Op 14 maart 2013 werd tijdens het congres Cultureel erfgoed op waarde geschat het gelijknamige boek gepresenteerd: Cultureel erfgoed op waarde geschat: economische waardering, verevening en erfgoedbeleid. Het boek bevat de resultaten van twee langjarige projecten: een onderzoek naar de economische waardering van cultureel erfgoed en een naar de verevening van kosten en baten van dat erfgoed. Aansluitend was de oratie van Jan Rouwendal, als bijzonder hoogleraar Economische waardering van cultureel erfgoed vanwege de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed en het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Hij is de vierde en laatste hoogleraar voor het onderwijs- en onderzoeksprogramma Erfgoed en Ruimte.*
De belangstelling voor en erkenning van het belang van de waarde van cultuur neemt wereldwijd toe. Zo ook de behoefte van publieke en private financiers aan wetenschappelijk gefundeerd onderzoek ter onderbouwing van effectief en efficiënt beleid. Sinds de jaren tachtig van de vorige eeuw zijn er verschillende methoden ontwikkeld om goederen in het culturele domein cultureel, economisch (zoals Myerscough in 1988) en sociaal (zoals Matarasso in 1997) te waarderen, van festivals tot podia, van cultureel erfgoed tot bibliotheken. Internationaal befaamde cultureel economen als Françoise Benhamou, Bruno Frey, Alan Peacock en Ilde Rizzo richtten hun pijlen in het afgelopen decennium zelfs specifiek op het cultureel erfgoed.
Tegen deze achtergrond sloegen onderzoekers van de Vrije Universiteit en de Universiteit Twente de handen ineen. De Vrije Universiteit nam het onderzoek naar de economische waardering van erfgoed voor zijn rekening en vormde een consortium met de gemeenten Dordrecht, Haarlem, Heerlen, Helmond en Zaanstad. De Universiteit Twente, waar implementatiestrategieën werden onderzocht, formeerde een consortium met publiek-private gebiedsontwikkelingsprojecten waaronder de Wagenwerkplaats in Amersfoort, het Hart van Zuid in Hengelo, de Spoorzone in Tilburg en het Hembrugterrein in Zaanstad.
Integraal waardedenken nodig
De opmerkelijke onderzoeksresultaten werden op de conferentie toegelicht. Marnix Smit van de Universiteit Twente onderzocht samen met Marlijn Baarveld en Geert Dewulf of de transformatie van erfgoed mogelijk is in de bredere context van gebiedsontwikkeling. Hij stelde in zijn lezing twee modellen tegenover elkaar waarin kosten, risico’s en baten tussen de stakeholders worden verdeeld (verevening). In het oude, gangbare top-down model is verevening afdwingbaar, maar dit model ontmoet steeds meer obstakels, waaronder planologische (juridische obstakels). Er is bovendien onderzoek nodig naar het maatschappelijke draagvlak voor de transformatie van het erfgoed in kwestie en er moeten risicoanalyses worden uitgevoerd en financiers gevonden. Daarmee is een dergelijke publiekrechtelijke afdwingbaarheid in Nederland beperkt. Hier tegenover staat de bottom-up benadering waarin per project wordt gezocht naar de meest geëigende coalities en allianties. In het oude model is de gebiedsontwikkeling vooral gericht op financieel kortetermijnwinst. De gangbare vorm van verevening is dan winst te maken op het vastgoed en uit grondexploitatie. Die vorm van verevening is niet toekomstbestendig, gezien de huidige vastgoedontwikkeling. Volgens Smit moet een meer integraal waardedenken het oude model vervangen. Naast de bottom-up samenwerkingsstrategie is daarvoor waardecreatie op gebiedsniveau nodig, en niet langer op gebouwniveau. En tot slot moet het kortetermijnrendement vervangen worden door langetermijnrendement. De succesfactoren in dit bottom-op model zijn terug te voeren op een coöperatieve houding waarin de coalitiepartners precies weten wat hun doel (belang) met het project is, daar open over zijn, informatie delen en flexibel zijn. De achilleshiel van dit model is dat het voortbestaan van erfgoed in een nieuwe functie afhankelijk wordt gemaakt van het onderhandelingsproces tussen de coalitiepartners.
Inventieve en haalbare oplossingen
Praktijkvrouw Margot Haasdonk, beleidsmedewerker monumentenzorg bij de gemeente Haarlem en lid van de Federatie Grote Monumentengemeenten, vertelde hoe in Haarlem sprake was van een verschuiving van objectzorg naar omgevingszorg. De meeste monumentale panden staan immers in een straat, hebben een uitstraling naar de rest van de straat en de directe omgeving en bieden de bewoners een bepaalde identiteit. De panden vertellen iets over hoe mensen leefden, wat ze belangrijk vonden en technisch konden, reden om ze zo lang mogelijk te willen behouden. Veel monumenten staan echter leeg en de gemeente moet dan snel handelen, zonder de grenzen van het budget te overschrijden. Een van de mogelijkheden die Haasdonk voorschotelt is de panden te kopen, er een eigen dienst in te zetten en zodra het mogelijk is ze te verkopen, laten restaureren en vervolgens te huren. Een ander instrument is het aanstellen van straatmanagers als een straat met veel monumentale panden dreigt te vervallen. De straatmanagers werken samen met bewoners, gebruikers en andere partijen om de straat de benodigde boost te geven. Een onderdeel daarvan is schreeuwerige reclameborden uit te bannen, de straten te herinrichten en schoon te maken. Steden die, net als Haarlem, evenementen organiseren, kunnen uitdrukkelijk hun cultuurhistorische karakter noemen, door aan te geven dat het evenement zich afspeelt ‘in een monumentale setting’. Het zijn slimme en praktische oplossingen die iets laten zien van de inventiviteit die gemeenten aan de dag (moeten) leggen in deze tijden van financiële krapte. Haasdonk heeft in haar praktijk te maken met een schier eindeloze rij stakeholders die allemaal andere belangen hebben en zonder uitzondering een eigen benadering vragen en krijgen, van monumenteneigenaren, bedrijven, collega-afdelingen bij de gemeente, wethouders, kunstenaars, buurtbewoners en winkeleigenaren tot horeca-uitbaters, city marketeers, projectontwikkelaars en hoteleigenaren. Tussen de politieke prioriteiten van de gemeenten, de grenzen van het budget en de bereidwilligheid en draagkracht van de stakeholders ligt haar manoeuvreerruimte. Dat vraagt om een open en flexibele opstelling, zoals ook Marnix Smit bepleitte.
Langetermijnrendement en revolving funds
De financiële krapte, de duizenden leegstaande monumenten en op de koop toe een terugtrekkende rijksoverheid die van haar monumentale vastgoed af wil, vraagt andere manieren van werken dan wij gewend zijn, stelt ook Jeroen Saris, van De Stad NV. Hij noemt verschillende strategieën zoals iconisering, city marketing, herontwikkeling en commercialisering. Dat dit laatste niet altijd slecht hoeft te zijn, bewijst de metamorfose van de Zaanse binnenstad. Onder de naam Inverdan verschenen nieuwe woningen, winkels en kantoorruimten en verbeterde de openbare ruimte, onder meer door de aanleg van een gracht en een ’opgetilde stadsstraat’. De Zaanse binnenstad beschikt daarmee onder meer over een nieuw stadhuis, een nieuwe openbare bibliotheek, een vergadercentrum, bioscoop en nieuwe scholen. Het versterkte bovendien de ruimtelijke samenhang tussen het hart van de stad en de Zaansche Schans. Zaanstad heeft ‘een verhaal’ gekregen. Dat maakt het mogelijk routes uit te zetten, met het verhaal samenhangende evenementen te organiseren. Echter, de grootschalige blauwdrukplanning van weleer is failliet: stedelijke en landschappelijke ruimtes laten zich niet meer op de tekentafel ontwerpen. Bestaande verdienmodellen werken ook niet meer, dus wat nu? Herontwikkeling, bottom-up, heeft volgens Saris de meeste kans. Hij bepleit een geleidelijke ontwikkeling, door exploitatie. Deze is te bereiken door te zoeken naar de juiste gebruikers voor het juiste gebouw, iets wat Margot Haasdonk dagelijks probeert na te streven. Dit is volgens Saris bij uitstek de taak van een overheid. Geef die gebruikers de kans geleidelijk te investeren en de meerwaarde die zij ontwikkelen te herinvesteren in het gebouw of het gebied. Een andere manier van denken vraagt andere regelgeving en nieuwe financiële regelingen met de huidige economie als uitgangspunt, stelt hij. Een van de opties is een revolving fund dat laagrentende leningen kan verstrekken aan de herontwikkelaars.
Voor verschillende gebieden en gebouwen zijn dus verschillende oplossingen nodig. Die zijn alleen haalbaar als de vastgoedwaarde niet langer centraal wordt gesteld in het verdienmodel, maar de economische aandacht verschuift naar de waarde die in het gebouw wordt geproduceerd en die de kosten moet opbrengen. Een waardevolle boodschap die de erfgoedsector zich ter harte kan nemen.
Ineke van Hamersveld, fondsredacteur/hoofdredacteur Boekman, Boekmanstichting
* Het onderzoeks- en onderwijsnetwerk Erfgoed en Ruimte is een gezamenlijk initiatief van de rijksoverheid (ministeries van OCW, IenM en EL&I), de Vrije Universiteit Amsterdam, de Technische Universiteit Delft en Wageningen University. Het netwerk wordt gecoördineerd en ondersteund door Platform 31, in samenwerking met de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, zie ook www.netwerkerfgoedenruimte.nl. De hoogleraren van het netwerk Erfgoed en Ruimte zijn, naast Jan Rouwendal: Hans Renes, bijzonder hoogleraar Erfgoed van stad en land aan de Faculteit der Letteren van de Vrije Universiteit Amsterdam, Eric Luiten, deeltijdhoogleraar Erfgoed en Ruimtelijk Ontwerp aan de Faculteit Bouwkunde van de Technische Universiteit Delft en Joks Janssen, bijzonder hoogleraar Ruimtelijke Planning en Cultuurhistorie bij de Environmental Science Group van Wageningen University.
Het laatste nieuws van de redactie van Boekman en medewerkers van de Boekmanstichting op het gebied van symposia, benoemingen, promoties, publicaties.
maandag 18 maart 2013
maandag 11 maart 2013
Presentatie Boekman 94: i-Cultuur. Schnabels inspirerende inzichten
Een feestelijke middag is het in de Singelkerk in Amsterdam. Voor het eerst staat een editie van Boekman volledig in het teken van het werk van één man: Paul Schnabel, voor de gelegenheid getooid in een oranje stropdas. De gerenommeerde socioloog neemt per 1 mei afscheid als directeur van het Sociaal Cultureel Planbureau. In Boekman #94, i-Cultuur. Schnabels inspirerende inzichten, wordt de visie die hij in de afgelopen twintig jaar ontwikkelde over de culturele sector samengevat en geanalyseerd.
Na een korte introductie van hoofd projecten van de Boekmanstichting, Marielle Hendriks, en een optreden van strijkkwintent Firma Continuo vertelt directeur Cas Smithuijsen over de totstandkoming van dit unieke nummer. Hiervoor werden vijf artikelen geselecteerd die een beeld geven van Schnabels culturele visie, die zijn afgezet tegen de vijf i's die hij in 2000 op verzoek van toenmalig premier Wim Kok opstelde. Kok vroeg hoe de toekomst van Nederland er uit zou zien. ‘Het zal je maar gevraagd worden’, zegt Smithuijsen. Schnabel signaleerde met het SCP vijf processen: informalisering, individualisering, internationalisering, intensivering en informatisering. In het Boekmannummer koppelen Ger Groot, Cas Smithuijsen, José van Dijck, Bart Verschaffel en Ton Bevers ieder een van deze maatschappelijke processen aan de culturele sector. René Boomkens sluit het nummer af met een slotbeschouwing. Daarnaast is er in de columns in het nummer ook aandacht voor de diverse bestuursfuncties die Schnabel bekleedt.
Voor de presentatie is aan chef wetenschap van het NRC Ellen de Bruin gevraagd om de artikelen over de vijf i's te duiden. De Bruin weet op een luchtige manier samen te vatten dat de ontwikkelingen immer actueel zijn. Zo wordt de verdere individualisering van consumptie gekoppeld aan de aankoop van een thuisbioscoop, is het feit dat Paul Schnabel graag naar The Voice kijkt een indicator van het vervagen van culturele scheidingen tussen klassen en zorgt de informatisering ervoor dat we ons sociale en culturele leven plannen op een smartphone. De processen die Schnabel ruim tien jaar geleden signaleerde, blijken niet aan zeggingskracht te hebben ingeboet.
Om duidelijk te maken dat Schnabel niet louter theoreticus maar ook practicus is, vertelt Marita Mathijsen (emeritus hoogleraar Moderne Nederlandse letterkunde aan de UvA) over haar ervaringen met Schnabel als voorzitter van de jury van literaire prijs de Gouden Ganzeveer. Mathijsen stelde vijf o's op om het leiderschap van Schnabel te omschrijven: origineel, omzichtig, overrompelend, onorthodox en onweerstaanbaar. In een jury bestaande uit ‘captains of industry’, literaire deskundigen en liefhebbers, die allen hun eigen favoriet hebben, weet Schnabel het telkens omzichtig en met onweerstaanbaar charisma voor elkaar te krijgen om een winnaar aan te wijzen waar iedereen tevreden mee kan zijn. ‘Paul is de onorthodoxe dirigent die het geheel tot een overdonderende samenhang weet te brengen.’
Mathijsen mag de eerste Boekman #94 uitreiken aan Paul Schnabel. Nadat hij een uur lang door iedereen in het zonnetje is gezet, is het tijd voor de hoofdrolspeler om het woord te nemen. Heel even lijkt hij overdonderd, maar hij heeft zijn aanwezige collega's van het SCP nog niet bedankt of hij steekt van wal met een analyse van het huidige kunstbeleid en de sociaal-culturele processen die hij zo vaak heeft onderzocht. ’Dat cultuur verheffend moet zijn is eigenlijk onmogelijk, toch blijft het doorklinken in beleid.’ Maar dat Schnabel meer optimist dan pessimist is wordt al snel duidelijk als hij ook de positieve kanten van bijvoorbeeld de informatisering aanstipt. De digitalisering van cultuur kan de beleving persoonlijker maken en verdiepen, daarnaast biedt het ongekende mogelijkheden voor onderzoek. Schnabel analyseert, filosofeert en haalt het ene na het andere praktijkvoorbeeld aan om zijn theorieën te onderbouwen. Na een geïmproviseerd college van twintig minuten pauzeert hij even: ’Dat was al genoeg stof voor een nieuw artikel.’
Duidelijk is dat Schnabel dan misschien terugtreedt als directeur van het SCP, klaar met werken is hij allerminst. In onder meer zijn functies bij de Universiteit van Utrecht, het Concertgebouworkest, Museum Bredius en de Gouden Ganzeveer blijft hij zich inzetten voor de kunsten. ‘Feit is dat kunst iets is wat niet hoeft, maar je mist het als het er niet is. Het is essentieel voor een mens om geïnspireerd te worden door wat mensen maken.’
Na afloop van de presentatie geeft Schnabel nog een waarschuwing aangaande de bezuinigingen in het huidige cultuurbeleid: ’Kunst wordt een vrijetijdsactiviteit en dat gaat ten koste van de kwaliteit.’ Hoewel iedereen het er over eens lijkt dat het niet kon blijven zoals het was, waakt hij voor overhaaste beslissingen. Deze adviezen zal Schnabel blijven geven, alleen niet meer via het SCP. Daar lijkt hij zelf geen moeite mee te hebben: ’Ik blijf me inzetten, alleen het planbureau houdt voor mij op. Maar de nieuwe directeur (Prof. dr. Kim Putters, RW) is al bekend gemaakt dus dat komt ook wel goed.’
Rutger Westerhof
Na een korte introductie van hoofd projecten van de Boekmanstichting, Marielle Hendriks, en een optreden van strijkkwintent Firma Continuo vertelt directeur Cas Smithuijsen over de totstandkoming van dit unieke nummer. Hiervoor werden vijf artikelen geselecteerd die een beeld geven van Schnabels culturele visie, die zijn afgezet tegen de vijf i's die hij in 2000 op verzoek van toenmalig premier Wim Kok opstelde. Kok vroeg hoe de toekomst van Nederland er uit zou zien. ‘Het zal je maar gevraagd worden’, zegt Smithuijsen. Schnabel signaleerde met het SCP vijf processen: informalisering, individualisering, internationalisering, intensivering en informatisering. In het Boekmannummer koppelen Ger Groot, Cas Smithuijsen, José van Dijck, Bart Verschaffel en Ton Bevers ieder een van deze maatschappelijke processen aan de culturele sector. René Boomkens sluit het nummer af met een slotbeschouwing. Daarnaast is er in de columns in het nummer ook aandacht voor de diverse bestuursfuncties die Schnabel bekleedt.
Voor de presentatie is aan chef wetenschap van het NRC Ellen de Bruin gevraagd om de artikelen over de vijf i's te duiden. De Bruin weet op een luchtige manier samen te vatten dat de ontwikkelingen immer actueel zijn. Zo wordt de verdere individualisering van consumptie gekoppeld aan de aankoop van een thuisbioscoop, is het feit dat Paul Schnabel graag naar The Voice kijkt een indicator van het vervagen van culturele scheidingen tussen klassen en zorgt de informatisering ervoor dat we ons sociale en culturele leven plannen op een smartphone. De processen die Schnabel ruim tien jaar geleden signaleerde, blijken niet aan zeggingskracht te hebben ingeboet.
Om duidelijk te maken dat Schnabel niet louter theoreticus maar ook practicus is, vertelt Marita Mathijsen (emeritus hoogleraar Moderne Nederlandse letterkunde aan de UvA) over haar ervaringen met Schnabel als voorzitter van de jury van literaire prijs de Gouden Ganzeveer. Mathijsen stelde vijf o's op om het leiderschap van Schnabel te omschrijven: origineel, omzichtig, overrompelend, onorthodox en onweerstaanbaar. In een jury bestaande uit ‘captains of industry’, literaire deskundigen en liefhebbers, die allen hun eigen favoriet hebben, weet Schnabel het telkens omzichtig en met onweerstaanbaar charisma voor elkaar te krijgen om een winnaar aan te wijzen waar iedereen tevreden mee kan zijn. ‘Paul is de onorthodoxe dirigent die het geheel tot een overdonderende samenhang weet te brengen.’
Duidelijk is dat Schnabel dan misschien terugtreedt als directeur van het SCP, klaar met werken is hij allerminst. In onder meer zijn functies bij de Universiteit van Utrecht, het Concertgebouworkest, Museum Bredius en de Gouden Ganzeveer blijft hij zich inzetten voor de kunsten. ‘Feit is dat kunst iets is wat niet hoeft, maar je mist het als het er niet is. Het is essentieel voor een mens om geïnspireerd te worden door wat mensen maken.’
Na afloop van de presentatie geeft Schnabel nog een waarschuwing aangaande de bezuinigingen in het huidige cultuurbeleid: ’Kunst wordt een vrijetijdsactiviteit en dat gaat ten koste van de kwaliteit.’ Hoewel iedereen het er over eens lijkt dat het niet kon blijven zoals het was, waakt hij voor overhaaste beslissingen. Deze adviezen zal Schnabel blijven geven, alleen niet meer via het SCP. Daar lijkt hij zelf geen moeite mee te hebben: ’Ik blijf me inzetten, alleen het planbureau houdt voor mij op. Maar de nieuwe directeur (Prof. dr. Kim Putters, RW) is al bekend gemaakt dus dat komt ook wel goed.’
Rutger Westerhof
Labels:
Boekman,
kunstsociologie,
Paul Schnabel,
presentatie,
toekomstvisie
maandag 25 februari 2013
Lind, M en O. Velthuis (ed.) - Contemporary arts and its commercial markets: a report on current conditions and future scenarios
Je slaat een mooi vormgegeven klein boekje open omdat het thema je interessant en van belang lijkt. De eerste bladzijde van het eerste ‘hoofdstuk’ begint bij 155 en eindigt bij 168 (allemaal in rood) met een wazige pastiche (Looking for Headless) door een fictieve auteur (K.D.) van de hand van kunstenaars Simon Goldin en Jakob Senneby. Kunst dus! Daarna, op pagina 1, begint pas de inleiding. Achterin het boekje staat een aantal rode lege pagina’s. Hippe vormgeving en niet lelijk, dat zeker. Mij irriteert die paginering evenals de op zich best leuke maar onheldere inhoud, maar misschien is dat ouderwets of een kwestie van smaak.
Het boekje is uitgegeven ter gelegenheid van het curatorenproject Abstract possible: The Stockholm Synergies dat in 2012 plaatsvond in de Tensta Konsthall, the Center for Fashion Studies van de universiteit Stockholm en het veilinghuis Bukowskis. Het is een serie essays van interessante en belangrijke kunsthistorici, cultuursociologen en kunstenaars uit heel Europa met analyses van de verschillende aspecten en van de complexiteit van de hedendaagse kunstwereld in relatie tot de al dan niet commerciële kunstmarkten waar ze deel van uitmaken. Onderwerpen die aan de orde komen zijn de toename van het aantal (internationale) kunstbeurzen, de toegenomen competitie tussen veilinghuizen op het gebied van eigentijdse kunst, het fenomeen hedendaagse kunst als iets met veel waarde in relatie tot roem en rijkdom.
Alle essays hebben de onderliggende vraag: hoe zal kunst er uitzien in de komende decennia en hoe werken kunstenaars dan? In het voorwoord van Maria Lind, curator, criticus en directeur van de Tensta Konsthall, worden de veranderende condities van de productie en distributie van beeldende kunst beschreven. Complexe en ‘thought-provoking-kunst’ heeft het moeilijker dan ooit terwijl makkelijke, ‘entertain-kunst’ steeds meer als synoniem wordt gezien van kunst als zodanig. Al deze ontwikkelingen zijn verbonden met nieuwe machtsdynamiek in het kader van globalisering, neoliberaal beleid en van deregulering, financiële ontwikkelingen en de ‘boom’ van de commerciële kunstmarkt. Dat betekent dat de verhoudingen tussen kunstenaars, galeriehouders en verzamelaars in beweging zijn. De primaire en secundaire markt waren voorheen weliswaar twee verschillende circuits maar toch de plekken waar kunsthandel plaatsvond. Tegenwoordig spelen de kunstbeurzen en het internet een steeds grotere en belangrijkere rol. Dat heeft onder andere als gevolg dat van kunstenaars nu wordt verwacht dat ze hun eigen werk op de markt moeten profileren en als zodanig actief een ‘brand’ moeten opbouwen.
Cultuursocioloog Olav Velthuis betoogt in zijn inleiding dat ondanks deze recente ontwikkelingen de opbouw van de kunstmarkt nagenoeg nauwelijks veranderd is sinds de tweede helft van de 19de eeuw en dat recente veranderingen in de markt die van het verleden weerspiegelen. New York is nog steeds de plek waar de belangrijkste galeries met het meeste aanzien zich bevinden en Art Basel de meest invloedrijke kunstbeurs. Galeries blijven nog steeds vertegenwoordigers van hun eigen ‘stal’ van kunstenaars. Er bestaan nog steeds verschillende min of meer commerciële circuits maar de recente commercialisering en financiële ‘boom’ zijn met name te vinden in het topcircuit dat veel aandacht krijgt van de media. Wel is het aantal kunstkopers uit landen als Brazilië, Rusland, India en China toegenomen sinds het einde van de jaren negentig van de vorige eeuw toen kunstenaars en galeriehouders uit de VS en Europa de kunstmarkt domineerden. Tegelijkertijd lijkt de kunsthandel de afgelopen jaren mede als reactie op de ‘boom’ terug te willen grijpen naar een kleiner businessmodel, vaak in relatie tot het alternatieve circuit. De andere auteurs stellen specifieke aspecten van de internationale markt aan de orde zoals internet en commercie in relatie tot internet, de toename van het aantal beurzen en biënnales, de kunstkritiek.
Truus Gubbels
Lind, M. en O. Velthuis (ed.) - Contemporary arts and its commercial markets: a report on current conditions and future scenarios - Berlin: Sternberg Press/Tensta Konsthall, 2012 - ISBN 978-1-934105-99-3 - Prijs: 19 euro
Het boekje is uitgegeven ter gelegenheid van het curatorenproject Abstract possible: The Stockholm Synergies dat in 2012 plaatsvond in de Tensta Konsthall, the Center for Fashion Studies van de universiteit Stockholm en het veilinghuis Bukowskis. Het is een serie essays van interessante en belangrijke kunsthistorici, cultuursociologen en kunstenaars uit heel Europa met analyses van de verschillende aspecten en van de complexiteit van de hedendaagse kunstwereld in relatie tot de al dan niet commerciële kunstmarkten waar ze deel van uitmaken. Onderwerpen die aan de orde komen zijn de toename van het aantal (internationale) kunstbeurzen, de toegenomen competitie tussen veilinghuizen op het gebied van eigentijdse kunst, het fenomeen hedendaagse kunst als iets met veel waarde in relatie tot roem en rijkdom.
Alle essays hebben de onderliggende vraag: hoe zal kunst er uitzien in de komende decennia en hoe werken kunstenaars dan? In het voorwoord van Maria Lind, curator, criticus en directeur van de Tensta Konsthall, worden de veranderende condities van de productie en distributie van beeldende kunst beschreven. Complexe en ‘thought-provoking-kunst’ heeft het moeilijker dan ooit terwijl makkelijke, ‘entertain-kunst’ steeds meer als synoniem wordt gezien van kunst als zodanig. Al deze ontwikkelingen zijn verbonden met nieuwe machtsdynamiek in het kader van globalisering, neoliberaal beleid en van deregulering, financiële ontwikkelingen en de ‘boom’ van de commerciële kunstmarkt. Dat betekent dat de verhoudingen tussen kunstenaars, galeriehouders en verzamelaars in beweging zijn. De primaire en secundaire markt waren voorheen weliswaar twee verschillende circuits maar toch de plekken waar kunsthandel plaatsvond. Tegenwoordig spelen de kunstbeurzen en het internet een steeds grotere en belangrijkere rol. Dat heeft onder andere als gevolg dat van kunstenaars nu wordt verwacht dat ze hun eigen werk op de markt moeten profileren en als zodanig actief een ‘brand’ moeten opbouwen.
Cultuursocioloog Olav Velthuis betoogt in zijn inleiding dat ondanks deze recente ontwikkelingen de opbouw van de kunstmarkt nagenoeg nauwelijks veranderd is sinds de tweede helft van de 19de eeuw en dat recente veranderingen in de markt die van het verleden weerspiegelen. New York is nog steeds de plek waar de belangrijkste galeries met het meeste aanzien zich bevinden en Art Basel de meest invloedrijke kunstbeurs. Galeries blijven nog steeds vertegenwoordigers van hun eigen ‘stal’ van kunstenaars. Er bestaan nog steeds verschillende min of meer commerciële circuits maar de recente commercialisering en financiële ‘boom’ zijn met name te vinden in het topcircuit dat veel aandacht krijgt van de media. Wel is het aantal kunstkopers uit landen als Brazilië, Rusland, India en China toegenomen sinds het einde van de jaren negentig van de vorige eeuw toen kunstenaars en galeriehouders uit de VS en Europa de kunstmarkt domineerden. Tegelijkertijd lijkt de kunsthandel de afgelopen jaren mede als reactie op de ‘boom’ terug te willen grijpen naar een kleiner businessmodel, vaak in relatie tot het alternatieve circuit. De andere auteurs stellen specifieke aspecten van de internationale markt aan de orde zoals internet en commercie in relatie tot internet, de toename van het aantal beurzen en biënnales, de kunstkritiek.
Truus Gubbels
Lind, M. en O. Velthuis (ed.) - Contemporary arts and its commercial markets: a report on current conditions and future scenarios - Berlin: Sternberg Press/Tensta Konsthall, 2012 - ISBN 978-1-934105-99-3 - Prijs: 19 euro
Labels:
commercialisering,
galeries,
hedendaagse kunst,
kunsthandel,
markt,
veilingen
zaterdag 16 februari 2013
Boekmandebat ‘De nieuwe werkelijkheid van de creatieve industrie’, 13 februari 2013
‘Zoals altijd worden kunstenaars weer eens buitengesloten!’ klonk het in de zaal na afloop van het Boekmandebat ‘De nieuwe werkelijkheid van de creatieve industrie’, op 13 februari in Rotterdam. De felle reactie kwam niet uit de lucht vallen, want was ook tijdens het debat aan bod gekomen. Een dag voor het debat beschreven Alexander Rinnooy Kan, Paul Rutten en Marleen Stikker dezelfde klacht in Het Financieele dagblad (‘Topsector creatieve industrie niet compleet als de kunsten er geen deel van uitmaken’, 9-2-2013). Nog eerder was het in Boekman #93 over de creatieve industrie vastgesteld. Het was een van de veelgehoorde geluiden tijdens het Boekmandebat. Er waren er meer.
De presentatie van dit themanummer van Boekman was aanleiding tot het debat. De bijeenkomst vond plaats ten huize van en in samenwerking met Het Nieuwe Instituut te Rotterdam. Deze instelling is per 1 januari voortgekomen uit een fusie van NAi, Premsela en Virtueel platform, en houdt kantoor in het NAi gebouw aan het Rotterdamse Museumplein. .
De creatieve industrie staat volop in de aandacht, toch zijn er ook nog veel vragen over de kansen en mogelijkheden, de deelnemers. Hebben we het over grote commerciële bedrijven, de omroepen, kunstenaars, kleine zelfstandige meubelmakers, of allemaal? Hoe worden de ambitieuze beleidsplannen omgezet naar de praktijk? En: waar blijven de kunsten binnen de creatieve industrie?
Hoezo nieuwe werkelijkheid? Valt er dan een nieuwe werkelijkheid te maken van creatieve industrie? Aldus formuleerde dagvoorzitter Valentijn Byvanck de centrale vraag. Byvank legde de vraag voor aan drie beleidsmakers (Valerie Frissen, Paul Rutten en Timo de Rijk), drie makers (Afaina de Jong, Jeroen van Mastrigt-Ide en Gilian Schrofer) en drie stakeholders (Harry Starren, Janny Rodermond en Floor van Spaendonck). Iedereen kreeg 5 minuten spreektijd. Tussendoor kreeg (en nam!) het publiek gelegenheid om te reageren. Maar liefst 200 man had zich verzameld. Bijna 300 belangstellenden waren via livestream getuige.
Zoals vaker het geval tijdens debatten over cultuurbeleid, wellicht bij alle debatten, waren het de makers die de show stalen… Zij demonstreerden in dit geval op aanstekelijke wijze de toegevoegde waarde van creatieve producten en namen daarmee iets van de onduidelijkheid rond het begrip creatieve industrie weg.
Valerie Frissen (Topteam Creatieve Industrie) beet de spits af. Binnen haar 5 minuten zette ze de doelstellingen en activiteiten van het Topteam en het CLICK programma uiteen. Ze legde uit dat het Topteam met behulp van netwerkorganisatie CLICK de connectie tussen het creatieve bedrijfsleven en de kenniswereld wil stimuleren door de werelden met elkaar te verbinden in cross-overs. Haar verhaal getuigde van routine en kennis, maar een vraag uit de zaal naar welke kennis er nu precies dient te worden versterkt, beantwoordde ze formeel door slechts op condities te wijzen. Op talentontwikkeling, netwerkontwikkeling en het stimuleren van een voedingsbodem, ontmoetingen. Concreter kon ze het niet maken.
Paul Rutten (betrokken bij CLICK, lector Creative Business bij het Kenniscentrum Creating 010 van de Hogeschool Rotterdam en hoogleraar in Antwerpen) slaagde daar wel in. Hij gaf een korte historische terugblik op het fenomeen en benadrukte het hefboomeffect van de creatieve industrie naar de rest van de economie. Timo de Rijk (voorzitter BNO en hoogleraar design aan de TU Delft en VU) streek in zijn presentatie menigeen tegen de haren. Bijvoorbeeld toen hij riep dat kunstenaars met de creatieve industrie niets te maken hebben en gewoon met rust gelaten moeten worden. Hij bleek het niet zo kras bedoeld te hebben, maar de stemming in de zaal liet zich niet keren. Marleen Stikker (WaagSociety) waarschuwde De Rijk voorzichtiger te formuleren. Kunstenaars spelen juist een onmisbare rol als vormonderzoekers bij de totstandkoming van toepassingen in de creatieve industrie. Voorbeelden kwamen uit de zaal.
Als gezegd, levendigheid ontstond pas echt in de volgende gespreksronde, die van de makers: Afaina de Jong (architecte, creatief ondernemer), Jeroen van Mastrigt-Ide (Dutch Games Garden) en Gilian Schrofer (ontwerpbureau Concern). Van Mastrigt-Ide gaf een inspirerende impressie van de vele technische en visuele mogelijkheden van de digitale wereld en gaming. De Jonge legde uit aan dat ‘haar’ kleinschaligheid haar kracht is, want ze is flexibel en multi-inzetbaar. Het gemak waarmee ze kan schakelen maakt haar waardevol voor grotere bedrijven, die minder wendbaar zijn. En daarmee benoemde ze de kracht van de vele zzp’ers binnen de creatieve industrie. De Jonge pleitte voor de oprichting van een mentorprogramma, en kreeg daarvoor steun van Timo de Rijke en Gilian Schrofer. Schrofer heeft zich juist enorm ingespannen om een degelijk opleidingstraject te realiseren, maar kreeg uiteindelijke geen of verlate steun van de accrediterende instellingen.
Het gebrek aan zakelijke kennis onder afgestuurde creatievelingen en kunstenaars werd door vele aanwezigen onderkend en beklaagd. Er werden uiteenlopende meningen verwoord, waarbij de verantwoordelijkheid bij resp. de opleidingen, de studenten of de overheid werd gelegd. Of bij de beroepsorganisaties. Minors, cursussen, trainingen, mentorships blijken evenwel voorhanden…Studenten hebben niet zelden de handen vol aan hun artistieke ontwikkeling. Nog een ander geluid: ‘Misschien moeten we van creatieve talenten niet langer verwachten dat ze ook nog eens zakelijke kwaliteiten bezitten?’
Het ontbreken van de kunsten binnen CLICK was eveneens een heikel punt. Zelfs muziek en dance schitteren vooralsnog door afwezigheid binnen CLICK, ondanks moties hierover in de Tweede Kamer in december 2012. Voor het uitgeverijwezen en artistiek onderzoek geldt hetzelfde. Rutten betreurt dit. Volgens hem is het een afwijkende manoeuvre van het ministerie. Want hoe zouden ze anders nog de cultuurbezuinigingen hebben kunnen rechtvaardigen?
In de derde en laatste ronde kwamen Harry Starren (Federatie Dutch Creative Industries), Janny Rodermond (Stimuleringsfonds Creatieve Industrie) en Floor van Spaendonck (Het Nieuwe Instituut) aan het woord. De kracht van individuen binnen de creatieve industrie mag niet verloren gaan, aldus Starren in een inspirerend betoog. Rodermond kondigde een trendbreuk aan, maar zonder een tipje van de sluier te lichten. Dat was jammer, leek ook Van Spaendonck te vinden.
‘Maar wat gaan we nu eigenlijk doen? Echt, concreet doen!?’, was een terugkerende vraag vanuit de zaal. Starren had het antwoord. ‘Precies wat we nu aan het doen zijn, het voeren van een debat, dat is wat we doen!’
Jack van der Leden
dinsdag 5 februari 2013
Conferentie over Popular Music Heritage, Cultural Memory & Cultural Identity
Het congres startte woensdagmiddag met een discussie over Do It Yourself (DIY) Preservation. Onderzoekers Sarah Baker (Griffith University, Australië) en Amanda Brandellero (Universiteit van Amsterdam) en praktiserend doe-het-zelf-archivisten Bas de Koning (europopmusic.eu) en Stan Rijven (Pop Archief Nederland en Ritmundo Foundation) gingen in gesprek over het archiveren van popmuziek en popcultuur. Uit de discussie kwam de spanning tussen de verschillende individuele initiatieven en de gevestigde, geïnstitutionaliseerde archieven en musea naar voren. Het ontbreekt de initiatiefnemers enerzijds vaak aan de benodigde kennis om te conserveren en presenteren. Anderzijds is er in veel gevallen sprake van een wantrouwen naar de gevestigde archieven. Populaire muziek valt meestal niet binnen het werkterrein van de reguliere archieven. Vandaar dat mensen vanuit hun eigen betrokkenheid het initiatief nemen om te zorgen dat het voor het nageslacht bewaard blijft. Maar wat gebeurt er als de initiatiefnemer er niet meer is. De individuele initiatieven kenmerken zich veelal doordat van enige selectie nauwelijks sprake is, zo bleek uit de voorbeelden die tijdens de discussie aangedragen werden. Samenwerking tussen de DIY-initiatieven en de gevestigde archieven en musea biedt uitkomst om selectiecriteria op te stellen en de objecten te duiden.
Donderdag en vrijdag stonden in het teken van de presentatie van de verschillende onderzoeken die op het thema verricht worden. In centrale en parallelsessies presenteerde een internationaal scala aan onderzoekers hun papers. Alhoewel de onderwerpen bijzonder verschillend waren, was de organisatie er toch in geslaagd ze op verschillende thema’s te clusteren. Dit leverde zowel voor de sprekers als voor de deelnemers aan het congres verrassende inzichten en verbanden op.
De plenaire presentaties waar de donderdag mee begon, waren gebundeld onder het thema Music, place and cultural identity. Ian Inglis (Northumbria University, UK) presenteerde zijn onderzoek naar Deadheads (fanatieke aanhangers van de Amerikaanse band The Grateful Dead) in Europa. Rosa Reitsamer (Universität für Musik und Darstellende Kunst Wien) gaf een samenvatting van haar onderzoek naar het Hor 29 Novembar koor, een koor van Joegoslavische immigranten in Oostenrijk. De laatste paper in deze plenaire sessie was van Gaëlle Crenn (Université de Lorraine, Frankrijk), die de lokale aanpassingen in de tentoonstelling Abbaworld in Australië onderzocht. Alle drie de onderzoeken richtten zich op een aspect van popmuziek buiten de directe context. Zo trad The Grateful Dead nauwelijks in Europa op. Toch kunnen de Europese Deadheads zich met de band identificeren, voelen zich thuis in de community en ontlenen er een specifieke identiteit aan. Grappig was ook te horen hoe Australiërs zich met Abba identificeren, je zou haast denken dat het een Australische groep was. Vandaar ook dat de lokale organisatoren de standaard Abbaworld-tentoonstelling aan de Australische situatie aanpasten zodat de bezoekers zich meer herkenden in de tentoonstelling.
In de daarop volgende parallelsessie kwamen de thema’s Archiving and Preserving Popular Music en Music, Place and Cultural Identity aan de orde. Ik koos voor de eerste, waarin lokale en nationale initiatieven voor poparchieven in Birmingham (UK), Frankrijk, Oostenrijk en Denemarken, het onderwerp van onderzoek waren. Vooral het Deense initiatief voor een nationaal rockmuseum in Roskilde dat in 2015 moet openen, maakte indruk. Het is des te opvallender omdat in dit geval geen sprake is van een low profile DIY initiatief. Line Vestergaard Knudsen (Roskilde University) was betrokken bij het verzamelen van persoonlijke herinneringen om zo een landkaart te maken waarop de geschiedenis van de Deense popsector wordt weergegeven. Uit de presentaties kwam vooral het verschil tussen initiatieven van onderaf en van bovenaf duidelijk naar voren.
In de middag stonden presentaties over Globalization and Diversity in Popular Music en Music, Memory and Heritage op het programma. Bij het laatste thema gaf Jacob Westergaard Madsen van het Danish Rock Museum meer inzage in de wijze waarop het museum het publiek bij de tentoonstellingen wil betrekken. Hoe roep je nostalgische gevoelens op bij verschillende publieksgroepen en generaties die er zelf niet bij waren. Arno van der Hoeven (Erasmus Universiteit Rotterdam) presenteerde zijn bevindingen van een onderzoek naar de verschillende nationale belevingen van de sixties in Europa. In bijna alle onderzochte landen werden eerst de Beatbands uit de UK gekopieerd en ontwikkelden bands gaandeweg hun eigen stijl. De muzikale herinneringen en hoe verschillende onderzoeksmethodes daar sturend in kunnen werken was het onderwerp van de presentatie van Lyudmilla Nurse (Oxford University, UK). Kenny Forbes (University of Glasgow) onderzocht de herinneringen van bezoekers aan het Apollotheater in Glasgow.
De plenaire sessie op vrijdag stond in het teken van DIY Music Heritage: On and Off Line. Sarah Baker presenteerde de resultaten van haar onderzoek naar de manier waarop vrijwilligers betrokken waren bij poparchieven. Vervolgens gaf Toni Sant (University of Hull, UK) inzicht in de totstandkoming van het Malta Music Memory Project, een online database van Maltese muziek en gerelateerde onderwerpen. Tot slot ging Jan Marontate (Simon Fraser University, Canada) in op wat poparchieven kunnen leren van nieuwe-media-collecties wat betreft conserveren. Zij wees op het belang van samenwerking met verschillende betrokkenen om te bepalen hoe en wat er bewaard dient te worden. Bij popmuziek kun je dan denken aan producers en geluidstechnici, maar natuurlijk ook aan de artiesten zelf. Zij hebben daar elk een eigen visie op. Uit de discussie kwam naar voren dat individuele initiatieven vaak eigen oplossingen bedenken waar standaardoplossingen voorhanden zijn, zoals computerprogramma’s om gegevens in op te slaan.
De laatste parallelsessies stonden in het teken van Local Music Audiences en Music Scenes and Genres: Processes and Practices. Bij de laatste sessie presenteerde Wes Wierda (Inholland) een onderzoek naar de praktijken van muziekuitgeverijen in Nederland. Die blijken een geheel eigen manier te hebben om hun zaken te regelen, waarbij de grens tussen legaal en illegaal regelmatig wordt opgezocht. Andere onderwerpen die daar aan bod kwamen waren een onderzoek naar de online vertegenwoordiging van vrouwen in extreme metal en de online reacties daarop en canonvorming in de Austropop. Amanda Brandellero lichtte een onderzoek naar het verband tussen lokale muziekscenes en de aanwezigheid van muziekindustrie in Nederland toe.
Afgaande op het ongelofelijke scala aan onderwerpen binnen het thema van de conferentie, moet dit nog slechts het topje van de ijsberg zijn wat betreft wetenschappelijk onderzoek naar popmuziek en gerelateerde onderwerpen. Een bewijs te meer dat de popsector door de wetenschap serieus genomen wordt. Daar kunnen officiële instanties als archieven en musea nog wat van leren.
Voor een compleet overzicht van het congres en de activiteiten van het POPID-project kunnen geïnteresseerden terecht op de uitgebreide website.
André Nuchelmans
Labels:
archief,
conferentie,
cultureel erfgoed,
culturele identiteit,
musea,
popcultuur,
POPID,
popmuziek,
verslag,
verzamelen
woensdag 30 januari 2013
Boekpresentatie Effectief cultuurbeleid
Maatschappelijke ontwikkelingen maken dat beleidsmedewerkers, politici en rekenkamers publieke uitgaven aan cultuur helder en inzichtelijk willen maken. Zo wordt er steeds meer gewerkt met subsidieafspraken in contracten met prestatie-indicatoren. Maar welke indicatoren zeggen iets over het succes of falen van je cultuurbeleid? Hoe meet je dit alles precies? Zijn die zaken altijd wel meetbaar? En wordt de kunst er beter van of scheelt het in de portemonnee?
Daarover organiseerden de Boekmanstichting en de VNG een discussiemiddag op vrijdag 11 januari 2013 in het gebouw van de VNG in Den Haag. Leidraad in het programma was de nieuw verschenen publicatie Effectief cultuurbeleid: leren van evalueren van Quirijn van den Hoogen. In dit boek onder meer gouden tips voor het opzetten van een bruikbare en betrouwbare evidence base in het cultuurbeleid. Daarnaast wordt utigelegd hoe met een beperkte evidence base toch uitspraken over het cultuurbeleid kunnen worden gedaan. Tenslotte maken verschillende deskundigen de stand van de evidence base voor onderdelen van het Nederlands cultuurbeleid op, zowel op gemeentelijk als op landelijk niveau.
Tijdens de boekpresentatie hield hoofdauteur Quirijn van den Hoogen (RuG) een inleidend verhaal. Aansluitend interviewde moderator Siewert Pilon (VNG) Angela Rijnhart (gemeente Enschede) en Josee Ligteringen (Rekenkamer Enschede) over het onderzoek dat Van den Hoogen in de zomer van 2012 deed naar de evidence base van het Enschedese cultuurbeleid. Vervolgens gaf Claartje Bunnik (auteur Niet tellen maar wegen) een reactie op de publicatie in verhouding tot haar boek. Tenslotte hield Rudi Turksema (Algemene Rekenkamer) een slotbeschouwing. Alle bijdragen zijn integraal na te lezen in het uitvoerige verslag, geschreven door Ineke van Hamersveld.
Daarover organiseerden de Boekmanstichting en de VNG een discussiemiddag op vrijdag 11 januari 2013 in het gebouw van de VNG in Den Haag. Leidraad in het programma was de nieuw verschenen publicatie Effectief cultuurbeleid: leren van evalueren van Quirijn van den Hoogen. In dit boek onder meer gouden tips voor het opzetten van een bruikbare en betrouwbare evidence base in het cultuurbeleid. Daarnaast wordt utigelegd hoe met een beperkte evidence base toch uitspraken over het cultuurbeleid kunnen worden gedaan. Tenslotte maken verschillende deskundigen de stand van de evidence base voor onderdelen van het Nederlands cultuurbeleid op, zowel op gemeentelijk als op landelijk niveau.
Tijdens de boekpresentatie hield hoofdauteur Quirijn van den Hoogen (RuG) een inleidend verhaal. Aansluitend interviewde moderator Siewert Pilon (VNG) Angela Rijnhart (gemeente Enschede) en Josee Ligteringen (Rekenkamer Enschede) over het onderzoek dat Van den Hoogen in de zomer van 2012 deed naar de evidence base van het Enschedese cultuurbeleid. Vervolgens gaf Claartje Bunnik (auteur Niet tellen maar wegen) een reactie op de publicatie in verhouding tot haar boek. Tenslotte hield Rudi Turksema (Algemene Rekenkamer) een slotbeschouwing. Alle bijdragen zijn integraal na te lezen in het uitvoerige verslag, geschreven door Ineke van Hamersveld.
maandag 10 december 2012
Tiele-leerstoelenmiddag
Na een korte inleiding van hoofd bedrijfsvoering van de KB en voorzitter van de Tielestichting Els van Eijck van Heslinga was het woord aan Arianne Baggerman. Zij is bijzonder hoogleraar Geschiedenis van uitgeverij en boekhandel aan de Universiteit van Amsterdam en vertelde over haar onderzoek naar de rol van gebonden boeken in autobiografische documenten. De titel van haar lezing, Van geheugensteun tot decorstuk: de transformaties van het gebonden boek, verwees naar recente ontwikkelingen waarbij het gebonden boek gebruikt wordt als een decorstuk in onverwachte omgevingen. Ze duiken steeds vaker op in de etalages van kleding- en schoenenwinkels en kunnen zelfs een bruiloft van extra cachet voorzien. Inmiddels kunnen kant en klare wandjes van ruggen van gebonden boeken besteld worden om de boekenkast een mooie aanblik te geven. Het gaat dan puur om het fysieke omhulsel van het boek. Uit haar onderzoek naar autobiografische documenten komt echter een heel andere rol van de boekband naar voren. Het is daar vaak een extensie van het geheugen, waarbij niet zozeer de inhoud als wel de fysieke kenmerken een belangrijke rol spelen. In de documenten roepen bepaalde banden vaak een herinnering aan vroeger tijden op, zoals de zolder in het ouderlijk huis waar de schrijver voor het eerst kennismaakte met de boeken van Walter Scott. Baggerman haalde zo nog een aantal voorbeelden aan. Veel van de egodocumenten hebben een titel die direct aan boeken refereert, zoals De bladen uit het boek van mijn leven.
Hierna betrad Paul Hoftijzer het podium voor een toelichting op zijn onderzoek. Hoftijzer is bijzonder hoogleraar in de geschiedenis van het Nederlandse boek in de vroegmoderne tijd aan de Universiteit Leiden. De krant als boekhistorische bron was de titel van zijn lezing. Bij zijn onderzoek maakt Hoftijzer veelvuldig gebruik van kranten. Advertenties spelen daarbij een belangrijke rol en kunnen inzicht geven in bijvoorbeeld de opkomst van bepaalde genres, van een nieuw lezerspubliek of van de ramsj-handel. De ingebruikname van de Databank Digitale Dagbladen, maakt zijn onderzoek aanzienlijk minder tijdrovend dan voorheen. Was het eerst nog het oude handwerk waarbij kaartenbakken en in het gunstige geval microfiches doorzocht werden, nu volstaat het invullen van zoektermen en de resultaten verschijnen zo op het scherm. Alhoewel momenteel nog slechts 8 procent van de totale hoeveelheid kranten gedigitaliseerd is, maakt de databank het onderzoekers al een stuk gemakkelijker. Vooralsnog zijn alle dagbladen van vóór 1800 gedigitaliseerd evenals legale en illegale kranten tijdens de Tweede Wereldoorlog. Dat die slechts zo’n beperkt percentage op het geheel is, komt door de gigantische hoeveelheid kranten in de laat 19de en 20ste eeuw.
Na deze twee lezingen over de actuele stand van zaken in boekhistorisch onderzoek, blikte Gerard Unger in zijn afscheidslezing terug op de vijf jaar dat hij bijzonder hoogleraar was. Hij nam daarbij zijn inaugurele rede Typografie als (voertuig van de) wetenschap als uitgangspunt. Met name de hoge verwachtingen die Unger had van digitalisering voor het verspreiden van kennis en de rol die typografie daarbij zou kunnen spelen moest hij herzien. Zo krijgen jongeren als gevolg van het veelvuldig gebruik van digitale media concentratieproblemen bij het lezen van langere teksten. Terwijl Unger in zijn inaugurele rede nog de verwachting uitsprak dat typografische vormgeving het gebruik van digitale teksten zou kunnen verbeteren, moest hij concluderen dat de krakkemikkige typografische opmaak van internet inmiddels zijn weg naar het papieren boek heeft gevonden. Voorwaar geen vooruitgang!
André Nuchelmans
Abonneren op:
Reacties (Atom)







