaald, misschien kunnen particulieren iets meer uit de eigen portemonnee bekostigen? Of misschien kan er eens een monument worden verwijderd van de lijst? Volgens Martin Berendse neemt het erfgoed enorm toe in omvang. Belangrijke vraag bij het beheersen van deze stroom is: wat is nu werkelijk beschermwaardig? De aanwijzingen lijken in beton gegoten, legde Bazelmans uit. Objecten die als monument zijn aangewezen, blijven dat tot in de eeuwigheid. Cas Smithuijsen, directeur van de Boekmanstichting, merkte op dat het overheidsbeleid ronduit star is: de Collectie Nederland is daardoor lange tijd beschouwd als een hiërarchisch gestapelde piramide. Maar in werkelijkheid heeft zij zich tot een archipel van collecties ontwikkeld. Erfgoed leeft, concludeerde Zijlmans ter afronding van het debat. Maar wie zich voor dat leven in de toekomst verantwoordelijk voelt is ook na dit debat verre van gewis.
Jack van der Leden

vrijdag 26 april 2013

De Staat van het Boek


Dinsdag 23 april organiseerde het Vlaamse BoekenOverleg voor de derde keer De Staat van het Boek. Het symposium geeft een actueel overzicht van het boekenvak in Vlaanderen. Waar in Nederland de verkoop van boeken een dalende lijn laat zien, was in Vlaanderen in de eerste drie maanden van dit jaar sprake van een stijging van iets meer dan 7 procent. Reden voor optimisme, al werd er maar kort bij stil gestaan. De blik was vooral op de toekomst gericht. Tijdens een aantal plenaire lezingen en discussies en tijdens parallelsessies in kleinere groepen werd gepoogd een antwoord te geven op actuele vragen. Wat is er te verbeteren? Is er samenwerking met Nederland mogelijk? Biedt crowdfunding mogelijkheden voor het boekenvak? Op een middag in Antwerpen wisselden mensen uit alle geledingen van het boekenvak ervaringen uit.

Na een kort welkomstwoord ondervroeg moderator Gitte Van Hoyweghen twee kersverse spelers in het Vlaamse boekenvak. André Vandorpe is vanaf 15 april directeur van de Vlaamse vakvereniging Boek.be en Marc Reugebrink wordt, samen met Patrick De Rynck, de nieuwe voorzitter van de Vlaamse Auteursvereniging. Beiden kiezen er voor de door hun voorgangers uitgezette lijn door te trekken. In het geval van Reugebrink ligt de nadruk op handhaving van het modelcontract, Vandorpe noemt de rol van de overheid als een belangrijk agendapunt. Vandorpe en Reugebrink waren het opvallend eens, beiden vinden dat in het onderwijs meer aandacht voor literatuur moet zijn. Reugebrink chargeerde het enigszins door te stellen dat aandacht voor serieuze literatuur tegenwoordig strafbaar is. Wat betreft een breed assortiment zien ze alle twee een belangrijke rol voor bibliotheken en de onafhankelijke boekhandel weggelegd. De bibliotheken hebben hier een vitrinefunctie. Ook moet er actie komen vanuit de overheid om de positie van onafhankelijke boekhandels ten opzichte van boekenketens te versterken. Doordat Vlaanderen geen vaste boekenprijs kent, kunnen de boekenketens bibliotheken vaak tegen een lagere prijs boeken aanbieden. Over de samenwerking met Nederland zijn ze sceptisch. Het ligt voor de hand, maar er zijn veel verschillen die die samenwerking bemoeilijken. Zo blijken Vlamingen vooral Vlaamse auteurs te lezen, Nederlandse auteurs komen er niet in de boeken top 10 voor. Vooralsnog lijken de boekenmarkten in Vlaanderen en Nederland alleen nog maar verder uit elkaar te groeien.

De daarop volgende parallelsessie liet echter zien dat er op andere vlakken wel degelijk samengewerkt kan worden en van elkaar geleerd. Rudy Vanschoonbeek, voorzitter van de Vlaamse Uitgevers Vereniging, en Eppo van Nispen tot Sevenaer, directeur van de Stichting Collectieve Propaganda van het Nederlandse Boek (CPNB) presenteerden gezamenlijk de eerste resultaten van de Denktank Vlaanderen-Nederland. Door niet alleen op het aanbod in te zoomen, maar een zo breed mogelijke aanpak te hanteren, werd gekeken waar het boekenvak in het Nederlandse taalgebied van elkaar kan leren en samen op kan trekken. Dit resulteerde in een Actieprogramma voor de Nederlandstalige boekensector aan de hand van vijf concrete domeinen, voorzien van concrete beleidsvoorstellen. Die vijf domeinen zijn: de wereld, de concurrentie, uitdagingen, acties en operationaliseren. In juni 2013 moet er een Vlaams-Nederlandse stuurgroep voor coördinatie, procesbewaking en –stimulering in het leven zijn geroepen, die de actiedomeinen prioriteert en vertaalt naar besluitvorming. Als de soepele samenwerking tijdens de presentatie als toonbeeld voor de verdere samenwerking dient, kan dat zeker tot iets moois leiden. Een internetadres is alvast gereserveerd: www.boek2020.org.

Bij de tweede parallelsessie koos ik voor De smaak van Confituur. Confituur is een nieuw samenwerkingsverband van onafhankelijke boekhandels in Vlaanderen. De dag voor het symposium werd de samenwerking tussen Confituur en dagblad De Morgen bezegeld en dat was het onderwerp van de presentatie. Hoofdredacteur Yves Desmet belichtte de samenwerking en plaatste de ontwikkelingen in een breder kader. De sociale media moeten volgens hem hun plaats nog vinden tussen de reeds bestaande media. Vooralsnog komt alles nog voort uit de ‘ouderwetse’ media, die content aanbieden. Daar zal volgens hem ook altijd vraag naar blijven. De Morgen en Confituur passen volgens Desmet heel goed bij elkaar, zij hebben eenzelfde publiek en kunnen elkaar op deze manier versterken. Bovendien past het in een lijn die al eerder door De Morgen werd ingezet, waarbij de krant meer ruimte en een vaste dag voor boeken reserveerde. Initiatiefnemer Paul Luyten van de Gentse boekwinkel Walry gaf een korte toelichting op de oprichting van Confituur. De eerste plannen zijn om in De Morgen telkens tips van een bij Confituur aangesloten boekhandel op te nemen. Een ander idee is om bekende Vlamingen over hun favoriete boek aan het woord te laten en zo niet verkrijgbare boeken een nieuw leven te geven.

Na deze parallelsessies kwamen alle deelnemers weer tezamen om Hans Bourlon van Studio 100 (bekend van K3, kabouter Plop en Samson en Gert) over de succesformule van deze Vlaamse productiemaatschappij te horen. De staat van het boek nodigt elk jaar een buitenstaander uit zijn verhaal te komen vertellen zodat de boekensector daar iets van op kan steken. Studio 100 zet vooral in op een combinatie van verschillende media en grensoverschrijdende personages. Ook bezit de maatschappij inmiddels vijf Eftelingachtige pretparken in België, Nederland en Duitsland. Met de aankoop van een groot pakket licentievrije animatieproducties wil Studio 100 weer een nieuwe winstbron aan haar palet toevoegen. Een remake van Maya de Bij moet daarvan het begin vormen. Een erg interessant verhaal, maar wat de boekensector hier van kan leren, werd mij niet direct duidelijk.

Vervolgens was het woord aan Philippe De Coene, voorzitter van de commissie Cultuur van het Vlaams Parlement. Een jaar geleden keurde dat parlement een resolutie goed over een actieplan voor de letteren in Vlaanderen. De Coene ging kort in op wat er inmiddels bereikt is en waar nog werk aan de winkel is. Hij begon met het positieve nieuws. Zo heeft de boekensector met BoekenOverleg een officieel aanspreekpunt, geregeld overleg en een gezamenlijke agenda. Goed nieuws is tevens dat de Universiteit Antwerpen met ingang van het studiejaar 2014/2015 een postgraduaat Boekenvak aanbiedt. Daarnaast is er vanuit de overheid aandacht voor de problemen die de onafhankelijke boekhandels ondervinden. Ook de leenrechtvergoeding staat op de agenda maar de verdeling is nog niet goed geregeld, zo gaf De Coene te kennen. Buiten de sector is echter weinig weet van al deze ontwikkelingen. Om de sector beter op de kaart te zetten, vooral internationaal, is aan de resolutie ook het plan toegevoegd om België als gastland op de Frankfurter Buchmesse te presenteren. De Coene wilde het liefst dat België dit zelfstandig zou doen, maar het Parlement stond er op met Nederland te werken.

Tijdens het slotwoord overhandigde Leen van Dijck van BoekenOverleg het eerste exemplaar van het herziene standaardwerk Het boek in Vlaanderen sinds 1800 aan de auteur Ludo Simons. Alle deelnemers kregen een exemplaar van deze geschiedenis van het Vlaamse boekenvak mee naar huis om zo goed beslagen de blik op de toekomst te kunnen richten.



André Nuchelmans

maandag 15 april 2013

Muzikaal erfgoed op straat! Verslag expertmeeting



De verhalen liegen er niet om: persoonlijke  muziekarchieven en -collecties eindigen steeds vaker op rommelmarkten of bij de kringloop. Het archief van wijlen zanger en presentator Herman Emmink, bekend van het lied Tulpen uit Amsterdam, werd bijvoorbeeld teruggevonden in de kringloopwinkel van Soest. Instellingsarchieven en -collecties lijken eenzelfde lot beschoren. Schrijnende voorbeelden zijn het muziekarchief van de Wereldomroep en de Muziekbibliotheek van het Muziekcentrum van de Omroep, die respectievelijk 70.000 commerciële muziekdragers en vijf strekkende kilometer bladmuziek herbergen.  Als er niet snel een oplossing voor wordt gevonden, gaan ze verloren. Reden voor het  World Music Forum NL een spoed-expertmeeting te beleggen, over de toekomst van deze en andere bedreigde muziekarchieven en -collecties. De bijeenkomst vond plaats bij de Boekmanstichting, op 12 april 2013.


Illegaal geproduceerde opnamen in het archief van de Wereldomroep

Het Wereldomroeparchief kwam in de problemen toen er in 2012, na vijfentachtig jaar, een eind kwam aan de Nederlandstalige radio-uitzendingen van Radio Nederland Wereldomroep. De omroep werd drastisch afgeslankt en kreeg een andere taak. Voor het audio-deel van het archief, 20.000 lp’s en 50.000 cd’s die zijn opgeslagen in de kelders van de omroep, is in die nieuwe constellatie geen plaats. En als gevolg van de draconische bezuinigingen ook niet op een andere plek binnen de publieke omroep, alhoewel de cultuurhistorische waarde van dit erfgoed alom wordt erkend. Henk Lansink, bibliothecaris en trombonist vertelt: ‘De Wereldomroep is bereid dit deel van het muziekarchief “om niet” over te dragen aan een instelling die er iets mee wil doen, op voorwaarde dat het op 1 mei a.s. vertrokken is. Anders ligt het op straat.’ Andere, gedigitaliseerde, deelcollecties konden worden ondergebracht bij verschillende instellingen. Zo kregen de radioprogramma’s voor ‘de koloniën’ (gesproken woord) onderdak bij Stichting Beeld en Geluid.
Volgens Henk Lansink is het belangrijkste onderdeel van de audio-collectie  van de Wereldomroep de wereldmuziek die ongeveer eenderde van de collectie beslaat. De lp’s binnen deze collectie zijn ter plaatse (bijvoorbeeld in Laos) aangekocht. ‘Het zijn vaak lokaal op cassetteband geproduceerde en illegaal beluisterde opnamen die later op lp zijn gezet, of op cd gebrand. De overal verkrijgbare muziek lieten de reporters links liggen. De waarde van deze collectie wordt dan ook bepaald door zijn uniciteit, niet omdat hij van de Wereldomroep is.’ Hij is interessant voor binnen- en buitenlandse onderzoekers, uitvoerders, maar ook voor conservatoriumstudenten, zoals aan Codarts. Het is daarom lastig een geschikt onderdak te vinden waar al deze gebruikers hun weg naartoe kunnen vinden. Een van de opties is het MUI, een Gelders muziekuitleencentrum voor  muziekverenigingen, muziekdocenten en dirigenten, dat een meer landelijke georiënteerd muziekdocumentatiecentrum beoogt te worden. Ook de afdeling Bijzondere Collecties van de UvA is in beeld, maar deze vraagt een x-bedrag per strekkende meter voor een periode van vijf jaar voor onder meer opslag, onderhoud en ontsluiting, inclusief de kosten van een conservator. Na die vijf jaar neemt Bijzondere Collecties de zorg inhoudelijk en financieel over. Ook Beeld en Geluid kan niet zonder meer elke collectie opnemen: daarvoor ontbreekt de expertise die moet worden ingekocht (of tegen betaling meegeleverd). Ongeacht de keuze die uiteindelijk wordt gemaakt, is het dus zaak om particuliere financiering te zoeken. Inmiddels is wel duidelijk dat de gemeente Bussum bereid is noodopvang te bieden aan het audio-archief van de Wereldomroep.


Handgeschreven arrangementen in bladmuziekcollectie van het Muziekcentrum van de Omroep

De Muziekbibliotheek van het Muziekcentrum van de Omroep (MCO), de overkoepelende organisatie van de muziekgezelschappen van de publieke omroep, is ook slachtoffer van de overheidsbezuinigingen op het omroepbestel. Het MCO dat met ingang van 2013 met zestig procent werd gekort, zag zich genoodzaakt de Muziekbibliotheek af te stoten. ‘Voor het leeuwendeel van de bibliotheek, namelijk de grootste verzameling bladmuziek van Nederland en ver daarbuiten, is nog geen bestemming gevonden’, aldus bibliothecaris Jan Jaap Kassies. ‘Deze verzameling bestaat onder meer uit (soms handgeschreven) arrangementen voor radio en televisie, een duizelingwekkende hoeveelheid klassieke bladmuziek vanaf de middeleeuwen, songbooks van Engelse en Amerikaanse musicals, en manuscripten van componisten zoals Louis Andriessen en Otto Ketting en van jazzmusicus en  -dirigent Boy Edgar’, zegt Kassies, ‘bij elkaar ruim 200.000 titels’. Kassies is de ontdekker van de  manuscripten van de Duits-Oostenrijkse componist Hanns Eisler die bekend is geworden door zijn muzikale verbintenis met Bertold Brecht. Slechts een bescheiden deel van de collectie bladmuziek is gedigitaliseerd, een beeld dat overeenkomt met de omvang van de digitalisering van bladmuziek in de rest van Europa.
De hoop van het MCO-muziekarchief is gevestigd op het Nederlands Muziek Instituut (NMI): ’het  centrum voor het muzikaal erfgoed in Nederland’. Zwaartepunten in deze collectie zijn Nederlandse muziek van 1700 tot heden en oude muziek (Renaissance, Barok, Klassiek); de MCO-bladmuziekcollectie zou hier een goede aanvulling op vormen. Het NMI verloor echter, net als het MCO, het merendeel van zijn subsidie en werkt nu samen met het Haags Gemeentearchief waarmee het op termijn zal integreren. Er worden echter ook andere mogelijkheden onderzocht, zoals aansluiting bij een andere instelling en een voortbestaan buiten de omroep in een onafhankelijke stichting voor een op te zetten Nationale Muziekbibliotheek.



Het levensgrote probleem waar het muziekarchief van de Wereldomroep en de bladmuziekcollectie van de Muziekbibliotheek van de Omroep tegenaan lopen, is ook het probleem van particuliere verzamelaars. Waar moeten zij met hun muzikale erfgoed naar toe? Met hun muziek uit de Molukken, Indonesië en Suriname, van Nederlandse zigeunerorkesten, of Doe Maar. De verzamelaars zijn experts op hun verzamelterrein en laten in de regel ongaarne andere mensen toe in hun paradijs. Dat impliceert ook dat er weinig zicht bestaat op de aanwezige, zeer uiteenlopende archieven en collecties in Nederland waartoe ook de archieven  en collecties van de muziekindustrie, musici en componisten gerekend moeten worden. Om dat euvel te verhelpen liet het ministerie van OCW in 2009 de mogelijkheden van een digitale wegwijzer voor muziekarchieven onderzoeken. Zo’n wegwijzer zou niet zelf alle informatie moeten bevatten, maar een koppeling tussen verschillende zoekingangen moeten bieden, van bladmuziek tot concertagenda’s, van foto’s tot geluidsdragers, van muziekinstrumenten tot parafernalia en muziektradities. Die wegwijzer is er muzieksectorbreed nooit gekomen, maar is hoognodig, misschien een beetje naar voorbeeld van onze Zuiderburen. Daar presenteert de organisatie Resonant op de website www.muzikaalerfgoed.be de Muziekbank Vlaanderen als een online register voor de beschrijving van muziekarchieven en -collecties uit Vlaanderen. Met deze databank streeft Resonant ernaar de verwaarlozing van het Vlaams muzikaal erfgoed een halt toe te roepen. Het opbouwen van zo’n digitale wegwijzer in Nederland, al dan niet ondergebracht bij het NMI of een Nationale Muziekbibliotheek, gaat niet vanzelf, maar zou misschien met steun van bekende musici, de muziekindustrie en auteursrechtenverenigingen, en met  een combinatie van contributies, giften en nalatenschappen kans van slagen hebben. Inventarisatie per subsector (wereldmuziek, bijvoorbeeld) en onderlinge doorverwijzing zou al een mooie start zijn. Het regelen van opslag voor de kratten met archieven en collecties die anders zonder pardon in de vuilcontainers of papierversnipperaar verdwijnen, evenals het opstellen van selectiecriteria en een format voor de digitalisering van de inhoud van deze archieven en collecties, zijn stappen die gelijktijdig zouden moeten worden gezet. Niets doen is immers niet langer een optie.

Ineke van Hamersveld




                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                           






maandag 18 maart 2013

Economische waardering voor gebouwd erfgoed

Op 14 maart 2013 werd tijdens het congres Cultureel erfgoed op waarde geschat het gelijknamige boek gepresenteerd: Cultureel erfgoed op waarde geschat: economische waardering, verevening en erfgoedbeleid. Het boek bevat de resultaten van twee langjarige projecten: een onderzoek naar de economische waardering van cultureel erfgoed en een naar de verevening van kosten en baten van dat erfgoed. Aansluitend was de oratie van Jan Rouwendal, als bijzonder hoogleraar Economische waardering van cultureel erfgoed vanwege de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed en het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Hij is de vierde en laatste hoogleraar voor het onderwijs- en onderzoeksprogramma Erfgoed en Ruimte.* 

De belangstelling voor en erkenning van het belang van de waarde van cultuur neemt wereldwijd toe. Zo ook de behoefte van publieke en private financiers aan wetenschappelijk gefundeerd onderzoek ter onderbouwing van effectief en efficiënt beleid. Sinds de jaren tachtig van de vorige eeuw zijn er verschillende methoden ontwikkeld om goederen in het culturele domein cultureel, economisch (zoals Myerscough in 1988) en sociaal  (zoals Matarasso  in 1997) te waarderen, van festivals tot podia, van cultureel erfgoed tot bibliotheken. Internationaal befaamde cultureel economen als Françoise Benhamou, Bruno Frey, Alan Peacock en Ilde Rizzo richtten hun pijlen in het afgelopen decennium zelfs specifiek op het cultureel erfgoed.
Tegen deze achtergrond sloegen onderzoekers van de Vrije Universiteit en de Universiteit Twente de handen ineen. De Vrije Universiteit nam het onderzoek naar de economische waardering van erfgoed voor zijn rekening en vormde een consortium met de gemeenten Dordrecht, Haarlem, Heerlen, Helmond en Zaanstad. De Universiteit Twente, waar implementatiestrategieën werden onderzocht, formeerde een consortium met publiek-private gebiedsontwikkelingsprojecten waaronder de Wagenwerkplaats in Amersfoort,  het Hart van Zuid in Hengelo, de Spoorzone in Tilburg en het Hembrugterrein in Zaanstad. 



Integraal waardedenken nodig

De opmerkelijke onderzoeksresultaten  werden op de conferentie toegelicht. Marnix Smit van de Universiteit Twente onderzocht samen met Marlijn Baarveld en Geert Dewulf  of de transformatie van erfgoed mogelijk is in de bredere context van gebiedsontwikkeling. Hij stelde in zijn lezing twee modellen tegenover elkaar waarin kosten, risico’s en baten tussen de stakeholders worden verdeeld (verevening). In het oude, gangbare top-down model is verevening afdwingbaar, maar dit model ontmoet steeds meer obstakels, waaronder planologische (juridische obstakels). Er is bovendien onderzoek nodig naar het maatschappelijke draagvlak voor de transformatie van het erfgoed in kwestie en er moeten risicoanalyses worden uitgevoerd en financiers gevonden. Daarmee is een dergelijke publiekrechtelijke afdwingbaarheid in Nederland beperkt. Hier tegenover staat de bottom-up benadering waarin per project wordt gezocht naar de meest geëigende coalities en allianties. In het oude model is de gebiedsontwikkeling vooral gericht op financieel kortetermijnwinst. De gangbare vorm van verevening is dan winst te maken op het vastgoed en uit grondexploitatie. Die vorm van verevening is niet toekomstbestendig, gezien de huidige vastgoedontwikkeling. Volgens Smit moet een meer integraal waardedenken het oude model vervangen. Naast de bottom-up samenwerkingsstrategie is daarvoor waardecreatie op gebiedsniveau nodig, en niet langer op gebouwniveau. En tot slot moet het kortetermijnrendement vervangen worden door langetermijnrendement. De succesfactoren in dit bottom-op model zijn terug te voeren op een coöperatieve houding waarin de coalitiepartners precies weten wat hun doel (belang) met het project is, daar open over zijn, informatie delen en flexibel zijn. De achilleshiel van dit model is dat het voortbestaan van erfgoed in een nieuwe functie afhankelijk wordt gemaakt van het onderhandelingsproces tussen de coalitiepartners.


Inventieve en haalbare oplossingen

Praktijkvrouw Margot Haasdonk, beleidsmedewerker monumentenzorg bij de gemeente Haarlem en lid van de Federatie Grote Monumentengemeenten, vertelde hoe in Haarlem sprake was van een verschuiving van objectzorg naar omgevingszorg. De meeste monumentale panden staan immers in een straat, hebben een uitstraling naar de rest van de straat en de directe omgeving en bieden de bewoners een bepaalde identiteit. De panden vertellen iets over hoe mensen leefden, wat ze belangrijk vonden en technisch konden, reden om ze zo lang mogelijk te willen behouden. Veel monumenten staan echter leeg en de gemeente moet dan snel handelen, zonder de grenzen van het budget te overschrijden. Een van de mogelijkheden die Haasdonk voorschotelt is de panden te kopen, er een eigen dienst in te zetten en zodra het mogelijk is ze te verkopen, laten restaureren en vervolgens te huren. Een ander instrument is het aanstellen van straatmanagers als een straat met veel monumentale panden dreigt te vervallen. De straatmanagers werken samen met bewoners, gebruikers en andere partijen om de straat de benodigde boost te geven. Een onderdeel daarvan is schreeuwerige reclameborden uit te bannen, de straten te herinrichten en schoon te maken. Steden die, net als Haarlem, evenementen organiseren, kunnen uitdrukkelijk hun cultuurhistorische karakter noemen, door aan te geven dat het evenement zich afspeelt ‘in een monumentale setting’. Het zijn slimme en praktische oplossingen die iets laten zien van de inventiviteit die gemeenten aan de dag (moeten) leggen in deze tijden van financiële krapte. Haasdonk heeft in haar praktijk te maken met een schier eindeloze rij stakeholders die allemaal andere belangen hebben en zonder uitzondering een eigen benadering vragen en krijgen, van monumenteneigenaren, bedrijven, collega-afdelingen bij de gemeente, wethouders, kunstenaars, buurtbewoners en winkeleigenaren tot horeca-uitbaters, city marketeers, projectontwikkelaars en hoteleigenaren. Tussen de politieke prioriteiten van de gemeenten, de grenzen van het budget en de bereidwilligheid en draagkracht van de stakeholders ligt haar manoeuvreerruimte. Dat vraagt om een open en flexibele opstelling, zoals ook Marnix Smit bepleitte.


Langetermijnrendement en revolving funds

De financiële krapte, de duizenden leegstaande monumenten en op de koop toe een terugtrekkende rijksoverheid die van haar monumentale vastgoed af wil, vraagt andere manieren van werken dan wij gewend zijn, stelt ook Jeroen Saris, van De Stad NV. Hij noemt verschillende strategieën zoals iconisering, city marketing, herontwikkeling en commercialisering. Dat dit laatste niet altijd slecht hoeft te zijn, bewijst  de metamorfose van de Zaanse binnenstad. Onder de naam Inverdan verschenen nieuwe woningen, winkels en kantoorruimten en verbeterde de openbare ruimte, onder meer door de aanleg van een gracht en een ’opgetilde stadsstraat’. De Zaanse binnenstad beschikt daarmee onder meer over een nieuw stadhuis, een nieuwe openbare bibliotheek, een vergadercentrum,  bioscoop en nieuwe scholen. Het versterkte bovendien de ruimtelijke samenhang tussen het hart van de stad en de Zaansche Schans. Zaanstad heeft ‘een verhaal’ gekregen. Dat maakt het mogelijk routes uit te zetten, met het verhaal samenhangende evenementen te organiseren. Echter, de grootschalige blauwdrukplanning van weleer is failliet: stedelijke en landschappelijke ruimtes laten zich niet meer op de tekentafel ontwerpen. Bestaande verdienmodellen werken ook niet meer, dus wat nu? Herontwikkeling, bottom-up, heeft volgens Saris de meeste kans. Hij bepleit een geleidelijke ontwikkeling, door exploitatie. Deze is te bereiken door te zoeken naar de juiste gebruikers voor het juiste gebouw, iets wat Margot Haasdonk dagelijks probeert na te streven. Dit is volgens Saris bij uitstek de taak van een overheid. Geef die gebruikers de kans geleidelijk te investeren en de meerwaarde die zij ontwikkelen te herinvesteren in het gebouw of het gebied. Een andere manier van denken vraagt  andere regelgeving en nieuwe financiële regelingen met de huidige economie als uitgangspunt, stelt hij. Een van de opties is een revolving fund dat laagrentende leningen kan verstrekken aan de herontwikkelaars.

Voor verschillende gebieden en gebouwen zijn dus verschillende oplossingen nodig. Die zijn alleen haalbaar als de vastgoedwaarde niet langer centraal wordt gesteld in het verdienmodel, maar de economische aandacht verschuift naar de waarde die in het gebouw wordt geproduceerd en die de kosten moet opbrengen. Een waardevolle boodschap die de erfgoedsector zich ter harte kan nemen.

Ineke van Hamersveld, fondsredacteur/hoofdredacteur Boekman, Boekmanstichting

* Het onderzoeks- en onderwijsnetwerk Erfgoed en Ruimte is een gezamenlijk initiatief van de rijksoverheid (ministeries van OCW, IenM en EL&I), de Vrije Universiteit Amsterdam, de Technische Universiteit Delft en Wageningen University. Het netwerk wordt gecoördineerd en ondersteund door Platform 31, in samenwerking met de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, zie ook www.netwerkerfgoedenruimte.nl. De hoogleraren van het netwerk Erfgoed en Ruimte zijn, naast Jan Rouwendal: Hans Renes, bijzonder hoogleraar Erfgoed van stad en land aan de Faculteit der Letteren van de Vrije Universiteit Amsterdam, Eric Luiten, deeltijdhoogleraar Erfgoed en Ruimtelijk Ontwerp aan de Faculteit Bouwkunde van de Technische Universiteit Delft en Joks Janssen, bijzonder hoogleraar Ruimtelijke Planning en Cultuurhistorie bij de Environmental Science Group van Wageningen University.