‘Eigenlijk geloof ik niets,/en twijfel ik aan alles, zelfs aan U.’ Met deze woorden uit het gedicht Dagsluiting van Gerard Reve opende Ger Groot de presentatie van 'Nederlandse schrijvers en religie 1960-2010’ van Jaap Goedegebuure, op 27 oktober jl. in het Bethaniënklooster in Amsterdam. Let wel: Groot zòng de regels. Goedegebuure, hoogleraar moderne Nederlandse letterkunde aan de Universiteit Leiden, beschrijft in zijn boek hoe Nederlandse schrijvers en dichters zich in hun werk hebben uitgesproken over God en het goddelijke. Veel aandacht besteedt hij o.a. aan Gerard Reve, Frans Kellendonk, Hans Faverey, Andreas Burnier, Oek de Jong. Ger Groot, publicist en bijzonder hoogleraar Filosofie en Literatuur aan de Radboud Universiteit Nijmegen en universitair docent voor cultuurfilosofie en wijsgerige antropologie aan de Erasmus Universiteit Rotterdam, gaf een lovende toelichting op het werk. De opbouw van het boek is als een ‘croque monsieur’, legde hij uit. Hoofdstukken over prozaschrijvers en dichters verhouden zich tot stevige uitweidingen over katholicisme en mystieke dichters als de laagjes in zo’n tosti. Daartussen ligt ook nog een laagje ‘reformatorisch intermezzo’. Hij rondde af met de laatste dichtregels van Dagsluiting: ‘en dat, in zelfde wanhoop, Gij mij zoekt/zoals ik U.’ Daarna las dichteres en voodoopriesteres Maria van Daalen voor uit eigen werk. Van Daalen neemt een prominente plaats in in het boek van Goedegebuure. ‘Ik wist al dat ik een linkse hobby ben, maar nu dus ook een mystieke projectie’, reageerde Van Daalen. Ze verraste de aanwezigen met een voodoolied. Goedegebuure was verguld met alle aandacht. Hij vertelde dat de in 1990 overleden schrijver Frans Kellendonk een sleutelrol bekleedt in het boek, maar ook in de totstandkoming van de studie. De literatuurwetenschapper moest onverwachts invallen voor Kellendonk, die een lezing over religie zou geven in poptempel Paradiso in Amsterdam, maar op dat moment al erg ziek was. Sindsdien hield het onderwerp Goedegebuure stevig in de greep. Publicaties over literatuur en religie volgden, en uiteindelijk deze studie. Literatuur en religie hebben dezelfde bron, legde hij uit: het verlangen naar gemeenschap, naar eenheid. Hij overhandigde het eerste exemplaar aan zijn vriend Oek de Jong, die ook uitvoerig in het boek aan de orde komt. De Jong blikte terug op de kennismaking en vriendschap met de literatuurwetenschapper. Marc Beerens van uitgeverij Vantilt nodigde vervolgens iedereen uit voor een afsluitende borrel. ‘Dit is het einde van deze dienst’, zei hij, in de geest van de eerder geciteerde Gerard Reve, ‘We gaan nu drinken uit de beker. Het zojuist gepresenteerde boek zal er voor geld te koop zijn’.
´Nederlandse schrijvers en religie 1960-2010´ verscheen bij uitgeverij Vantilt en is in de reguliere boekhandel verkrijgbaar (Prijs: € 18,95 ISBN 9789460040542) en natuurlijk te leen in de bibliotheek van de Boekmanstichting. Boekman 85 over kunst en religie, die half december verschijnt, bevat een boekbespreking door Liesbeth Eugelink.
Jack van der Leden
Het laatste nieuws van de redactie van Boekman en medewerkers van de Boekmanstichting op het gebied van symposia, benoemingen, promoties, publicaties.
donderdag 28 oktober 2010
dinsdag 19 oktober 2010
Haags debat aan de gracht. Kunst een linkse hobby?
De Rode Hoed, Amsterdam, 18 oktober
De zaal liet weinig van Arend Jan Boekestijn heel. De VVD-er was één van de vier panelleden tijdens het debat van NRC Handelsblad en De Rode Hoed over de aangekondigde bezuinigingen op de kunstsubsidies en kwam zwaar onder vuur te liggen. De andere panelleden waren acteur Gijs Scholten van Aschat, museumdirecteur Benno Tempel en wethouder Carolien Gehrels. Gespreksleider was Joyce Roodnat. Een beetje ongelukkig was het des te meer voor Boekestijn, aangezien hij aanvankelijk niet eens was uitgenodigd om plaats te nemen in het panel. Hij verving Hans Hillen (CDA), die inmiddels een ministerspost bekleedt in het nieuwe kabinet en ongetwijfeld te druk was voor deze bijeenkomst. Terecht noemde Carolien Gehrels het dapper dat hij het strijdtoneel had durven betreden. Meer symphatieke steunbetuigingen bleven overigens de rest van de avond uit.
De zaal op de Keizersgracht was tot in de nok gevuld met betrokkenen die soms geëmotioneerd reageerden. Iedereen was bezorgd over de gevolgen van de aangekondigde bezuinigingen op kunst- en cultuursubsidies. Bas Heijne beet de spits af met een column waarin hij zich op inmiddels bekend wijze verweerde tegen een samenleving waarin de kunst als elitaire linkse hobby wordt weggeschoven. Net als bij sportvoorzieningen betaalt iedereen mee aan de kunst, maar zonder dat iedereen er iets mee hoeft te doen. Dus: afblijven van de subsidies! Roodnat legde het panel gedurende een kleine twee uur een aantal vragen voor die met gretigheid werden beantwoord. Wanneer het echt niet anders kon, dwong Roodnat sprekers tot zwijgen, maar verder liet ze weinig van zich horen. Een gemiste kans. Al weken gebeurt er van alles rondom de sector, in de media, op podia. In hoeverre sluit dit debat hierop aan? Welke acties staan er op stapel? En wat is de beste strategie? Daar had Roodnat iets over kunnen zeggen.
Het panel deelde, ook met de zaal, de heftige verontwaardiging over de botte bijl waarmee het kabinet de kunstsubsidies wil aanpakken. Met een bezuiniging van 200 miljoen euro en ook nog een verhoging van het BTW-tarief. Gehrels bracht vol ongeloof in herinnering hoe ze Mark Rutte eens heeft horen zeggen dat hij kunst en cultuur beschouwt als de R&D van de samenleving. ‘Daar is weinig van overgebleven’. Ze betreurde het gebrek aan belangstelling voor kunst en cultuur onder politici en pleitte voor terugkeer van het inhoudelijk debat in de Trêveszaal. Het ging overigens hard tegen hard op het podium. Scholten van Aschat confronteerde Boekestijn met de vraag hoe hij zich kon vereenzelvigen met de botte voornemens van ‘zijn’ VVD. Boekestijn legde uit dat ook hij meer geld wil voor de kunsten, maar geen overheidsgeld. ‘De marktkraan moet een stukje verder open’. Hij beweerde dat subsidies de kunsten kapot hebben gemaakt en het mecenaat hebben vernield. De oneliners volgden elkaar snel op. ‘Creatief talent kan zichzelf bedruipen’, was er ook één, en: ‘De sector moet de markt op’. De VVD-er bleef maar hameren op marktwerking en het fnuikende effect van subsidies op creativiteit. ‘Jullie moeten ophouden met alsmaar “au” te roepen, want die bezuinigingen gaan niet van tafel’. Van Aschat liep rood aan en leek te ontploffen toen hij dit hoorde. Hij reageerde furieus, zo ook het publiek. ‘F*ck toch op met je markwerking, man. Daar komen nu juist alle problemen in deze tijd vandaan. Je weet niet waar je over praat!’ De toon was gezet. Herhaaldelijk vlogen de twee elkaar in de haren. Totdat Boekestijn dreigde op te stappen. ‘U bent een geweldige acteur, maar een slechte debater’.
Als methode om de eigen inkomsten te verhogen noemde Boekestijn de invoer van prijsdifferentiatie. Rijke mensen kunnen relatief hogere entreegelden betalen, dan minder gefortuneerde mensen. Op bijval kon hij met dit voorstel niet rekenen. Gehrels reageerde boos: alsof de sector zelf niet professioneel genoeg is om over prijsbeleid na te hebben gedacht! Ze toonde zich zwaar teleurgesteld. Samen met acht grote steden had zij die dag in een brief aan de staatssecretaris van Cultuur Halbe Zijlstra geklaagd over het ontbreken van een visie achter het beleid. Het verhogen van het BTW-tarief noemt ze een inefficiënte maatregel omdat het de gewenste publieksgroei verhinderd. Boekestijn bleef zichzelf onverstoord herhalen: de subsidies hebben de sector gefnuikt. ‘Jullie hadden er tien jaar geleden al voor moeten zorgen dat het aandeel van eigen inkomsten zou toenemen’. Tempel en Van Aschat gaven met voorbeelden aan hoe ingewikkeld het is om het bedrijfsleven te overtuigen om geld te investeren. Volgens Tempel moet er bij de instellingen, de politiek maar ook het bedrijfsleven een mentaliteitsverandering plaatsvinden. In het buitenland doet Nederlandse cultuur het hartstikke goed, daar kan het bedrijfsleven veel meer van profiteren dan nu het geval is. ‘Bedrijven willen populaire namen horen en zijn niet geïnteresseerd in kwaliteitstoneel’, legde Van Aschat uit, ‘De limiet bij bedrijven is bereikt’. Het is en blijft bovendien lastig om een balans te vinden tussen de wensen van de markt en het grote publiek en die van de subsidiënt.
De weinig doordachte vergelijking die ‘de VVD-er’ herhaaldelijk maakte met de situatie in de Verenigde Staten werd door publiek én Van Aschat onderuitgehaald. De musea en de orkesten doen het er heel slecht, klonk het. ‘We wonen in Nederland en niet in de VS en we willen hier zeer zeker géén Amerikaanse toestanden’, kapte Van Aschat de politicus definitief af. Hij stelde voor strenger te selecteren in het kunstonderwijs en opperde de mogelijkheid om de prijs van bioscoopkaartjes te verhogen met een toeslag, bedoeld voor de productie van Nederlandse films. Ook klaagde hij: ‘Hoe heeft het zo ver kunnen komen dat elke gemeente zijn eigen schouwburg bouwt?’ De zaal viel hem bij.
In de loop van de avond gaf Boekestijn overigens op twee punten toe: net als Gehrels noemde hij het verhogen van het BTW-tarief improductief. Verder zag hij liever dat er dertig miljoen euro bij de publieke omroep wordt bezuinigd dan bij het Muziekcentrum van de Omroep. ‘Ik wil geen onherstelbare schade’. Een zucht van opluchting ging door de zaal. Iedereen wilde voor een moment aannemen dat Boekestijn de touwtjes in handen had. Achteraf doemt de vraag op wat de organisatie precies op het oog had met deze bijeenkomst. Het publiek, de columnist en drie van de vier sprekers lagen nagenoeg op één lijn. Hoeveel debat kan zoiets nog opleveren? Eén persoon kreeg de wind van voren: Arend Jan Boekestijn. Ook dat lag voor de hand.
Jack van der Leden
De zaal liet weinig van Arend Jan Boekestijn heel. De VVD-er was één van de vier panelleden tijdens het debat van NRC Handelsblad en De Rode Hoed over de aangekondigde bezuinigingen op de kunstsubsidies en kwam zwaar onder vuur te liggen. De andere panelleden waren acteur Gijs Scholten van Aschat, museumdirecteur Benno Tempel en wethouder Carolien Gehrels. Gespreksleider was Joyce Roodnat. Een beetje ongelukkig was het des te meer voor Boekestijn, aangezien hij aanvankelijk niet eens was uitgenodigd om plaats te nemen in het panel. Hij verving Hans Hillen (CDA), die inmiddels een ministerspost bekleedt in het nieuwe kabinet en ongetwijfeld te druk was voor deze bijeenkomst. Terecht noemde Carolien Gehrels het dapper dat hij het strijdtoneel had durven betreden. Meer symphatieke steunbetuigingen bleven overigens de rest van de avond uit.
De zaal op de Keizersgracht was tot in de nok gevuld met betrokkenen die soms geëmotioneerd reageerden. Iedereen was bezorgd over de gevolgen van de aangekondigde bezuinigingen op kunst- en cultuursubsidies. Bas Heijne beet de spits af met een column waarin hij zich op inmiddels bekend wijze verweerde tegen een samenleving waarin de kunst als elitaire linkse hobby wordt weggeschoven. Net als bij sportvoorzieningen betaalt iedereen mee aan de kunst, maar zonder dat iedereen er iets mee hoeft te doen. Dus: afblijven van de subsidies! Roodnat legde het panel gedurende een kleine twee uur een aantal vragen voor die met gretigheid werden beantwoord. Wanneer het echt niet anders kon, dwong Roodnat sprekers tot zwijgen, maar verder liet ze weinig van zich horen. Een gemiste kans. Al weken gebeurt er van alles rondom de sector, in de media, op podia. In hoeverre sluit dit debat hierop aan? Welke acties staan er op stapel? En wat is de beste strategie? Daar had Roodnat iets over kunnen zeggen.
Het panel deelde, ook met de zaal, de heftige verontwaardiging over de botte bijl waarmee het kabinet de kunstsubsidies wil aanpakken. Met een bezuiniging van 200 miljoen euro en ook nog een verhoging van het BTW-tarief. Gehrels bracht vol ongeloof in herinnering hoe ze Mark Rutte eens heeft horen zeggen dat hij kunst en cultuur beschouwt als de R&D van de samenleving. ‘Daar is weinig van overgebleven’. Ze betreurde het gebrek aan belangstelling voor kunst en cultuur onder politici en pleitte voor terugkeer van het inhoudelijk debat in de Trêveszaal. Het ging overigens hard tegen hard op het podium. Scholten van Aschat confronteerde Boekestijn met de vraag hoe hij zich kon vereenzelvigen met de botte voornemens van ‘zijn’ VVD. Boekestijn legde uit dat ook hij meer geld wil voor de kunsten, maar geen overheidsgeld. ‘De marktkraan moet een stukje verder open’. Hij beweerde dat subsidies de kunsten kapot hebben gemaakt en het mecenaat hebben vernield. De oneliners volgden elkaar snel op. ‘Creatief talent kan zichzelf bedruipen’, was er ook één, en: ‘De sector moet de markt op’. De VVD-er bleef maar hameren op marktwerking en het fnuikende effect van subsidies op creativiteit. ‘Jullie moeten ophouden met alsmaar “au” te roepen, want die bezuinigingen gaan niet van tafel’. Van Aschat liep rood aan en leek te ontploffen toen hij dit hoorde. Hij reageerde furieus, zo ook het publiek. ‘F*ck toch op met je markwerking, man. Daar komen nu juist alle problemen in deze tijd vandaan. Je weet niet waar je over praat!’ De toon was gezet. Herhaaldelijk vlogen de twee elkaar in de haren. Totdat Boekestijn dreigde op te stappen. ‘U bent een geweldige acteur, maar een slechte debater’.
Als methode om de eigen inkomsten te verhogen noemde Boekestijn de invoer van prijsdifferentiatie. Rijke mensen kunnen relatief hogere entreegelden betalen, dan minder gefortuneerde mensen. Op bijval kon hij met dit voorstel niet rekenen. Gehrels reageerde boos: alsof de sector zelf niet professioneel genoeg is om over prijsbeleid na te hebben gedacht! Ze toonde zich zwaar teleurgesteld. Samen met acht grote steden had zij die dag in een brief aan de staatssecretaris van Cultuur Halbe Zijlstra geklaagd over het ontbreken van een visie achter het beleid. Het verhogen van het BTW-tarief noemt ze een inefficiënte maatregel omdat het de gewenste publieksgroei verhinderd. Boekestijn bleef zichzelf onverstoord herhalen: de subsidies hebben de sector gefnuikt. ‘Jullie hadden er tien jaar geleden al voor moeten zorgen dat het aandeel van eigen inkomsten zou toenemen’. Tempel en Van Aschat gaven met voorbeelden aan hoe ingewikkeld het is om het bedrijfsleven te overtuigen om geld te investeren. Volgens Tempel moet er bij de instellingen, de politiek maar ook het bedrijfsleven een mentaliteitsverandering plaatsvinden. In het buitenland doet Nederlandse cultuur het hartstikke goed, daar kan het bedrijfsleven veel meer van profiteren dan nu het geval is. ‘Bedrijven willen populaire namen horen en zijn niet geïnteresseerd in kwaliteitstoneel’, legde Van Aschat uit, ‘De limiet bij bedrijven is bereikt’. Het is en blijft bovendien lastig om een balans te vinden tussen de wensen van de markt en het grote publiek en die van de subsidiënt.
De weinig doordachte vergelijking die ‘de VVD-er’ herhaaldelijk maakte met de situatie in de Verenigde Staten werd door publiek én Van Aschat onderuitgehaald. De musea en de orkesten doen het er heel slecht, klonk het. ‘We wonen in Nederland en niet in de VS en we willen hier zeer zeker géén Amerikaanse toestanden’, kapte Van Aschat de politicus definitief af. Hij stelde voor strenger te selecteren in het kunstonderwijs en opperde de mogelijkheid om de prijs van bioscoopkaartjes te verhogen met een toeslag, bedoeld voor de productie van Nederlandse films. Ook klaagde hij: ‘Hoe heeft het zo ver kunnen komen dat elke gemeente zijn eigen schouwburg bouwt?’ De zaal viel hem bij.
In de loop van de avond gaf Boekestijn overigens op twee punten toe: net als Gehrels noemde hij het verhogen van het BTW-tarief improductief. Verder zag hij liever dat er dertig miljoen euro bij de publieke omroep wordt bezuinigd dan bij het Muziekcentrum van de Omroep. ‘Ik wil geen onherstelbare schade’. Een zucht van opluchting ging door de zaal. Iedereen wilde voor een moment aannemen dat Boekestijn de touwtjes in handen had. Achteraf doemt de vraag op wat de organisatie precies op het oog had met deze bijeenkomst. Het publiek, de columnist en drie van de vier sprekers lagen nagenoeg op één lijn. Hoeveel debat kan zoiets nog opleveren? Eén persoon kreeg de wind van voren: Arend Jan Boekestijn. Ook dat lag voor de hand.
Jack van der Leden
Labels:
belang van kunst,
beleidslegitimering,
bezuinigingen,
subsidies,
verslag
dinsdag 5 oktober 2010
Cultuur rekent op draagvlak
Vertegenwoordigers uit de gehele culturele sector hadden zich aangemeld voor de bijeenkomst Cultuur rekent op draagvlak in de kleine zaal van het Concertgebouw op 5 oktober. Op het programma stonden twee keynote speeches van medewerkers van de Amerikaanse advocacyorganisatie Americans for the Arts. CEO Bob Lynch en vice-president van Local Arts Advancement Randy Cohen, gaven inzage in hun werkwijze. Ze deden dat op een bijzonder enthousiasmerende en betrokken manier, die de aanwezigen overduidelijk aanstak. Het wachten is dan ook op een Nederlandse pendant, die het draagvlak voor cultuur hier ten lande kan verbreden en de belangen van de gehele sector naar buiten kan brengen.
De zaal was goed gevuld toen Simon Reinink, directeur van het Concertgebouw en moderator voor het ochtendgedeelte, de aanwezigen welkom heette. Na een korte inleiding door Margriet Leemhuis (ministerie van Buitenlandse Zaken) was het woord aan Bob Lynch. Hij begon met een persoonlijke noot over zijn eerste bezoek aan Amsterdam als driejarig jochie en onderstreepte het ontzag dat aan de andere kant van de Atlantische oceaan heerst voor de culturele rijkdom alhier. Aan de hand van een overzicht van de kunstgeschiedenis vanaf de eerste grottekeningen liet hij zien dat ondersteuning van de kunsten van alle tijden is. Ook de problemen waar de kunstsector tegenwoordig mee te maken hebben, zijn niet alleen van deze tijd. In Amerika is de historische relatie met de kunsten zo mogelijk nog problematischer. De invasie in 1492 was er in zijn woorden een van ‘non-arty people’. Kunst is in de USA altijd een individuele aangelegenheid geweest en geen verantwoordelijkheid van de staat. Daar lag een taak voor de advocacyorganisatie Americans for the Arts. Hun taak was de mensen er van te overtuigen dat kunst niet iets extra’s is. Doelstelling van de organisatie was ‘all of the arts for all of the people’. Uitgangspunt was dat iedereen daar beter van wordt. In tegenstelling tot wat er over het algemeen van de financiering van Amerikaanse kunstinstelling wordt gedacht, verdienen ze 60% van hun inkomsten zelf, 31% komt uit private financiering, waarbij donaties het grootste deel voor hun rekening nemen.
Lynch benadrukte dat zij vooral het belang van kunst als hulpmiddelen in andere sectoren onder de aandacht van betrokkenen brengen. Als de overheden of andere financierders niet te overtuigen zijn van het directe belang van kunst, proberen zij ze te overtuigen van het belang van kunst in het onderwijs, in internationale diplomatiek. ‘What local politicians think is important’. Kunst komt in hun top 8 van belangrijkste aandachtsgebieden niet voor, maar kan hier wel een ondersteunende rol in spelen. Het viel sowieso op in het verhaal van Lynch dat hij zich verplaatst in de belangen die bij de te overtuigen partij spelen. Daartoe is het ook van belang de juiste persoon in te schakelen om de doelgroep te overtuigen. ‘This is not Bob Lynch, but he finds them’. Zo kun je mensen in het bedrijfsleven beter benaderen via een collega uit het bedrijfsleven dan direct. Daarbij wordt gebruik gemaakt van gerichte acties. Zo is binnen het congres eenderde voorstander van financiering van de kunsten, eenderde wil nergens in investeren en eenderde heeft geen duidelijke voorkeur. Die laatste groep is van belang aan je zijde te krijgen. De eerste groep heb je al en de tweede is verspilde moeite. De lezing van Lynch was doorspekt met oneliners die de werkwijze van Americans for the Arts kernachtig weergaven, zoals ‘don’t wait for them to come to you, go to them’, ‘arts are used, but not acknowledged’, ‘art is a secret weapon that we kept too secret’. Inmiddels heeft zijn organisatie een wijdvertakt netwerk van betrokkenen die voor de belangen van de kunstsector inzetbaar zijn, zoals acteur Robert Redford, jazztrompetist Wynton Marsalis en popmuzikant John Legend. Het heeft de organisatie wel 25 jaar gekost voor zij dit netwerk op poten had gezet, maar de bevlogenheid van Lynch is er niet minder om geworden. Na zijn aanstekelijke lezing was er nog ruimte voor vragen en het publiek maakte daar in ruime mate gebruik van om nog wat details van de succesformule aan Lynch te ontlokken. Hij concludeerde dat met deze bijeenkomst een eerste stap gezet is. Het is nu van belang de juiste personen te benaderen en snel tot actie over te gaan.
Na de pauze was het woord aan Randy Cohen die inzage gaf in het ontstaan en het belang van de Arts Index. Americans for the Arts heeft deze index in het leven geroepen om meer zicht op de ontwikkelingen in de kunstensector te krijgen en die te gebruiken om het belang van de sector te onderbouwen. ‘Measure your treasures’, zo vatte Cohen het belang van de index samen. Cohen stak een even betrokken en levendig verhaal af als Lynch, terwijl bij hem de basis vooral uit cijfers bestond. Die cijfers gebruikte hij echter vooral om voorbeelden van succesverhalen uit de kunstensector te vertellen om meer publiek bij hun activiteiten te betrekken, zoals het ‘rusty orchestra’ project, waarbij een orkest een oproep aan iedereen die een muziekinstrument speelde deed om zich aan te melden om samen met het orkest een voorstelling te presenteren. De aanmeldingen waren zo overweldigend dat er zelfs meerdere voorstellingen gepland moesten worden. Voor het orkest was het spannend omdat zij tevoren geen enkel idee hadden of zich überhaupt wel amateurmusici aan zouden melden. Aan de andere kant benadrukte Cohen het feit dat de kunstensector ook een economische bedrijfstak is, ‘it’s an industry, it’s a business’. De index levert allerlei interessante gegevens op vooral wanneer je wat meer op de details in gaat. Zo blijken bedrijfsgiften de laatste jaren als gevolg van de crisis minder te worden. Van belang is echter vooral dat het nauwelijks meer vanuit filantropisch oogpunt gebeurt, maar vooral als vorm van sponsoring en bedrijfsmarketing.
Moderator van het middagprogramma Cas Smithuijsen, directeur van de Boekmanstichting, nodigde Cohen na zijn lezing aan te schuiven om met Jamilja van der Meulen van het Centraal Bureau voor de Statistiek over de werkwijze van de Arts Index in gesprek te gaan. Hoewel zij haar best deed niet in een statistisch onderonsje met Cohen te gaan, was het gesprek voor niet-statistici niet altijd even interessant. Wel werd duidelijk dat het zo gemakkelijk nog niet is om vergelijkbare cijfers te verzamelen en die vervolgens in één index te verwerken.
Na een korte pauze reageerde Ilona Kish van het Europese forum voor kunst en erfgoed, Culture Action Europe, op de lezingen. Ze liet duidelijk merken jaloers te zijn op hetgeen Lynch en Cohen bereikt hebben, maar was evenzeer aangestoken door het enthousiasme dat beiden in hun lezing aan de dag legden. Een Europese evenknie van Americans for the Arts staat nog maar aan het begin. Onder de titel ‘We are more’ is Culture Action Europe een campagne begonnen om bij de Europese Unie meer geld voor de kunsten vrij te krijgen.
Tot slot deed een aantal vertegenwoordigers van Nederlandse private fondsen en organisaties verslag van hun werkwijze. Adriana Esmeijer vertelde over de manier waarop het Prins Bernhard Cultuurfonds te werk gaat, Marieke van Schaik nam de culturele activiteiten van de Bank Giro Loterij voor haar rekening, Huub Blankenberg sprak namens de Vereniging Rembrandt en Margot Gerené legde uit wat het Nederlands Uitburo zoal doet met de gegevens van hun publiek. Bob Lynch reageerde op de problemen waar de betrokkenen mee te maken hadden en drukte de aanwezigen op het hart, ‘focus on what you can do’ en niet op wat je niet kunt. En wanneer het woord lobby of advocacy niet goed bij je doelgroep ligt, dan is er altijd nog ‘decisionmaker education’. Beperk je bij het overtuigen van overheden en andere financiers niet tot een beperkt aantal argumenten, maar gebruik die argumenten die bij je doelgroep het meeste resultaat hebben.
Zoals hij al eerder op de dag zei is het begin er met deze bijeenkomst. Het is nu zaak snel tot actie over te gaan. Lynch en Cohen wisten hun bevlogenheid op de aanwezigen over te brengen. Met de kennis en ervaring van Americans for the Arts moet dat kunnen lukken. Uitgebreide achtergrondinformatie over sprekers en bijeenkomst is te vinden op www.boekmancommunity.nl. Daar is ook de mogelijkheid om verder te discussiëren.
André Nuchelmans
De zaal was goed gevuld toen Simon Reinink, directeur van het Concertgebouw en moderator voor het ochtendgedeelte, de aanwezigen welkom heette. Na een korte inleiding door Margriet Leemhuis (ministerie van Buitenlandse Zaken) was het woord aan Bob Lynch. Hij begon met een persoonlijke noot over zijn eerste bezoek aan Amsterdam als driejarig jochie en onderstreepte het ontzag dat aan de andere kant van de Atlantische oceaan heerst voor de culturele rijkdom alhier. Aan de hand van een overzicht van de kunstgeschiedenis vanaf de eerste grottekeningen liet hij zien dat ondersteuning van de kunsten van alle tijden is. Ook de problemen waar de kunstsector tegenwoordig mee te maken hebben, zijn niet alleen van deze tijd. In Amerika is de historische relatie met de kunsten zo mogelijk nog problematischer. De invasie in 1492 was er in zijn woorden een van ‘non-arty people’. Kunst is in de USA altijd een individuele aangelegenheid geweest en geen verantwoordelijkheid van de staat. Daar lag een taak voor de advocacyorganisatie Americans for the Arts. Hun taak was de mensen er van te overtuigen dat kunst niet iets extra’s is. Doelstelling van de organisatie was ‘all of the arts for all of the people’. Uitgangspunt was dat iedereen daar beter van wordt. In tegenstelling tot wat er over het algemeen van de financiering van Amerikaanse kunstinstelling wordt gedacht, verdienen ze 60% van hun inkomsten zelf, 31% komt uit private financiering, waarbij donaties het grootste deel voor hun rekening nemen.
Lynch benadrukte dat zij vooral het belang van kunst als hulpmiddelen in andere sectoren onder de aandacht van betrokkenen brengen. Als de overheden of andere financierders niet te overtuigen zijn van het directe belang van kunst, proberen zij ze te overtuigen van het belang van kunst in het onderwijs, in internationale diplomatiek. ‘What local politicians think is important’. Kunst komt in hun top 8 van belangrijkste aandachtsgebieden niet voor, maar kan hier wel een ondersteunende rol in spelen. Het viel sowieso op in het verhaal van Lynch dat hij zich verplaatst in de belangen die bij de te overtuigen partij spelen. Daartoe is het ook van belang de juiste persoon in te schakelen om de doelgroep te overtuigen. ‘This is not Bob Lynch, but he finds them’. Zo kun je mensen in het bedrijfsleven beter benaderen via een collega uit het bedrijfsleven dan direct. Daarbij wordt gebruik gemaakt van gerichte acties. Zo is binnen het congres eenderde voorstander van financiering van de kunsten, eenderde wil nergens in investeren en eenderde heeft geen duidelijke voorkeur. Die laatste groep is van belang aan je zijde te krijgen. De eerste groep heb je al en de tweede is verspilde moeite. De lezing van Lynch was doorspekt met oneliners die de werkwijze van Americans for the Arts kernachtig weergaven, zoals ‘don’t wait for them to come to you, go to them’, ‘arts are used, but not acknowledged’, ‘art is a secret weapon that we kept too secret’. Inmiddels heeft zijn organisatie een wijdvertakt netwerk van betrokkenen die voor de belangen van de kunstsector inzetbaar zijn, zoals acteur Robert Redford, jazztrompetist Wynton Marsalis en popmuzikant John Legend. Het heeft de organisatie wel 25 jaar gekost voor zij dit netwerk op poten had gezet, maar de bevlogenheid van Lynch is er niet minder om geworden. Na zijn aanstekelijke lezing was er nog ruimte voor vragen en het publiek maakte daar in ruime mate gebruik van om nog wat details van de succesformule aan Lynch te ontlokken. Hij concludeerde dat met deze bijeenkomst een eerste stap gezet is. Het is nu van belang de juiste personen te benaderen en snel tot actie over te gaan.
Na de pauze was het woord aan Randy Cohen die inzage gaf in het ontstaan en het belang van de Arts Index. Americans for the Arts heeft deze index in het leven geroepen om meer zicht op de ontwikkelingen in de kunstensector te krijgen en die te gebruiken om het belang van de sector te onderbouwen. ‘Measure your treasures’, zo vatte Cohen het belang van de index samen. Cohen stak een even betrokken en levendig verhaal af als Lynch, terwijl bij hem de basis vooral uit cijfers bestond. Die cijfers gebruikte hij echter vooral om voorbeelden van succesverhalen uit de kunstensector te vertellen om meer publiek bij hun activiteiten te betrekken, zoals het ‘rusty orchestra’ project, waarbij een orkest een oproep aan iedereen die een muziekinstrument speelde deed om zich aan te melden om samen met het orkest een voorstelling te presenteren. De aanmeldingen waren zo overweldigend dat er zelfs meerdere voorstellingen gepland moesten worden. Voor het orkest was het spannend omdat zij tevoren geen enkel idee hadden of zich überhaupt wel amateurmusici aan zouden melden. Aan de andere kant benadrukte Cohen het feit dat de kunstensector ook een economische bedrijfstak is, ‘it’s an industry, it’s a business’. De index levert allerlei interessante gegevens op vooral wanneer je wat meer op de details in gaat. Zo blijken bedrijfsgiften de laatste jaren als gevolg van de crisis minder te worden. Van belang is echter vooral dat het nauwelijks meer vanuit filantropisch oogpunt gebeurt, maar vooral als vorm van sponsoring en bedrijfsmarketing.
Moderator van het middagprogramma Cas Smithuijsen, directeur van de Boekmanstichting, nodigde Cohen na zijn lezing aan te schuiven om met Jamilja van der Meulen van het Centraal Bureau voor de Statistiek over de werkwijze van de Arts Index in gesprek te gaan. Hoewel zij haar best deed niet in een statistisch onderonsje met Cohen te gaan, was het gesprek voor niet-statistici niet altijd even interessant. Wel werd duidelijk dat het zo gemakkelijk nog niet is om vergelijkbare cijfers te verzamelen en die vervolgens in één index te verwerken.
Na een korte pauze reageerde Ilona Kish van het Europese forum voor kunst en erfgoed, Culture Action Europe, op de lezingen. Ze liet duidelijk merken jaloers te zijn op hetgeen Lynch en Cohen bereikt hebben, maar was evenzeer aangestoken door het enthousiasme dat beiden in hun lezing aan de dag legden. Een Europese evenknie van Americans for the Arts staat nog maar aan het begin. Onder de titel ‘We are more’ is Culture Action Europe een campagne begonnen om bij de Europese Unie meer geld voor de kunsten vrij te krijgen.
Tot slot deed een aantal vertegenwoordigers van Nederlandse private fondsen en organisaties verslag van hun werkwijze. Adriana Esmeijer vertelde over de manier waarop het Prins Bernhard Cultuurfonds te werk gaat, Marieke van Schaik nam de culturele activiteiten van de Bank Giro Loterij voor haar rekening, Huub Blankenberg sprak namens de Vereniging Rembrandt en Margot Gerené legde uit wat het Nederlands Uitburo zoal doet met de gegevens van hun publiek. Bob Lynch reageerde op de problemen waar de betrokkenen mee te maken hadden en drukte de aanwezigen op het hart, ‘focus on what you can do’ en niet op wat je niet kunt. En wanneer het woord lobby of advocacy niet goed bij je doelgroep ligt, dan is er altijd nog ‘decisionmaker education’. Beperk je bij het overtuigen van overheden en andere financiers niet tot een beperkt aantal argumenten, maar gebruik die argumenten die bij je doelgroep het meeste resultaat hebben.
Zoals hij al eerder op de dag zei is het begin er met deze bijeenkomst. Het is nu zaak snel tot actie over te gaan. Lynch en Cohen wisten hun bevlogenheid op de aanwezigen over te brengen. Met de kennis en ervaring van Americans for the Arts moet dat kunnen lukken. Uitgebreide achtergrondinformatie over sprekers en bijeenkomst is te vinden op www.boekmancommunity.nl. Daar is ook de mogelijkheid om verder te discussiëren.
André Nuchelmans
maandag 4 oktober 2010
Beter van Kunst
Op weg naar de conferentie Beter van Kunst in de Brakke Grond Amsterdam, klinkt de muziek van het Regionaal Seniorenorkest Midden-Brabant, dat met een zestigtal musici in een grote partytent het plein voor het theater vult. Nederland telt 8 miloen amateurkunstenaars, waarvan 5 miljoen mensen hun hobby - vaak is het een passie - wekelijks beoefenen, vertelt de directeur van Kunstfactor Tom de Rooij even later tijdens zijn openeningswoord. Een van de musici van het orkest, klarinettist Han Slotboom, illustreert dit. Spelen bij het orkest is haast een fulltime bezigheid, vertelt hij, die zijn leven sterk heeft verrijkt. ‘Toen mijn vrouw en ik in Hilvarenbeek kwamen wonen, kregen we er meteen zeventig vrienden bij.’
De conferentie vormde afgelopen donderdag 30 september de aftrap van het landelijk festival amateurkunst Kunstfactor Live! en liet zien ‘wat kunstbeoefening doet met mensen, en wat kunstparticipatie doet met de samenleving’. Kunst maakt slimmer, socialer, vindingdrijker en misschien zelfs gelukkiger, zo was de algemene conclusie van de dag.
De keynotespeech was van de Amerikaanse wetenschapper James Catterall, als hoogleraar urban schooling verbonden aan de Universiteit van Californië (UCLA). Hij schreef het boek Doing Well and Doing Good by Doing Art, waarvoor hij gedurende twaalf jaar 1200 jongeren met een ‘sociaal economische uitdaging’ volgde. De jongeren die onderwijs genoten op een kunstrijke school bleken aanzienlijk beter te presteren dan hun leeftijdgenoten op een kunstarme school: ruim 37 procent van de eerste groep tegenover 17,3 procent van de tweede groep behaalde een Bachelor-diploma. Ook op andere vlakken bleken zij beter te presteren en steviger in hun schoenen te staan. Het werd echter niet duidelijk in hoeverre het hier werkelijk om een causaal verband gaat: misschien speelt de schoolvoorkeur van ouders ook een rol en hangt die voorkeur weer samen met andere factoren die van invloed zijn op de ontwikkeling van hun kinderen, zou je denken.
Catterall maakte voorts inzichtelijk en aannemelijk hoe bezig zijn met kunst, zowel actief als passief, de ontwikkeling van de hersenen in positieve zin beinvloedt. Met name, zoals bekend, in de rechterhersenhelft leggen regelmatig musiceren of toneelspelen ook een basis voor andere vaardigheden. Zo kunnen musici feilloos de emotionele intentie in een stem herkennen, beaamde ook wetenschapsjournalist Mark Mieras later op de dag in het discussiepanel. Toneelspelen, ofwel het spelen van een ander personage, vergroot ook in het dagelijks leven het inlevingsvermogen.
In het discussiepanel onder leiding van moderator Joost Karkhof (Kunststof TV) werd van diverse kanten belicht hoe mensen met kunst beter af kunnen zijn. Volgens Abdel Kader Benali geldt dit eerder voor lezers dan voor schrijvers. Schrijven, geïsoleerd en achter een beeldscherm, maakt eerder anti-sociaal, vertelde hij uit eigen ervaring. Terwijl romans als Eline Vere of toneelstukken als De getemde feeks de lezer een inkijk bieden in een andere historische periode of het innerlijk van een ander mens.
Heel concreet was het verhaal van Aaltje van Sweden van Stichting Papageno over het positieve effect van muziek op kinderen met autisme, die hierin een middel kunnen vinden om hun emoties te uiten. De ervaringen van Fons Diepenmaat en Marian van Binsbergen, respectievelijk theaterdocent en directeur van tbs-instelling de Van der Hoevenkliniek, zijn een eye opener. Van de gedetineerden die deze kunstrijke kliniek verlaten, valt slechts 2,3 procent terug in het oude gedrag tegenover de gemiddeld 20 procent bij andere tbs-instellngen en maar liefst 64 procent bij reguliere gevangenissen. Gedetineerden die maximaal en langdurig worden geconfronteerd met ‘gewoon gezond gedrag’, waaronder een aantrekkelijk aanbod van kunstzinnige activiteiten, bloeien op en nemen dit gedrag over, is hun ervaring.
Al lijken de verwachtingen van kunst soms hooggespannen, de conferentie maakt de vraag waarom er dan toch meer dan 200 miljoen op de rijksbegroting voor kunst bezuinigd moet worden des te schrijnender. Maar, zoals ook de Amsterdamse wethouder, Andrée van Es al aan begin van de conferentie benadrukte, dit alles zal de komende bezuinigingsoperatie niet tegenhouden.
Anita Twaalfhoven
De conferentie vormde afgelopen donderdag 30 september de aftrap van het landelijk festival amateurkunst Kunstfactor Live! en liet zien ‘wat kunstbeoefening doet met mensen, en wat kunstparticipatie doet met de samenleving’. Kunst maakt slimmer, socialer, vindingdrijker en misschien zelfs gelukkiger, zo was de algemene conclusie van de dag.
De keynotespeech was van de Amerikaanse wetenschapper James Catterall, als hoogleraar urban schooling verbonden aan de Universiteit van Californië (UCLA). Hij schreef het boek Doing Well and Doing Good by Doing Art, waarvoor hij gedurende twaalf jaar 1200 jongeren met een ‘sociaal economische uitdaging’ volgde. De jongeren die onderwijs genoten op een kunstrijke school bleken aanzienlijk beter te presteren dan hun leeftijdgenoten op een kunstarme school: ruim 37 procent van de eerste groep tegenover 17,3 procent van de tweede groep behaalde een Bachelor-diploma. Ook op andere vlakken bleken zij beter te presteren en steviger in hun schoenen te staan. Het werd echter niet duidelijk in hoeverre het hier werkelijk om een causaal verband gaat: misschien speelt de schoolvoorkeur van ouders ook een rol en hangt die voorkeur weer samen met andere factoren die van invloed zijn op de ontwikkeling van hun kinderen, zou je denken.
Catterall maakte voorts inzichtelijk en aannemelijk hoe bezig zijn met kunst, zowel actief als passief, de ontwikkeling van de hersenen in positieve zin beinvloedt. Met name, zoals bekend, in de rechterhersenhelft leggen regelmatig musiceren of toneelspelen ook een basis voor andere vaardigheden. Zo kunnen musici feilloos de emotionele intentie in een stem herkennen, beaamde ook wetenschapsjournalist Mark Mieras later op de dag in het discussiepanel. Toneelspelen, ofwel het spelen van een ander personage, vergroot ook in het dagelijks leven het inlevingsvermogen.
In het discussiepanel onder leiding van moderator Joost Karkhof (Kunststof TV) werd van diverse kanten belicht hoe mensen met kunst beter af kunnen zijn. Volgens Abdel Kader Benali geldt dit eerder voor lezers dan voor schrijvers. Schrijven, geïsoleerd en achter een beeldscherm, maakt eerder anti-sociaal, vertelde hij uit eigen ervaring. Terwijl romans als Eline Vere of toneelstukken als De getemde feeks de lezer een inkijk bieden in een andere historische periode of het innerlijk van een ander mens.
Heel concreet was het verhaal van Aaltje van Sweden van Stichting Papageno over het positieve effect van muziek op kinderen met autisme, die hierin een middel kunnen vinden om hun emoties te uiten. De ervaringen van Fons Diepenmaat en Marian van Binsbergen, respectievelijk theaterdocent en directeur van tbs-instelling de Van der Hoevenkliniek, zijn een eye opener. Van de gedetineerden die deze kunstrijke kliniek verlaten, valt slechts 2,3 procent terug in het oude gedrag tegenover de gemiddeld 20 procent bij andere tbs-instellngen en maar liefst 64 procent bij reguliere gevangenissen. Gedetineerden die maximaal en langdurig worden geconfronteerd met ‘gewoon gezond gedrag’, waaronder een aantrekkelijk aanbod van kunstzinnige activiteiten, bloeien op en nemen dit gedrag over, is hun ervaring.
Al lijken de verwachtingen van kunst soms hooggespannen, de conferentie maakt de vraag waarom er dan toch meer dan 200 miljoen op de rijksbegroting voor kunst bezuinigd moet worden des te schrijnender. Maar, zoals ook de Amsterdamse wethouder, Andrée van Es al aan begin van de conferentie benadrukte, dit alles zal de komende bezuinigingsoperatie niet tegenhouden.
Anita Twaalfhoven
Labels:
amateurkunsten,
belang van kunst,
bezuinigingen,
kunstbeleid,
verslag
vrijdag 24 september 2010
Kick-Off Stop de culturele kaalslag
In een volle Grote Zaal van De Balie in Amsterdam vond op vrijdag 24 september de kick-off van de actie Stop de culturele kaalslag plaats. FNV Kiem nam het initiatief voor deze actie tegen de aangekondigde bezuinigingen van 220 miljoen euro op de kunsten. Op de website van het initiatief hadden inmiddels 27.000 mensen de petitie ondertekend en er zouden er volgens gespreksleider Farid Tabarki elk uur 1000 bijkomen. De actiebereidheid was dan ook groot, maar het debat maakte duidelijk dat men het niet eens was of er actie gevoerd moest worden tegen de verwachte buitenproportionele bezuinigingen of tegen bezuinigingen an sich. Vanaf de kick-off wordt 5 dagen lang, voorafgaand aan theater- en muziekvoorstelling een statement voorgelezen, waarin de sector zich tegen de buitensporige bezuinigingen uitspreekt. Met het voorlezen van de tekst van het statement aan het einde van de bijeenkomst gaf Caspar de Kiefte, bestuurder van FNV Kiem, het startsein voor de actie. Dat hij daarbij een deel van de tekst oversloeg, gaf aan dat hij zelf ook nog naar de juiste woorden zocht voor een inspirerend startschot.
Drie statements leiden het debat in. Als eerste sprak Ramsey Nasr zijn gedicht/manifest Uit nutteloze noodzaak uit. Nasr sprak dit Manifest van Terschelling eerder uit bij de opening van Oerol, vlak na de Tweede Kamerverkiezingen. Vervolgens onderstreepte Carel Kraayenhof namens de Nederlandse Toonkunstenaarsbond het belang van cultuur. Jetta Klijnsma, cultuurwoordvoerder voor de PvdA in de Tweede Kamer, sloot de rij.
Na deze statements nam een aantal betrokken uit verschillende geledingen plaats op het podium. Stijn Schoonderwoerd, directeur van het Nationaal Ballet, beet het spits af. Hij hield de aanwezigen voor dat de mythes tegenwoordig niet alleen aan het podium waren voorbehouden, maar zich ook in de realiteit manifesteerden. Dat de toegangsprijzen omhoog kunnen was er een van, een andere is dat de instellingen die het niet goed doen de dupe van de bezuinigingen zijn. In de praktijk blijkt echter dat een verhoging van de toegangsprijzen een deel van het publiek zal verjagen. En de disproportionele bezuinigingen zullen het gehele kunstenbestel doen wankelen. Het publiek van het Nationaal Ballet bestaat niet uitsluitend uit de rijken, maar is een doorsnede van het Nederlandse publiek. Daar sloot actrice Halina Reijn zich bij aan. De aangekondigde bezuinigingen leiden juist tot kunst uitsluitend voor de elite. Mariko Peters, cultuurwoordvoerdster GroenLinks, kenschetste de plannen als een antibeschavingsoffensief en merkte op dat de sector eigenlijk alleen bij GroenLinks, de PvdA en de SP op steun kan rekenen. Beeldend kunstenaar Niek Verschoor vergeleek de huidige situatie met het rampjaar 1672: ‘het volk is redeloos, de regenten zijn radeloos en de kunsten zijn reddeloos’.
Econoom Pim van Klink verklaarde de huidige steun onder brede bevolkingsgroepen om op de kunsten te bezuinigen uit het feit dat de kunstensector tot nu toe altijd de dans wist te ontspringen terwijl op alle andere beleidsterreinen wel bezuinigd werd. Ook het subsidiebeoordelingssysteem dat vakgenoten de kwaliteit van de aanvragen beoordelen werkt een aversie tegen de kunsten in zijn ogen in de hand.
Voormalig cultuurwoordvoerder van de SP, Hans van Leeuwen, gaf aan dat een discrepantie tussen publiek en avantgarde van alle tijden is. Wat dat betreft lopen de kunsten voor op de rest van de bevolking. Hij pleitte er voor om actie te voeren tegen welke bezuiniging dan ook op de kunstensector. Het is toch al geen vetpot en in de ons omliggende landen is het vrij normaal om 1% van de begroting aan de kunsten te besteden. In Nederland is dit nog geen 0,5%. Niet iedereen sloot zich hier bij aan en gaf te kennen wel degelijk ook mogelijkheden te zien om te bezuinigen, maar niet op de schaal die nu de ronde doet. Stijn Schoonderwoerd durfde de stelling wel aan dat er in Nederland teveel aanbod is, er zijn teveel schouwburgen. De sector zou meer in het werk moeten stellen om zichzelf gezond te maken.
Jan Willem de Vriend, chef dirigent Orkest van het Oosten en vaste gast-dirigent van het Brabants Orkest, sprak vanuit zijn eigen ervaring over het belang van een orkest voor de directe omgeving. Dat ligt niet alleen in het feit dat de orkestleden musiceren. Velen zijn daarnaast betrokken bij het muziekonderwijs. Bezuinigingen op de orkesten zullen dus ook effect hebben op het muziekonderwijs. En de kunsteducatie is er al zo erbarmelijk aan toe. Als we kinderen niet leren kijken en luisteren, kun je ook niet verwachten dat ze later beeldende kunst of muziek op waarde schatten.
Daar kon het publiek zich wel in vinden. Het was dan ook terecht dat Mariko Peters opmerkte dat de kunstensector zich meer naar buiten moet richten. Ze moet zich verbinden met andere sectoren om haar belang en draagvlak te onderstrepen. Met alleen het vaste publiek kom je er niet om de bezuinigingen te ontlopen. Veel betrokkenen gaven aan niet te begrijpen dat juist de VVD zo’n groot voorstander van de buitenproportionele bezuinigingen op de kunstsector is. Raden van bestuur en adviesraden worden juist bevolkt door mensen met die politieke signatuur. De afspraak was dan ook snel gemaakt om deze personen te bewegen bij hun partij het belang van de kunstsubsidies kenbaar te maken. Volgens econoom Van Klink moet bij daarbij niet het economisch maar het intrinsieke belang van de kunsten onder de aandacht worden gebracht.
Iedereen was het er over eens dat er iets moest gebeuren, maar wat? Halina Reijn stelde voor de BN-ers in stelling te brengen. Stijn Schoonderwoerd wees de aanwezigen op de korte tijd die vermoedelijk resteerde tot het regeerakkoord. Hij pleitte er voor de acties onder te verdelen in korte- en langetermijn. Een rondgang langs de eigen VVD-achterban behoorde tot de eerste actie. Als de bezuinigingen dan toch een feit blijken, moet de sector zelf met voorstellen komen, mee beslissen. Op lange termijn dient de sector een groter maatschappelijk draagvlak te creëren. Vanuit de zaal werd geopperd om alle culturele instellingen een week lang dicht te gooien. Dan zou iedereen pas merken wat ze missen! Na nog enkele slotvragen en –opmerkingen vanuit het publiek gaf de gespreksleider het woord aan Caspar de Kiefte. Deze verklaarde dat het hem goed deed om te zien dat de actiebereidheid er is en dat nu tot de volgende stap overgegaan kon worden. Die stap betrof het statement dat vanaf deze avond voorafgaand aan elke voorstelling voorgelezen zou worden. Doordat De Kiefte vervolgens bij het voorlezen van het statement een deel van de tekst oversloeg, ontkrachtte hij de actie voor een deel. Het zei echter ook iets over de inhoud van het statement: van een creatieve sector zou je een steviger en inspirerender statement verwachten dan de ambtelijke tekst die De Kiefte gedeeltelijk voorlas. De bijeenkomst maakte duidelijk dat de kunstensector bereid is actie te voeren, maar hoe en precies waarvoor daar was men het nog niet over eens.
André Nuchelmans
Drie statements leiden het debat in. Als eerste sprak Ramsey Nasr zijn gedicht/manifest Uit nutteloze noodzaak uit. Nasr sprak dit Manifest van Terschelling eerder uit bij de opening van Oerol, vlak na de Tweede Kamerverkiezingen. Vervolgens onderstreepte Carel Kraayenhof namens de Nederlandse Toonkunstenaarsbond het belang van cultuur. Jetta Klijnsma, cultuurwoordvoerder voor de PvdA in de Tweede Kamer, sloot de rij.
Na deze statements nam een aantal betrokken uit verschillende geledingen plaats op het podium. Stijn Schoonderwoerd, directeur van het Nationaal Ballet, beet het spits af. Hij hield de aanwezigen voor dat de mythes tegenwoordig niet alleen aan het podium waren voorbehouden, maar zich ook in de realiteit manifesteerden. Dat de toegangsprijzen omhoog kunnen was er een van, een andere is dat de instellingen die het niet goed doen de dupe van de bezuinigingen zijn. In de praktijk blijkt echter dat een verhoging van de toegangsprijzen een deel van het publiek zal verjagen. En de disproportionele bezuinigingen zullen het gehele kunstenbestel doen wankelen. Het publiek van het Nationaal Ballet bestaat niet uitsluitend uit de rijken, maar is een doorsnede van het Nederlandse publiek. Daar sloot actrice Halina Reijn zich bij aan. De aangekondigde bezuinigingen leiden juist tot kunst uitsluitend voor de elite. Mariko Peters, cultuurwoordvoerdster GroenLinks, kenschetste de plannen als een antibeschavingsoffensief en merkte op dat de sector eigenlijk alleen bij GroenLinks, de PvdA en de SP op steun kan rekenen. Beeldend kunstenaar Niek Verschoor vergeleek de huidige situatie met het rampjaar 1672: ‘het volk is redeloos, de regenten zijn radeloos en de kunsten zijn reddeloos’.
Econoom Pim van Klink verklaarde de huidige steun onder brede bevolkingsgroepen om op de kunsten te bezuinigen uit het feit dat de kunstensector tot nu toe altijd de dans wist te ontspringen terwijl op alle andere beleidsterreinen wel bezuinigd werd. Ook het subsidiebeoordelingssysteem dat vakgenoten de kwaliteit van de aanvragen beoordelen werkt een aversie tegen de kunsten in zijn ogen in de hand.
Voormalig cultuurwoordvoerder van de SP, Hans van Leeuwen, gaf aan dat een discrepantie tussen publiek en avantgarde van alle tijden is. Wat dat betreft lopen de kunsten voor op de rest van de bevolking. Hij pleitte er voor om actie te voeren tegen welke bezuiniging dan ook op de kunstensector. Het is toch al geen vetpot en in de ons omliggende landen is het vrij normaal om 1% van de begroting aan de kunsten te besteden. In Nederland is dit nog geen 0,5%. Niet iedereen sloot zich hier bij aan en gaf te kennen wel degelijk ook mogelijkheden te zien om te bezuinigen, maar niet op de schaal die nu de ronde doet. Stijn Schoonderwoerd durfde de stelling wel aan dat er in Nederland teveel aanbod is, er zijn teveel schouwburgen. De sector zou meer in het werk moeten stellen om zichzelf gezond te maken.
Jan Willem de Vriend, chef dirigent Orkest van het Oosten en vaste gast-dirigent van het Brabants Orkest, sprak vanuit zijn eigen ervaring over het belang van een orkest voor de directe omgeving. Dat ligt niet alleen in het feit dat de orkestleden musiceren. Velen zijn daarnaast betrokken bij het muziekonderwijs. Bezuinigingen op de orkesten zullen dus ook effect hebben op het muziekonderwijs. En de kunsteducatie is er al zo erbarmelijk aan toe. Als we kinderen niet leren kijken en luisteren, kun je ook niet verwachten dat ze later beeldende kunst of muziek op waarde schatten.
Daar kon het publiek zich wel in vinden. Het was dan ook terecht dat Mariko Peters opmerkte dat de kunstensector zich meer naar buiten moet richten. Ze moet zich verbinden met andere sectoren om haar belang en draagvlak te onderstrepen. Met alleen het vaste publiek kom je er niet om de bezuinigingen te ontlopen. Veel betrokkenen gaven aan niet te begrijpen dat juist de VVD zo’n groot voorstander van de buitenproportionele bezuinigingen op de kunstsector is. Raden van bestuur en adviesraden worden juist bevolkt door mensen met die politieke signatuur. De afspraak was dan ook snel gemaakt om deze personen te bewegen bij hun partij het belang van de kunstsubsidies kenbaar te maken. Volgens econoom Van Klink moet bij daarbij niet het economisch maar het intrinsieke belang van de kunsten onder de aandacht worden gebracht.
Iedereen was het er over eens dat er iets moest gebeuren, maar wat? Halina Reijn stelde voor de BN-ers in stelling te brengen. Stijn Schoonderwoerd wees de aanwezigen op de korte tijd die vermoedelijk resteerde tot het regeerakkoord. Hij pleitte er voor de acties onder te verdelen in korte- en langetermijn. Een rondgang langs de eigen VVD-achterban behoorde tot de eerste actie. Als de bezuinigingen dan toch een feit blijken, moet de sector zelf met voorstellen komen, mee beslissen. Op lange termijn dient de sector een groter maatschappelijk draagvlak te creëren. Vanuit de zaal werd geopperd om alle culturele instellingen een week lang dicht te gooien. Dan zou iedereen pas merken wat ze missen! Na nog enkele slotvragen en –opmerkingen vanuit het publiek gaf de gespreksleider het woord aan Caspar de Kiefte. Deze verklaarde dat het hem goed deed om te zien dat de actiebereidheid er is en dat nu tot de volgende stap overgegaan kon worden. Die stap betrof het statement dat vanaf deze avond voorafgaand aan elke voorstelling voorgelezen zou worden. Doordat De Kiefte vervolgens bij het voorlezen van het statement een deel van de tekst oversloeg, ontkrachtte hij de actie voor een deel. Het zei echter ook iets over de inhoud van het statement: van een creatieve sector zou je een steviger en inspirerender statement verwachten dan de ambtelijke tekst die De Kiefte gedeeltelijk voorlas. De bijeenkomst maakte duidelijk dat de kunstensector bereid is actie te voeren, maar hoe en precies waarvoor daar was men het nog niet over eens.
André Nuchelmans
Labels:
actie,
bezuinigingen,
kunstbeleid,
verslag
dinsdag 7 september 2010
De keuze van de kijker: noodzaak of noodgreep?
Het Fonds Podiumkunsten, Theater Instituut Nederland en Muziek Centrum Nederland organiseerden dinsdag 7 september tijdens het Nederlands Theater Festival (TF) een aflevering van de debatreeks ComMotie. Aanleiding voor het debat was het initiatief van Adelheid Roosen, juryvoorzitter van het TF om een wijkjury in te voeren die ook een beste theatervoorstelling kiest. In een afgeladen Koninklijke Foyer van de Amsterdamse Stadsschouwburg gaf gespreksleider Jörgen Tjon A Fong een korte inleiding op het debat, waarna hij keynote speaker Baba Israel (Contact Theatre Manchester) introduceerde.
Israel begon met een korte persoonlijke geschiedenis. Zijn ouders waren verbonden aan het Living Theatre. Zelf startte hij zijn carrière in de kunsten als hiphopper/human beatbox. Contact met het publiek en het buiten de standaard structuren opereren waren hem dus met de paplepel ingegoten. Sinds één jaar is hij verbonden aan het Contact Theatre in Manchester, een theater dat zich specifiek op een jong publiek richt. Israel gaf aan hoe hij het publiek bij zijn programmering probeert te betrekken. Hij probeert allereerst jonge artiesten te ontwikkelen door ze in de programmering op te nemen. Daarnaast geeft hij jongeren een belangrijke rol door ze bij de programmering te betrekken. Dit gaat via zogenaamde pitch parties, waarbij een jong programmeerteam bestaande uit 4 geselecteerde jongeren luisteren naar de voorstellen van artiesten en hun voorkeur kenbaar maken. Daarnaast speelt het publiek ook een belangrijke rol bij het bepalen van de kunstinhoudelijke visie van het theater. Zo krijgt het theater een bepaalde relevantie voor de stad. Een gemêleerd publiek komt op de voorstellingen af. Maar het theater biedt meer. Het is een kunstwerk op zichzelf. Zo zijn er installaties in de ruimtes buiten de zalen te zien. Uiteindelijk is het wel de artistiek directeur die de programmering bepaalt, maar de keuze van het publiek en de jongeren wordt daarin nadrukkelijk meegenomen.
Dat hij buiten de geëigende structuren denkt en handelt, illustreerde hij met een voorbeeld van een zogenaamde unconference. Dit is een bijeenkomst zonder agenda en zonder dat tevoren bekend is wie in het programma is opgenomen. Het geheel werd in 36 uur real time georganiseerd. Spontaniteit speelt een belangrijke rol bij dergelijke bijeenkomsten.
Vervolgens stelde Tjon A Fong het volgende panel aan de zaal voor. Adelheid Roosen gaf samen met twee van de juryleden uit de wijkjury uitleg over de werking van dit initiatief. 11 Vrouwen uit Amsterdamse wijken zagen in een jaar 25 theatervoorstellingen. Deze werden na afloop besproken onder begeleiding van een dramaturg. Deze gaf de vrouwen ook aanwijzingen om tijdens de voorstellingen op bepaalde details, zoals de belichting te letten. Beide juryleden gaven aan over een drempel gehaald te zijn. In hun land van herkomst (Italië en Griekenland) gingen zij wel naar het theater, maar hier was toch vooral de taal die hen daarvan weerhield. Onduidelijk was op welke basis de juryleden gekozen waren. Toen de gespreksleider aan Roosen vroeg wat zij voor een doel met dit initiatief had, gaf deze aan niet in doelen te denken. 'Het kwam in me op en daar zat verder niets iets achter.' Wel zorgde het voor onverwachte confrontaties. Zo zat Roosen eens achter een jurylid die tijdens de voorstelling rustig zat te bellen met het thuisfront. Roosen zag zich vervolgens voor het dilemma geplaatst om daar al dan niet op te reageren. Het maakte haar duidelijk dat de heersende waarden en normen niet altijd de enige en juiste zijn.
Uiteindelijk selecteerde de wijkjury de voorstelling Branden voor het Theater Festival. Ook gaf Roosen aan zich te ergeren aan de constante vragen over dualiteit. 'Er wordt altijd uitgegaan van tegenstellingen, terwijl je het ook als bewegingen kunt zien. Ontmoetingen resulteren altijd in iets nieuws.' Het initiatief van de wijkjury is te zien 'als de stad die haar gezicht naar de wijken toekeert.' Hierop merkte Tjon A Jong terecht op dat hij het toch eerder andersom zag: de wijkjury werd naar de stad gehaald. Wat betreft het thema van het debat werd ook niet duidelijk welke rol het publiek, behalve het opnemen van een voorstelling op voordracht van de wijkjury, in de programmering speelt of zou kunnen spelen.
Na dit gesprek verlieten de twee leden van de wijkjury het podium en maakten plaats voor Joost Heijthuijsen, directielid van het independent culture festival Incubate, en Rabiaâ Banlahbib van Kosmopolis Den Haag. Beiden gaven aan hoe zij het publiek bij de programmering betrekken. Vooral Heijthuijsen gaf aansprekende voorbeelden waarbij intensief gebruik wordt gemaakt van nieuwe netwerken op het internet als Facebook en Hyves. Niet alleen het publiek wordt bij Incubate actief bij het festival betrokken, ook de artiesten. ‘Waarom zou ik zelf alle bio’s bij elkaar gaan zoeken, als die artiesten het kant en klaar op hun MySpace of Facebook pagina hebben staan’, zo redeneerde hij. Het programmaboek op internet wordt dan ook de artiesten zelf samengesteld en aangevuld. Banlahbib werd ingeleid door een filmpje van een project in Den Haag waarbij acteur bij de mensen thuis een voorstelling gaven, Theater aan huis. In mijn ogen eerder een voorbeeld van Community Art dan van het betrekken van publiek bij de programmering. Wel gaf zij aan dat Kosmopolis allerlei initiatieven ontwikkelt om bevolkingsgroepen die normaal niet naar voorstellingen gaan daarin te interesseren. Nadat Israel bij het panel aanschoof ontstond er een levendige discussie met de zaal. Hierbij kwamen vooral de marketing en het gebruik van het gebouw aan de orde. Veelvuldig was de wens te horen om meer gebruik van het gebouw te maken. De gebouwen moeten op een andere manier worden benut, ze zijn tenslotte van iedereen, dus moet iedereen er ook gebruik van kunnen maken. Heijthuijsen en Israel gaven diverse voorbeelden van hoe er out of the box gedacht kan worden in deze context. Op de vraag of het betrekken van het publiek bij de programmering nu nut of noodzaak is, kregen de bezoekers van het debat uiteindelijk geen antwoord, wel werden er inspirerende voorbeelden gegeven van hoe een nieuw en jong publiek bij het theater betrokken kan worden. Jongere programmeurs doen dit al als vanzelfsprekend en zijn ook meer in moderne netwerken ingevoerd. Dit doet vermoeden dat het slechts een kwestie van tijd is. Maar staan de culturele vestingen voor het zover is, al open voor de geopperde initiatieven om een breder en jonger publiek bij het theater te betrekken?
André Nuchelmans
Israel begon met een korte persoonlijke geschiedenis. Zijn ouders waren verbonden aan het Living Theatre. Zelf startte hij zijn carrière in de kunsten als hiphopper/human beatbox. Contact met het publiek en het buiten de standaard structuren opereren waren hem dus met de paplepel ingegoten. Sinds één jaar is hij verbonden aan het Contact Theatre in Manchester, een theater dat zich specifiek op een jong publiek richt. Israel gaf aan hoe hij het publiek bij zijn programmering probeert te betrekken. Hij probeert allereerst jonge artiesten te ontwikkelen door ze in de programmering op te nemen. Daarnaast geeft hij jongeren een belangrijke rol door ze bij de programmering te betrekken. Dit gaat via zogenaamde pitch parties, waarbij een jong programmeerteam bestaande uit 4 geselecteerde jongeren luisteren naar de voorstellen van artiesten en hun voorkeur kenbaar maken. Daarnaast speelt het publiek ook een belangrijke rol bij het bepalen van de kunstinhoudelijke visie van het theater. Zo krijgt het theater een bepaalde relevantie voor de stad. Een gemêleerd publiek komt op de voorstellingen af. Maar het theater biedt meer. Het is een kunstwerk op zichzelf. Zo zijn er installaties in de ruimtes buiten de zalen te zien. Uiteindelijk is het wel de artistiek directeur die de programmering bepaalt, maar de keuze van het publiek en de jongeren wordt daarin nadrukkelijk meegenomen.
Dat hij buiten de geëigende structuren denkt en handelt, illustreerde hij met een voorbeeld van een zogenaamde unconference. Dit is een bijeenkomst zonder agenda en zonder dat tevoren bekend is wie in het programma is opgenomen. Het geheel werd in 36 uur real time georganiseerd. Spontaniteit speelt een belangrijke rol bij dergelijke bijeenkomsten.
Vervolgens stelde Tjon A Fong het volgende panel aan de zaal voor. Adelheid Roosen gaf samen met twee van de juryleden uit de wijkjury uitleg over de werking van dit initiatief. 11 Vrouwen uit Amsterdamse wijken zagen in een jaar 25 theatervoorstellingen. Deze werden na afloop besproken onder begeleiding van een dramaturg. Deze gaf de vrouwen ook aanwijzingen om tijdens de voorstellingen op bepaalde details, zoals de belichting te letten. Beide juryleden gaven aan over een drempel gehaald te zijn. In hun land van herkomst (Italië en Griekenland) gingen zij wel naar het theater, maar hier was toch vooral de taal die hen daarvan weerhield. Onduidelijk was op welke basis de juryleden gekozen waren. Toen de gespreksleider aan Roosen vroeg wat zij voor een doel met dit initiatief had, gaf deze aan niet in doelen te denken. 'Het kwam in me op en daar zat verder niets iets achter.' Wel zorgde het voor onverwachte confrontaties. Zo zat Roosen eens achter een jurylid die tijdens de voorstelling rustig zat te bellen met het thuisfront. Roosen zag zich vervolgens voor het dilemma geplaatst om daar al dan niet op te reageren. Het maakte haar duidelijk dat de heersende waarden en normen niet altijd de enige en juiste zijn.
Uiteindelijk selecteerde de wijkjury de voorstelling Branden voor het Theater Festival. Ook gaf Roosen aan zich te ergeren aan de constante vragen over dualiteit. 'Er wordt altijd uitgegaan van tegenstellingen, terwijl je het ook als bewegingen kunt zien. Ontmoetingen resulteren altijd in iets nieuws.' Het initiatief van de wijkjury is te zien 'als de stad die haar gezicht naar de wijken toekeert.' Hierop merkte Tjon A Jong terecht op dat hij het toch eerder andersom zag: de wijkjury werd naar de stad gehaald. Wat betreft het thema van het debat werd ook niet duidelijk welke rol het publiek, behalve het opnemen van een voorstelling op voordracht van de wijkjury, in de programmering speelt of zou kunnen spelen.
Na dit gesprek verlieten de twee leden van de wijkjury het podium en maakten plaats voor Joost Heijthuijsen, directielid van het independent culture festival Incubate, en Rabiaâ Banlahbib van Kosmopolis Den Haag. Beiden gaven aan hoe zij het publiek bij de programmering betrekken. Vooral Heijthuijsen gaf aansprekende voorbeelden waarbij intensief gebruik wordt gemaakt van nieuwe netwerken op het internet als Facebook en Hyves. Niet alleen het publiek wordt bij Incubate actief bij het festival betrokken, ook de artiesten. ‘Waarom zou ik zelf alle bio’s bij elkaar gaan zoeken, als die artiesten het kant en klaar op hun MySpace of Facebook pagina hebben staan’, zo redeneerde hij. Het programmaboek op internet wordt dan ook de artiesten zelf samengesteld en aangevuld. Banlahbib werd ingeleid door een filmpje van een project in Den Haag waarbij acteur bij de mensen thuis een voorstelling gaven, Theater aan huis. In mijn ogen eerder een voorbeeld van Community Art dan van het betrekken van publiek bij de programmering. Wel gaf zij aan dat Kosmopolis allerlei initiatieven ontwikkelt om bevolkingsgroepen die normaal niet naar voorstellingen gaan daarin te interesseren. Nadat Israel bij het panel aanschoof ontstond er een levendige discussie met de zaal. Hierbij kwamen vooral de marketing en het gebruik van het gebouw aan de orde. Veelvuldig was de wens te horen om meer gebruik van het gebouw te maken. De gebouwen moeten op een andere manier worden benut, ze zijn tenslotte van iedereen, dus moet iedereen er ook gebruik van kunnen maken. Heijthuijsen en Israel gaven diverse voorbeelden van hoe er out of the box gedacht kan worden in deze context. Op de vraag of het betrekken van het publiek bij de programmering nu nut of noodzaak is, kregen de bezoekers van het debat uiteindelijk geen antwoord, wel werden er inspirerende voorbeelden gegeven van hoe een nieuw en jong publiek bij het theater betrokken kan worden. Jongere programmeurs doen dit al als vanzelfsprekend en zijn ook meer in moderne netwerken ingevoerd. Dit doet vermoeden dat het slechts een kwestie van tijd is. Maar staan de culturele vestingen voor het zover is, al open voor de geopperde initiatieven om een breder en jonger publiek bij het theater te betrekken?
André Nuchelmans
UvA Boekensalon. Drie 'boekenvaksters' debat
Het driedaagse boekenevenement Manuscripta in Amsterdam bood maandag 6 september in de namiddag plaats aan de UvA Boekensalon, het ‘Drie “boekenvaksters” debat’. De salon wordt maandelijks georganiseerd door Bijzondere Collecties van de UvA. Normaal gesproken vindt het plaats in het Museumcafé van het Allard Pierson Museum en Bijzondere Collecties aan het Turfdraagsterpad in de hoofdstad. Ter gelegenheid van de opening van het boekenseizoen was uitgeweken naar het Transformatorhuis op het Westergasfabriekterrein. In tegenstelling tot de aankondiging in het programmaboekje van Manuscripta, ‘Komen vrouwelijke uitgevers voldoende aan bod?’, was het onderwerp van de boekensalon niet de rol van vrouwen in het boekenvak. Waarom het plan was gewijzigd bleef vreemd genoeg buiten beschouwing. Bovendien ontbrak Lisa Kuitert, zij stond aangekondigd als panellid. Aanwezig waren: uitgever en literair journaliste Lidewijde Paris, uitgever Eva Cossee, Aartje Koster (directeur Selexyz Scheltema Almere) en Garrelt Verhoeven (hoofdconservator van Bijzondere Collecties van de UvA). Gespreksleider was Lennart Booij.
Als het niet over de rol van vrouwen ging, waar ging het dan wel over? Digitalisering en archivering bleken de sleutelwoorden. Aandacht was er voor de gevolgen van digitalisering voor het boekenvak en voor archiefbeheer, in het bijzonder met het oog op de Bibliotheek van het Boekenvak. Deze collectie is gewijd aan de productie, verspreiding en handel van het boek en is ondergebracht bij Bijzondere Collecties (BC). Verhoeven deed een oproep aan uitgevers om hun archief, auteurscorrespondentie, fondscatalogi, maar ook promotiemateriaal af te staan aan BC. Maar wie schrijft er nu nog een brief? En wat te doen met digitale bronnen, e-mails, bestanden? Wie archiveert ze, hoe doe je dat, hoe moet je ze ontsluiten? Daar wordt bij BC druk over nagedacht. De huidige archieven worden de komende vijf jaar alvast gedigitaliseerd. Ook geven ze bewaaradviezen aan uitgevers en schrijvers. Maar uitgevers hebben er helaas amper tijd voor, aldus Cossee en Lidewij. Ze vinden het wel enorm belangrijk en ondersteunen BC. De collectie geeft immers een rijk en inspirerend beeld van ontwikkelingen in het boekenvak sinds de 17e eeuw. Paris vertelde enthousiast over haar betrokkenheid bij de ‘redding’ van het archief van Querido. Cossee vroeg zich af wat te doen met de oude, in het verleden bekroonde, website van de uitgeverij, zodra de nieuwe website in gebruik wordt genomen. Het is toch jammer wanneer dit zomaar verdwijnt? Wat de opkomst van het e-book betreft werden positieve mogelijkheden belicht. Aartje Koster van Selexyz Almere is niet bang voor het e-book. Zij voorziet dat de boekhandel in de nabije toekomst naast boeken, ‘want die zullen nooit verdwijnen’, en e-books, ook nevenproducten gaat aanbieden, zoals ipads. En hopelijk komt er eindelijk weer meer aandacht voor het mooi verzorgde, gedrukte boek. Daar sloot iedereen zich bij aan. Cossee legde nog uit dat niet alleen bij het gedrukte boek maar ook (of juist) bij het gedigitaliseerde boek de opmaak en typografie belangrijk zijn. Kort werd gepraat over ingewikkelde aspecten als auteursrecht en beveiliging. Mensen bieden zelfs eigenhandig gescande boeken aan op marktplaats.nl, verzuchtte Cossee. Beveiligen is gewoonweg niet mogelijk.
Jack van der Leden
Als het niet over de rol van vrouwen ging, waar ging het dan wel over? Digitalisering en archivering bleken de sleutelwoorden. Aandacht was er voor de gevolgen van digitalisering voor het boekenvak en voor archiefbeheer, in het bijzonder met het oog op de Bibliotheek van het Boekenvak. Deze collectie is gewijd aan de productie, verspreiding en handel van het boek en is ondergebracht bij Bijzondere Collecties (BC). Verhoeven deed een oproep aan uitgevers om hun archief, auteurscorrespondentie, fondscatalogi, maar ook promotiemateriaal af te staan aan BC. Maar wie schrijft er nu nog een brief? En wat te doen met digitale bronnen, e-mails, bestanden? Wie archiveert ze, hoe doe je dat, hoe moet je ze ontsluiten? Daar wordt bij BC druk over nagedacht. De huidige archieven worden de komende vijf jaar alvast gedigitaliseerd. Ook geven ze bewaaradviezen aan uitgevers en schrijvers. Maar uitgevers hebben er helaas amper tijd voor, aldus Cossee en Lidewij. Ze vinden het wel enorm belangrijk en ondersteunen BC. De collectie geeft immers een rijk en inspirerend beeld van ontwikkelingen in het boekenvak sinds de 17e eeuw. Paris vertelde enthousiast over haar betrokkenheid bij de ‘redding’ van het archief van Querido. Cossee vroeg zich af wat te doen met de oude, in het verleden bekroonde, website van de uitgeverij, zodra de nieuwe website in gebruik wordt genomen. Het is toch jammer wanneer dit zomaar verdwijnt? Wat de opkomst van het e-book betreft werden positieve mogelijkheden belicht. Aartje Koster van Selexyz Almere is niet bang voor het e-book. Zij voorziet dat de boekhandel in de nabije toekomst naast boeken, ‘want die zullen nooit verdwijnen’, en e-books, ook nevenproducten gaat aanbieden, zoals ipads. En hopelijk komt er eindelijk weer meer aandacht voor het mooi verzorgde, gedrukte boek. Daar sloot iedereen zich bij aan. Cossee legde nog uit dat niet alleen bij het gedrukte boek maar ook (of juist) bij het gedigitaliseerde boek de opmaak en typografie belangrijk zijn. Kort werd gepraat over ingewikkelde aspecten als auteursrecht en beveiliging. Mensen bieden zelfs eigenhandig gescande boeken aan op marktplaats.nl, verzuchtte Cossee. Beveiligen is gewoonweg niet mogelijk.
Jack van der Leden
Labels:
archief,
boekenvak,
digitalisering,
manuscripta,
uitgevers,
verslag
Abonneren op:
Reacties (Atom)