Jet de Ranitz, voorzitter van het College van Bestuur van de Amsterdamse Hogeschool voor de kunsten, wordt de nieuwe voorzitter van Kunsten ’92. Met dat nieuwtje opende de huidige voorzitter Ad ’s-Gravesande het Kunsten '92 en Boekmandebat Niet tellen maar wegen op 8 november in het uitverkochte Amsterdamse Compagnietheater. Het debat vond plaats aansluitend op de besloten ledenvergadering van Kunsten ’92, waar de voordracht was aanvaard. Aanleiding voor het debat was de publicatie van Boekmanstudies Niet tellen, maar wegen. Over de zin en onzin van prestatieafspraken in de culturele sector. Na een korte inleiding op het programma, gaf 's-Gravesande het woord aan Maud van de Wiel die het debat in goede banen moest leiden. Wethouder Michiel van Wessem, die in Arnhem namens de VVD cultuur in zijn portefeuille heeft, moest helaas verstek laten gaan. Er bleken echter meerdere lokale politici in de zaal aanwezig op wie Van der Wiel een beroep mocht doen tijdens het debat over hoe prestatieafspraken vorm te geven en de rol die cijfers daar in spelen.
Marjolein Februari, publiciste en adviseur over maatschappelijke en bestuurlijke onderwerpen, zette de publicatie Niet tellen maar wegen en het gebruik van cijfermateriaal in een breder kader, door een voorbeeld uit de luchtvaart aan te halen. Ze betoogde dat getallen de situatie op papier kunnen verbeteren, terwijl die in de praktijk verslechtert. Cijfers gaan een eigen leven leiden. In 2003 ontstond commotie onder de bewoners in de buurt van Maastricht Aachen Airport omdat 87 woningen binnen de contour bleken te liggen waar een grotere kans op overlijden als gevolg van het vliegverkeer was. Het model was gebaseerd op aannames. Door deze te wijzigen werd het aantal woningen al gereduceerd tot 23 huizen. Als klap op de vuurpijl werd de landingsbaan met 150 meter ingekort en bleek er geen enkele woning meer binnen de gevarenzone met verhoogd risico te liggen. Het probleem was opgelost. Februari haalde dit voorbeeld aan om aan te tonen dat de fixatie op papier zo groot is dat de werkelijkheid uit het zicht verdwijnt. Ze besloot haar lezing met drie opmerkingen naar aanleiding van het boek. De eerste was dat het boek binnen de tijdgeest past dat niet alles binnen het nutsdenken te vangen is. Er is steeds meer sprake van een algehele ontevredenheid over meten en de consequenties van een verantwoordingsplicht. Daarnaast wees het boek haar op het verschil tussen ideaal en norm, dat haar al langer bezig houdt. Normen sturen iedereen naar het midden, alles wordt bijgeschaafd naar het gemiddelde. Tegenover het SMART-principe (specifiek, meetbaar, acceptabel, realistisch, tijdgebonden) van doelstellingen stelde zij het FUZZY-principe (feestelijk, uitdagend, zuiver, zindelijk, yes). Tot slot ging ze in op de begrippen vitaliteit en weerbaar. Ze bedoelde hiermee dat je instelling moet zijn om je werk goed te doen, in plaats van achteraf te kijken hoe je het gedaan hebt. Niet de regels sturen je, maar je eigen professionaliteit. Dit is in de kunstwereld niet zo vanzelfsprekend en dat moet in deze barre tijden onder ogen gezien worden. Er is maar één ding dat werkt en dat is je werk beter doen!
Vervolgens ondervroeg Maud van de Wiel Hans de Bruijn, hoogleraar bestuurskunde aan de Technische Universiteit Delft, als relatieve buitenstaander naar zijn mening over prestatieafspraken. De Bruijn refereerde daarbij vooral aan de prestatieafspraken zoals die tot voor kort in de universitaire wereld gelden. Daar hanteerde men voor elke publicatie een puntensysteem, afhankelijk van onder andere het soort publicatie en de taal. Het enige doel was nog om aan het gestelde aantal punten te komen. De inhoud deed er niet meer toe. In de universitaire wereld is de kritiek op het verantwoordingsdenken inmiddels ingedaald. Maar, zo nuanceerde hij zijn betoog, cijfers kunnen zeker heilzaam zijn in alle sectoren. Hij bedoelde daar vooral simpele cijfers mee, zoals bijvoorbeeld publiekcijfers. Als degene die de cijfers levert, moet je er begrip voor opbrengen dat er behoefte is aan cijfers. Maar het moet niet alleen bij de cijfers blijven. Van belang is dat er een goed gesprek over ontstaat over de achtergronden van de cijfers. Zijn advies was om je als kunstinstelling proactief op te stellen. Laat merken dat je cijfers wel degelijk van belang vindt, maar dat er daarnaast nog iets anders is, zoals kwaliteit. Ga daarover het gesprek aan.
Na deze relatieve buitenstaanders, kwamen de meest direct betrokkenen aan het woord: de auteurs. Van de Wiel ondervroeg Claartje Bunnik en Edwin van Huis over de achtergronden van het boek. Uit hun dagelijkse adviespraktijk viel hun op dat subsidiegevers en –ontvangers verschillende talen spraken en dat de inhoud nauwelijks aan de orde kwam. Wat vertellen cijfers eigenlijk? Ze haalden Rotterdam als voorbeeld aan van hoe het moet. Daar wordt een gesprek met de subsidiënten gevoerd op basis van de bredere doelstellingen van de stad en praten ook verschillende sectoren met elkaar. Bunnik sprak de tijdgeest die Februari constateerde tegen. In de cultuursector richt men zich volgens haar nog steeds meer op cijfers. Van Huis sloot zich hierbij aan en hoopte dat culturele instellingen toch vooral zichzelf blijven. Sta er bij stil waar je het voor doet en doe mee, maar blijf jezelf, was zijn advies.
De paneldiscussie sloot hier direct op aan. Aan tafel namen George Lawson, directeur van het Fonds Podiumkunsten, Benno Tempel, directeur van het Gemeentemuseum Den Haag en Hans Waege, algemeen directeur van het Rotterdam Philharmonisch Orkest, plaats. In de zaal kon gesprekleidster Van de Wiel een beroep doen op Eric van der Want, wethouder namens D66 in Hilversum. Tussen de panelleden heerste opvallend veel eensgezindheid. Zo benadrukten ze dat de culturele sector veel te breed is om onderlinge vergelijkingen mogelijk te maken. Cijfers zeggen in zo’n geval niets. Het is appels met peren vergelijken. Ook hechten alle panelleden aan een gesprek tussen subsidiegever en subsidiënt. Natuurlijk zijn cijfers ook belangrijk, maar ze zijn niet alleszeggend. Een gesprek kan duidelijk maken waarom de cijfers zijn zoals ze zijn. Waege kon zich vinden in de complimenten van auteur Van Huis voor de gemeente Rotterdam. Maatschappelijke verankering speelt daar een grote rol en is wel degelijk te meten door bijvoorbeeld het aantal wijkconcerten, lokale sponsoren en concerten op scholen. Maar naast die cijfermatige verantwoording moet je het ook woordelijk doen. Tempel wees op een artikel in Trouw waarin het feit dat enkele musea er nu in geslaagd zijn particulier geld te vinden als het gelijk van staatssecretaris Zijlstra wordt gezien. Musea zijn onderling echter zo verschillend, je kunt een kunstmuseum niet met een historisch museum vergelijken. Lawson hecht er erg veel waarde aan dat het fonds de logica van de subsidiering aan de subsidiënten en de buitenwereld duidelijk kan maken. Peerreviews zijn daarin van groot belang, naast andere criteria. De fysieke waarneming van kwaliteit speelt mee in de beoordeling. Door deze helderheid te creëren kom je als partners tegenover elkaar te staan.
Naar het einde toe mengde ook de zaal zich nadrukkelijker in het gesprek. Meest opvallend daarin was wel de mededeling van Rob Boonzajer Flaes, voormalig lid van de Raad voor Cultuur, dat je het allemaal niet erger moet maken dan het is. ‘De overheid doet niets met alle aangeleverde gegevens. Vul gewoon in wat ze vragen, ze onthouden het toch niet. Als ze je willen korten, doen ze dat toch wel.’ Maud van de Wiel besloot het debat dat naast een interessante discussie ook nog een aantal alternatieve titels had opgeleverd, zoals Tellen is niet weten; Eerst wegen, dan tellen; en Intelligent tellen en dan wegen.
André Nuchelmans
Het laatste nieuws van de redactie van Boekman en medewerkers van de Boekmanstichting op het gebied van symposia, benoemingen, promoties, publicaties.
Posts tonen met het label subsidies. Alle posts tonen
Posts tonen met het label subsidies. Alle posts tonen
donderdag 10 november 2011
maandag 29 augustus 2011
Paradisodebat – Stad versus staat: tegenhangen of meebuigen?
Vorig jaar werd tijdens het Paradisodebat, traditiegetrouw de afsluiting van de Uitmarkt, geconcludeerd dat de bezuinigingen van 20% op het totale cultuurbudget de gehele sector zouden ontwrichten. Een jaar, vele Kamerdiscussies en demonstraties en een Btw-verhoging van zes naar negentien procent op de podiumkunsten later, zijn de bezuinigingen onvermijdelijk. Onder het thema Stad versus staat: tegenhangen of meebuigen? werd gisteren in een drukbezocht Paradiso besproken wat de keuzes van het Rijk betekenen voor stad en provincie. Berekeningen van Bureau Berenschot en Atlas voor Gemeenten lieten verontrustende toekomstscenario’s zien voor zowel de maatschappij als de economie, die van toepassing zijn wanneer steden het rijksbeleid volgen in de grootscheepse bezuinigingen. Onder leiding van Ruben Maes werd vervolgens gediscussieerd over stedelijk cultuurbeleid en welke keuzes gemaakt moeten worden. Deelnemers aan het debat waren cultuurwethouders Mary-Ann Schreurs (Eindhoven), Michiel van Wessem (Arnhem) en Antoinette Laan (Rotterdam), Frits Lintmeijer (Utrecht), Marijke van Hees (Enschede) en Ton Schroor (Groningen). Overige deelnemers aan het debat waren enkele leden van de Tweede Kamer: cultuurwoordvoerders Jetta Klijnsma (PvdA), Bart de Liefde (VVD), Boris van der Ham (D66), Liesbeth van Tongeren (GL) en Jasper van Dijk (SP). Grote afwezige was de PVV. Het debat liet vooral zien dat de kaasschaafmethode niet werkt en dat lokale beleidsvoerders scherpe keuzes moeten maken. Er werd, wellicht tevergeefs, gepleit voor het terugdraaien van de Btw-verhoging. Onbegrip voor de snelheid waarmee de bezuinigingsplannen zijn doorgevoerd en het gebrek aan een duidelijke visie van staatssecretaris Zijlstra werden regelmatig aangehaald met begrijpelijke, maar weinig nieuwe argumenten.
Utrecht maakt scherpe keuzes
Ad ’s-Gravesande, voorzitter Kunsten ’92, opende de middag door het belang van kunst en cultuur voor steden te onderstrepen. Hij pleitte voor een gemeentelijk beleid waarbij gekozen wordt voor slimme bezuinigingen, met behoud van diversiteit en kwaliteit in het cultureel aanbod. Naast het terugdraaien van de Btw-verhoging wenste hij van de Tweede Kamer een goede regeling rond de Geefwet en de juiste omstandigheden voor zelfstandig ondernemers. Ook de burgemeester van Utrecht, Aleid Wolfsen, schetste het stedelijk belang van kunst en cultuur. Een gezond cultureel klimaat maakt een stad aantrekkelijk, leefbaar, stimuleert de huizenmarkt, genereert werkgelegenheid en levert geld op. De stad Utrecht is tegen de rijksbezuinigingen en is van plan jaarlijks twee miljoen extra te investeren in kunst en cultuur om de culturele infrastructuur op peil te houden en te versterken. Bij subsidiëring maakt de stad keuzes op basis van vernieuwing en de verbinding tussen cultuur en onderwijs, wijken en het bedrijfsleven.
Te weinig tijd voor alternatieven
De cijfers van Bureau Berenschot vormden de meest concrete informatie van de bijeenkomst. Bastiaan Vinkenburg liet zien hoe de inkomsten en uitgaven van de cultuursector eruitzagen bij de start van de cultuurnotaperiode in 2009 en hoe ze eruit zullen zien in 2013. Het onderzoek liet zien dat subsidies van gemeenten, provincies en het Rijk samen 64% van de inkomsten vormden in 2009. De overige 36% werden binnengehaald met eigen inkomsten: van entreekaartjes tot zaalverhuur, horeca en lesgelden voor workshops. Voor 2013 wordt verwacht dat deze eigen inkomsten mogelijk stijgen naar 41%, door een toename van bijdragen uit private fondsen. Beperkt weliswaar, omdat deze voortdurend onder druk staan van beleggingsresultaten. In sponsoring zit volgens Bureau Berenschot weinig beweging en het mecenaat heeft nog jaren nodig om zich te ontwikkelen. Een weinig rooskleurig toekomstperspectief, aangezien nu al afnemende entreekosten en een beperkt cultureel aanbod zichtbaar zijn. Bovendien zullen de lasten van de cultuursector blijven toenemen. Als zowel Rijk als gemeenten en provincies 25% bezuinigen op kunst en cultuur, zijn de inkomsten voor de culturele sector in 2013 maximaal 1 miljard euro lager dan in 2009. Alle cijfers van Bureau Berenschot zijn hier te bekijken.
Gerard Marlet liet namens Atlas voor Gemeenten zien wat de maatschappelijke en economische schade van de cultuurbezuinigingen zijn. Een onderzoek dat naar eigen zeggen beter vooraf door het Rijk uitgevoerd had kunnen worden. Aan de hand van vijf maatschappelijke waarden, variërend van sociale waarden (leefbaarheid, werkgelegenheid, gezondheid) tot economische waarden (toerisme, export van cultuur) liet Marlet zien welke bijdrage kunst en cultuur leveren aan de welvaart van een stad. Hoewel steden de maatschappelijke schade kunnen tegengaan door extra sponsoring, efficiëntieverhoging en inkomstenoptimalisatie, kunnen culturele instellingen deze opties onmogelijk binnen twee jaar doorvoeren. Conclusie: het welvaartsverlies blijft hoger dan de overheidsfinancieringen. Het gevolg van te snelle en te drastische bezuinigingen. Het onderzoek is binnenkort terug te vinden op www.atlasvoorgemeenten.nl.
Herhaling van zetten
In het debat tussen de cultuurwethouders en -woordvoerders, dat uitstekend werd geleid door Ruben Maes, was te merken dat veel steden het voorbeeld van Utrecht volgen door scherpe keuzes te maken in plaats van te schaven en door niet evenredig aan het Rijk te bezuinigen. De cultuurwethouders lieten weten de bezuinigingen niet te kunnen compenseren en samen met de sector en fondsen keuzes te maken en naar alternatieven te zoeken. Frits Lintmeijer (Utrecht) pleitte voor innovatie van de sector en daarmee op voortschrijdend inzicht van de staatssecretaris – ook al mochten brieven van de G8 naar Den Haag niet baten. Hoewel bij de cultuurwethouders de wens leeft niet afhankelijk te willen zijn van rijkssubsidie en zij niet willen meebuigen, noemden ze nog weinig concrete criteria om de noodzakelijke keuzes binnen hun eigen stad te maken. Het gebrek aan visie van Zijlstra en de snelheid waarmee de maatregelen worden doorgevoerd, werd regelmatig aangehaald. Jasper van Dijk (SP) noemde de Btw-verhoging een ordinaire belastingverhoging en volgens Jetta Klijnsma (PvdA), zelf oud-staatssecretaris, kan Zijlstra nog op zijn besluit terugkomen. Ton Schroor (Groningen) gaf aan dat de dialoog tussen lokale bestuurders en Den Haag ontbreekt en ook Michiel van Wessem (Arnhem) wil een dringend beroep op de staatssecretaris doen om opnieuw in gesprek te gaan over het maatschappelijk en economisch belang van kunst en cultuur. Het leidde tot een discussie die al regelmatig gevoerd is in de Tweede Kamer. Bart de Liefde (VVD) benadrukte dat zijn partij hart voor cultuur heeft en de snelle bezuinigingen doorvoert vanuit het geloof in een herstructurering van de sector. De doemscenario’s die eerder geschetst zijn, noemde hij weinig overtuigend. Boris van der Ham (D66) liet weten dat de PVV, grote afwezige bij het debat, besprekingen over het terugdraaien van de Btw-verhoging in de Tweede Kamer regelmatig tegenhoudt. Het beeld dat het kabinet bewust afrekent met kunst en cultuur, blijft daarmee overeind – en de oplossing nog ver weg.
Kim van der Meulen
Utrecht maakt scherpe keuzes
Ad ’s-Gravesande, voorzitter Kunsten ’92, opende de middag door het belang van kunst en cultuur voor steden te onderstrepen. Hij pleitte voor een gemeentelijk beleid waarbij gekozen wordt voor slimme bezuinigingen, met behoud van diversiteit en kwaliteit in het cultureel aanbod. Naast het terugdraaien van de Btw-verhoging wenste hij van de Tweede Kamer een goede regeling rond de Geefwet en de juiste omstandigheden voor zelfstandig ondernemers. Ook de burgemeester van Utrecht, Aleid Wolfsen, schetste het stedelijk belang van kunst en cultuur. Een gezond cultureel klimaat maakt een stad aantrekkelijk, leefbaar, stimuleert de huizenmarkt, genereert werkgelegenheid en levert geld op. De stad Utrecht is tegen de rijksbezuinigingen en is van plan jaarlijks twee miljoen extra te investeren in kunst en cultuur om de culturele infrastructuur op peil te houden en te versterken. Bij subsidiëring maakt de stad keuzes op basis van vernieuwing en de verbinding tussen cultuur en onderwijs, wijken en het bedrijfsleven.
Te weinig tijd voor alternatieven
De cijfers van Bureau Berenschot vormden de meest concrete informatie van de bijeenkomst. Bastiaan Vinkenburg liet zien hoe de inkomsten en uitgaven van de cultuursector eruitzagen bij de start van de cultuurnotaperiode in 2009 en hoe ze eruit zullen zien in 2013. Het onderzoek liet zien dat subsidies van gemeenten, provincies en het Rijk samen 64% van de inkomsten vormden in 2009. De overige 36% werden binnengehaald met eigen inkomsten: van entreekaartjes tot zaalverhuur, horeca en lesgelden voor workshops. Voor 2013 wordt verwacht dat deze eigen inkomsten mogelijk stijgen naar 41%, door een toename van bijdragen uit private fondsen. Beperkt weliswaar, omdat deze voortdurend onder druk staan van beleggingsresultaten. In sponsoring zit volgens Bureau Berenschot weinig beweging en het mecenaat heeft nog jaren nodig om zich te ontwikkelen. Een weinig rooskleurig toekomstperspectief, aangezien nu al afnemende entreekosten en een beperkt cultureel aanbod zichtbaar zijn. Bovendien zullen de lasten van de cultuursector blijven toenemen. Als zowel Rijk als gemeenten en provincies 25% bezuinigen op kunst en cultuur, zijn de inkomsten voor de culturele sector in 2013 maximaal 1 miljard euro lager dan in 2009. Alle cijfers van Bureau Berenschot zijn hier te bekijken.
Gerard Marlet liet namens Atlas voor Gemeenten zien wat de maatschappelijke en economische schade van de cultuurbezuinigingen zijn. Een onderzoek dat naar eigen zeggen beter vooraf door het Rijk uitgevoerd had kunnen worden. Aan de hand van vijf maatschappelijke waarden, variërend van sociale waarden (leefbaarheid, werkgelegenheid, gezondheid) tot economische waarden (toerisme, export van cultuur) liet Marlet zien welke bijdrage kunst en cultuur leveren aan de welvaart van een stad. Hoewel steden de maatschappelijke schade kunnen tegengaan door extra sponsoring, efficiëntieverhoging en inkomstenoptimalisatie, kunnen culturele instellingen deze opties onmogelijk binnen twee jaar doorvoeren. Conclusie: het welvaartsverlies blijft hoger dan de overheidsfinancieringen. Het gevolg van te snelle en te drastische bezuinigingen. Het onderzoek is binnenkort terug te vinden op www.atlasvoorgemeenten.nl.
Herhaling van zetten
In het debat tussen de cultuurwethouders en -woordvoerders, dat uitstekend werd geleid door Ruben Maes, was te merken dat veel steden het voorbeeld van Utrecht volgen door scherpe keuzes te maken in plaats van te schaven en door niet evenredig aan het Rijk te bezuinigen. De cultuurwethouders lieten weten de bezuinigingen niet te kunnen compenseren en samen met de sector en fondsen keuzes te maken en naar alternatieven te zoeken. Frits Lintmeijer (Utrecht) pleitte voor innovatie van de sector en daarmee op voortschrijdend inzicht van de staatssecretaris – ook al mochten brieven van de G8 naar Den Haag niet baten. Hoewel bij de cultuurwethouders de wens leeft niet afhankelijk te willen zijn van rijkssubsidie en zij niet willen meebuigen, noemden ze nog weinig concrete criteria om de noodzakelijke keuzes binnen hun eigen stad te maken. Het gebrek aan visie van Zijlstra en de snelheid waarmee de maatregelen worden doorgevoerd, werd regelmatig aangehaald. Jasper van Dijk (SP) noemde de Btw-verhoging een ordinaire belastingverhoging en volgens Jetta Klijnsma (PvdA), zelf oud-staatssecretaris, kan Zijlstra nog op zijn besluit terugkomen. Ton Schroor (Groningen) gaf aan dat de dialoog tussen lokale bestuurders en Den Haag ontbreekt en ook Michiel van Wessem (Arnhem) wil een dringend beroep op de staatssecretaris doen om opnieuw in gesprek te gaan over het maatschappelijk en economisch belang van kunst en cultuur. Het leidde tot een discussie die al regelmatig gevoerd is in de Tweede Kamer. Bart de Liefde (VVD) benadrukte dat zijn partij hart voor cultuur heeft en de snelle bezuinigingen doorvoert vanuit het geloof in een herstructurering van de sector. De doemscenario’s die eerder geschetst zijn, noemde hij weinig overtuigend. Boris van der Ham (D66) liet weten dat de PVV, grote afwezige bij het debat, besprekingen over het terugdraaien van de Btw-verhoging in de Tweede Kamer regelmatig tegenhoudt. Het beeld dat het kabinet bewust afrekent met kunst en cultuur, blijft daarmee overeind – en de oplossing nog ver weg.
Kim van der Meulen
Labels:
bezuinigingen,
btw,
debat,
economie,
gemeentes,
kunstbeleid,
subsidies,
verslag
donderdag 19 mei 2011
De overheid en het mecenaat - water en vuur?
‘Waarom geen Museumjaarkaart of bibliotheekpas in het kerstpakket?’ Dat was één van de suggesties van Sigrid Hemels, hoogleraar Belastingrecht aan de Erasmus Universiteit Rotterdam, tijdens een bijeenkomst over mecenaat, op 18 mei bij SPUI25. Sinds maart organiseren SPUI25 en het Prins Bernhard Cultuurfonds een zesdelige lezingenreeks over mecenaat. Het onderwerp wordt vanuit diverse invalshoeken en telkens door verschillende sprekers belicht. Op 18 mei werd ingegaan op de voorwaarden voor een vruchtbare voedingsbodem voor het mecenaat. Op welke manier kunnen fiscale en overheidsinvloeden de geefcultuur in Nederland stimuleren? Wat is idealiter de rol van de overheid bij het stimuleren van het mecenaat in Nederland? En wat is de realiteit?
Adriana Esmeijer, directeur van het Prins Bernhard Cultuurfonds, heette de aanwezigen welkom. De belangstelling was groot, net als tijdens de vorige bijeenkomsten. Esmeijer vreest de gevolgen van de bezuinigingen en verwacht, na juni, wanneer de staatssecretaris van zich heeft laat horen, een enorme toename van het aantal aanvragen bij het PBF. Maar ook het aantal fondsen-op-naam, te beschouwen als een vorm van modern mecenaat, zal groeien. Nu zijn het er circa 260.
Aan de hand van historische voorbeelden besprak Ellinoor Bergvelt vervolgens het Nederlandse mecenaat sinds 1795, met voorbeelden als Pieter Teyler en Adriaan van der Hoop. Hoe lagen de verhoudingen tussen overheid en particuliere kunstliefhebbers en wat kan het verleden ons leren? Bergvelt had op grond van haar analyse een duidelijke boodschap: mocht je als particulier een kunstcollectie willen nalaten, dan kun je het beste een stichting in het leven roepen én zorgen voor een flinke som geld ten behoeve van het onderhoud en het beheer van de collectie. Want in het verleden heeft de overheid zich niet altijd een betrouwbare beheerder getoond. Nederland kent geen traditie op het gebied van kunstmecenaat, legde Bergvelt uit.
Sigrid Hemels ging daarna in op de vraag of fiscale voordelen ook daadwerkelijk een geefcultuur tot stand kunnen brengen. De fiscale voordelen in Nederland zijn niet gering, legde Hemels uit. Maar fiscaliteit is op zich geen voorwaarde voor het bewerkstelligen en onderhouden van een geefcultuur. Wel kan het een stimulerende werking hebben. De overheid steunt mecenaat, maar het is aan culturele instellingen om nu eindelijk eens meer hun best te gaan doen om een geefcultuur te creëren! Ze moeten proberen met name de middengroep aan te spreken, de mensen die goed verdienen, regelmatig een voorstelling of museum bezoeken en bereid zijn om er méér geld voor uit te trekken. Zoek je publiek op en behandel ze met respect, was haar boodschap voor culturele instellingen. Ze benadrukte het belang van een geefcultuur: particulieren zijn niet alleen interessant als geldschieters, maar bieden als zodanig ook een meer stabiele basis dan de overheid en vormen het draagvlak voor kunst en cultuur. ‘Giften versterken de band tussen een instelling en de gever’.
Cees de Graaff, directeur van de SICA (Stichting Internationale Culturele Activiteiten), vergeleek de situatie van mecenaat in Nederland met die in andere landen. In Turkije wordt 95% van de cultuur gefinancierd door het mecenaat en in Brazilië kunnen bedrijven 20% van de Vennootschapsbelasting investeren in cultuur. In Frankrijk en Duitsland is er veel meer belangstelling en waardering bij de overheid voor kunst en cultuur, legde hij uit. Nederland gaat zwaar gebukt onder een gebrek aan waardering voor kunst en cultuur. Hij toonde zich bezorgd. De fiscale wetgeving in Nederland is weliswaar niet slecht, maar de overheid ziet kunst slechts als franje. ‘Trek de gordijnen open en haal inspiratie van buiten’, was zijn emotionele oproep aan het kabinet.
Hans den Hartog Jager leidde de discussie tussen de drie sprekers. Een van de kwesties die werden besproken was het feit dat de overheid zich meer zou moeten inspannen om het mecenaat te stimuleren, door middel van wetgeving maar ook door te zorgen voor een gezond cultureel klimaat. Verder was iedereen het er over eens dat het mecenaat nooit de rol van de overheid kan overnemen. Esmeier: ‘Wij zijn allemaal mecenassen, maar de basis moet door de overheid worden gelegd’. Vanuit de zaal waren er meerdere reacties te beluisteren. Renée Steenbergen benadrukte dat het mecenaat ook voor experimentele kunst een belangrijke rol speelt. Zij ziet de toekomst van het mecenaat met optimisme tegemoet. Minder positief was Maarten Asscher. De oproep aan de cultuursector, vanuit de zaal door Julienne Straatman, om nu eindelijk eens grondig te gaan samenwerken, ook op het gebied van mecenaat, vond bij Asscher geen weerklank. ‘Dat gaat echt niet lukken, de sector is te heterogeen’, riep hij uit. Eigenlijk benoemde hij daarmee het dilemma van deze gehele bijeenkomst: het is lastig praten over de overheid, de sector en het mecenaat, alsof het eenduidige begrippen zijn. De vraagstelling had scherper gekund. Straatman liet het er overigens niet bij. Ze legde uit dat de sector al veel eerder over samenwerking had moeten nadenken. Maar instellingen zijn alsmaar bang voor verlies van hun eigen positie en hebben daardoor geen antwoord op de huidige ontwikkelingen. Aldus Straatman. Later merkte Asscher op dat in de Verenigde Staten bestuursleden van culturele instellingen tevens gulle gevers zijn, terwijl dat in Nederland niet het geval is. Hemels viel hem bij: ‘Bestuurders roepen particulieren op om geld te schenken, maar zelf doen ze het niet!’ En waarom zou je als instelling eigenlijk een politicus in je bestuur wensen?’, vroeg Hemels. ‘Ga beter op zoek naar rijke particulieren en het bedrijfsleven.’ Nog een laatste tip van Hemels: Geef geld aan cultuur in plaats van een handtekening onder een petitie. 'Put your money where your mouth is’.
Jack van der Leden
Adriana Esmeijer, directeur van het Prins Bernhard Cultuurfonds, heette de aanwezigen welkom. De belangstelling was groot, net als tijdens de vorige bijeenkomsten. Esmeijer vreest de gevolgen van de bezuinigingen en verwacht, na juni, wanneer de staatssecretaris van zich heeft laat horen, een enorme toename van het aantal aanvragen bij het PBF. Maar ook het aantal fondsen-op-naam, te beschouwen als een vorm van modern mecenaat, zal groeien. Nu zijn het er circa 260.
Aan de hand van historische voorbeelden besprak Ellinoor Bergvelt vervolgens het Nederlandse mecenaat sinds 1795, met voorbeelden als Pieter Teyler en Adriaan van der Hoop. Hoe lagen de verhoudingen tussen overheid en particuliere kunstliefhebbers en wat kan het verleden ons leren? Bergvelt had op grond van haar analyse een duidelijke boodschap: mocht je als particulier een kunstcollectie willen nalaten, dan kun je het beste een stichting in het leven roepen én zorgen voor een flinke som geld ten behoeve van het onderhoud en het beheer van de collectie. Want in het verleden heeft de overheid zich niet altijd een betrouwbare beheerder getoond. Nederland kent geen traditie op het gebied van kunstmecenaat, legde Bergvelt uit.
Sigrid Hemels ging daarna in op de vraag of fiscale voordelen ook daadwerkelijk een geefcultuur tot stand kunnen brengen. De fiscale voordelen in Nederland zijn niet gering, legde Hemels uit. Maar fiscaliteit is op zich geen voorwaarde voor het bewerkstelligen en onderhouden van een geefcultuur. Wel kan het een stimulerende werking hebben. De overheid steunt mecenaat, maar het is aan culturele instellingen om nu eindelijk eens meer hun best te gaan doen om een geefcultuur te creëren! Ze moeten proberen met name de middengroep aan te spreken, de mensen die goed verdienen, regelmatig een voorstelling of museum bezoeken en bereid zijn om er méér geld voor uit te trekken. Zoek je publiek op en behandel ze met respect, was haar boodschap voor culturele instellingen. Ze benadrukte het belang van een geefcultuur: particulieren zijn niet alleen interessant als geldschieters, maar bieden als zodanig ook een meer stabiele basis dan de overheid en vormen het draagvlak voor kunst en cultuur. ‘Giften versterken de band tussen een instelling en de gever’.
Cees de Graaff, directeur van de SICA (Stichting Internationale Culturele Activiteiten), vergeleek de situatie van mecenaat in Nederland met die in andere landen. In Turkije wordt 95% van de cultuur gefinancierd door het mecenaat en in Brazilië kunnen bedrijven 20% van de Vennootschapsbelasting investeren in cultuur. In Frankrijk en Duitsland is er veel meer belangstelling en waardering bij de overheid voor kunst en cultuur, legde hij uit. Nederland gaat zwaar gebukt onder een gebrek aan waardering voor kunst en cultuur. Hij toonde zich bezorgd. De fiscale wetgeving in Nederland is weliswaar niet slecht, maar de overheid ziet kunst slechts als franje. ‘Trek de gordijnen open en haal inspiratie van buiten’, was zijn emotionele oproep aan het kabinet.
Hans den Hartog Jager leidde de discussie tussen de drie sprekers. Een van de kwesties die werden besproken was het feit dat de overheid zich meer zou moeten inspannen om het mecenaat te stimuleren, door middel van wetgeving maar ook door te zorgen voor een gezond cultureel klimaat. Verder was iedereen het er over eens dat het mecenaat nooit de rol van de overheid kan overnemen. Esmeier: ‘Wij zijn allemaal mecenassen, maar de basis moet door de overheid worden gelegd’. Vanuit de zaal waren er meerdere reacties te beluisteren. Renée Steenbergen benadrukte dat het mecenaat ook voor experimentele kunst een belangrijke rol speelt. Zij ziet de toekomst van het mecenaat met optimisme tegemoet. Minder positief was Maarten Asscher. De oproep aan de cultuursector, vanuit de zaal door Julienne Straatman, om nu eindelijk eens grondig te gaan samenwerken, ook op het gebied van mecenaat, vond bij Asscher geen weerklank. ‘Dat gaat echt niet lukken, de sector is te heterogeen’, riep hij uit. Eigenlijk benoemde hij daarmee het dilemma van deze gehele bijeenkomst: het is lastig praten over de overheid, de sector en het mecenaat, alsof het eenduidige begrippen zijn. De vraagstelling had scherper gekund. Straatman liet het er overigens niet bij. Ze legde uit dat de sector al veel eerder over samenwerking had moeten nadenken. Maar instellingen zijn alsmaar bang voor verlies van hun eigen positie en hebben daardoor geen antwoord op de huidige ontwikkelingen. Aldus Straatman. Later merkte Asscher op dat in de Verenigde Staten bestuursleden van culturele instellingen tevens gulle gevers zijn, terwijl dat in Nederland niet het geval is. Hemels viel hem bij: ‘Bestuurders roepen particulieren op om geld te schenken, maar zelf doen ze het niet!’ En waarom zou je als instelling eigenlijk een politicus in je bestuur wensen?’, vroeg Hemels. ‘Ga beter op zoek naar rijke particulieren en het bedrijfsleven.’ Nog een laatste tip van Hemels: Geef geld aan cultuur in plaats van een handtekening onder een petitie. 'Put your money where your mouth is’.
Jack van der Leden
Labels:
kunstbeleid,
mecenaat,
particulier initiatief,
subsidies,
verslag
dinsdag 10 mei 2011
Thije Adams: Kunstbeleid – van bevoogding naar onverschilligheid
In een goed gevuld Spui25 liet Thije Adams, voormalig directeur Algemeen Cultuurbeleid en directeur Internationale Betrekkingen van het ministerie van OCW, tijdens een lunchlezing op 10 mei, zijn licht schijnen over hoe het nu verder moet met het kunstbeleid in Nederland. Hij was hiervoor gevraagd vanwege zijn opiniestuk 'Het publiek staat op steeds meer afstand van de kunst' in NRC Handelsblad van 9 oktober vorig jaar. Aangezien de Raad voor Cultuur de staatssecretaris van Cultuur, Halbe Zijlstra, inmiddels van een advies heeft voorzien, voelde hij zich verplicht ook hier een reactie op te geven. Hij had er geen goed woord voor over.
Adams zag het advies van de Raad voor Cultuur vooral als een tegemoetkoming aan de bezuinigingsplannen van de staatssecretaris. Wat de Raad doet, is hem een financiële handreiking bieden hoe er 200 miljoen euro bezuinigd kan worden. Dat is in zijn ogen te terughoudend. Wat ze volgens Adams had moeten doen, is aangeven welke veranderingen er in het huidige beleidskader plaats zouden moeten vinden. Vervolgens gaf haar daar enkele handreikingen voor.
Hij schetste het kunstbeleid als een driehoek, waarbij aan de top de overheid en de deskundigen staan, links onderaan de kunstenaars en rechts onderaan het publiek. Het grote spel speelde zich tot nu toe aan de linkerzijde van de driehoek af. De overheid faciliteerde de kunstenaars om kunst te produceren die vervolgens door het publiek afgenomen werd. Aan de rechterzijde werd de vraag gestimuleerd middels de financiering van kunsteducatie. Dit werkte goed zolang het publiek zich braaf gedroeg. Maar juist daar is inmiddels verandering in gekomen. Het publiek heeft zich voor een deel tegen de kunsten gekeerd en laat het afweten. De dominantie van de overheid in de subsidiëring van de kunsten wordt ter discussie gesteld of zelfs afgewezen.
De oplossing die Adams aanreikt is om de hoofdstroom in het schema te veranderen. Tot nu toe werd het publiek door de overheid en de kunstenaars als een bijkomstig onderdeel in het schema gezien. Het was haast vanzelfsprekend dat het gebruik maakte van het aanbod. Het publiek maakt echter een wezenlijk deel van het schema uit en moet actiever in het schema betrokken worden. De dominantie van overheid en deskundigen bij de financiering van kunst moet omgekeerd worden, want het werkt niet meer. De instellingen – en dit geldt niet alleen voor de kunsten maar voor alle sectoren – zijn van middel tot doel geworden en daarmee is de rol van het publiek buiten spel gezet. Het publiek moet meer gekend worden in de toekenning van subsidie. Dit kan door subsidie afhankelijk te maken van de publieke steun die een kunstinstelling weet te verwerven. Hier moet de dominantie in het schema komen te liggen. Adams zei daarmee geenszins dat de overheid en de deskundigen geen beslissende rol meer moeten spelen in de financiering. Haar rol moet veranderen. Natuurlijk, zo maakte hij duidelijk, blijft die rol er voor bepaalde (abstracte) kunst, die zich minder op publieke belangstelling mag verheugen maar wel belangrijk is voor ontwikkeling in de kunsten. En daar moet de overheid ook in investeren. Het zwaartepunt dient echter bij publieke steun als criterium te liggen.
Tot besluit somde hij vier punten op hoe het publiek als centraal startpunt beleidsmatig verwezenlijkt moet worden. Allereerst moet er meer aandacht aan kunsteducatie worden besteed. Dat is iets wat de afgelopen jaren aardig verslonsd is en wat noodzakelijk is om het publiek een oordeel te kunnen laten vormen. Een tweede punt is decentralisatie van het beleid. Ten derde moet de overheid meer aansluiten bij initiatieven uit de samenleving. En tot slot moet ze terughoudend zijn met het inzetten van deskundigen om zo de betrokkenheid van burgers te bevorderen. Adams vindt het onbegrijpelijk dat de Raad voor Cultuur zich hier niet over uitgesproken heeft. Door het huidige advies maakt ze zich medeplichtig aan de mogelijke catastrofale consequenties die de bezuinigingen op de kunstsector kunnen hebben.
In de afsluitende vragenronde liet Adams zich verleiden tot een uitdagende uitspraak. Maarten Asscher, directeur van Athenaeum Boekhandel en voormalig directeur Kunsten bij het ministerie van OCW, dankte Adams voor zijn heldere uiteenzetting en zijn ‘intellectuele en cerebrale benadering’. Hij vroeg zich echter af of Adams ook niet gewoon ontzettend boos was. Na enige twijfeling bekende hij inderdaad ook wel degelijk boos te zijn. Niet zozeer op de staatssecretaris, maar veeleer op de kunstensector, die zich met allerlei en knip- en plakwerk en alle mogelijke bochten wringt om de boel bij elkaar te houden. Daarmee maakt zich mede verantwoordelijk voor de beslissing die genomen gaan worden. Het zou volgens hem het best zijn om de staatssecretaris zijn gang te laten gaan en de boel volkomen in het honderd te laten lopen. De regering zou zich dan wel gedwongen zien in te moeten grijpen.
André Nuchelmans
Adams zag het advies van de Raad voor Cultuur vooral als een tegemoetkoming aan de bezuinigingsplannen van de staatssecretaris. Wat de Raad doet, is hem een financiële handreiking bieden hoe er 200 miljoen euro bezuinigd kan worden. Dat is in zijn ogen te terughoudend. Wat ze volgens Adams had moeten doen, is aangeven welke veranderingen er in het huidige beleidskader plaats zouden moeten vinden. Vervolgens gaf haar daar enkele handreikingen voor.
Hij schetste het kunstbeleid als een driehoek, waarbij aan de top de overheid en de deskundigen staan, links onderaan de kunstenaars en rechts onderaan het publiek. Het grote spel speelde zich tot nu toe aan de linkerzijde van de driehoek af. De overheid faciliteerde de kunstenaars om kunst te produceren die vervolgens door het publiek afgenomen werd. Aan de rechterzijde werd de vraag gestimuleerd middels de financiering van kunsteducatie. Dit werkte goed zolang het publiek zich braaf gedroeg. Maar juist daar is inmiddels verandering in gekomen. Het publiek heeft zich voor een deel tegen de kunsten gekeerd en laat het afweten. De dominantie van de overheid in de subsidiëring van de kunsten wordt ter discussie gesteld of zelfs afgewezen.
De oplossing die Adams aanreikt is om de hoofdstroom in het schema te veranderen. Tot nu toe werd het publiek door de overheid en de kunstenaars als een bijkomstig onderdeel in het schema gezien. Het was haast vanzelfsprekend dat het gebruik maakte van het aanbod. Het publiek maakt echter een wezenlijk deel van het schema uit en moet actiever in het schema betrokken worden. De dominantie van overheid en deskundigen bij de financiering van kunst moet omgekeerd worden, want het werkt niet meer. De instellingen – en dit geldt niet alleen voor de kunsten maar voor alle sectoren – zijn van middel tot doel geworden en daarmee is de rol van het publiek buiten spel gezet. Het publiek moet meer gekend worden in de toekenning van subsidie. Dit kan door subsidie afhankelijk te maken van de publieke steun die een kunstinstelling weet te verwerven. Hier moet de dominantie in het schema komen te liggen. Adams zei daarmee geenszins dat de overheid en de deskundigen geen beslissende rol meer moeten spelen in de financiering. Haar rol moet veranderen. Natuurlijk, zo maakte hij duidelijk, blijft die rol er voor bepaalde (abstracte) kunst, die zich minder op publieke belangstelling mag verheugen maar wel belangrijk is voor ontwikkeling in de kunsten. En daar moet de overheid ook in investeren. Het zwaartepunt dient echter bij publieke steun als criterium te liggen.
Tot besluit somde hij vier punten op hoe het publiek als centraal startpunt beleidsmatig verwezenlijkt moet worden. Allereerst moet er meer aandacht aan kunsteducatie worden besteed. Dat is iets wat de afgelopen jaren aardig verslonsd is en wat noodzakelijk is om het publiek een oordeel te kunnen laten vormen. Een tweede punt is decentralisatie van het beleid. Ten derde moet de overheid meer aansluiten bij initiatieven uit de samenleving. En tot slot moet ze terughoudend zijn met het inzetten van deskundigen om zo de betrokkenheid van burgers te bevorderen. Adams vindt het onbegrijpelijk dat de Raad voor Cultuur zich hier niet over uitgesproken heeft. Door het huidige advies maakt ze zich medeplichtig aan de mogelijke catastrofale consequenties die de bezuinigingen op de kunstsector kunnen hebben.
In de afsluitende vragenronde liet Adams zich verleiden tot een uitdagende uitspraak. Maarten Asscher, directeur van Athenaeum Boekhandel en voormalig directeur Kunsten bij het ministerie van OCW, dankte Adams voor zijn heldere uiteenzetting en zijn ‘intellectuele en cerebrale benadering’. Hij vroeg zich echter af of Adams ook niet gewoon ontzettend boos was. Na enige twijfeling bekende hij inderdaad ook wel degelijk boos te zijn. Niet zozeer op de staatssecretaris, maar veeleer op de kunstensector, die zich met allerlei en knip- en plakwerk en alle mogelijke bochten wringt om de boel bij elkaar te houden. Daarmee maakt zich mede verantwoordelijk voor de beslissing die genomen gaan worden. Het zou volgens hem het best zijn om de staatssecretaris zijn gang te laten gaan en de boel volkomen in het honderd te laten lopen. De regering zou zich dan wel gedwongen zien in te moeten grijpen.
André Nuchelmans
Labels:
kunstbeleid,
lezing,
publiek,
spui25,
subsidies,
thije adams,
verslag
dinsdag 19 oktober 2010
Haags debat aan de gracht. Kunst een linkse hobby?
De Rode Hoed, Amsterdam, 18 oktober
De zaal liet weinig van Arend Jan Boekestijn heel. De VVD-er was één van de vier panelleden tijdens het debat van NRC Handelsblad en De Rode Hoed over de aangekondigde bezuinigingen op de kunstsubsidies en kwam zwaar onder vuur te liggen. De andere panelleden waren acteur Gijs Scholten van Aschat, museumdirecteur Benno Tempel en wethouder Carolien Gehrels. Gespreksleider was Joyce Roodnat. Een beetje ongelukkig was het des te meer voor Boekestijn, aangezien hij aanvankelijk niet eens was uitgenodigd om plaats te nemen in het panel. Hij verving Hans Hillen (CDA), die inmiddels een ministerspost bekleedt in het nieuwe kabinet en ongetwijfeld te druk was voor deze bijeenkomst. Terecht noemde Carolien Gehrels het dapper dat hij het strijdtoneel had durven betreden. Meer symphatieke steunbetuigingen bleven overigens de rest van de avond uit.
De zaal op de Keizersgracht was tot in de nok gevuld met betrokkenen die soms geëmotioneerd reageerden. Iedereen was bezorgd over de gevolgen van de aangekondigde bezuinigingen op kunst- en cultuursubsidies. Bas Heijne beet de spits af met een column waarin hij zich op inmiddels bekend wijze verweerde tegen een samenleving waarin de kunst als elitaire linkse hobby wordt weggeschoven. Net als bij sportvoorzieningen betaalt iedereen mee aan de kunst, maar zonder dat iedereen er iets mee hoeft te doen. Dus: afblijven van de subsidies! Roodnat legde het panel gedurende een kleine twee uur een aantal vragen voor die met gretigheid werden beantwoord. Wanneer het echt niet anders kon, dwong Roodnat sprekers tot zwijgen, maar verder liet ze weinig van zich horen. Een gemiste kans. Al weken gebeurt er van alles rondom de sector, in de media, op podia. In hoeverre sluit dit debat hierop aan? Welke acties staan er op stapel? En wat is de beste strategie? Daar had Roodnat iets over kunnen zeggen.
Het panel deelde, ook met de zaal, de heftige verontwaardiging over de botte bijl waarmee het kabinet de kunstsubsidies wil aanpakken. Met een bezuiniging van 200 miljoen euro en ook nog een verhoging van het BTW-tarief. Gehrels bracht vol ongeloof in herinnering hoe ze Mark Rutte eens heeft horen zeggen dat hij kunst en cultuur beschouwt als de R&D van de samenleving. ‘Daar is weinig van overgebleven’. Ze betreurde het gebrek aan belangstelling voor kunst en cultuur onder politici en pleitte voor terugkeer van het inhoudelijk debat in de Trêveszaal. Het ging overigens hard tegen hard op het podium. Scholten van Aschat confronteerde Boekestijn met de vraag hoe hij zich kon vereenzelvigen met de botte voornemens van ‘zijn’ VVD. Boekestijn legde uit dat ook hij meer geld wil voor de kunsten, maar geen overheidsgeld. ‘De marktkraan moet een stukje verder open’. Hij beweerde dat subsidies de kunsten kapot hebben gemaakt en het mecenaat hebben vernield. De oneliners volgden elkaar snel op. ‘Creatief talent kan zichzelf bedruipen’, was er ook één, en: ‘De sector moet de markt op’. De VVD-er bleef maar hameren op marktwerking en het fnuikende effect van subsidies op creativiteit. ‘Jullie moeten ophouden met alsmaar “au” te roepen, want die bezuinigingen gaan niet van tafel’. Van Aschat liep rood aan en leek te ontploffen toen hij dit hoorde. Hij reageerde furieus, zo ook het publiek. ‘F*ck toch op met je markwerking, man. Daar komen nu juist alle problemen in deze tijd vandaan. Je weet niet waar je over praat!’ De toon was gezet. Herhaaldelijk vlogen de twee elkaar in de haren. Totdat Boekestijn dreigde op te stappen. ‘U bent een geweldige acteur, maar een slechte debater’.
Als methode om de eigen inkomsten te verhogen noemde Boekestijn de invoer van prijsdifferentiatie. Rijke mensen kunnen relatief hogere entreegelden betalen, dan minder gefortuneerde mensen. Op bijval kon hij met dit voorstel niet rekenen. Gehrels reageerde boos: alsof de sector zelf niet professioneel genoeg is om over prijsbeleid na te hebben gedacht! Ze toonde zich zwaar teleurgesteld. Samen met acht grote steden had zij die dag in een brief aan de staatssecretaris van Cultuur Halbe Zijlstra geklaagd over het ontbreken van een visie achter het beleid. Het verhogen van het BTW-tarief noemt ze een inefficiënte maatregel omdat het de gewenste publieksgroei verhinderd. Boekestijn bleef zichzelf onverstoord herhalen: de subsidies hebben de sector gefnuikt. ‘Jullie hadden er tien jaar geleden al voor moeten zorgen dat het aandeel van eigen inkomsten zou toenemen’. Tempel en Van Aschat gaven met voorbeelden aan hoe ingewikkeld het is om het bedrijfsleven te overtuigen om geld te investeren. Volgens Tempel moet er bij de instellingen, de politiek maar ook het bedrijfsleven een mentaliteitsverandering plaatsvinden. In het buitenland doet Nederlandse cultuur het hartstikke goed, daar kan het bedrijfsleven veel meer van profiteren dan nu het geval is. ‘Bedrijven willen populaire namen horen en zijn niet geïnteresseerd in kwaliteitstoneel’, legde Van Aschat uit, ‘De limiet bij bedrijven is bereikt’. Het is en blijft bovendien lastig om een balans te vinden tussen de wensen van de markt en het grote publiek en die van de subsidiënt.
De weinig doordachte vergelijking die ‘de VVD-er’ herhaaldelijk maakte met de situatie in de Verenigde Staten werd door publiek én Van Aschat onderuitgehaald. De musea en de orkesten doen het er heel slecht, klonk het. ‘We wonen in Nederland en niet in de VS en we willen hier zeer zeker géén Amerikaanse toestanden’, kapte Van Aschat de politicus definitief af. Hij stelde voor strenger te selecteren in het kunstonderwijs en opperde de mogelijkheid om de prijs van bioscoopkaartjes te verhogen met een toeslag, bedoeld voor de productie van Nederlandse films. Ook klaagde hij: ‘Hoe heeft het zo ver kunnen komen dat elke gemeente zijn eigen schouwburg bouwt?’ De zaal viel hem bij.
In de loop van de avond gaf Boekestijn overigens op twee punten toe: net als Gehrels noemde hij het verhogen van het BTW-tarief improductief. Verder zag hij liever dat er dertig miljoen euro bij de publieke omroep wordt bezuinigd dan bij het Muziekcentrum van de Omroep. ‘Ik wil geen onherstelbare schade’. Een zucht van opluchting ging door de zaal. Iedereen wilde voor een moment aannemen dat Boekestijn de touwtjes in handen had. Achteraf doemt de vraag op wat de organisatie precies op het oog had met deze bijeenkomst. Het publiek, de columnist en drie van de vier sprekers lagen nagenoeg op één lijn. Hoeveel debat kan zoiets nog opleveren? Eén persoon kreeg de wind van voren: Arend Jan Boekestijn. Ook dat lag voor de hand.
Jack van der Leden
De zaal liet weinig van Arend Jan Boekestijn heel. De VVD-er was één van de vier panelleden tijdens het debat van NRC Handelsblad en De Rode Hoed over de aangekondigde bezuinigingen op de kunstsubsidies en kwam zwaar onder vuur te liggen. De andere panelleden waren acteur Gijs Scholten van Aschat, museumdirecteur Benno Tempel en wethouder Carolien Gehrels. Gespreksleider was Joyce Roodnat. Een beetje ongelukkig was het des te meer voor Boekestijn, aangezien hij aanvankelijk niet eens was uitgenodigd om plaats te nemen in het panel. Hij verving Hans Hillen (CDA), die inmiddels een ministerspost bekleedt in het nieuwe kabinet en ongetwijfeld te druk was voor deze bijeenkomst. Terecht noemde Carolien Gehrels het dapper dat hij het strijdtoneel had durven betreden. Meer symphatieke steunbetuigingen bleven overigens de rest van de avond uit.
De zaal op de Keizersgracht was tot in de nok gevuld met betrokkenen die soms geëmotioneerd reageerden. Iedereen was bezorgd over de gevolgen van de aangekondigde bezuinigingen op kunst- en cultuursubsidies. Bas Heijne beet de spits af met een column waarin hij zich op inmiddels bekend wijze verweerde tegen een samenleving waarin de kunst als elitaire linkse hobby wordt weggeschoven. Net als bij sportvoorzieningen betaalt iedereen mee aan de kunst, maar zonder dat iedereen er iets mee hoeft te doen. Dus: afblijven van de subsidies! Roodnat legde het panel gedurende een kleine twee uur een aantal vragen voor die met gretigheid werden beantwoord. Wanneer het echt niet anders kon, dwong Roodnat sprekers tot zwijgen, maar verder liet ze weinig van zich horen. Een gemiste kans. Al weken gebeurt er van alles rondom de sector, in de media, op podia. In hoeverre sluit dit debat hierop aan? Welke acties staan er op stapel? En wat is de beste strategie? Daar had Roodnat iets over kunnen zeggen.
Het panel deelde, ook met de zaal, de heftige verontwaardiging over de botte bijl waarmee het kabinet de kunstsubsidies wil aanpakken. Met een bezuiniging van 200 miljoen euro en ook nog een verhoging van het BTW-tarief. Gehrels bracht vol ongeloof in herinnering hoe ze Mark Rutte eens heeft horen zeggen dat hij kunst en cultuur beschouwt als de R&D van de samenleving. ‘Daar is weinig van overgebleven’. Ze betreurde het gebrek aan belangstelling voor kunst en cultuur onder politici en pleitte voor terugkeer van het inhoudelijk debat in de Trêveszaal. Het ging overigens hard tegen hard op het podium. Scholten van Aschat confronteerde Boekestijn met de vraag hoe hij zich kon vereenzelvigen met de botte voornemens van ‘zijn’ VVD. Boekestijn legde uit dat ook hij meer geld wil voor de kunsten, maar geen overheidsgeld. ‘De marktkraan moet een stukje verder open’. Hij beweerde dat subsidies de kunsten kapot hebben gemaakt en het mecenaat hebben vernield. De oneliners volgden elkaar snel op. ‘Creatief talent kan zichzelf bedruipen’, was er ook één, en: ‘De sector moet de markt op’. De VVD-er bleef maar hameren op marktwerking en het fnuikende effect van subsidies op creativiteit. ‘Jullie moeten ophouden met alsmaar “au” te roepen, want die bezuinigingen gaan niet van tafel’. Van Aschat liep rood aan en leek te ontploffen toen hij dit hoorde. Hij reageerde furieus, zo ook het publiek. ‘F*ck toch op met je markwerking, man. Daar komen nu juist alle problemen in deze tijd vandaan. Je weet niet waar je over praat!’ De toon was gezet. Herhaaldelijk vlogen de twee elkaar in de haren. Totdat Boekestijn dreigde op te stappen. ‘U bent een geweldige acteur, maar een slechte debater’.
Als methode om de eigen inkomsten te verhogen noemde Boekestijn de invoer van prijsdifferentiatie. Rijke mensen kunnen relatief hogere entreegelden betalen, dan minder gefortuneerde mensen. Op bijval kon hij met dit voorstel niet rekenen. Gehrels reageerde boos: alsof de sector zelf niet professioneel genoeg is om over prijsbeleid na te hebben gedacht! Ze toonde zich zwaar teleurgesteld. Samen met acht grote steden had zij die dag in een brief aan de staatssecretaris van Cultuur Halbe Zijlstra geklaagd over het ontbreken van een visie achter het beleid. Het verhogen van het BTW-tarief noemt ze een inefficiënte maatregel omdat het de gewenste publieksgroei verhinderd. Boekestijn bleef zichzelf onverstoord herhalen: de subsidies hebben de sector gefnuikt. ‘Jullie hadden er tien jaar geleden al voor moeten zorgen dat het aandeel van eigen inkomsten zou toenemen’. Tempel en Van Aschat gaven met voorbeelden aan hoe ingewikkeld het is om het bedrijfsleven te overtuigen om geld te investeren. Volgens Tempel moet er bij de instellingen, de politiek maar ook het bedrijfsleven een mentaliteitsverandering plaatsvinden. In het buitenland doet Nederlandse cultuur het hartstikke goed, daar kan het bedrijfsleven veel meer van profiteren dan nu het geval is. ‘Bedrijven willen populaire namen horen en zijn niet geïnteresseerd in kwaliteitstoneel’, legde Van Aschat uit, ‘De limiet bij bedrijven is bereikt’. Het is en blijft bovendien lastig om een balans te vinden tussen de wensen van de markt en het grote publiek en die van de subsidiënt.
De weinig doordachte vergelijking die ‘de VVD-er’ herhaaldelijk maakte met de situatie in de Verenigde Staten werd door publiek én Van Aschat onderuitgehaald. De musea en de orkesten doen het er heel slecht, klonk het. ‘We wonen in Nederland en niet in de VS en we willen hier zeer zeker géén Amerikaanse toestanden’, kapte Van Aschat de politicus definitief af. Hij stelde voor strenger te selecteren in het kunstonderwijs en opperde de mogelijkheid om de prijs van bioscoopkaartjes te verhogen met een toeslag, bedoeld voor de productie van Nederlandse films. Ook klaagde hij: ‘Hoe heeft het zo ver kunnen komen dat elke gemeente zijn eigen schouwburg bouwt?’ De zaal viel hem bij.
In de loop van de avond gaf Boekestijn overigens op twee punten toe: net als Gehrels noemde hij het verhogen van het BTW-tarief improductief. Verder zag hij liever dat er dertig miljoen euro bij de publieke omroep wordt bezuinigd dan bij het Muziekcentrum van de Omroep. ‘Ik wil geen onherstelbare schade’. Een zucht van opluchting ging door de zaal. Iedereen wilde voor een moment aannemen dat Boekestijn de touwtjes in handen had. Achteraf doemt de vraag op wat de organisatie precies op het oog had met deze bijeenkomst. Het publiek, de columnist en drie van de vier sprekers lagen nagenoeg op één lijn. Hoeveel debat kan zoiets nog opleveren? Eén persoon kreeg de wind van voren: Arend Jan Boekestijn. Ook dat lag voor de hand.
Jack van der Leden
Labels:
belang van kunst,
beleidslegitimering,
bezuinigingen,
subsidies,
verslag
vrijdag 18 juni 2010
Boekmandebat: International festival co-operation: a must in many ways.
Naar aanleiding van het verschijnen van het zomernummer van Boekman (83) met als thema festivals organiseerde de Boekmanstichting samen met het Holland Festival en CultuurCollege op 15 juni in Carré een debat over internationale coproducties op festivals.
Cas Smithuijsen, directeur van de Boekmanstichting en auteur van de epiloog in het festivalnummer van Boekman, hield een inleiding over de internationalisering van het kunstfestivalbestel en het gebrek aan financiële ondersteuning van artistieke coproducties vanuit de Europese Unie (EU). Waar het bijvoorbeeld bij het ontwikkelen van de Airbus wel vanzelfsprekend was dat daar vanuit de EU gelden naar toe gaan, is dat bij internationale samenwerking binnen Europa door kunstfestivals nog lang niet normaal. Dergelijke samenwerkingsverbanden zijn steeds gebruikelijker, terwijl de financiering daarvan door de EU door allerlei regelgeving beperkt wordt. Hij pleitte voor een opwaardering van de factor artistiek hoogwaardige kwaliteit binnen de regelgeving, waardoor financiële ondersteuning vanuit de EU voor hoogwaardige coproducties van kunstfestivals mogelijk wordt. Die zijn niet alleen een visitekaartje binnen Europa maar ook daarbuiten. De volledige lezing van Smithuijsen is te vinden op de site van de Boekmanstichting.
Na deze inleiding stelde moderator Constant Meijers (hoofdredacteur TM) de festivaldirecteuren die aan het debat deelnamen voor. Op het podium zaten Annet Lekkerkerker (Holland Festival), Loughlin Deegan (Ulster Bank Dublin Theatre Festival) en Erik Söderblom (Helsinki International Festival). Onderwerp van gesprek was nut en noodzaak van internationale festivalsamenwerking. Meijers viel direct met de deur in huis en vroeg de directies naar die noodzaak. Lekkerkerker gaf aan dat het zonder internationale samenwerking niet meer lukt om bepaalde producties mogelijk te maken. Ze zijn gewoonweg te duur geworden voor één festival. Daarnaast zijn er ook artistieke redenen om door samenwerkingsprojecten nieuwe ontwikkelingen een kans te geven. Deegan vulde hierop aan, dat festivals pas na de Tweede Wereldoorlog zijn ontstaan als een soort van artistieke Marshallhulp, de reden om samenwerking was destijds dus ook ideologisch. Vanuit Helsinki wordt het daarnaast gezien als een mogelijkheid om te netwerken en een internationale markt te bereiken. Söderblom positioneerde zich tijdens het debat enigszins geïsoleerd aan de rand van Europa, waarbij het belang van internationale samenwerking zich vooral manifesteert in een groter internationaal aanbod in Finland. Daarnaast kunnen Finse acteurs op die manier ook internationale kennis en ervaring vergaren. Meijers vatte het samen als noodzakelijk voor distributie en zichtbaarheid.
Logische volgende vraag was of er eigenlijk wel sprake is van een Europese identiteit, een wij-gevoel? Lekkerkerker haalde Prinses Máxima aan die zei dat er niet één Nederlandse identiteit is, maar vele. Van een Europese identiteit kan dan evenmin sprake zijn. Het ligt er maar aan van waaruit je het bekijkt riposteerde Deegan. Als hij in Azië is, voelt hij zich Europeaan en in Frankrijk is hij meer Ier. Kunst ontstaat toch altijd op lokaal niveau, voegde Söderblom daar aan toe. Maar het kan net als de airbus opstijgen en zo internationale uitstraling krijgen. Kunstenaars zijn over het algemeen ook erg mobiel, aldus Lekkerkerker. Zij vestigen zich relatief vaak buiten hun geboorteland en verenigen zo verschillende identiteiten. Ze werken bovendien vaak samen met buitenlandse collegae. Toch spelen je jeugdervaringen daar vaak een belangrijke rol in, volgens Söderberg. Deegan relativeerde dit door er op te wijzen dat je in het kunstonderwijs al geconfronteerd wordt met internationale grootheden. Maar het is wel degelijk gebruikelijk dat kunstenaars zich in het lokale kunstklimaat ontwikkelen, om vervolgens de sprong naar het internationale podium te maken. Vanuit de zaal reageerde Alex de Vries, zelfstandig auteur, curator en adviseur. Hij zei dat dit groeimodel misschien wel binnen de podiumkunsten van kracht is, maar zeker niet binnen de beeldende kunst. Daar kun je niet bepaald spreken van een eenduidige lokale voedingsbodem. Eigenlijk is kunst niet plaatsgebonden, ‘Home is not where the art is, but where the money is’, aldus Deegan. Bovendien is Europa soms al een te kleine eenheid en zijn kunstenaars ook daar al over de grenzen actief. Hij benadrukte ook het belang van internationale coproducties als een soort Research & Development omgeving. Het doel is om excellentie te creëren, alleen het beste en meest uitdagende is goed genoeg. Doordat een internationale coproductie zich ten taak stelt om internationaal de juiste mensen te vinden, leidt dit ook tot hoogstaande producties die voor elk nationaal publiek exotisch zijn, vulde Söderberg aan. Hij voegde daar aan toe dat in Finland alles wat Europees is, nog steeds exotisch aanvoelt.
Toch proefde Meijers al een aanzet tot een prototype coproductie. Met name de Belgen, bijvoorbeeld Alain Platel en Jan Fabre, zijn daar succesvol in. Het zijn dan vooral voorstellingen met weinig tekst en veel beweging en muziek. Kun je dan nog spreken van excelleren? Dat vond Lekkerkerker een aparte en cynische manier om het te bekijken. Zij had niet idee dat het vertrekpunt bij die succesvolle producties is om een zo groot mogelijk (Europees) publiek aan te spreken, maar dat het artistieke overtuigingen van de makers zijn die daar aan ten grondslag liggen. Daar sloten de andere directeuren zich bij aan. De makers willen het in die vorm maken en dat blijkt een divers publiek aan te spreken. Daarnaast vraagt de internationale markt om kunst die aan bepaalde kenmerken voldoet. Het uitgangspunt is echter altijd de kunstenaar die iets wil vertellen. Toch gaf Lekkerkerker toe dat het vullen van de zaal een niet te onderschatten en soms zeer moeilijk opdracht voor de organisatie is, vooral als het onbekender werk betreft of minder toegankelijke producties.
Maar, vroeg Meijers de directeuren, hoe werkt dat dan bij de EU?. Ze constateerden allen een grote mate van bureaucratie die een enorme drempel opwerpt. Daarbij zijn de Europese subsidies nog erg gericht op Europa zelf en niet op de presentatie van Europa over zijn grenzen. Bovendien blijken regelingen altijd gericht op een specifiek bijeffect: kunst als middel tot integratie. Uitgangspunt moet de kunst zelf zijn, niet kunst als middel ter bereiking van en of ander sociaal doel.
Söderberg benadrukte nogmaals dat kunst het best gedijt op lokaal niveau. Hoe houdt je Europese subsidies open voor dergelijke kleinschalige, vaak nog onbekende initiatieven? Dat is nu juist de rol van festivals, reageerde Lekkerkerker. Zij kunnen kleine en grote initiatieven aan elkaar verbinden of naast elkaar programmeren. Deegan zag het belang van de EU vooral in het faciliteren van de mobiliteit binnen Europa. Dat hoeft niet per se door fondsen en subsidies, maar kan ook door het harmoniseren van belastingtarieven en –regelgeving (hierover sprak hij lovend, want dat is inmiddels op Europees niveau al bewerkstelligd). Söderberg herkende hierin het grote onderscheid tussen kunst en politiek. Politiek gaat toch vooral om macht, terwijl kunst van nature veel meer organisch is. De huidige tijd vraagt een hybride tussenvorm, aldus Söderblom. Er moet een intensievere samenwerking komen tussen politieke macht en organische gegroeide kunstinitiatieven: vanuit de kunsten omhoog en top down vanuit de politiek. De nieuwe generatie kunstenaars is sowieso al veel meer internationaal georiënteerd dan de voorgaande.
Pim Fenger, onafhankelijke adviseur, merkte vanuit de zaal op dat het in de Europese dimensie dan om vier punten gaat. Allereerst de kunstvakopleidingen die EU Higher Eduction Mobility schema’s hebben. Daarnaast in de infrastructuur door samenwerking op organisatorisch en facilitair niveau (vergelijkbaar met het Airbusproject). Vervolgens door coöperatie als beginsel te nemen, zoals in het Kaderprogramma voor Cultuur. En tot slot door het beginsel om excellentie te stimuleren en te belonen. Hij verwees naar de situatie van onderzoek waarbij de EU excellent onderzoek stimuleert met subsidies die door een onderzoeksraad worden verdeeld.
Tot slot informeerde Meijers naar het nut van een Europees initiatief als de culturele hoofdstad. De directies waren het er over eens dat dat in de huidige vorm eerder slecht dan goed voor de Europese gedachte is. In het begin had het nog wel een Europese uitstraling, tegenwoordig is het eerder fnuikend dan stimulerend voor de internationale uitstraling van een stad.
André Nuchelmans
Cas Smithuijsen, directeur van de Boekmanstichting en auteur van de epiloog in het festivalnummer van Boekman, hield een inleiding over de internationalisering van het kunstfestivalbestel en het gebrek aan financiële ondersteuning van artistieke coproducties vanuit de Europese Unie (EU). Waar het bijvoorbeeld bij het ontwikkelen van de Airbus wel vanzelfsprekend was dat daar vanuit de EU gelden naar toe gaan, is dat bij internationale samenwerking binnen Europa door kunstfestivals nog lang niet normaal. Dergelijke samenwerkingsverbanden zijn steeds gebruikelijker, terwijl de financiering daarvan door de EU door allerlei regelgeving beperkt wordt. Hij pleitte voor een opwaardering van de factor artistiek hoogwaardige kwaliteit binnen de regelgeving, waardoor financiële ondersteuning vanuit de EU voor hoogwaardige coproducties van kunstfestivals mogelijk wordt. Die zijn niet alleen een visitekaartje binnen Europa maar ook daarbuiten. De volledige lezing van Smithuijsen is te vinden op de site van de Boekmanstichting.
Na deze inleiding stelde moderator Constant Meijers (hoofdredacteur TM) de festivaldirecteuren die aan het debat deelnamen voor. Op het podium zaten Annet Lekkerkerker (Holland Festival), Loughlin Deegan (Ulster Bank Dublin Theatre Festival) en Erik Söderblom (Helsinki International Festival). Onderwerp van gesprek was nut en noodzaak van internationale festivalsamenwerking. Meijers viel direct met de deur in huis en vroeg de directies naar die noodzaak. Lekkerkerker gaf aan dat het zonder internationale samenwerking niet meer lukt om bepaalde producties mogelijk te maken. Ze zijn gewoonweg te duur geworden voor één festival. Daarnaast zijn er ook artistieke redenen om door samenwerkingsprojecten nieuwe ontwikkelingen een kans te geven. Deegan vulde hierop aan, dat festivals pas na de Tweede Wereldoorlog zijn ontstaan als een soort van artistieke Marshallhulp, de reden om samenwerking was destijds dus ook ideologisch. Vanuit Helsinki wordt het daarnaast gezien als een mogelijkheid om te netwerken en een internationale markt te bereiken. Söderblom positioneerde zich tijdens het debat enigszins geïsoleerd aan de rand van Europa, waarbij het belang van internationale samenwerking zich vooral manifesteert in een groter internationaal aanbod in Finland. Daarnaast kunnen Finse acteurs op die manier ook internationale kennis en ervaring vergaren. Meijers vatte het samen als noodzakelijk voor distributie en zichtbaarheid.
Logische volgende vraag was of er eigenlijk wel sprake is van een Europese identiteit, een wij-gevoel? Lekkerkerker haalde Prinses Máxima aan die zei dat er niet één Nederlandse identiteit is, maar vele. Van een Europese identiteit kan dan evenmin sprake zijn. Het ligt er maar aan van waaruit je het bekijkt riposteerde Deegan. Als hij in Azië is, voelt hij zich Europeaan en in Frankrijk is hij meer Ier. Kunst ontstaat toch altijd op lokaal niveau, voegde Söderblom daar aan toe. Maar het kan net als de airbus opstijgen en zo internationale uitstraling krijgen. Kunstenaars zijn over het algemeen ook erg mobiel, aldus Lekkerkerker. Zij vestigen zich relatief vaak buiten hun geboorteland en verenigen zo verschillende identiteiten. Ze werken bovendien vaak samen met buitenlandse collegae. Toch spelen je jeugdervaringen daar vaak een belangrijke rol in, volgens Söderberg. Deegan relativeerde dit door er op te wijzen dat je in het kunstonderwijs al geconfronteerd wordt met internationale grootheden. Maar het is wel degelijk gebruikelijk dat kunstenaars zich in het lokale kunstklimaat ontwikkelen, om vervolgens de sprong naar het internationale podium te maken. Vanuit de zaal reageerde Alex de Vries, zelfstandig auteur, curator en adviseur. Hij zei dat dit groeimodel misschien wel binnen de podiumkunsten van kracht is, maar zeker niet binnen de beeldende kunst. Daar kun je niet bepaald spreken van een eenduidige lokale voedingsbodem. Eigenlijk is kunst niet plaatsgebonden, ‘Home is not where the art is, but where the money is’, aldus Deegan. Bovendien is Europa soms al een te kleine eenheid en zijn kunstenaars ook daar al over de grenzen actief. Hij benadrukte ook het belang van internationale coproducties als een soort Research & Development omgeving. Het doel is om excellentie te creëren, alleen het beste en meest uitdagende is goed genoeg. Doordat een internationale coproductie zich ten taak stelt om internationaal de juiste mensen te vinden, leidt dit ook tot hoogstaande producties die voor elk nationaal publiek exotisch zijn, vulde Söderberg aan. Hij voegde daar aan toe dat in Finland alles wat Europees is, nog steeds exotisch aanvoelt.
Toch proefde Meijers al een aanzet tot een prototype coproductie. Met name de Belgen, bijvoorbeeld Alain Platel en Jan Fabre, zijn daar succesvol in. Het zijn dan vooral voorstellingen met weinig tekst en veel beweging en muziek. Kun je dan nog spreken van excelleren? Dat vond Lekkerkerker een aparte en cynische manier om het te bekijken. Zij had niet idee dat het vertrekpunt bij die succesvolle producties is om een zo groot mogelijk (Europees) publiek aan te spreken, maar dat het artistieke overtuigingen van de makers zijn die daar aan ten grondslag liggen. Daar sloten de andere directeuren zich bij aan. De makers willen het in die vorm maken en dat blijkt een divers publiek aan te spreken. Daarnaast vraagt de internationale markt om kunst die aan bepaalde kenmerken voldoet. Het uitgangspunt is echter altijd de kunstenaar die iets wil vertellen. Toch gaf Lekkerkerker toe dat het vullen van de zaal een niet te onderschatten en soms zeer moeilijk opdracht voor de organisatie is, vooral als het onbekender werk betreft of minder toegankelijke producties.
Maar, vroeg Meijers de directeuren, hoe werkt dat dan bij de EU?. Ze constateerden allen een grote mate van bureaucratie die een enorme drempel opwerpt. Daarbij zijn de Europese subsidies nog erg gericht op Europa zelf en niet op de presentatie van Europa over zijn grenzen. Bovendien blijken regelingen altijd gericht op een specifiek bijeffect: kunst als middel tot integratie. Uitgangspunt moet de kunst zelf zijn, niet kunst als middel ter bereiking van en of ander sociaal doel.
Söderberg benadrukte nogmaals dat kunst het best gedijt op lokaal niveau. Hoe houdt je Europese subsidies open voor dergelijke kleinschalige, vaak nog onbekende initiatieven? Dat is nu juist de rol van festivals, reageerde Lekkerkerker. Zij kunnen kleine en grote initiatieven aan elkaar verbinden of naast elkaar programmeren. Deegan zag het belang van de EU vooral in het faciliteren van de mobiliteit binnen Europa. Dat hoeft niet per se door fondsen en subsidies, maar kan ook door het harmoniseren van belastingtarieven en –regelgeving (hierover sprak hij lovend, want dat is inmiddels op Europees niveau al bewerkstelligd). Söderberg herkende hierin het grote onderscheid tussen kunst en politiek. Politiek gaat toch vooral om macht, terwijl kunst van nature veel meer organisch is. De huidige tijd vraagt een hybride tussenvorm, aldus Söderblom. Er moet een intensievere samenwerking komen tussen politieke macht en organische gegroeide kunstinitiatieven: vanuit de kunsten omhoog en top down vanuit de politiek. De nieuwe generatie kunstenaars is sowieso al veel meer internationaal georiënteerd dan de voorgaande.
Pim Fenger, onafhankelijke adviseur, merkte vanuit de zaal op dat het in de Europese dimensie dan om vier punten gaat. Allereerst de kunstvakopleidingen die EU Higher Eduction Mobility schema’s hebben. Daarnaast in de infrastructuur door samenwerking op organisatorisch en facilitair niveau (vergelijkbaar met het Airbusproject). Vervolgens door coöperatie als beginsel te nemen, zoals in het Kaderprogramma voor Cultuur. En tot slot door het beginsel om excellentie te stimuleren en te belonen. Hij verwees naar de situatie van onderzoek waarbij de EU excellent onderzoek stimuleert met subsidies die door een onderzoeksraad worden verdeeld.
Tot slot informeerde Meijers naar het nut van een Europees initiatief als de culturele hoofdstad. De directies waren het er over eens dat dat in de huidige vorm eerder slecht dan goed voor de Europese gedachte is. In het begin had het nog wel een Europese uitstraling, tegenwoordig is het eerder fnuikend dan stimulerend voor de internationale uitstraling van een stad.
André Nuchelmans
Labels:
coproducties,
europa,
europese unie,
festivals,
samenwerking,
subsidies,
verslag
maandag 17 mei 2010
Kunstklimaat van de toekomst: een onderzoek naar de mogelijkheden voor het creëren van een gunstig kunstklimaat. 12 mei 2010. Corrosia!, Almere-Haven
Tijdens drie bijeenkomsten in mei zoomt cultureel centrum Corrosia! in Almere-Haven in op het kunstklimaat en de toestand van de kunst, in Nederland en in Flevoland. Waar bevinden we ons nu en hoe ontwikkelt het kunstklimaat zich? In hoeverre spiegelt het jonge Flevoland zich aan nationale ontwikkelingen? Tijdens de tweede bijeenkomst op woensdag 12 mei vormden vijf uiteenlopende lezingen, en een goed verzorgde lunch, het dagvullend programma. 18 betrokkenen uit het lokale/regionale culturele veld en beleid woonden de presentaties bij en namen actief deel aan de discussies. Cas Smithuijsen (Boekmanstichting) kreeg van voorzitter Ronald Venrooy (directeur Corrosia!) als eerste het woord. Hij hield een uiteenzetting over het huidige en toekomstige kunstklimaat. Dat deed hij in vier stappen: een analyse van de huidige situatie, argumenten voor het belang van kunst en cultuur, leveranciers/bronnen van deze argumenten en opinies, en opvallende ontwikkelingen. Het steekhoudend aantonen van het belang van kunst voor de samenleving verloopt moeizaam, aldus Smithuijsen. Hij refereerde aan Boekman 77 over het belang van kunst. De kunstlobby wordt gevoerd door de direct betrokkenen, veelal professionals van (gesubsidieerde) instellingen. ‘Vanuit de Boekmanstichting verkennen we nu de kunststeun vanuit "burgerinitiatieven"’, legde hij uit. ‘We staan aan de vooravond van verandering’. Het kunstklimaat wordt gedragen door een indrukwekkend aantal kunstliefhebbers, bestuurders, donateurs en ‘vrienden’ van culturele instellingen. Het wordt tijd dat deze krachten worden gebundeld. ‘Er zijn zo’n één miljoen vrienden met elkaar te verbinden!’ Smithuijsen toonde zich verheugd over het burgerinitiatief Almere Culturele Hoofdstad 2018 (Initiatiefnemer Marcel Kolder kwam hier later op de dag uitvoerig over te vertellen). Hij noemde ook langdurige burgerinitiatieven als Vereniging Rembrandt (1883) en de vereniging Americans for the Arts (1960) die bijdragen aan een betere maatschappelijk inbedding van kunst. Smithuijsen bepleitte een centrale databank cultuurstatistieken en een (inter)nationale standaardverzameling van argumenten die het belang van een goed kunstklimaat onder woorden brengen. Tot slot nodigde hij iedereen uit om 5 oktober naar het Concertgebouw te komen om kennis te maken met Americans for the Arts.
'Bij elke kabinetswijziging is het raak. Opnieuw moeten Kamerleden overtuigd worden van het belang van kunstsubsidies’, aldus Marianne Versteegh van Kunsten ’92. Zij lichtte in haar presentatie het belang van collectieve belangenbehartiging toe aan de hand van een aantal projecten van Kunsten ’92. De bovensectorale belangenorganisatie kende bij de oprichting in 1992 80 leden, het zijn er nu 425. Versteegh ging in op het ontstaan (uit onvrede met het beleid van Hedy d’Ancona), de missie van de stichting, belangrijkste activiteiten en resultaten. ‘Zaak is nu de schade van bezuinigingen te beperken’, legde ze uit. Niet de cultuurparagrafen van de politieke partijen maar de gemeentelijke bezuinigingen van 20 procent vormen de grootste dreiging. Ook de tegenvallende opbrengsten uit kaartverkoop zijn een probleem. ‘Instellingen geven het aan: bij ons is de rek er nu echt uit.’ Het politiek draagvlak is kleiner geworden. Ondernemerschap en mecenaat krijgen steeds meer nadruk in Den Haag. Kunsten ’92 bepleit daarom bundeling van krachten, dialoog met politici, invloed uitoefenen op besluiten. ‘Het helpt, weten we uit ervaring’. Net als Cas Smithuijsen benadrukte ze de toenemende rol van publiek, cultuurconsumenten en ‘vrienden’ bij de lobby om draagvlak zichtbaar te maken. ‘De politiek heeft er geen oog voor’. Eind mei gaat er een nieuwe website de lucht in, www.zetcultuuropdekaart.nl waaraan participanten hun mening en visie over kunst kunnen toevoegen. Over de vermeende rol van vriendenverenigingen ontstond vervolgens een korte maar felle discussie. Artistiek producent van jeugdtheatergezelschap- & productiehuis BonteHond (Almere) Joop Kuyvenhoven wijst Smithuijsen er op dat de door hem aangehaalde Vereniging Rembrandt toch vooral een club is van mensen uit een kapitaalkrachtige bovenlaag, en in het geheel niet representatief. Wat schiet een nieuwe stad als Almere, waar een derde van de inwoners jonger is dan 25 jaar en een culturele elite ontbreekt, daar mee op? Smithuijsen vult aan dat de Openbare Bibliotheek ook een adequaat voorbeeld is van een omvangrijke koepel die machtig is en nationaal bereik heeft. Ietwat defensief reageert Mascha Roesink, directeur Museum De Paviljoens, op de nadruk die Versteegh legde op de politieke overwinning van de PVV in Almere. ‘Misleidend, al die aandacht voor de PVV. Laten we niet vergeten dat er in Almere in de afgelopen tien jaar enorm veel gebeurd is op het terrein van cultuur!' Na de lunchpauze kwamen twee enthousiasmerende praktijkvoorbeelden aan de orde. Marcel Kolder vertelde over het ontstaan van het burgerinitiatief, ‘liever inwonersinitiatief’, in 2006 van Almere 2018 Culturele Hoofdstad. Kunst en cultuur maken het voor een jonge stad als Almere mogelijk om te kunnen groeien. ‘Almere is toe aan zijn eigen Louvre, want de Almeerders zijn er klaar voor. Eigenlijk had het NHM hier gevestigd moeten worden’. Aanvankelijk verklaarden B&W van Almere de organisatie voor gek, maar met hulp van Bert van Meggelen raakte het bestuur overtuigd. Desondanks dreigt wethouder Arno Visser (VVD) zijn steun in te trekken... ‘Maar volgende week komt het allemaal weer goed’. Kolder heeft er vertrouwen in. Een volgende praktisch geluid kwam van Bart van Rosmalen (van componistenhuis Walter Maas Huis). Praktisch in de letterlijke betekenis ook, want hij ging van start met een indrukwekkende uitvoering op de cello. Daarna gaf hij een uitleg over het programma Connecting Conversations, een netwerk van professionals in kunst, wetenschap en het bedrijfsleven. Het doel is door middel van samenwerking ruimte te geven aan innovatie. Het verhaal van Van Rosmalen was mooi en onderhoudend. Het maakte inzichtelijk hoe de toekomst van de kunstenaarspraktijk mogelijk vorm kan krijgen. Ook het project Nieuwe Grond kwam ter sprake. Dit is een soort denk- en doetank voor onderzoekende jonge kunstenaars die zich manifesteren binnen de ambities van de stad Utrecht als Culturele Hoofdstad 2018. Toine Minnaerts, docent Theater-, Film- en Televisiewetenschap aan de Universiteit Utrecht, besloot de conferentie met een mini-college in rap tempo over theoretische bespiegelingen over de toekomst van het kunstbeleid. Hij presenteerde daartoe een drietal theoretische modellen die mogelijk kunnen worden aangewend voor het schetsen van een toekomstscenario. In alle gevallen gaat het om de wijze waarop het veld, de overheid en de burger zich tot elkaar en hun omgeving verhouden. Het abstractieniveau ging een aantal van de aanwezigen boven het hoofd. Moeiteloos herwon Minnaert de aandacht van zijn gehoor met een ... cartoon. ‘De overheid en de kunsten bevinden zich in een wederzijdse afhankelijkheidsrelatie’, legde hij uit. ‘Zie de twee partijen als twee koppige ezels die eindeloos met elkaar strijden, elkaar vervolgens met de nek aankijken om daarna opnieuw te gaan vechten. Tot ze zich realiseren dat het een hopeloos gevecht is dat nergens toe leidt. Dan treedt er eindelijk een moment van herbezinning op’. En herbezinning is waar het om gaat, herbezinning is noodzakelijk. ‘Wie kijkt er als eerste over zijn schaduw heen?’ De toehoorders reageerden instemmend. Tja, ook ambtenaren en kunstenaars zouden meer moeite moeten doen om zich in elkaars meningen in te leven. Maar wie neemt de eerste stap om werkelijk vooruit te komen? Rosmalen sprak uit ervaring: ‘We zitten vast in patronen. Ook praten, zoals we vandaag doen, helpt niet. We moeten concreet in actie komen. Maakprocessen openbreken’. De voorzitter kondigde een borrel aan. Daar was niemand op tegen. Een afrondend woord liet hij helaas achterwege. Dat was jammer aangezien het perspectief van de sprekers nogal wisselend was en de samenhang niet altijd duidelijk. Maar des te meer gespreksstof resteerde de deelnemers tijdens de borrel.
Jack van der Leden
'Bij elke kabinetswijziging is het raak. Opnieuw moeten Kamerleden overtuigd worden van het belang van kunstsubsidies’, aldus Marianne Versteegh van Kunsten ’92. Zij lichtte in haar presentatie het belang van collectieve belangenbehartiging toe aan de hand van een aantal projecten van Kunsten ’92. De bovensectorale belangenorganisatie kende bij de oprichting in 1992 80 leden, het zijn er nu 425. Versteegh ging in op het ontstaan (uit onvrede met het beleid van Hedy d’Ancona), de missie van de stichting, belangrijkste activiteiten en resultaten. ‘Zaak is nu de schade van bezuinigingen te beperken’, legde ze uit. Niet de cultuurparagrafen van de politieke partijen maar de gemeentelijke bezuinigingen van 20 procent vormen de grootste dreiging. Ook de tegenvallende opbrengsten uit kaartverkoop zijn een probleem. ‘Instellingen geven het aan: bij ons is de rek er nu echt uit.’ Het politiek draagvlak is kleiner geworden. Ondernemerschap en mecenaat krijgen steeds meer nadruk in Den Haag. Kunsten ’92 bepleit daarom bundeling van krachten, dialoog met politici, invloed uitoefenen op besluiten. ‘Het helpt, weten we uit ervaring’. Net als Cas Smithuijsen benadrukte ze de toenemende rol van publiek, cultuurconsumenten en ‘vrienden’ bij de lobby om draagvlak zichtbaar te maken. ‘De politiek heeft er geen oog voor’. Eind mei gaat er een nieuwe website de lucht in, www.zetcultuuropdekaart.nl waaraan participanten hun mening en visie over kunst kunnen toevoegen. Over de vermeende rol van vriendenverenigingen ontstond vervolgens een korte maar felle discussie. Artistiek producent van jeugdtheatergezelschap- & productiehuis BonteHond (Almere) Joop Kuyvenhoven wijst Smithuijsen er op dat de door hem aangehaalde Vereniging Rembrandt toch vooral een club is van mensen uit een kapitaalkrachtige bovenlaag, en in het geheel niet representatief. Wat schiet een nieuwe stad als Almere, waar een derde van de inwoners jonger is dan 25 jaar en een culturele elite ontbreekt, daar mee op? Smithuijsen vult aan dat de Openbare Bibliotheek ook een adequaat voorbeeld is van een omvangrijke koepel die machtig is en nationaal bereik heeft. Ietwat defensief reageert Mascha Roesink, directeur Museum De Paviljoens, op de nadruk die Versteegh legde op de politieke overwinning van de PVV in Almere. ‘Misleidend, al die aandacht voor de PVV. Laten we niet vergeten dat er in Almere in de afgelopen tien jaar enorm veel gebeurd is op het terrein van cultuur!' Na de lunchpauze kwamen twee enthousiasmerende praktijkvoorbeelden aan de orde. Marcel Kolder vertelde over het ontstaan van het burgerinitiatief, ‘liever inwonersinitiatief’, in 2006 van Almere 2018 Culturele Hoofdstad. Kunst en cultuur maken het voor een jonge stad als Almere mogelijk om te kunnen groeien. ‘Almere is toe aan zijn eigen Louvre, want de Almeerders zijn er klaar voor. Eigenlijk had het NHM hier gevestigd moeten worden’. Aanvankelijk verklaarden B&W van Almere de organisatie voor gek, maar met hulp van Bert van Meggelen raakte het bestuur overtuigd. Desondanks dreigt wethouder Arno Visser (VVD) zijn steun in te trekken... ‘Maar volgende week komt het allemaal weer goed’. Kolder heeft er vertrouwen in. Een volgende praktisch geluid kwam van Bart van Rosmalen (van componistenhuis Walter Maas Huis). Praktisch in de letterlijke betekenis ook, want hij ging van start met een indrukwekkende uitvoering op de cello. Daarna gaf hij een uitleg over het programma Connecting Conversations, een netwerk van professionals in kunst, wetenschap en het bedrijfsleven. Het doel is door middel van samenwerking ruimte te geven aan innovatie. Het verhaal van Van Rosmalen was mooi en onderhoudend. Het maakte inzichtelijk hoe de toekomst van de kunstenaarspraktijk mogelijk vorm kan krijgen. Ook het project Nieuwe Grond kwam ter sprake. Dit is een soort denk- en doetank voor onderzoekende jonge kunstenaars die zich manifesteren binnen de ambities van de stad Utrecht als Culturele Hoofdstad 2018. Toine Minnaerts, docent Theater-, Film- en Televisiewetenschap aan de Universiteit Utrecht, besloot de conferentie met een mini-college in rap tempo over theoretische bespiegelingen over de toekomst van het kunstbeleid. Hij presenteerde daartoe een drietal theoretische modellen die mogelijk kunnen worden aangewend voor het schetsen van een toekomstscenario. In alle gevallen gaat het om de wijze waarop het veld, de overheid en de burger zich tot elkaar en hun omgeving verhouden. Het abstractieniveau ging een aantal van de aanwezigen boven het hoofd. Moeiteloos herwon Minnaert de aandacht van zijn gehoor met een ... cartoon. ‘De overheid en de kunsten bevinden zich in een wederzijdse afhankelijkheidsrelatie’, legde hij uit. ‘Zie de twee partijen als twee koppige ezels die eindeloos met elkaar strijden, elkaar vervolgens met de nek aankijken om daarna opnieuw te gaan vechten. Tot ze zich realiseren dat het een hopeloos gevecht is dat nergens toe leidt. Dan treedt er eindelijk een moment van herbezinning op’. En herbezinning is waar het om gaat, herbezinning is noodzakelijk. ‘Wie kijkt er als eerste over zijn schaduw heen?’ De toehoorders reageerden instemmend. Tja, ook ambtenaren en kunstenaars zouden meer moeite moeten doen om zich in elkaars meningen in te leven. Maar wie neemt de eerste stap om werkelijk vooruit te komen? Rosmalen sprak uit ervaring: ‘We zitten vast in patronen. Ook praten, zoals we vandaag doen, helpt niet. We moeten concreet in actie komen. Maakprocessen openbreken’. De voorzitter kondigde een borrel aan. Daar was niemand op tegen. Een afrondend woord liet hij helaas achterwege. Dat was jammer aangezien het perspectief van de sprekers nogal wisselend was en de samenhang niet altijd duidelijk. Maar des te meer gespreksstof resteerde de deelnemers tijdens de borrel.
Jack van der Leden
Labels:
kunstklimaat,
lobby,
maatschappelijk draagvlak,
subsidies,
verslag
Abonneren op:
Posts (Atom)
