Posts tonen met het label boekbespreking. Alle posts tonen
Posts tonen met het label boekbespreking. Alle posts tonen

dinsdag 21 februari 2012

Hans den Hartog Jager: Het sublieme. Het einde van de schoonheid en een nieuw begin

Schrijver, journalist en presentator Hans den Hartog Jager (1968) heeft in opdracht van Museum de Fundatie te Zwolle de tentoonstelling ‘Meer Licht’ samengesteld. Het boek Het sublieme. Het einde van de schoonheid en een nieuw begin, dat ter gelegenheid van de tentoonstelling - en gesubsidieerd door het Fonds voor beeldende kunsten, vormgeving en bouwkunst - is verschenen, onderzoekt het sublieme in de kunst. Een subliem kunstwerk gaat volgens de auteur veel verder en dieper dan de begrippen mooi of lelijk en is overweldigend; hij noemt als voorbeeld The Weather Project een gigantisch kunstwerk van Olafur Elliasson, dat hij een aantal jaren geleden in de Tate Modern in Londen zag en waarmee hij zijn betoog inleidt.

Maar schoonheid is een delicate zaak waar hedendaagse kunstenaars zich minder mee bezig houden dan met ideeën, aldus Den Hartog Jager. Aan het einde van de Tweede Wereldoorlog wilde de avant-garde van de schoonheid af, niet alleen omdat steeds meer kunstenaars schoonheid associeerden met oude machthebbers, die er hun status en historie mee bevestigden, maar ook omdat die houding bijna vanzelfsprekend paste in de individualistische ontwikkeling die de beeldende kunst vanaf het begin van de Romantiek had doorgemaakt.

Volgens Den Hartog Jager heeft goede kunst altijd te maken met bevrijding van de beperking van je eigen geest. 'Plotseling, bijna zonder het te beseffen, ben je weg uit het leven van alledag, is je geest elders en zoek je je weg in de beelden, de vormen en ideeën die het kunstwerk je aanreikt'. (p. 117) De auteur denkt dat deze vorm van bevrijding het belangrijkste effect is dat alle soorten kunst bij de toeschouwer wil bereiken. (p.118) Het gaat er om dat een kunstwerk de toeschouwer een ander perspectief op de wereld biedt, uittilt boven de alledaagse beperking van zijn geest en lichaam. De aard van de bevrijding is veranderd van schoonheid als absolute waarde (voor wie zo kijkt is een kunstwerk ( …) de eerste trede van een trap naar de hemel) naar schoonheid, zoals bijvoorbeeld in veel hedendaagse ideeënkunst, waarin die ‘eerste bevrijding’ zo goed als afwezig is en wat precies de reden is waarom schoonheidszoekers zich met dit soort werk geen raad weten.

In het prikkelend en meeslepend geschreven essay geeft de criticus aan de hand van voorbeelden uit de kunstgeschiedenis en de hedendaagse kunst zijn visie op de ontwikkelingen in de schoonheid en het sublieme in de kunstwereld. Het sublieme vond volgens hem zijn eerste hoogtepunt bij kunstenaars als William Turner en Caspar David Friedrich. In de tweede helft van de twintigste eeuw werd de schoonheid steeds verdachter en met de schilderijen van Mark Rothko kwam in de jaren zeventig een einde aan de schoonheid die niet meer vernieuwend en niet meer kritisch werd gevonden. Daarmee was het sublieme uit de kunst verdwenen maar het verlangen naar schoonheid niet en volgens de auteur is het sublieme op de weg terug in de installaties en video’s van een nieuwe generatie kunstenaars. Hij noemt als voorbeelden de werken van de eerdergenoemde Eliasson, maar ook kunstenaars als David Clearbout en Anish Kapoor halen de toeschouwer uit zijn alledaagse leven en doen een appel op hun emotie waardoor het sublieme weer terug is in de beeldende kunst.

Den Hartog Jager, verbonden als kunstcriticus aan NRC Handelsblad en Oog, schrijver van romans, medewerker aan diverse tv programma’s over kunst heeft het boek geschreven als gezelschap bij ‘Meer licht’(volgens de auteur de laatste woorden van Goethe) in de Fundatie te Zwolle die hij samenstelde in 2011/2012 op verzoek van Ralph Keuning, directeur van het museum, dat in het bezit is van de enigste William Turner in een Nederlandse museumcollectie. De (eigentijdse) kunstenaars wier werk Den Hartog Jager geselecteerd heeft en dat op de expositie te zien was, zijn: Tacita Dean (GB), Bas Jan Ader (NL), Olafur Eliasson (DK/IS), David Claerbout (BE), Miroslaw Balka (PL), Derk Thijs (NL), Spencer Finch (US), Ann Böttcher (SE), Guido van der Werve (NL), Katie Paterson (GB), Gert Jan Kocken (NL), Raquel Maulwurf (NL), Wolfgang Laib (DE), Ragnar Kjartansson (IS), Roy Villevoye (NL), Vija Celmins (USA), Erik Odijk (NL) en Wolfgang Tillmans (DE). Ook in het werk van een deel van deze, veelal jonge, kunstenaars is volgens Den Hartog Jager het sublieme weer terug in de kunst. Van het merendeel van de kunstwerken zijn ook afbeeldingen (met daarbij behorende zeer toegankelijke en persoonlijke beschrijvingen over het waarom van de keuze en de betekenis van de werken) in het boek opgenomen. De heldere stijl en de meeslepende beschrijving van ‘sublieme’ kunstwerken door Den Hartog Jager maakt dat je het boek aan een stuk door uitleest, maar af en toe hopt de tekst zo door de tijd heen en weer dat je je hoofd, zeker als je geen gevorderde kunstkenner bent, er heel goed bij moet houden omdat je anders de draad kwijtraakt.

Hans den Hartog Jager Het sublieme; het einde van de schoonheid en een nieuw begin Atheneum-Polak & Van Gennep 2011. Prijs: 19,95

Truus Gubbels

maandag 23 januari 2012

Memories can't wait. 40 jaar Effenaar

Vorig jaar bestond het Eindhovense poppodium de Effenaar 40 jaar. Als invalshoek voor de bijpassende publicatie werd gekozen voor de artiesten die in de Effenaar hebben opgetreden. Guns verzamelde, vaak uniek, beeld van een aantal optredens en vroeg een aantal van de artiesten om hun herinnering aan de Effenaar. Veel artiesten blijken met veel plezier aan hun optreden aldaar terug te denken en de buitenlandse artiesten zien Nederland over het algemeen als een paradijs voor musici.

Zoals veel poppodia ontstond de Effenaar in 1971 uit een aan de kraakbeweging verbonden actie. Een aantal jongeren bezette in 1969 het gerechtsgebouw aan het Eindhovense Stratumseind en eiste een eigen plek. Uiteindelijk werd het in 1971 de oude textielfabriek aan de Dommelstraat, aanvankelijk nog onder de naam Open Jongerencentrum Para maar nog datzelfde jaar omgedoopt in de Effenaar. De naam verwijst naar een in de textielindustrie gebruikt apparaat om linnen en stoffen te effenen. In die begintijd is muziek nog maar een van de activiteiten die op het programma staat, maar gaandeweg krijgt het steeds meer aanzien. De titel van het eerste hoofdstuk, Hippies en sessies, zegt al genoeg.

Hoe er in die begintijd tegen de Effenaar aangekeken werd, verwoordt de huidige directeur Marijke Appelboom. Zij maakte in de jaren zeventig kennis met het poppodium, maar daar mochten haar ouders niets van weten. ‘Ik zat op het Gemeentelijk Lyceum en volgens mijn vader waren er twee plekken in Eindhoven waar ik absoluut niet mocht komen: het Stratumseind en de Effenaar.’ Binnen het Nederlandse popcircuit genoot en geniet de Effenaar nog steeds de reputatie van een podium voor vernieuwende en baanbrekende muziek. Ook nadat de Effenaar in 2005 naar een splinternieuw gebouw verhuisde. Het podium heeft zo’n specifieke reputatie dat bands uit bepaalde stromingen, zoals bijvoorbeeld Stonerrock, soms alleen in Eindhoven optreden en bekendere podia als het hoofdstedelijke Paradiso links laten liggen. Eindhoven was dan ook jaren Nederlands Rockcity.

Aan de hand van de stromingen die in elk hoofdstuk centraal staan is de ontwikkeling van de popmuziek te zien. De hippies werden het pand uitgewerkt door de punkers, daarna kwam de New Wave en de experimentele muziek, gevolgd door reggae en ska en in jaren tachtig en negentig de gitaarrock. Vervolgens eiste ook de ‘draaitafelgeneratie’ haar plaats binnen de Effenaar op. Het boek eindigt vanzelfsprekend met de nieuwe Effenaar. Op de site van VPRO’s 3voor12 is nog een aantal achtergrondartikelen te vinden naar aanleiding van het 40 jarig jubileum.


Niels Guns: Memories can’t wait. 40 jaar Effenaar.
Eindhoven: De Vrije Uitgevers, 2011
Prijs: € 34,95
Ook aanwezig in de bibliotheek van de Boekmanstichting (Signatuur: 12-023)


André Nuchelmans

donderdag 1 december 2011

De portretfabriek van Michiel van Mierevelt (1566-1641)

Vanaf het einde van de 16de eeuw kenden alle Noord Nederlandse steden van enige betekenis een of meer gevestigde schilders die voorzagen in de lokale behoefte aan portretten. Met name stedelijke regentenfamilies, rijke kooplieden, legerofficieren en telgen uit oude adellijke families lieten portretten schilderen maar ook predikanten en geleerden.
Michiel Jansz. van Mierevelt was de meest productieve kunstenaar van zijn tijd in Delft en maakte talloze portretten waaronder in 1607 een portret van Prins Maurits waarmee hij faam verwierf en wat leidde tot tal van andere opdrachten. Zijn leven viel samen met een turbulente periode in de vaderlandse geschiedenis waarbij Delft nauw betrokken was. Vlak na zijn geboorte begon de tachtigjarige oorlog die pas zeven jaar na zijn overlijden zou eindigen. Karel van Mander beschrijft de kwaliteit van de portretten van de schilder in zijn beroemde Schilderboeck als ‘heerlijck, uytnemend en wonderlijck uitmuntend’.
Museum het Prinsenhof te Delft besteedde van 24 september 2011 tot en met 8 januari 2012 een expositie aan het oeuvre van de vooraanstaande portretschilder uit de 17de eeuw met als titel: Portretfabriek Van Mierevelt. Ontdek de hand van de meester. Van Mierevelt had een enorme productie: er kwamen drie of vier schilderijen per week uit het atelier waar het werk met hulp van zonen, leerlingen en assistenten werd gemaakt. De kunstenaar was in de Gouden Eeuw fameuzer dan Vermeer en heeft de 17de eeuwse Hollanders het gezicht gegeven waarmee ze nu nog steeds geassocieerd worden. In de overzichtstentoonstelling zijn veel portretten uit binnen- en buitenland bij elkaar gebracht, de meeste uit Nederlandse musea maar ook een aantal uit buitenlandse musea. 38 werken uit de collectie van het Prinsenhof worden aan hem toegeschreven. De tentoonstelling en het boek geven een inkijk in een zeer bedrijvig kunstenaarschap voorzien van een uitgebreide klandizie. Overigens waren er op de lokale kunstenaarsmarkt ook andere schilders actief maar van een felle concurrentiestrijd was naar alle waarschijnlijkheid geen sprake. Vaak was het zo dat voormalige assistenten een deel van de markt van de met opdrachten overladen meester overnamen. De bloeiperiode van de ‘prins der schilders’ die het als zakenman net zo goed deed als als schilder.
Van Mierevelt stamt uit een geslacht van ambachtslieden afkomstig uit het Brabantse plaatsje Mier in de buurt van Turnhout. Zijn overgrootvader vestigde zich rond 1500 met twee kinderen in Delft. Zijn vader was goudsmid en hij groeide dus op in een artistiek milieu. Na verschillende leermeesters rondde hij zijn opleiding af en in 1589 trouwde hij met Stijntge Pietersdr. Van der Pes met wie hij in de veertien jaar die daarop volgden acht kinderen kreeg.
Het grootste deel van de portretten werd begin 17de eeuw, tijdens de bloeiperiode van zijn carrière, vervaardigd in zijn statige huis, ‘Het Wapen van Spangien’, een hoofdhuis met zijhuis aan de gracht en een achterhuis, aan de Oude Delft te Delft. Van Mierevelt schilderde voornamelijk op panelen die niet in het atelier werden gemaakt maar aangeleverd werden door schrijnwerkers. Portretten konden besteld worden in een aantal standaardformaten, afhankelijk van de draagkracht en wensen van de klant. De kunstenaar hanteerde een extreem doorgevoerde standaard in de portretten; de houding van het lijf, zelfs de hoek van de draaiing van het hoofd waren telkens hetzelfde. De kleding van de geportretteerde is vaak sober maar wel gemaakt van kostbare stoffen en geschilderd met veel oog voor detail. Van het bewaard gebleven werk bestaat ongeveer 50 procent uit replieken of kopieën. Het aantal versies dat van een werk gemaakt werd, varieërde van twee tot 42 (Prins Maurits). Dat gold ook voor de prijzen: een borststuk of een kniestuk ‘geconterfeyted nae ’t leven’ waren respectievelijk 48-50 gulden en 200-300 gulden.
Het atelier ontwikkelde zich tot een familiebedrijf vanaf het moment dat de oudste zoon van de kunstenaar een rol ging spelen, maar ook drie andere zonen leverden in de loop der tijd een bijdrage aan het maken van portretten en dus aan het familiebedrijf.
De meeste klanten (bijna de helft) waren afkomstig uit Delft, maar er kwamen ook portretopdrachten van elders, bijvoorbeeld uit Amsterdam, Den Haag en het buitenland. Wat de sociale herkomst betreft waren het vooral rijke mensen uit de burgerij, weer met name uit Delft, maar ook, weliswaar in mindere mate, waren officieren, bevelhebbers, gezanten, diplomaten, familieleden, theologen klanten van Van Mierevelt.
Een hoofdstuk is gewijd aan het productieproces in het atelier en gaat in op het materiaalgebruik en de schildertechniek van de kunstenaar; de panelen en penselen. In het slothoofdstuk worden de portretten van Prins Maurits beschreven. Van Mierevelt startte aan het begin van de 17de eeuw met de productie van portretten van de prins. De portretten werden in soorten en maten geschilderd; zowel knie- en (kleine) borststukken als ten voeten uit geleverd. Een enkele keer werd de prins geschilderd in een glad metalen harnas in plaats van een pronkharnas, een ‘swart lere colderken’, of ook in kostuum, veelal een met gouddraad geborduurde buis met pofbroek met een bijbehorende hoge zwarte hoed met pluim. Tot de dood van de kunstenaar zouden deze portretten het handelsmerk van het atelier vormen.
Het boek is heel erg mooi geïllustreerd en voorzien van een uitvoerige catalogus met portretten. Daarnaast zijn er, behalve de bij de afzonderlijke hoofdstukken horende afbeeldingen, tussen de hoofdstukken pagina’s met details van de schilderijen opgenomen zoals een pagina met neuzen en monden, een pagina met handen, een pagina met sieraden, een pagina met kragen een pagina met portretten van prins Maurits.

Anita Jansen, Rudi Ekkart en Johanneke Verhave − De portretfabriek van Michiel van Mierevelt (1566-1641) – Zwolle/Delft: WBooks/Museum Het Prinsenhof Delft, 2010 – ISBN 978 90 400 7824 8 – Prijs: € 39,50

Truus Gubbels

vrijdag 25 november 2011

ABC van de literaire kritiek

Met de opkomst van blogs en sociale media als facebook en twitter stellen gevestigde media als kranten en tijdschriften zich met enige regelmaat de vraag of het nog wel nut heeft een speciaal katern of deel van het tijdschrift aan recensies van boeken te wijden. De literaire kritiek staat wat dat betreft niet alleen, ook in andere kunstsectoren als muziek, theater, film en beeldende kunst vragen media zich af of zij nog een rol te vervullen hebben.
Critici en recensenten geven meestal een bevestigend antwoord. De reden die ze er voor geven, is dat zij, meer dan de liefhebber op zijn blog of facebookpagina, het boek in een breder kader kunnen plaatsen. Met andere woorden, hun belezenheid en kennis van zaken gaat altijd verder dan dat van een gemiddelde lezer die een andere lezer wil overtuigen een bepaald boek te lezen of juist niet. Elsbeth Etty betoogde het al in haar oratie De literaire kritiek als journalistiek genre, die zij uitsprak bij de aanvaarding van het bijzonder hoogleraarschap Literaire kritiek aan de Vrije Universiteit te Amsterdam. Daarin stelde ze de literaire criticus gelijk aan elke ander journalist. Hij diende dan ook aan dezelfde eisen te voldoen: betrouwbaarheid en objectiviteit. In het ABC van de literaire kritiek zet ze het aan de hand van een aantal steekwoorden allemaal nog eens op een alfabetisch rijtje. Het boekje verscheen ter gelegenheid van het 25-jarig bestaan van uitgeverij Balans.
Het leven van een literair criticus is geen lolletje, je doet het namelijk nooit goed. Als je een positieve recensie schrijft wordt je al snel van omkoping beticht, schrijf je een negatieve recensie dan heb je nog een rekening met de auteur te vereffenen. Maar dat hoort er bij. ‘Wantrouw dus vooral de recensent die nog nooit is uitgemaakt voor aasgier of erger’, houdt Etty de lezer voor. En zij kan het weten. In 2001 verklaarde auteur Joke J. Hermsen naar aanleiding van de bespreking door Etty van haar roman Tweeduister, dat ze had overwogen aangifte tegen Etty te doen voor een poging tot doodslag. En zo noemt ze nog een aantal voorbeelden op.
Ze betoont zich absoluut geen voorstander van een aanpassing van de kritiek aan de wens van de meerderheid van de lezers, die graag hapklare, amusante stukjes wil. En ook de beoordeling zoals die tegenwoordig in veel dag- en weekbladen wordt gehanteerd met ‘debiliserende ballen of sterren’, kan haar goedkeuring niet wegdragen. Het doel van de literaire kritiek is meer dan alleen ‘een betrouwbare en gefundeerde beoordeling te geven’, het moet ook een ‘lezenswaardig en boeiend artikel’ opleveren. Er is in haar optiek maar één manier om het gezag van de literaire kritiek weer te herstellen en dat is het verbeteren van de kwaliteit. Daarmee gaat ze dwars in tegen de mening van bijvoorbeeld Thomas Vaessens, hoogleraar moderne letterkunde aan de Universiteit van Amsterdam. Hij verkondigde in zijn boek De revanche van de roman dat boekenbijlages maar beter konden verdwijnen, want daar zat niemand behalve een kleine culturele elite nog op te wachten. Om de studenten tegemoet te komen en zijn vak nog enigszins de moeite waard te houden, ging hij in zijn colleges de boeken van Kluun, Saskia Noort en andere lectuur te behandelen. Elsbeth Etty is er de vrouw niet naar om de handdoek in de ring te gooien. Met dit ABC van de literaire kritiek weet ze dat op overtuigende wijze te onderbouwen. Het is niet alleen een must voor iedere criticus die zijn vak serieus neemt – je hoeft het daarvoor niet met haar eens te zijn – maar kan zeker ook van dienst zijn bij het schrijven van een goede blog.

Elsbeth Etty – ABC van de literaire kritiek – Amsterdam: Balans, 2011 – ISBN 978 94 600 3335 3 – Prijs: € 6,95

André Nuchelmans

woensdag 5 oktober 2011

De boekenbusiness. Hoe geld het boekenvak heeft veranderd

‘Hoe het grote geld het boekenvak en het lezen heeft veranderd’, luidt de ondertitel van André Schiffrins levendige en persoonlijke boek over de vercommercialisering van de boekenwereld. Volgens de oud-uitgever van Pantheon Books, de Amerikaanse uitgeverij van onder anderen Günter Grass en Simone de Beauvoir, is een boek tegenwoordig een product ‘zoals een pak zeep’, dat zijn succes uitsluitend aan winst afmeet.

De Boekenbusiness begint als de memoires van Schiffrin, die als klein jongetje in het New York van de jaren veertig graag op bezoek ging bij de uitgeverijen waar zijn vader werkte: eerst Gallimard en later, vanaf 1942, Pantheon Books. Dialogen tussen rijke Amerikaanse investeerders en intellectuele Europeaanse uitgevers, eigen gedachten en de vertellende ik-figuur maken het boek prettig leesbaar en aansprekend. Ondanks de vele romantitels, auteurs, jaartallen en zakelijke kwesties die aan de orde komen, is Schiffrins vertelling allesbehalve een geschiedenisles.

Rode draad in het verhaal zijn de ontwikkelingen binnen uitgeverij Pantheon, die zich sinds eind jaren vijftig steeds meer zou richten op verkoop en promotie. Destijds veranderde geld de toekomst van het bedrijf door onder meer Doctor Zhivago in een oplage van 4000 exemplaren te drukken. De schrijver, Boris Pasternak, kreeg een Nobelprijs en de moeilijke Russische roman werd met meer dan zes miljoen verkochte exemplaren een bestseller.

Dat was pas het begin, zo vertelt Schiffrin. Uit alles in zijn boek spreekt liefde voor het vak en een wens voor een intellectueel en verstandig uitgeefbeleid en een afkeer van vercommercialisering die daar decennialang een einde aan maakte. Het is fascinerend om te lezen hoe de auteur sinds 1961, toen hij zijn vader opvolgde als hoofd van uitgeverij Pantheon, steeds meer te maken kreeg met financieel gewin en kortzichtige commerciële keuzes, die diversiteit en experimenten in de boekenwereld langzaam naar de achtergrond verdreven. In de jaren negentig werden ‘substantiële titels’ geschrapt omdat ze de budgettair opgelegde verkoopcijfers niet haalden, de rol van uitgever werd langzaam vervangen door marketingmanagers. Het boek was geen intellectueel of maatschappelijk waardevol goed meer, maar een product.

Hoewel De Boekenbusiness hier en daar een ‘vroeger-was-alles-beter’-neiging heeft, schrijft Schiffrin zijn betoog overtuigend en haalt hij genoeg voorbeelden aan om te onderbouwen dat de boekenwereld vroeger waarschijnlijk inderdaad beter was. De auteur liet het hoofd echter niet hangen: sinds de jaren negentig is hij hoofd van uitgeverij The New Press, waar auteur en boek centraal staan.

In een nawoord beschrijft Laurens van Krevelen vergelijkbare ontwikkelingen in Nederland.

André Schiffrin - De Boekenbusiness. Hoe het grote geld het boekenvak en het lezen heeft veranderd - Amsterdam: Wereldbibliotheek, 2011 - ISBN 9789028423572 – prijs: euro 19,90

Ook te leen in de bibliotheek van de Boekmanstichting, signatuur: 11-283

Kim van der Meulen

vrijdag 9 september 2011

Mythen van het atelier. Werkplaats en schilderpraktijk van de negentiende-eeuwse kunstenaar

In 2002 ging op het Rijksbureau voor Kunsthistorische Documentatie (RKD) te Den Haag een onderzoek naar negentiende-eeuwse ateliers en schilderspraktijk in Nederland van start. In de afgelopen jaren zijn egodocumenten, brieven, reisverslagen, memoires van kunstenaars, tijdschriftartikelen, schilderijen, tekeningen en foto’s uit eigen en andere collecties bijeen gebracht en bestudeerd. Het bronnenmateriaal werd vastgelegd in een database, RKDstudio, het beeldmateriaal ontsloten via RKDimages. Hierdoor werd het mogelijk om op allerlei manieren in de verzamelde informatie te zoeken en de gegevens met elkaar te combineren. Drie tentoonstellingen werden ter gelegenheid van boek en database georganiseerd onder dezelfde titel: Mythen van het atelier. In het Teylers Museum te Haarlem van 18 september 2010 tot en met 9 januari 2011, in Museum het Valkhof te Nijmegen van 31 maart tot en met 8 mei 2011 en in Luxemburg in Villa Vauban, Musée d’Art de la ville de Luxembourg van 10 juni tot en met 10 oktober 2011.

Mythen van het atelier. Werkplaats en schilderpraktijk van de negentiende-eeuwse Nederlandse kunstenaar is een eerste kunsthistorische beschouwing die ter gelegenheid van de database is verschenen. Het boek bestaat uit twee delen. In de eerste zeven hoofdstukken komen de sociale aspecten van het atelier en het imago van de schilder aan de orde met onderwerpen als de status van de kunstenaar in relatie tot zijn werkruimte, de verschillende soorten kunstenaars variërend van de ‘broodkunstenaar’ tot ‘gentleman-artist’, de schilder als publiek figuur, de atelierbezoeker, de door meerdere kunstenaars gedeelde ateliers (bijvoorbeeld uit dezelfde familie of hetzelfde gezin, zoals de broers Lamme, de familie Knip en het gezin Van de Sande Bakhuyzen). Een speciaal hoofdstuk is gewijd aan vrouwelijke kunstenaars. Steeds meer kunstenaressen, vaak wel afkomstig uit kunstenaarsfamilies en/of gegoede milieus werden in de loop van de negentiende eeuw actief en hun kunstbeoefening emancipeerde van de huiskamer naar (gezamenlijk) gedeelde professionele ateliers.

In het tweede deel van het boek zijn de verschillende aspecten van het ‘schilderen als zodanig’ in het atelier als ruimte expliciet gekozen als uitgangspunt. Het schilderen en plein air komt nu en dan wel aan de orde maar aangezien daarover al eerder is gepubliceerd (bijvoorbeeld W. Loos (et al.) Langs velden en wegen. De verbeelding van het landschap in de 18e en 19e eeuw. Tentoonstellingscatalogus Rijksmuseum Amsterdam 1997-1998) is dit in grote lijnen buiten beschouwing gebleven. De schilderspraktijk; gebruikte technieken, verf, ander materiaal, de schildersezel en de schilderskist, maar ook de modellen van de schilder ‘van hout, van stof, van vlees en bloed’ komen uitgebreid in 13 hoofdstukken aan de orde. De periode tussen ongeveer 1800 en 1914 is als uitgangspunt gekozen met als reden dat vanaf die tijd de aandacht van het in kunst vastleggen van een weergave of impressie van de werkelijkheid verschuift naar de complexiteit van het kunstwerk zelf waarin in toenemende mate compositie en kleur als zelfstandige gegevens met een eigen uitdrukkingswaarde gezien worden.

Al met al een zeer mooi en leesbaar boek. Met veel prachtige foto’s van (schilderijen van) ateliers en attributen die behoren bij het schildersvak, maar ook van de kunstenaars aan het werk achter hun ezels, atelierbezoekers, schildersmodellen en van de werken zelf. Het boek is verschenen met twee verschillende omslagen. Een met het bekende Meisje in witte kimono van George Hendrik Breitner en een met een zelfportret van Jan Toorop in zijn atelier. Een uitgebreide literatuurlijst en register vervolmaken het geheel tot een publicatie die zeer de moeite waard is en bovendie een voorbeeldige verzameling bronnen bij elkaar heeft gebracht die nu via de rkd digitaal toegankelijk is.

Mayken Jonkman en Eva Geudeker (redactie) Mythen van het atelier. Werkplaats en schilderspraktijk van de negentiende eeuwse Nederlandse kunstenaar. Zwolle/Den Haag: Uitgeverij d’jonge Hond/RKD. Prijs: € 34,95

Ook te leen in de bibliotheek van de Boekmanstichting,
signatuur: 11-250.

Truus Gubbels

dinsdag 26 juli 2011

Dr. Rat. Godfather van de Nederlandse graffiti


‘Sommige mensen willen overleven onder alle omstandigheden. Anderen willen alleen maar branden, zo fel mogelijk’. Deze regels, op de achterzijde van de biografie van Ivar Vičs, beter bekend als Dr. Rat, zijn een treffende typering van het ‘enfant terrible’. Vičs (1960-1981) staat te boek als de eerste bekende Nederlandse graffitikunstenaar en speelde een hoofdrol in de Amsterdamse punkscene van het einde van de jaren zeventig. Journalist Martijn Haas brengt het korte leven van de ‘godfather’ in kaart aan de hand van tientallen interviews met vrienden en andere betrokkenen en een groot aantal gedrukte en (audio)visuele documenten. Ook de familie van Vičs is bij de publicatie betrokken geweest, maar heeft de uitgave niet geautoriseerd.

Het resultaat van wat Haas een ‘oral history’ noemt, is een bevlogen, bijna intiem verslag over een getalenteerde jongeman die van jongsafaan moeite heeft in het gareel te blijven. Vurig, opstandig, extreem en ongeremd. Zo omschrijven zijn vrienden hem als kind. School interesseerde hem weinig, vertelt een klasgenoot. Hij spijbelde en hield het op geen enkele school lang uit. Tijdens zijn schooljaren rookte hij hasj, maar al snel wordt hij een, in hulpverlenersjargon, experimenteel polygebruiker, iemand die van alles eens wat probeert.

In 1978 komt hij opnieuw in contact met Diana Ozon, het meisje waar hij als kind mee speelde en dat uitgroeide tot een van de hoofdrolspelers in de chaotische punkbeweging in Amsterdam. Hij voelt zich in de punk- en krakersbeweging direct thuis. ‘Ivar houdt van punk’, schrijft Haas, ‘hij omarmt het, kneedt het, drukt het aan zijn borst.’ Ozon, Christiaan Maat en Hugo Kaagman, early adopters, hielden zich in de punkbeweging bezig met verschillende artistieke, geengageerde projecten, zoals het blaadje Koecrant. Vičs ging er aan de slag als redacteur en ontwikkelde zich als graffitikunstenaar. Hij ontpopte zich als obervator, boodschapper en initiator van de punkbeweging, legt Haas uit. Met zijn eigen stijl, typografieën en slogans laat hij overal in de stad zijn sporen achter, op muren, straatmeubilair, op (maar ook in) trams en bussen. Ook telefooncellen, die toen nog bestonden, werden door hem ‘versierd’. Fans volgden Dr. Rat massaal met hun eigen graffiti. De naam Dr.Rat was overigens een verwijzing naar de gelijknamige roman van William Kotzwinkle over experimenten met proefdieren, waarin ratten tevergeefs in opstand komen.

Niemand minder dan punkzangeres Nina Hagen raadde Vičs aan om zich meer te richten op zijn creatieve talent in plaats van zijn drugsverslaving, en zelfs zijn naam te veranderen in Dr. Art. Hagen beschrijft het relaas in haar autobiografie uit 2006, volgens Haas. In 1979 bracht ze enige tijd met Vičs door in het gekraakte NRC gebouw aan de Nieuwezijds Voorburgwal in Amsterdam. Zelfs zij was behoorlijk geschrokken van de grote hoeveelheid drugs die de pandbewoners tot zich namen. De LSD trip die zij er samen met Vičs beleefde, leidde voor haar tot het goddelijk geluk: Hagen is sindsdien een devoot christen. Voor Dr. Rat liep het geheel anders. Hij nam Hagens advies niet aan want hij was van mening dat zijn creativiteit en drugsgebruik onlosmakelijk met elkaar verbonden waren, aldus Haas.

Dr. Rat had inmiddels de status van graffitilegende, hij was een cultfiguur geworden. De media besteeddenveel aandacht aan hem. Uit de vele verhalen van zijn vrienden ontstaat het beeld van iemand die steeds meer ongrijpbaar en onnavolgbaar was. Het ene moment stond hij midden in de belangstelling en dook hij overal op, op het andere moment verdween hij spoorloos om na een paar dagen een kaartje te sturen vanuit de jeugdgevangenis in Scheveningen. De verslagen geven ook aan dat zijn drugsgebruik volledig uit de hand liep. In de zomer van 1981 overleed hij aan een overdosis.

De gesprekken die Haas met betrokkenen heeft gevoerd leveren een schat aan informatie op. Maar hij geeft zijn informanten soms teveel ruimte om hun verhaal te vertellen en had hier en daar beter een verslag van de gesprekken kunnen maken in plaats van de geïnterviewden alsmaar te citeren.

Is de straatkunst van Ivar kunst te noemen? Daarover zijn de meningen verdeeld, aldus Haas in zijn epiloog. Fans zien zijn oeuvre vooral als een handschrift. Nog steeds doen ze dat, het aantal fans blijft zelfs groeien. Twintig jaar na het overlijden van Dr. Rat organiseert Haas samen met het IISG een tentoonstelling in het IISG-gebouw aan de Cruquiusweg 31 in Amsterdam, met artwork van Dr. Rat, bestaande uit posters, muurtekeningen en fanzines. De expositie is een unieke gelegenheid om kennis te maken met zijn werk, want de graffitikunstwerken zijn goeddeels uit het stadsbeeld verdwenen. Tot en met 29 juli kunt u er nog terecht (www.iisg.nl)


Martijn Haas - Godfather van de Nederlandse graffiti – Amsterdam: Lebowski, 2011 – ISBN 9789048808519 – prijs: euro 19,90

Jack van der Leden

maandag 16 mei 2011

Plaatsen van verbeelding


Jaarlijks bezoeken duizenden mensen Nieuw-Zeeland om te zien waar The Lord of the Rings is opgenomen; in New York staan vrouwen in de rij om een cocktail te drinken in de favoriete bars van hun heldinnen uit Sex and the City en in Oxford is het aantal Inspector Morse-tours niet meer te tellen. Geen nieuw fenomeen, stelt Stijn Reijnders in zijn recente publicatie Plaatsen van verbeelding, al in de negentiende eeuw waren populaire romans van de gezusters Brönte aanleiding voor zogenaamd ‘literair toerisme’. Over die vorm van toerisme is, zo blijkt uit de bronnen die Reijnders in de introductie aanhaalt, relatief veel onderzoek gedaan. Het is de nadruk op de snelle schaalvergroting en popularisering van dit fenomeen, een ontwikkeling van de laatste twee decennia, die Plaatsen van verbeelding vernieuwend maakt – en herkenbaar.

Reijnders, universitair hoofddocent Cultureel Erfgoed aan de Erasmus Universiteit Rotterdam, deed drie jaar onderzoek naar het fenomeen dat hij ‘mediatoerisme’ noemt. Een term waarmee hij de veelomvattendheid van het sociologische verschijnsel hoopt te dekken. Met succes, want de auteur maakt in zijn boek duidelijk dat het bezoeken van locaties uit tv-series en films een volwaardig onderdeel is van de huidige mediacultuur. Een stevige basis voor deze veronderstelling legt hij in het eerste hoofdstuk, bestaande uit een uitgebreid theoretisch kader. Hierin bouwt hij voort op theorieën uit de mediawetenschap, communicatiewetenschap en filosofie. Een van de belangrijkste is die van Pierre Nora, die in de jaren tachtig lieux de mémoire introduceerde. Deze Franse historicus en deconstructivist stelt dat mensen fysieke plaatsen en objecten nodig hebben om herinneringen vorm te geven. Reijnders concretiseert deze benadering door er lieux d’imagination van te maken, waarbij verbeelding niet per se hoeft terug te slaan op een herinnering – ook voor het vormgeven van fictieve objecten, gebeurtenissen en plaatsen hebben we fysieke plaatsen nodig. Een interessant uitgangspunt, dat wordt afgezet tegen de veelgehoorde veronderstelling dat mensen steeds minder behoefte zouden hebben aan fysieke verbeelding vanwege het enorme aanbod aan digitale cultuur. Reijnders stelt dat het tegenovergestelde waar is: juist doordat we ons fictieve werelden toe-eigenen en we ons identificeren met plaatsen en personages, ontstaat er behoefte aan een werkelijke ervaring hiervan.

Reijnders deed empirisch onderzoek, met financiële steun van de NWO (Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek). Hij bezocht diverse ‘mediatoeristische’ locaties in Europa, die als case studies in zijn boek dienen. Ter plaatse sprak hij met onder meer toeristen, toerismeprofessionals en omwonenden. De resultaten verweeft hij met een verdere toepassing van zijn theoretisch kader in drie prettig leesbare, rijk geïllustreerde hoofdstukken. Deze zijn thematisch geordend (eerst tv-detectives als Baantjer en Inspector Morse, vervolgens James Bond en tot slot Dracula) en benadrukken de uiteenlopende redenen van toeristen om de bekende locaties te bezoeken. Reijnders doet afstand van een vergelijking met religieuze pelgrimages, die in eerdere studies werd gemaakt. In plaats daarvan onderscheidt hij twee basisredenen (die hij ‘modi’ noemt). Allereerst is er een rationele zoektocht naar ‘de waarheid’, waarbij toeristen uitzoeken of de grootte van gebouwen, afstanden en aantallen traptreden overeenkomen met die in de film of serie. De tweede reden is een meer emotionele, intuïtieve zoektocht naar lichamelijke nabijheid: fans willen in de wereld van hun favoriete personage opgaan door reenactment: een biertje bestellen in het café van Morse of langsgaan op crime scenes uit Baantjer. De vele voorbeelden en citaten van geïnterviewden maken het boek levendig en aansprekend. Waar de grens tussen verbeelding, herinnering en werkelijkheid ligt is niet altijd duidelijk, zo weet de auteur helder te onderbouwen. Met die conclusie pleit Reijnders voor een grotere waardering voor verbeelding als volwaardig onderzoeksobject binnen de (media)wetenschap. Hij geeft hoe dan ook aanleiding genoeg tot vervolgonderzoek naar een interessant fenomeen binnen onze huidige mediacultuur.

Stijn Reijnders – Plaatsen van verbeelding. Media, toerisme & fancultuur – Alphen aan de Maas: Veerhuis, 2011 – ISBN 9789087300357 – Prijs: € 19,95

Kim van der Meulen

vrijdag 8 april 2011

Keihard & Swingend. De jongensjaren van Muziekkrant Oor


Het publiek in de kleine zaal van Paradiso was afgelopen maandagmiddag voor een groot deel 60-plus. Het popjournaille uit de beginjaren van Muziekkrant Oor had zich verzameld voor de feestelijke presentatie van Keihard & Swingend. De jongensjaren van Muziekkrant Oor van oprichter Barend Toet. Velen hadden elkaar jaren niet gezien, zo leek het althans uit de enthousiaste omhelzingen en vaag herkennende blikken. Anderhalf uur na de presentatie voerde het jonge publiek weer de boventoon, toen het muzikale gedeelte van het jubileumfeest begon. Zo werd eens te meer duidelijk dat popmuziek inmiddels voor alle generaties is.

Een respectabele leeftijd voor een muziektijdschrift, 40 jaar. Dat hebben in Nederland, en zelfs in de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk, niet veel soortgelijke tijdschriften gehaald. Reden te meer om er bij stil te staan. En wie kan er dan beter over schrijven dan de man die het allemaal in gang heeft gezet. Zijn eigen geheugen heeft hij aangevuld met interviews met diverse betrokkenen en buitenstaanders.
Het zwaartepunt van het boek ligt bij de periode dat Toet zelf actief was voor Muziekkrant Oor, van 1971 tot en met 1981. De ondertitel is wat dat betreft goed gekozen. De eerste 10 jaar waren een soort van puberjaren: alles was mogelijk, journalisten trokken dagen achtereen met hun idool op en geld kwam pas op de tweede plaats. Gaandeweg het eerste decennium begint de organisatie echter steeds meer volwassen trekken te vertonen, al bleef het financieel een onduidelijke zaak. Er ontstaat gaandeweg binnen de redactie een duidelijk hiërarchie en de zakelijke en artistieke leiding worden gescheiden. Zo staat er in 1982 een tijdschrift waar geen enkele serieuze popliefhebber om heen kan.
De periode na zijn directe betrokkenheid beschrijft Toet met meer afstand. Hij signaleert veranderingen in de popmuziek en de manier waarop de platenindustrie met journalisten omgaat. Als je het boek gelezen hebt, krijg je toch al snel de indruk dat die eerste jaren toch wel de beste jaren waren. Het genre was overzichtelijk, popmuzikanten over het algemeen gemakkelijk te benaderen en de journalist was belangrijk voor de artiest om hem met zijn achterban in contact te brengen.
Met fototoestel en pen en papier in de aanslag toog Toet in 1970 naar het Holland Popfestival aan de Kralingse Plas in Rotterdam om een reportage voor De Nieuwe Linie te maken. Uiteindelijk was dit de aanleiding om een eigen tijdschrift te beginnen dat zich uitsluitend op popmuziek richtte. In tegenstelling tot Aloha/Hitweek dat zich meer op de jongeren-/tegencultuur algemeen richtte, waar popmuziek slechts een onderdeel van vormde. De werkwijze zoals Toet die in Kralingen hanteerde, was in de beginjaren van Oor gemeengoed onder de schrijvers voor het blad. Tot de komst van Constant Meijers. Door Toet met een goed salaris gelokt uit de burelen van Aloha, rangeert Meijers hem al snel op een zijspoor door een scheiding tussen zakelijke en artistieke leiding voor te stellen, waarbij Toet zich met de financiën gaat bemoeien en Meijers de inhoud van het blad voor zijn rekening neemt. ‘Door me toch die kant op te laten sturen, nam ik onbedoeld een afslag met verstrekkende gevolgen voor mijn eigen loopbaan, die me uiteindelijk niet goed is bevallen’, zo formuleert Toet het nog netjes (p. 106-107). Dat het ook anders kan bewees Jann Wenner, oprichter van The Rolling Stone, die nog altijd zowel de inhoudelijke als de zakelijke kant voor zijn rekening neemt.

Keihard & Swingend leest als een jongensboek en bevat zeker voor de jongere lichting popjournalisten jaloersmakende anekdotes. Wie kan er nu nog een paar dagen op stap met een muzikant. De meesten mogen al blij zijn als ze een half uurtje krijgen en te laat komen moet je al helemaal niet doen, want dan is de artiest al vertrokken.
In het tweede deel heeft Toet meer oog voor de veranderingen in de platenindustrie en de rol die de popjournalist nog speelt in de tijd van internet. Tegenwoordig is iedereen popjournalist in de zin dat iedereen een recensie van een concert of cd op zijn blog op internet kan zetten. De rol van een papieren tijdschrift lijkt daarmee ondergraven te worden. En inderdaad zijn de oplagecijfers van Oor de laatste jaren ontzettend gedaald. Toch ziet Toet wel degelijk mogelijkheden voor de popjournalist (en daarmee voor een muziektijdschrift) om zich van deze liefhebbers te onderscheiden. Hij blijkt goed op de hoogte van de laatste ontwikkelingen op het internet. Voor de popjournalist ziet hij vooral een rol als gids, die nieuwe bands, ontwikkelingen en stromingen kan duiden. Oor heeft zich de opmerkingen van de oprichter schijnbaar aangetrokken, want ter gelegenheid van het jubileum is de website opgepimpt. Het speciale jubileumnummer van Oor biedt een mooie aanvulling op het boek van Toet. In een interviewserie blikken oud-Oormedewerkers Bert van de Kamp, Paul Evers, Mark van Schaick en Kees de Koning uitgebreid terug. In kortere bijdragen geven artiesten en popjournalisten aan wat Oor in hun muziekleven betekende. Op naar de 50!

Barend Toet - Keihard & Swingend. De jongensjaren van Muziekkrant OOR - Amsterdam: Boekerij, 2011 - ISBN 9789022555149 - Prijs: € 19,95

André Nuchelmans