vrijdag 3 december 2010

Noise that matters? Muziek, lawaai en politiek

De Beneluxafdeling van de International Association for the Study of Popular Music (IASPM) organiseert twee keer per jaar een seminar waarop recent onderzoek op het gebied van popmuziek onder de aandacht wordt gebracht. Op 2 december gingen 3 wetenschappers bij gastheer Muziek Centrum Nederland in op hun onderzoek over de sociale en politieke betekenis van noise, gothic en andere vormen van luidruchtige muziek.
Jeroen de Kloet, bestuurslid IASPM Benelux en universitair docent media studies, leidde de lezingen in met een persoonlijk relaas over Einstürzende Neubauten. Deze band was onderdeel van een stroming binnen de popmuziek in het begin van de jaren tachtig die zogenaamde noiserock speelde. Als liefhebber van deze muziek, bekroop hem later een ongemakkelijk gevoel. Veel van de bands uit die periode bestonden uit blanke middenklassers die hun onbehagen met de maatschappij uitten en zongen over de uitzichtloosheid van het bestaan. Hoe deze gespeelde woede te plaatsen? Zijn liefde voor de muziek bleef echter ondanks deze twijfels aan de integriteit van de musici bestaan. Een artikel in Vrij Nederland wees hem op een breeder verband. Daarin werd Einstürzende Neubauten op een lijn geplaatst met Samuel Beckett en Michel Foucault, wat hij illustreerde met drie citaten, van elk een.

Isabella van Elferen, universitair docent Muziek en Nieuwe Media aan de Universiteit Utrecht, gaf vervolgens een impressie van de inhoud van haar binnenkort te verschijnen boek Gothic Music: The Sound of the Uncanny. Ze plaatste de term gothic in een bredere historische context. Zo voldeden de romans van de Brönte sisters al aan gothic kenmerken. Als diehard gothic dien je je klassiekers te kennen, nooit gedacht dat het lezen van Wuthering Heights daarbij verplichte kost was, bij Bram Stroker’s Dracula kun je je dat beter voorstellen. Gothic wordt vooral gekenmerkt door het grensoverschrijdende, het speelt zich af in grensgebieden, is unheimlich en de wereld wordt bevolkt door antropomorfe gestaltes, geesten in een menselijke gedaante. Het is een vorm van culturele kritiek en niet-politiek. Terecht werd er uit het publiek opgemerkt, dat het daardoor juist wel politiek is. Volgens Van Elferen heeft gothic een signaalfunctie, het laat zien welke onderdrukte verlangens er in een samenleving spelen.

Tussen de inleiding en de eerste lezing was nog een zeker verband, doordat het muziek uit dezelfde periode betrof. Jeroen Groenewegen verliet het westen en ging op zoek naar de identiteit van hedendaagse Chineestalige popmuziek. Hij is momenteel bezig aan de Universiteit Leiden zijn proefschrift te schrijven, getiteld The Performance of Identity in Chinese Popular Music. Wat hem daarbij fascineert is de tegenstelling tussen reality tv en popmuziek in China wat betreft het uiten van emoties. Waar het in reality tv juist wenselijk is om je emoties de vrije loop te laten, komt dat in Chinese popmuziek en de bijbehorende clips zelden voor. Groenewegen zit nog midden in zijn onderzoek en gebruikte de lezing om een aantal denkwijzen over deze materie op het publiek los te laten. Vanuit de zaal kreeg hij in ieder geval voldoende respons om de associaties aan te scherpen.

Het laatste onderzoek dat aan de orde kwam was de afstudeerscriptie van Melvin Wevers, Hypnagogic Pop as a Counter-Future. In zijn lezing Blogosphere of connoisseurs: The shifting logic of authentication gaf hij een impressie van zijn onderzoek. Centraal daarin stond het toekennen van authenticiteit door verschillende groepen aan muziek. Met de komst van internet zijn niche-culturen steeds beter zichtbaar, vindbaar en georganiseerd. Connoisseurs gaan zich deze niche-muziekculturen toeëigenen door er een naam aan te geven en het weer in subgenres onder te verdelen. Zo ook met de zogenaamde Hypnagogic pop. Tegenover de connoisseur staat de hipster, ook hij kent authenticiteit toe, maar zal zich nooit herkennen of kunnen vinden in het oordeel van de connoisseur. Waar het toekennen van authenticiteit door connoisseurs er toe kan leiden dat de muziekstroming van een niche naar de mainstream toe gaat, beweegt de hipster zich juist in tegenovergestelde richting. Toch kan het feit alleen al dat er een blogosphere over dergelijke nicheculturen op internet is, er al toe leiden dat het zich langzaam richting mainstream gaat bewegen, wat er vervolgens weer toe kan leiden dat het binnen de oorspronkelijke aanhang als niet meer authentiek wordt ervaren. Zoals aanvankelijk alle muziek uit Seattle als goed werd bevonden omdat Nirvana daar vandaan kwam, keerde het zich op een gegeven moment juist tegen de plaats als keurmerk van goede muziek.

Het leuke van de IASPM bijeenkomsten is dat het publiek een zeer gemêleerd gezelschap is van mensen die zich beroepsmatig met popmuziek bezighouden, van wetenschappers tot journalisten. Dat maakt de discussie ook altijd erg levendig omdat iedereen het vanuit een ander standpunt bekijkt. Begin volgend jaar is er weer een volgende bijeenkomst gepland. Op de website van IASPM Benelux wordt deze aangekondigd en is ook andere actuele informatie, zoals recent verschenen publicaties, te vinden.

André Nuchelmans

vrijdag 12 november 2010

De rol van bedrijfscollecties in de kunstwereld

Spui 25 in Amsterdam bood 11 november plaats aan een drukbezocht debat en een boekpresentatie, georganiseerd door de Vereniging Bedrijfscollecties Nederland (VBCN) i.s.m. de Nederlandsche Bank. De boekpresentatie was na afloop van het debat.

De publicatie is een verslag van het symposium over de plaats van bedrijfscollecties in de kunstwereld, dat precies een jaar geleden plaatsvond ter ere van het vijfjarig bestaan van de VBCN. Alexander Strengers (VBCN) overhandigde het eerste exemplaar aan Diana Wind (Stedelijk Museum Schiedam, bestuurslid van de Nederlandse Museumvereniging (NMV)). Aanvankelijk zou Wind ook deelnemen aan het debat, maar door de herfstige weersomstandigheden kwam ze pas kort voor afloop van de bijeenkomst binnenwaaien. Gelukkig nog net op tijd om het boekje in ontvangst te nemen. Zij verving in die rol overigens Siebe Weide van de NMV, die verhinderd was. Verder verliep de bijeenkomst volgens planning.

Arnold Witte, universitair docent Cultuurbeleid aan de UvA en medeauteur en –redacteur van het boek Bedrijfscollecties in Nederland (Nai Uitgevers, 2009) was gespreksleider. De panelleden waren: Ella van Zanten (Kunstzaken Rabobank), Hans Meijs (Achmea Kunstcollectie), Macha Roesink (De Paviljoens Almere), Edwin Jacobs (Centraal Museum Utrecht) en Hester Alberdingk Thijm (AkzoNobel Art Foundation).
Tijdens het debat in 2009 waren thema’s als veilingen, dreigende afstoting van collecties en door de crisis gereduceerde budgetten de aanleiding om samenwerking tussen bedrijfscollecties en musea aan de orde te stellen. Aanleiding voor dit debat op Spui 25 waren de plannen van verschillende bedrijven om een eigen expositieruimte te starten om hun collecties aan een groter publiek te tonen. Wat zijn de achtergronden van deze trend en vormt deze een hindernis of juist een nieuwe opening naar verdergaande samenwerking met musea?

Van Zanten vertelde dat de Rabobank met de kunstcollectie, die vanaf 1984 is ontstaan, meer naar buiten wil treden, onder het motto: Kunst verdient publiek, publiek verdient kunst. Uit lopend onderzoek was gebleken dat de zichtbaarheid van de bedrijfscollectie zowel intern als extern gering is en verbetering behoeft. Eerst is nog overwogen om daarvoor musea te benaderen, maar er is gekozen om de kunstwerken in 2011 een prominente plaats te geven in de nieuwe uitbreiding van het bankgebouw in Utrecht. Op de (openbare) begane grond komt naast een enorme expositieruimte een muur van maar liefst 36 meter lang, helemaal bestemd voor kunstwerken. Zowel voor werken uit eigen collectie als voor solotentoonstellingen van individuele kunstenaars. Ook de 25 niet-openbare verdiepingen daarboven zullen worden ingericht met kunst uit de eigen collectie. Het nieuwe collectiebeleid, getiteld Van verzamelen naar verzilveren, bestaat tevens uit publieksprogramma’s, zoals rondleidingen en lezingen, voor zowel intern als extern publiek. Misschien niet vreemd, maar wel opvallend, was dat tijdens de bijeenkomst toenadering leek te ontstaan tussen Van Zanten en Jacobs, directeur van het Utrechts Museum...

Ook Meijs van Achmea Kunstcollectie in Leiden sprak van een uitdaging om meer extern publiek te bereiken met de bedrijfscollectie. Daarvoor ziet hij mogelijkheden om samen te werken met culturele instellingen, met name in Leiden, zoals De Lakenhal. Ook hij streeft naar meer zichtbaarheid van de collectie. Alberdingk Thijm (AkzoNobel Art Foundation) was het met hem eens, maar zij onderstreepte met veel meer nadruk het belang van samenwerken met musea. Niet alleen om kunstwerken uit te wisselen, maar ook om gezamenlijk exposities te organiseren en expertise te delen. Jacobs reageerde alvast opgewonden. Ervaring met bedrijfscollecties heeft hij weliswaar nog niet, maar hij staat er wel voor open. Samenwerken is altijd essentieel, vindt hij. Roesink, directeur van De Paviljoens, Almere, viel hem bij. Zij was in het verleden betrokken bij zowel de kunstcommissie van de Rabobank als de Caldic Collectie. Zij plaatste de rol van museum- en bedrijfscollecties in een brede context, benadrukte de maatschappelijke functie van collecties en hun onderkomens.

Publieksbereik was een veelgehoord woord tijdens de bijeenkomst, met name Jacobs bleef er maar op terugkomen. Maar over welk publiek hebben we het eigenlijk, vroeg Witte. Jacobs reageerde: Het gaat er vooral om dat je door samen te werken meer mensen kunt bereiken. Hij noemde als voorbeeld het succes van het Dick Bruna Huis dat financieel wordt ondersteund door de BankGiro Loterij (BGL). 2011 is het Jaar van het Konijn, kondigde hij aan, en dat wordt een groot feest! Een leuk voorbeeld van vruchtbare samenwerking, maar de BGL is geen bedrijfscollectie... Ook bij Meijs is publieksbereik belangrijk, dat neemt niet weg dat een bedrijf nu eenmaal geen museum is. Hij organiseerde weliswaar een expositie waarbij zowel werknemers als externe bezoekers kunstwerken uit de bedrijfscollectie konden aankopen, maar dat doet hij af als een 'typisch inter pr-dingetje', vooral bedoeld om werknemers tegemoet te komen. Roesink trok de discussie weer wat breder. Zij gaf aan dat bedrijfscollecties, net als museumcollecties, niet alleen bedoeld zijn voor het publiek, maar ook voor kunstenaars. Die waren nog niet aan bod gekomen. Ze benadrukte ook dat bedrijven en musea met hun collecties de humuslaag zijn die de beeldende kunsten voeden. Bedrijven zouden ook moeten investeren in kunstenaars en hun projecten, zoals musea doen. Niet door het geven van opdrachten, maar door kunstenaars financieel te ondersteunen en budgetten te verstrekken. Alberdingk Thijm beaamde dat bedrijven artistieke maakprocessen kunnen ondersteunen. Het gaat er om dat bedrijven en musea door samen te werken meer publiek kunnen bereiken. Beide partijen kunnen veel aan elkaar hebben.

Nog even over publiek gesproken. Bedrijfscollecties ontstonden in de jaren vijftig en waren bedoeld om het werknemers naar de zin te maken. Maar wat vonden en vinden ze er eigenlijk van? Alberdingk Thijm vertelde dat ooit uit onderzoek was gebleken dat 80% van de werknemers van Akzo wel degelijk waardering had voor de bedrijfscollectie, maar het niet in het hoofd zou halen de kunstwerken aan de eigen muur te hangen. Zij legde uit, net als Van Zanten, het publieksbereik te willen vergroten door middel van excursies en rondleidingen.

Er was verschil van mening over de vraag of een bedrijfscollectie juist kan profiteren van een geoliede communicatieafdeling van een bedrijf, of er eerder onder gebukt gaat omdat zo’n afdeling soms de aansluiting mist met de 'culturele pers'. Roesink wees op de voordelen van een goed georganiseerde pr-afdeling, Alberdingk Thijm bracht daar tegen in dat het imago van een bedrijf niet altijd positief overkomt bij kunstafdelingen van de culturele pers. Van Zanten viel haar bij: je moet de effecten van een communicatieafdeling niet overschatten. De positie van een collectie binnen een bedrijf is sowieso lastig. Motieven van het bedrijfsmanagement moeten altijd op afstand blijven van het collectiebeleid, waarschuwde Roesink.

Witte zei benieuwd te zijn naar hoe bedrijfscollecties zich steeds zelfstandiger profileren en samenwerking zoeken met musea. Samenwerking biedt bedrijven en musea mogelijkheden. Strengers verwoordde het in zijn slotwoord alsvolgt: hoe meer verenigd, hoe sterker we staan.

Jack van der Leden

donderdag 28 oktober 2010

Boekpresentatie ‘Cultural policies in Algeria, Egypt, Jordan, Lebanon, Morocco, Palestine, Syria and Tunisia: an introduction’

Twee hoogtepunten vonden plaats op 27 oktober in het Bimhuis in Amsterdam. De presentatie van ‘Cultural policies in Algeria, Egypt, Jordan, Lebanon, Morocco, Palestine, Syria and Tunisia: an introduction’ van de Boekmanstichting, European Cultural Foundation (ECF), Culture Resource (Al Mawred Al Thaqafy) en Stichting Doen. En het indrukwekkende optreden van het Syrische ensemble Hewar, onder leiding van klarinettist Kinan Azmeh. Na een kort welkomstwoord van Katherine Watson (ECF) kreeg moderator Abdelkader Benali het woord. Feestelijk presenteerde hij het publiek de kersverse publicatie. Cultuurbeleid is in de Arabische landen geen nieuw concept, een heldere strategie vaak wel. Deze publicatie (‘The fruit of much labour’, aldus Watson) brengt het culturele landschap in beeld. Het werk is bedoeld als handreiking naar kunstenaars en instellingen in de desbetreffende landen en belangstellenden uit het buitenland, maar zeker ook als signaal naar overheden, als middel om hen te overtuigen van de legitimiteit van kunst- en cultuurbeleid. Dit laatste werd fel onderstreept door Basma El Husseiny, directeur van Al Mawred al Thaqafy (culture resource) in Caïro. Benali interviewde haar in de pauze tussen de twee muziekdelen. El Husseiny gaf schrijnende voorbeelden van overheden die weerstand bieden zodra er een beroep op ze wordt gedaan bij de realisatie van artistieke projecten. Financiële steun blijft uit, vergunningen worden niet verstrekt (‘In general you need three to four permits, and usually one of them is impossible to get’). Ze vertelde over het ontstaan van haar organisatie in 2004 en legde uit waarom ze zo dankbaar is voor de samenwerking met ECF (voor hun steun, expertise en lobby), waardoor ze voor het eerst de kans krijgt ook in Europees verband te werken. Kinan Azmeh, de charismatische bandleider en klarinettist, verheugde zich er over dat El Husseiny speciaal voor deze gelegenheid musici aan hem en de bandleden had geïntroduceerd. Hartstochtelijk legde hij uit dat composities en uitvoeringen het resultaat zijn van onderlinge ideeënuitwisseling en inspiratie. Klassiek én Arabisch geschoolde musici creëren een unieke muzikale taal, in dialoog met elkaar. En, benadrukt Azmeh, dat heeft dus niets met ‘East meets West’ principes te maken wat recensenten vaak suggereren. Improvisatie speelt een belangrijke rol op het podium, zo liet het levendige samenspel van de musici vanavond zien. Het prachtige optreden maakte duidelijk dat de muziek van Hewar muzikale stromingen uit alle windrichtingen vermengt. Tot groot genoegen van het publiek. Een flink gevuld Bimhuis genoot intens.

Het boek is uitgegeven door Boekmanstudies, Culture resource, European Cultural Foundation, en te verkrijgen bij de Boekmanstichting, www.boekman.nl of via de boekhandel. Prijs: 34,90 €, ISBN 9789066501003. Ook te leen in de bibliotheek van de Boekmanstichting.

Jack van der Leden

Boekpresentatie Nederlandse schrijvers en religie 1960-2010

‘Eigenlijk geloof ik niets,/en twijfel ik aan alles, zelfs aan U.’ Met deze woorden uit het gedicht Dagsluiting van Gerard Reve opende Ger Groot de presentatie van 'Nederlandse schrijvers en religie 1960-2010’ van Jaap Goedegebuure, op 27 oktober jl. in het Bethaniënklooster in Amsterdam. Let wel: Groot zòng de regels. Goedegebuure, hoogleraar moderne Nederlandse letterkunde aan de Universiteit Leiden, beschrijft in zijn boek hoe Nederlandse schrijvers en dichters zich in hun werk hebben uitgesproken over God en het goddelijke. Veel aandacht besteedt hij o.a. aan Gerard Reve, Frans Kellendonk, Hans Faverey, Andreas Burnier, Oek de Jong. Ger Groot, publicist en bijzonder hoogleraar Filosofie en Literatuur aan de Radboud Universiteit Nijmegen en universitair docent voor cultuurfilosofie en wijsgerige antropologie aan de Erasmus Universiteit Rotterdam, gaf een lovende toelichting op het werk. De opbouw van het boek is als een ‘croque monsieur’, legde hij uit. Hoofdstukken over prozaschrijvers en dichters verhouden zich tot stevige uitweidingen over katholicisme en mystieke dichters als de laagjes in zo’n tosti. Daartussen ligt ook nog een laagje ‘reformatorisch intermezzo’. Hij rondde af met de laatste dichtregels van Dagsluiting: ‘en dat, in zelfde wanhoop, Gij mij zoekt/zoals ik U.’ Daarna las dichteres en voodoopriesteres Maria van Daalen voor uit eigen werk. Van Daalen neemt een prominente plaats in in het boek van Goedegebuure. ‘Ik wist al dat ik een linkse hobby ben, maar nu dus ook een mystieke projectie’, reageerde Van Daalen. Ze verraste de aanwezigen met een voodoolied. Goedegebuure was verguld met alle aandacht. Hij vertelde dat de in 1990 overleden schrijver Frans Kellendonk een sleutelrol bekleedt in het boek, maar ook in de totstandkoming van de studie. De literatuurwetenschapper moest onverwachts invallen voor Kellendonk, die een lezing over religie zou geven in poptempel Paradiso in Amsterdam, maar op dat moment al erg ziek was. Sindsdien hield het onderwerp Goedegebuure stevig in de greep. Publicaties over literatuur en religie volgden, en uiteindelijk deze studie. Literatuur en religie hebben dezelfde bron, legde hij uit: het verlangen naar gemeenschap, naar eenheid. Hij overhandigde het eerste exemplaar aan zijn vriend Oek de Jong, die ook uitvoerig in het boek aan de orde komt. De Jong blikte terug op de kennismaking en vriendschap met de literatuurwetenschapper. Marc Beerens van uitgeverij Vantilt nodigde vervolgens iedereen uit voor een afsluitende borrel. ‘Dit is het einde van deze dienst’, zei hij, in de geest van de eerder geciteerde Gerard Reve, ‘We gaan nu drinken uit de beker. Het zojuist gepresenteerde boek zal er voor geld te koop zijn’.

´Nederlandse schrijvers en religie 1960-2010´ verscheen bij uitgeverij Vantilt en is in de reguliere boekhandel verkrijgbaar (Prijs: € 18,95 ISBN 9789460040542) en natuurlijk te leen in de bibliotheek van de Boekmanstichting. Boekman 85 over kunst en religie, die half december verschijnt, bevat een boekbespreking door Liesbeth Eugelink.

Jack van der Leden

dinsdag 19 oktober 2010

Haags debat aan de gracht. Kunst een linkse hobby?

De Rode Hoed, Amsterdam, 18 oktober

De zaal liet weinig van Arend Jan Boekestijn heel. De VVD-er was één van de vier panelleden tijdens het debat van NRC Handelsblad en De Rode Hoed over de aangekondigde bezuinigingen op de kunstsubsidies en kwam zwaar onder vuur te liggen. De andere panelleden waren acteur Gijs Scholten van Aschat, museumdirecteur Benno Tempel en wethouder Carolien Gehrels. Gespreksleider was Joyce Roodnat. Een beetje ongelukkig was het des te meer voor Boekestijn, aangezien hij aanvankelijk niet eens was uitgenodigd om plaats te nemen in het panel. Hij verving Hans Hillen (CDA), die inmiddels een ministerspost bekleedt in het nieuwe kabinet en ongetwijfeld te druk was voor deze bijeenkomst. Terecht noemde Carolien Gehrels het dapper dat hij het strijdtoneel had durven betreden. Meer symphatieke steunbetuigingen bleven overigens de rest van de avond uit.

De zaal op de Keizersgracht was tot in de nok gevuld met betrokkenen die soms geëmotioneerd reageerden. Iedereen was bezorgd over de gevolgen van de aangekondigde bezuinigingen op kunst- en cultuursubsidies. Bas Heijne beet de spits af met een column waarin hij zich op inmiddels bekend wijze verweerde tegen een samenleving waarin de kunst als elitaire linkse hobby wordt weggeschoven. Net als bij sportvoorzieningen betaalt iedereen mee aan de kunst, maar zonder dat iedereen er iets mee hoeft te doen. Dus: afblijven van de subsidies! Roodnat legde het panel gedurende een kleine twee uur een aantal vragen voor die met gretigheid werden beantwoord. Wanneer het echt niet anders kon, dwong Roodnat sprekers tot zwijgen, maar verder liet ze weinig van zich horen. Een gemiste kans. Al weken gebeurt er van alles rondom de sector, in de media, op podia. In hoeverre sluit dit debat hierop aan? Welke acties staan er op stapel? En wat is de beste strategie? Daar had Roodnat iets over kunnen zeggen.

Het panel deelde, ook met de zaal, de heftige verontwaardiging over de botte bijl waarmee het kabinet de kunstsubsidies wil aanpakken. Met een bezuiniging van 200 miljoen euro en ook nog een verhoging van het BTW-tarief. Gehrels bracht vol ongeloof in herinnering hoe ze Mark Rutte eens heeft horen zeggen dat hij kunst en cultuur beschouwt als de R&D van de samenleving. ‘Daar is weinig van overgebleven’. Ze betreurde het gebrek aan belangstelling voor kunst en cultuur onder politici en pleitte voor terugkeer van het inhoudelijk debat in de Trêveszaal. Het ging overigens hard tegen hard op het podium. Scholten van Aschat confronteerde Boekestijn met de vraag hoe hij zich kon vereenzelvigen met de botte voornemens van ‘zijn’ VVD. Boekestijn legde uit dat ook hij meer geld wil voor de kunsten, maar geen overheidsgeld. ‘De marktkraan moet een stukje verder open’. Hij beweerde dat subsidies de kunsten kapot hebben gemaakt en het mecenaat hebben vernield. De oneliners volgden elkaar snel op. ‘Creatief talent kan zichzelf bedruipen’, was er ook één, en: ‘De sector moet de markt op’. De VVD-er bleef maar hameren op marktwerking en het fnuikende effect van subsidies op creativiteit. ‘Jullie moeten ophouden met alsmaar “au” te roepen, want die bezuinigingen gaan niet van tafel’. Van Aschat liep rood aan en leek te ontploffen toen hij dit hoorde. Hij reageerde furieus, zo ook het publiek. ‘F*ck toch op met je markwerking, man. Daar komen nu juist alle problemen in deze tijd vandaan. Je weet niet waar je over praat!’ De toon was gezet. Herhaaldelijk vlogen de twee elkaar in de haren. Totdat Boekestijn dreigde op te stappen. ‘U bent een geweldige acteur, maar een slechte debater’.

Als methode om de eigen inkomsten te verhogen noemde Boekestijn de invoer van prijsdifferentiatie. Rijke mensen kunnen relatief hogere entreegelden betalen, dan minder gefortuneerde mensen. Op bijval kon hij met dit voorstel niet rekenen. Gehrels reageerde boos: alsof de sector zelf niet professioneel genoeg is om over prijsbeleid na te hebben gedacht! Ze toonde zich zwaar teleurgesteld. Samen met acht grote steden had zij die dag in een brief aan de staatssecretaris van Cultuur Halbe Zijlstra geklaagd over het ontbreken van een visie achter het beleid. Het verhogen van het BTW-tarief noemt ze een inefficiënte maatregel omdat het de gewenste publieksgroei verhinderd. Boekestijn bleef zichzelf onverstoord herhalen: de subsidies hebben de sector gefnuikt. ‘Jullie hadden er tien jaar geleden al voor moeten zorgen dat het aandeel van eigen inkomsten zou toenemen’. Tempel en Van Aschat gaven met voorbeelden aan hoe ingewikkeld het is om het bedrijfsleven te overtuigen om geld te investeren. Volgens Tempel moet er bij de instellingen, de politiek maar ook het bedrijfsleven een mentaliteitsverandering plaatsvinden. In het buitenland doet Nederlandse cultuur het hartstikke goed, daar kan het bedrijfsleven veel meer van profiteren dan nu het geval is. ‘Bedrijven willen populaire namen horen en zijn niet geïnteresseerd in kwaliteitstoneel’, legde Van Aschat uit, ‘De limiet bij bedrijven is bereikt’. Het is en blijft bovendien lastig om een balans te vinden tussen de wensen van de markt en het grote publiek en die van de subsidiënt.

De weinig doordachte vergelijking die ‘de VVD-er’ herhaaldelijk maakte met de situatie in de Verenigde Staten werd door publiek én Van Aschat onderuitgehaald. De musea en de orkesten doen het er heel slecht, klonk het. ‘We wonen in Nederland en niet in de VS en we willen hier zeer zeker géén Amerikaanse toestanden’, kapte Van Aschat de politicus definitief af. Hij stelde voor strenger te selecteren in het kunstonderwijs en opperde de mogelijkheid om de prijs van bioscoopkaartjes te verhogen met een toeslag, bedoeld voor de productie van Nederlandse films. Ook klaagde hij: ‘Hoe heeft het zo ver kunnen komen dat elke gemeente zijn eigen schouwburg bouwt?’ De zaal viel hem bij.

In de loop van de avond gaf Boekestijn overigens op twee punten toe: net als Gehrels noemde hij het verhogen van het BTW-tarief improductief. Verder zag hij liever dat er dertig miljoen euro bij de publieke omroep wordt bezuinigd dan bij het Muziekcentrum van de Omroep. ‘Ik wil geen onherstelbare schade’. Een zucht van opluchting ging door de zaal. Iedereen wilde voor een moment aannemen dat Boekestijn de touwtjes in handen had. Achteraf doemt de vraag op wat de organisatie precies op het oog had met deze bijeenkomst. Het publiek, de columnist en drie van de vier sprekers lagen nagenoeg op één lijn. Hoeveel debat kan zoiets nog opleveren? Eén persoon kreeg de wind van voren: Arend Jan Boekestijn. Ook dat lag voor de hand.

Jack van der Leden

dinsdag 5 oktober 2010

Cultuur rekent op draagvlak

Vertegenwoordigers uit de gehele culturele sector hadden zich aangemeld voor de bijeenkomst Cultuur rekent op draagvlak in de kleine zaal van het Concertgebouw op 5 oktober. Op het programma stonden twee keynote speeches van medewerkers van de Amerikaanse advocacyorganisatie Americans for the Arts. CEO Bob Lynch en vice-president van Local Arts Advancement Randy Cohen, gaven inzage in hun werkwijze. Ze deden dat op een bijzonder enthousiasmerende en betrokken manier, die de aanwezigen overduidelijk aanstak. Het wachten is dan ook op een Nederlandse pendant, die het draagvlak voor cultuur hier ten lande kan verbreden en de belangen van de gehele sector naar buiten kan brengen.

De zaal was goed gevuld toen Simon Reinink, directeur van het Concertgebouw en moderator voor het ochtendgedeelte, de aanwezigen welkom heette. Na een korte inleiding door Margriet Leemhuis (ministerie van Buitenlandse Zaken) was het woord aan Bob Lynch. Hij begon met een persoonlijke noot over zijn eerste bezoek aan Amsterdam als driejarig jochie en onderstreepte het ontzag dat aan de andere kant van de Atlantische oceaan heerst voor de culturele rijkdom alhier. Aan de hand van een overzicht van de kunstgeschiedenis vanaf de eerste grottekeningen liet hij zien dat ondersteuning van de kunsten van alle tijden is. Ook de problemen waar de kunstsector tegenwoordig mee te maken hebben, zijn niet alleen van deze tijd. In Amerika is de historische relatie met de kunsten zo mogelijk nog problematischer. De invasie in 1492 was er in zijn woorden een van ‘non-arty people’. Kunst is in de USA altijd een individuele aangelegenheid geweest en geen verantwoordelijkheid van de staat. Daar lag een taak voor de advocacyorganisatie Americans for the Arts. Hun taak was de mensen er van te overtuigen dat kunst niet iets extra’s is. Doelstelling van de organisatie was ‘all of the arts for all of the people’. Uitgangspunt was dat iedereen daar beter van wordt. In tegenstelling tot wat er over het algemeen van de financiering van Amerikaanse kunstinstelling wordt gedacht, verdienen ze 60% van hun inkomsten zelf, 31% komt uit private financiering, waarbij donaties het grootste deel voor hun rekening nemen.
Lynch benadrukte dat zij vooral het belang van kunst als hulpmiddelen in andere sectoren onder de aandacht van betrokkenen brengen. Als de overheden of andere financierders niet te overtuigen zijn van het directe belang van kunst, proberen zij ze te overtuigen van het belang van kunst in het onderwijs, in internationale diplomatiek. ‘What local politicians think is important’. Kunst komt in hun top 8 van belangrijkste aandachtsgebieden niet voor, maar kan hier wel een ondersteunende rol in spelen. Het viel sowieso op in het verhaal van Lynch dat hij zich verplaatst in de belangen die bij de te overtuigen partij spelen. Daartoe is het ook van belang de juiste persoon in te schakelen om de doelgroep te overtuigen. ‘This is not Bob Lynch, but he finds them’. Zo kun je mensen in het bedrijfsleven beter benaderen via een collega uit het bedrijfsleven dan direct. Daarbij wordt gebruik gemaakt van gerichte acties. Zo is binnen het congres eenderde voorstander van financiering van de kunsten, eenderde wil nergens in investeren en eenderde heeft geen duidelijke voorkeur. Die laatste groep is van belang aan je zijde te krijgen. De eerste groep heb je al en de tweede is verspilde moeite. De lezing van Lynch was doorspekt met oneliners die de werkwijze van Americans for the Arts kernachtig weergaven, zoals ‘don’t wait for them to come to you, go to them’, ‘arts are used, but not acknowledged’, ‘art is a secret weapon that we kept too secret’. Inmiddels heeft zijn organisatie een wijdvertakt netwerk van betrokkenen die voor de belangen van de kunstsector inzetbaar zijn, zoals acteur Robert Redford, jazztrompetist Wynton Marsalis en popmuzikant John Legend. Het heeft de organisatie wel 25 jaar gekost voor zij dit netwerk op poten had gezet, maar de bevlogenheid van Lynch is er niet minder om geworden. Na zijn aanstekelijke lezing was er nog ruimte voor vragen en het publiek maakte daar in ruime mate gebruik van om nog wat details van de succesformule aan Lynch te ontlokken. Hij concludeerde dat met deze bijeenkomst een eerste stap gezet is. Het is nu van belang de juiste personen te benaderen en snel tot actie over te gaan.

Na de pauze was het woord aan Randy Cohen die inzage gaf in het ontstaan en het belang van de Arts Index. Americans for the Arts heeft deze index in het leven geroepen om meer zicht op de ontwikkelingen in de kunstensector te krijgen en die te gebruiken om het belang van de sector te onderbouwen. ‘Measure your treasures’, zo vatte Cohen het belang van de index samen. Cohen stak een even betrokken en levendig verhaal af als Lynch, terwijl bij hem de basis vooral uit cijfers bestond. Die cijfers gebruikte hij echter vooral om voorbeelden van succesverhalen uit de kunstensector te vertellen om meer publiek bij hun activiteiten te betrekken, zoals het ‘rusty orchestra’ project, waarbij een orkest een oproep aan iedereen die een muziekinstrument speelde deed om zich aan te melden om samen met het orkest een voorstelling te presenteren. De aanmeldingen waren zo overweldigend dat er zelfs meerdere voorstellingen gepland moesten worden. Voor het orkest was het spannend omdat zij tevoren geen enkel idee hadden of zich überhaupt wel amateurmusici aan zouden melden. Aan de andere kant benadrukte Cohen het feit dat de kunstensector ook een economische bedrijfstak is, ‘it’s an industry, it’s a business’. De index levert allerlei interessante gegevens op vooral wanneer je wat meer op de details in gaat. Zo blijken bedrijfsgiften de laatste jaren als gevolg van de crisis minder te worden. Van belang is echter vooral dat het nauwelijks meer vanuit filantropisch oogpunt gebeurt, maar vooral als vorm van sponsoring en bedrijfsmarketing.
Moderator van het middagprogramma Cas Smithuijsen, directeur van de Boekmanstichting, nodigde Cohen na zijn lezing aan te schuiven om met Jamilja van der Meulen van het Centraal Bureau voor de Statistiek over de werkwijze van de Arts Index in gesprek te gaan. Hoewel zij haar best deed niet in een statistisch onderonsje met Cohen te gaan, was het gesprek voor niet-statistici niet altijd even interessant. Wel werd duidelijk dat het zo gemakkelijk nog niet is om vergelijkbare cijfers te verzamelen en die vervolgens in één index te verwerken.
Na een korte pauze reageerde Ilona Kish van het Europese forum voor kunst en erfgoed, Culture Action Europe, op de lezingen. Ze liet duidelijk merken jaloers te zijn op hetgeen Lynch en Cohen bereikt hebben, maar was evenzeer aangestoken door het enthousiasme dat beiden in hun lezing aan de dag legden. Een Europese evenknie van Americans for the Arts staat nog maar aan het begin. Onder de titel ‘We are more’ is Culture Action Europe een campagne begonnen om bij de Europese Unie meer geld voor de kunsten vrij te krijgen.

Tot slot deed een aantal vertegenwoordigers van Nederlandse private fondsen en organisaties verslag van hun werkwijze. Adriana Esmeijer vertelde over de manier waarop het Prins Bernhard Cultuurfonds te werk gaat, Marieke van Schaik nam de culturele activiteiten van de Bank Giro Loterij voor haar rekening, Huub Blankenberg sprak namens de Vereniging Rembrandt en Margot Gerené legde uit wat het Nederlands Uitburo zoal doet met de gegevens van hun publiek. Bob Lynch reageerde op de problemen waar de betrokkenen mee te maken hadden en drukte de aanwezigen op het hart, ‘focus on what you can do’ en niet op wat je niet kunt. En wanneer het woord lobby of advocacy niet goed bij je doelgroep ligt, dan is er altijd nog ‘decisionmaker education’. Beperk je bij het overtuigen van overheden en andere financiers niet tot een beperkt aantal argumenten, maar gebruik die argumenten die bij je doelgroep het meeste resultaat hebben.
Zoals hij al eerder op de dag zei is het begin er met deze bijeenkomst. Het is nu zaak snel tot actie over te gaan. Lynch en Cohen wisten hun bevlogenheid op de aanwezigen over te brengen. Met de kennis en ervaring van Americans for the Arts moet dat kunnen lukken. Uitgebreide achtergrondinformatie over sprekers en bijeenkomst is te vinden op www.boekmancommunity.nl. Daar is ook de mogelijkheid om verder te discussiëren.

André Nuchelmans

maandag 4 oktober 2010

Beter van Kunst

Op weg naar de conferentie Beter van Kunst in de Brakke Grond Amsterdam, klinkt de muziek van het Regionaal Seniorenorkest Midden-Brabant, dat met een zestigtal musici in een grote partytent het plein voor het theater vult. Nederland telt 8 miloen amateurkunstenaars, waarvan 5 miljoen mensen hun hobby - vaak is het een passie - wekelijks beoefenen, vertelt de directeur van Kunstfactor Tom de Rooij even later tijdens zijn openeningswoord. Een van de musici van het orkest, klarinettist Han Slotboom, illustreert dit. Spelen bij het orkest is haast een fulltime bezigheid, vertelt hij, die zijn leven sterk heeft verrijkt. ‘Toen mijn vrouw en ik in Hilvarenbeek kwamen wonen, kregen we er meteen zeventig vrienden bij.’
De conferentie vormde afgelopen donderdag 30 september de aftrap van het landelijk festival amateurkunst Kunstfactor Live! en liet zien ‘wat kunstbeoefening doet met mensen, en wat kunstparticipatie doet met de samenleving’. Kunst maakt slimmer, socialer, vindingdrijker en misschien zelfs gelukkiger, zo was de algemene conclusie van de dag.
De keynotespeech was van de Amerikaanse wetenschapper James Catterall, als hoogleraar urban schooling verbonden aan de Universiteit van Californië (UCLA). Hij schreef het boek Doing Well and Doing Good by Doing Art, waarvoor hij gedurende twaalf jaar 1200 jongeren met een ‘sociaal economische uitdaging’ volgde. De jongeren die onderwijs genoten op een kunstrijke school bleken aanzienlijk beter te presteren dan hun leeftijdgenoten op een kunstarme school: ruim 37 procent van de eerste groep tegenover 17,3 procent van de tweede groep behaalde een Bachelor-diploma. Ook op andere vlakken bleken zij beter te presteren en steviger in hun schoenen te staan. Het werd echter niet duidelijk in hoeverre het hier werkelijk om een causaal verband gaat: misschien speelt de schoolvoorkeur van ouders ook een rol en hangt die voorkeur weer samen met andere factoren die van invloed zijn op de ontwikkeling van hun kinderen, zou je denken.
Catterall maakte voorts inzichtelijk en aannemelijk hoe bezig zijn met kunst, zowel actief als passief, de ontwikkeling van de hersenen in positieve zin beinvloedt. Met name, zoals bekend, in de rechterhersenhelft leggen regelmatig musiceren of toneelspelen ook een basis voor andere vaardigheden. Zo kunnen musici feilloos de emotionele intentie in een stem herkennen, beaamde ook wetenschapsjournalist Mark Mieras later op de dag in het discussiepanel. Toneelspelen, ofwel het spelen van een ander personage, vergroot ook in het dagelijks leven het inlevingsvermogen.
In het discussiepanel onder leiding van moderator Joost Karkhof (Kunststof TV) werd van diverse kanten belicht hoe mensen met kunst beter af kunnen zijn. Volgens Abdel Kader Benali geldt dit eerder voor lezers dan voor schrijvers. Schrijven, geïsoleerd en achter een beeldscherm, maakt eerder anti-sociaal, vertelde hij uit eigen ervaring. Terwijl romans als Eline Vere of toneelstukken als De getemde feeks de lezer een inkijk bieden in een andere historische periode of het innerlijk van een ander mens.
Heel concreet was het verhaal van Aaltje van Sweden van Stichting Papageno over het positieve effect van muziek op kinderen met autisme, die hierin een middel kunnen vinden om hun emoties te uiten. De ervaringen van Fons Diepenmaat en Marian van Binsbergen, respectievelijk theaterdocent en directeur van tbs-instelling de Van der Hoevenkliniek, zijn een eye opener. Van de gedetineerden die deze kunstrijke kliniek verlaten, valt slechts 2,3 procent terug in het oude gedrag tegenover de gemiddeld 20 procent bij andere tbs-instellngen en maar liefst 64 procent bij reguliere gevangenissen. Gedetineerden die maximaal en langdurig worden geconfronteerd met ‘gewoon gezond gedrag’, waaronder een aantrekkelijk aanbod van kunstzinnige activiteiten, bloeien op en nemen dit gedrag over, is hun ervaring.
Al lijken de verwachtingen van kunst soms hooggespannen, de conferentie maakt de vraag waarom er dan toch meer dan 200 miljoen op de rijksbegroting voor kunst bezuinigd moet worden des te schrijnender. Maar, zoals ook de Amsterdamse wethouder, Andrée van Es al aan begin van de conferentie benadrukte, dit alles zal de komende bezuinigingsoperatie niet tegenhouden.

Anita Twaalfhoven