donderdag 23 mei 2013

Verslag debat: Erfgoed een hete aardappel?

vergaderzaal Trippenhuis
‘Erfgoed is als een hete aardappel, lijkt het. Iedereen zit er mee in zijn maag’. Met deze woorden opende Kitty Zijlmans de discussiemiddag ‘Erfgoed: van wie, voor wie?’, op 17 mei in het Trippenhuis te Amsterdam. Het debat was georganiseerd door de Boekmanstichting en de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW).

Circa 30 hooggeleerden en andere deskundigen, vooral erfgoedprofessionals, wisselden van gedachten over de vraag wie er nu eigenlijk verantwoordelijk is voor erfgoed. Wie draait er op voor de lasten; wie valt de lusten toe? Aanleiding tot de discussie was de terugtredende overheid. Die verplaatst ie zich steeds meer naar de achtergrond als eigenaar en beheerder van erfgoed. Het Kabinet Rutte I confronteerde de cultuursector met bezuinigingen én met de boodschap dat de verantwoordelijkheid voor erfgoed deels bij particulieren thuishoort.

Kortom, erfgoed van wie en voor wie? Zijlmans, hoogleraar kunstgeschiedenis aan de Universiteit Leiden en voorzitter van het debat, legde de vraag voor aan twee sprekers, Hester Dibbits, lector cultureel erfgoed aan de Reinwardt Academie (AHK) en Jos Bazelmans, bijzonder hoogleraar archeologische monumentenzorg aan de VU en hoofd sector Kennis van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE). Ter voorbereiding hadden de inleiders kennis genomen van een aantal artikelen die op verzoek van de redactie van het tijdschrift Boekman over het onderwerp zijn geschreven. In september worden deze en andere stukken, samen met een verslag van dit debat, gepubliceerd in een themanummer (Boekman 96) over Erfgoed.
Bazelmans was in de voorgelegde artikelen met name de urgentie van erfgoedzorg opgevallen, maar ook de introverte toon van de discussie over erfgoed. Erfgoedprofessionals hebben de neiging elkaar te sterken in hun kritiek op buitenstaanders, maar missen de durf om onderling de messen te scherpen en met elkaar een pittige discussie te voeren. ‘Ook onder de aanwezigen alhier bestaan stevige meningsverschillen!’. Bazelmans benadrukte vooral dat we niet langer op de overheid hoeven te rekenen, ‘dat is niet van de 21ste eeuw’. Hij constateerde voorts een gebrek aan verantwoordelijkheid op lokaal niveau en pleitte daarom voor een systeem van ‘checks and balances’. Voor Bazelmans behelst de definitie van erfgoed niet enkel het object, maar ook de sociale context. In het erfgoedbeleid moet het accent dan ook liggen op het gebruik van het object in plaats van op het object zelf. Bovendien: ‘Wie claimt, die financiert’.
Dibbits pleitte voor een sterke overheid, die verantwoordelijkheid neemt en een deel van de lasten draagt. ‘Doet ze dat niet, dan zit er niets anders op dan mensen te mobiliseren’.Vanuit een visie op het waarom van erfgoedzorg kun je beleid afstemmen op de toekomst, legde ze uit. Wat haar betreft staat de tijd (verleden, heden en toekomst) daarin centraal, zodat we ons bewust kunnen blijven van veranderingen, dynamiek, patronen en processen. Tijdsbesef, en niet identiteit, maakt het mogelijk dat mensen zich kunnen verhouden tot de plaats waar ze zich bevinden. ‘We laten ons in de omgang met erfgoed gijzelen door pre-occupatie met identiteit en gemeenschappen’, aldus Dibbits. Dit brengt met zich mee dat we enkel oog hebben voor wat bepaalde gemeenschappen aanstaat. Erfgoedzorg is gebaat bij transparante onderzoeksnetwerken, waaraan iedereen kan deelnemen en erfgoedprofessionals als makelaar optreden. Gemeenschappen worden netwerken, benadrukte ze. ‘Open en dynamisch’.

Haar afrekening met de identiteits- en gemeenschapsgedachte riep bij Bazelmans weerstand op. Hij benadrukte juist het sociale belang van gemeenschappen. Ook Julia Noordegraaf, hoogleraar erfgoed en digitale cultuur aan de UvA, was geen voorstander. Ze legde uit dat digitaal erfgoed bij uitstek samenhangt met gemeenschappen, omdat het er als het ware een product van is.

Maar wie bepaalt dan wat erfgoed is, legde Zijlmans de aanwezigen voor. Alles is erfgoed, aldus Pieter Matthijs Gijsbers, directeur Openluchtmuseum. Ook co-creaties, ‘hoog’ en ‘laag’, creatieve industrie. Hij pleitte voor democratisering van het begrip. Inge van der Vlies, hoogleraar staats- en bestuursrecht en kunst en recht aan de UvA, wees erop dat onze identiteit samenhangt met de gemeenschap, en daarom altijd in beweging is. Dat geldt ook voor draagvlak voor erfgoed. ‘Mijn studenten zouden er niets op tegen hebben wanneer de Nachtwacht naar het Louvre verhuist.’ Karel Loeff, directeur Erfgoedvereniging Heemschut, vond dat zijn collega’s en hij met het oog op draagvlak als erfgoedprofessionals het debat met de eigen omgeving moeten aangaan. ‘Misschien dat vervolgens bij ambtenaren vroeg of laat het kwartje valt’, want van de overheid valt vooralsnog weinig te verwachten, viel hij Bazelmans bij. ‘In het Regeerakkoord van Rutte II komt het woord erfgoed simpelweg niet voor’. Maar creatieve industrie als een van de negen topsectoren wèl, vulde Lucky Belder hem aan. Belder is werkzaam als universitair docent bij het Centrum voor Intellectueel Eigendomsrecht aan de Universiteit Utrecht. De opmars van deze tak heeft toch positieve invloed op toekomstig erfgoedbeleid, vroeg ze aan Bazelmans? Die gaf toe enige moeite te hebben met beantwoording van de vraag, maar hield het erop dat de overheid in de jaren zeventig en tachtig onvoldoende oog had voor succesvolle crossovers… ‘Zelfgenoegzaamheid speelde hierbij een rol’.

Martin Berendse, directeur Nationaal Archief, legde uit dat de rijksarchieven inzetten op toegankelijkheid en de deuren voor het grote publiek hebben opengezet, maar nu worden geconfronteerd met slinkende budgetten. Zijn oplossing was pragmatisch: een aantrekkelijk basispakket bieden voor de gebruiker.

Zijlmans bracht de eigendomskwestie nog ter sprake. Geld speelt daarbij een cruciale rol. Erfgoed leeft in de maatschappij, meer dan ooit, aldus Jan Rouwendal, bijzonder hoogleraar economische waardering van erfgoed aan de VU. Aan draagvlak geen gebrek. De overheid heeft al zo veel betaald, misschien kunnen particulieren iets meer uit de eigen portemonnee bekostigen? Of misschien kan er eens een monument worden verwijderd van de lijst? Volgens Martin Berendse neemt het erfgoed enorm toe in omvang. Belangrijke vraag bij het beheersen van deze stroom is: wat is nu werkelijk beschermwaardig? De aanwijzingen lijken in beton gegoten, legde Bazelmans uit. Objecten die als monument zijn aangewezen, blijven dat tot in de eeuwigheid. Cas Smithuijsen, directeur van de Boekmanstichting, merkte op dat het overheidsbeleid ronduit star is: de Collectie Nederland is daardoor lange tijd beschouwd als een hiërarchisch gestapelde piramide. Maar in werkelijkheid heeft zij zich tot een archipel van collecties ontwikkeld. Erfgoed leeft, concludeerde Zijlmans ter afronding van het debat. Maar wie zich voor dat leven in de toekomst verantwoordelijk voelt is ook na dit debat verre van gewis.
Jack van der Leden

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen