Alweer een week geleden was in Groningen de jaarlijkse bijeenkomst van iedereen die in Nederland iets met popmuziek te maken heeft. Eurosonic/Noorderslag was toe aan haar 25e editie en heeft ook internationaal een steeds belangrijkere positie weten te verwerven. Elk jaar staat het Eurosonic festival voor aanstormend talent in het teken van een land. De bands die optreden zijn niet alleen interessant voor de Nederlandse programmeurs en platenbonzen, maar net zo goed voor hun buitenlandse collega’s. Er zijn dan ook steeds meer vertegenwoordigers uit buurlanden als Duitsland en België bij de optredens en seminars aanwezig. Ontstaan als een festival waar Nederlandse bands het tegen hun Belgische collega’s opnemen, is Eurosonic/Noorderslag inmiddels een vierdaags evenement, waar niemand uit de popsector meer om heen kan.
Zoals elk jaar zijn er overdag seminars waarin diverse actuele zaken aan de orde komen. De duur van zo’n seminar is een uur, gevolgd door een half uur pauze, waarin aardig wat genetwerkt en bijgekletst wordt. Na zo’n lang weekend Groningen ben je weer helemaal op de hoogte, zowel van wat er zich allemaal achter de schermen als op het podium afspeelt. De conferentiegids is elk jaar dikker en het is dan ook een heel gepuzzel om te bepalen waar je naar toe wilt en waar je uiteindelijk naar toe kunt. Zoals elk jaar concentreer ik me zoveel mogelijk op de beleidsgerelateerde onderwerpen, en probeer daarnaast ook nog een beetje de ontwikkelingen in de muziekindustrie te volgen.
Donderdag stond, zoals ook voorgaande jaren, deels in het teken van het gemeentelijk beleid. Waar het in het verleden nog wel eens moeilijk was om gemeentelijke ambtenaren in het popbeleid te interesseren, is het nu geen probleem de kleine zaal in de Oosterpoort drie uur achtereen te vullen. Het zijn ook steeds minder de gefrustreerde muzikanten die het woord vragen om ambtenaren om uitleg te vragen, maar meer de ambtenaren of medewerkers van een poppodium die geïnteresseerd zijn in het succesverhaal van een ander.
Het verhaal van Gerard Marlet zal de Boekmanlezer inmiddels bekend in de oren klinken. Ook in de Oosterpoort legde hij het belang van de aanwezigheid van (pop)podia voor de aantrekkelijkheid van een stad uit. Een logisch verhaal en een reden te meer om toch vooral niet op lokaal niveau op de podiumkunsten te bezuinigen. Het daar op volgende panel stonden twee steden centraal: Rotterdam en Den Haag. In Rotterdam wil het maar niet lukken om een goede podiuminfrastructuur op te bouwen. De gemeente zag eerst Nighttown ten onder gaan en niet lang daarna volgde ook het iets kleinere Watt. Een aderlating voor een levende popscene die de gemeente voorlopig tracht op te lossen door een budget uit te trekken om het andere podia en locaties mogelijk te maken popmuziek te programmeren. Den Haag pakt het voortvarender aan, daar is popmuziek het uithangbord waar de stad zich mee profileert. Citymarketeer en hoofd kunsten lichtten hun aanwezigheid als stad op het Amerikaanse festival South By South West toe. Daarnaast proberen ze via bands hun naamsbekendheid te vergroten. Zoals Bono van U2 bij aanvang van elk optreden het publiek verwelkomt met de tekst ‘We’re U2 from Dublin’, zo ziet de marketingafdeling van Den Haag dat Kane of Anouk ook graag doen. Verrassende uitkomsten waren er ook bij het panel Muziekwinkels. Zijn ze er nog? Zo blijkt de verkoop van cd’s (en lp’s) artiesten toch nog van de meeste inkomsten te voorzien. Digitale downloads zijn voor niet meer dan 7% van de omzet verantwoordelijk. Het is niet echt als verrassing te zien dat winkels die zich meer in randgenres specialiseren meer overlevingskansen hebben dan de grote zaken die zich op de mainstream popmuziek richten. Al is ook Plato gedwongen meer randartikelen als boeken en dvd’s te gaan verkopen om de inkomsten op peil te houden.
Voor vrijdag had ik een aantal internationale panels uitgekozen. Allereerst was dat Less tours, less tickets. Optredens worden door de dalende cd-verkoop steeds belangrijker voor inkomsten. Alhoewel de inkomsten uit optredens vooralsnog stijgen, daalt het aantal geprogrammeerde optredens op podia en festivals. Conclusie: de prijzen van kaartjes gaan omhoog. In een levendige discussie probeerden organisatoren waaronder agenten en programmeurs uit Engeland, Duitsland, Zwitserland en Nederland te achterhalen hoe dit nu komt. Belangrijke afwezige in het live-circuit zijn de grote namen, die de stadions uit kunnen verkopen. Er zijn wel steeds meer bandjes, maar er is eigenlijk niemand meer die tot het segment van publiekstrekkers als The Rolling Stones of Bon Jovi (de grootste verdieners in het internationale circuit) door kunnen dringen.
Dezelfde dag stonden ook interviews op het programma met coryfeeën als Fred Goodman (wiens Fortune’s Fool in het voorjaarsnummer door Gijsbert Kamer wordt besproken) en blogger Bob Lefsetz. Goodman hield een mooi en interessant verhaal over Edgar Bronfman, Jr. die zich koste wat kost in de muziekindustrie wilde doen gelden en bedenker van de zogenaamde 360 graden deals. Bob Lefsetz sloot de dag af zoals alleen hij dat kan. Wie zijn blogs leest weet je wat van hem kunt verwachten. Aan de hand van een rad van fortuin met daarop verschillende onderwerpen, vulde spraakwaterval Lefsetz met gemak zijn uur zonder een moment te vervelen. Onderwerpen die revue passeerden: advocaten, spotify, Justin Bieber, downloads. Hij maakte niet uit wat er gedraaid werd, Lefsetz hoefde niet na te denken, maar begon direct zijn verhaal. Een enerverend onderdeel waar je gelouterd de zaal weer verliet in afwachting van mans blogs. Tussendoor was er nog een lezing van Arno Prins van onderzoeksbureau MusicResearch.nl. Hij hield een verhaal over het onderzoek dat hij doet naar bijvoorbeeld muzieksmaken van verschillende leeftijdsgroepen en in verschillende delen van het land. De gegevens van dit soort onderzoek zijn niet alleen bruikbaar voor podia bij hun programmering, maar kunnen ook aan de wethouder overlegd worden als onderbouwing van het belang van een poppodium.
De laatste dag koos ik voor een panel over de succesvolle inzet van sociale media. Niels Aalberts van Eerste Hulp bij Plaatopnamen (EHPO) deed uit de doeken hoe je sociale media als twitter en facebook in kunt zetten om je product succesvol op de markt te zetten. Bas Kennis (bassist bij Bløf) en Bram de Wijs (drummer en de helft van het management van Only Seven Left) vulden het verhaal van Aalberts aan met praktijkvoorbeelden. Zo vertelde Kennis dat Bløf binnen afzienbare tijd twee keer de site van nu.nl haalde dankzij tweets van de chauffeur dat de vrachtwagen vast zat en van een onbekende die een grap uithaalde door het bericht de wereld in te sturen dat Bløf uit elkaar ging. Het blijkt moeilijk te voren in te schatten wat effect heeft, maar het blijkt wel van belang om je in de sociale media te storten om je achterban betrokken te houden. Het panel kreeg aan het eind van de dag nog een vervolg toen Erwin Blom van The Crowd (meer dan 10.000 volgers op zijn twitteraccount!) een overzicht gaf van de recentste ontwikkelingen, gevolgd door presentaties van een aantal nieuwe diensten. Tussendoor was er nog een knullige talkshow Beleving als headliner. De gespreksleiders van Kits zonder blog brabbelden er maar wat op los en presenteerden een volslagen nietszeggend onderzoek (ze hadden 30 mensen ondervraagt en presenteerden het als belangwekkende gegevens). Het waren vooral de panelleden die op eigen kracht het onderwerp nog enigszins de moeite waard maakten. Desalniettemin was het weer erg prettig en zinvol om drie dagen bijgepraat te worden over wat er zoal in de popsector speelt, zeker als je dan met wat mooie optredens kunt besluiten.
André Nuchelmans
Het laatste nieuws van de redactie van Boekman en medewerkers van de Boekmanstichting op het gebied van symposia, benoemingen, promoties, publicaties.
Posts tonen met het label festivals. Alle posts tonen
Posts tonen met het label festivals. Alle posts tonen
donderdag 20 januari 2011
vrijdag 18 juni 2010
Boekmandebat: International festival co-operation: a must in many ways.
Naar aanleiding van het verschijnen van het zomernummer van Boekman (83) met als thema festivals organiseerde de Boekmanstichting samen met het Holland Festival en CultuurCollege op 15 juni in Carré een debat over internationale coproducties op festivals.
Cas Smithuijsen, directeur van de Boekmanstichting en auteur van de epiloog in het festivalnummer van Boekman, hield een inleiding over de internationalisering van het kunstfestivalbestel en het gebrek aan financiële ondersteuning van artistieke coproducties vanuit de Europese Unie (EU). Waar het bijvoorbeeld bij het ontwikkelen van de Airbus wel vanzelfsprekend was dat daar vanuit de EU gelden naar toe gaan, is dat bij internationale samenwerking binnen Europa door kunstfestivals nog lang niet normaal. Dergelijke samenwerkingsverbanden zijn steeds gebruikelijker, terwijl de financiering daarvan door de EU door allerlei regelgeving beperkt wordt. Hij pleitte voor een opwaardering van de factor artistiek hoogwaardige kwaliteit binnen de regelgeving, waardoor financiële ondersteuning vanuit de EU voor hoogwaardige coproducties van kunstfestivals mogelijk wordt. Die zijn niet alleen een visitekaartje binnen Europa maar ook daarbuiten. De volledige lezing van Smithuijsen is te vinden op de site van de Boekmanstichting.
Na deze inleiding stelde moderator Constant Meijers (hoofdredacteur TM) de festivaldirecteuren die aan het debat deelnamen voor. Op het podium zaten Annet Lekkerkerker (Holland Festival), Loughlin Deegan (Ulster Bank Dublin Theatre Festival) en Erik Söderblom (Helsinki International Festival). Onderwerp van gesprek was nut en noodzaak van internationale festivalsamenwerking. Meijers viel direct met de deur in huis en vroeg de directies naar die noodzaak. Lekkerkerker gaf aan dat het zonder internationale samenwerking niet meer lukt om bepaalde producties mogelijk te maken. Ze zijn gewoonweg te duur geworden voor één festival. Daarnaast zijn er ook artistieke redenen om door samenwerkingsprojecten nieuwe ontwikkelingen een kans te geven. Deegan vulde hierop aan, dat festivals pas na de Tweede Wereldoorlog zijn ontstaan als een soort van artistieke Marshallhulp, de reden om samenwerking was destijds dus ook ideologisch. Vanuit Helsinki wordt het daarnaast gezien als een mogelijkheid om te netwerken en een internationale markt te bereiken. Söderblom positioneerde zich tijdens het debat enigszins geïsoleerd aan de rand van Europa, waarbij het belang van internationale samenwerking zich vooral manifesteert in een groter internationaal aanbod in Finland. Daarnaast kunnen Finse acteurs op die manier ook internationale kennis en ervaring vergaren. Meijers vatte het samen als noodzakelijk voor distributie en zichtbaarheid.
Logische volgende vraag was of er eigenlijk wel sprake is van een Europese identiteit, een wij-gevoel? Lekkerkerker haalde Prinses Máxima aan die zei dat er niet één Nederlandse identiteit is, maar vele. Van een Europese identiteit kan dan evenmin sprake zijn. Het ligt er maar aan van waaruit je het bekijkt riposteerde Deegan. Als hij in Azië is, voelt hij zich Europeaan en in Frankrijk is hij meer Ier. Kunst ontstaat toch altijd op lokaal niveau, voegde Söderblom daar aan toe. Maar het kan net als de airbus opstijgen en zo internationale uitstraling krijgen. Kunstenaars zijn over het algemeen ook erg mobiel, aldus Lekkerkerker. Zij vestigen zich relatief vaak buiten hun geboorteland en verenigen zo verschillende identiteiten. Ze werken bovendien vaak samen met buitenlandse collegae. Toch spelen je jeugdervaringen daar vaak een belangrijke rol in, volgens Söderberg. Deegan relativeerde dit door er op te wijzen dat je in het kunstonderwijs al geconfronteerd wordt met internationale grootheden. Maar het is wel degelijk gebruikelijk dat kunstenaars zich in het lokale kunstklimaat ontwikkelen, om vervolgens de sprong naar het internationale podium te maken. Vanuit de zaal reageerde Alex de Vries, zelfstandig auteur, curator en adviseur. Hij zei dat dit groeimodel misschien wel binnen de podiumkunsten van kracht is, maar zeker niet binnen de beeldende kunst. Daar kun je niet bepaald spreken van een eenduidige lokale voedingsbodem. Eigenlijk is kunst niet plaatsgebonden, ‘Home is not where the art is, but where the money is’, aldus Deegan. Bovendien is Europa soms al een te kleine eenheid en zijn kunstenaars ook daar al over de grenzen actief. Hij benadrukte ook het belang van internationale coproducties als een soort Research & Development omgeving. Het doel is om excellentie te creëren, alleen het beste en meest uitdagende is goed genoeg. Doordat een internationale coproductie zich ten taak stelt om internationaal de juiste mensen te vinden, leidt dit ook tot hoogstaande producties die voor elk nationaal publiek exotisch zijn, vulde Söderberg aan. Hij voegde daar aan toe dat in Finland alles wat Europees is, nog steeds exotisch aanvoelt.
Toch proefde Meijers al een aanzet tot een prototype coproductie. Met name de Belgen, bijvoorbeeld Alain Platel en Jan Fabre, zijn daar succesvol in. Het zijn dan vooral voorstellingen met weinig tekst en veel beweging en muziek. Kun je dan nog spreken van excelleren? Dat vond Lekkerkerker een aparte en cynische manier om het te bekijken. Zij had niet idee dat het vertrekpunt bij die succesvolle producties is om een zo groot mogelijk (Europees) publiek aan te spreken, maar dat het artistieke overtuigingen van de makers zijn die daar aan ten grondslag liggen. Daar sloten de andere directeuren zich bij aan. De makers willen het in die vorm maken en dat blijkt een divers publiek aan te spreken. Daarnaast vraagt de internationale markt om kunst die aan bepaalde kenmerken voldoet. Het uitgangspunt is echter altijd de kunstenaar die iets wil vertellen. Toch gaf Lekkerkerker toe dat het vullen van de zaal een niet te onderschatten en soms zeer moeilijk opdracht voor de organisatie is, vooral als het onbekender werk betreft of minder toegankelijke producties.
Maar, vroeg Meijers de directeuren, hoe werkt dat dan bij de EU?. Ze constateerden allen een grote mate van bureaucratie die een enorme drempel opwerpt. Daarbij zijn de Europese subsidies nog erg gericht op Europa zelf en niet op de presentatie van Europa over zijn grenzen. Bovendien blijken regelingen altijd gericht op een specifiek bijeffect: kunst als middel tot integratie. Uitgangspunt moet de kunst zelf zijn, niet kunst als middel ter bereiking van en of ander sociaal doel.
Söderberg benadrukte nogmaals dat kunst het best gedijt op lokaal niveau. Hoe houdt je Europese subsidies open voor dergelijke kleinschalige, vaak nog onbekende initiatieven? Dat is nu juist de rol van festivals, reageerde Lekkerkerker. Zij kunnen kleine en grote initiatieven aan elkaar verbinden of naast elkaar programmeren. Deegan zag het belang van de EU vooral in het faciliteren van de mobiliteit binnen Europa. Dat hoeft niet per se door fondsen en subsidies, maar kan ook door het harmoniseren van belastingtarieven en –regelgeving (hierover sprak hij lovend, want dat is inmiddels op Europees niveau al bewerkstelligd). Söderberg herkende hierin het grote onderscheid tussen kunst en politiek. Politiek gaat toch vooral om macht, terwijl kunst van nature veel meer organisch is. De huidige tijd vraagt een hybride tussenvorm, aldus Söderblom. Er moet een intensievere samenwerking komen tussen politieke macht en organische gegroeide kunstinitiatieven: vanuit de kunsten omhoog en top down vanuit de politiek. De nieuwe generatie kunstenaars is sowieso al veel meer internationaal georiënteerd dan de voorgaande.
Pim Fenger, onafhankelijke adviseur, merkte vanuit de zaal op dat het in de Europese dimensie dan om vier punten gaat. Allereerst de kunstvakopleidingen die EU Higher Eduction Mobility schema’s hebben. Daarnaast in de infrastructuur door samenwerking op organisatorisch en facilitair niveau (vergelijkbaar met het Airbusproject). Vervolgens door coöperatie als beginsel te nemen, zoals in het Kaderprogramma voor Cultuur. En tot slot door het beginsel om excellentie te stimuleren en te belonen. Hij verwees naar de situatie van onderzoek waarbij de EU excellent onderzoek stimuleert met subsidies die door een onderzoeksraad worden verdeeld.
Tot slot informeerde Meijers naar het nut van een Europees initiatief als de culturele hoofdstad. De directies waren het er over eens dat dat in de huidige vorm eerder slecht dan goed voor de Europese gedachte is. In het begin had het nog wel een Europese uitstraling, tegenwoordig is het eerder fnuikend dan stimulerend voor de internationale uitstraling van een stad.
André Nuchelmans
Cas Smithuijsen, directeur van de Boekmanstichting en auteur van de epiloog in het festivalnummer van Boekman, hield een inleiding over de internationalisering van het kunstfestivalbestel en het gebrek aan financiële ondersteuning van artistieke coproducties vanuit de Europese Unie (EU). Waar het bijvoorbeeld bij het ontwikkelen van de Airbus wel vanzelfsprekend was dat daar vanuit de EU gelden naar toe gaan, is dat bij internationale samenwerking binnen Europa door kunstfestivals nog lang niet normaal. Dergelijke samenwerkingsverbanden zijn steeds gebruikelijker, terwijl de financiering daarvan door de EU door allerlei regelgeving beperkt wordt. Hij pleitte voor een opwaardering van de factor artistiek hoogwaardige kwaliteit binnen de regelgeving, waardoor financiële ondersteuning vanuit de EU voor hoogwaardige coproducties van kunstfestivals mogelijk wordt. Die zijn niet alleen een visitekaartje binnen Europa maar ook daarbuiten. De volledige lezing van Smithuijsen is te vinden op de site van de Boekmanstichting.
Na deze inleiding stelde moderator Constant Meijers (hoofdredacteur TM) de festivaldirecteuren die aan het debat deelnamen voor. Op het podium zaten Annet Lekkerkerker (Holland Festival), Loughlin Deegan (Ulster Bank Dublin Theatre Festival) en Erik Söderblom (Helsinki International Festival). Onderwerp van gesprek was nut en noodzaak van internationale festivalsamenwerking. Meijers viel direct met de deur in huis en vroeg de directies naar die noodzaak. Lekkerkerker gaf aan dat het zonder internationale samenwerking niet meer lukt om bepaalde producties mogelijk te maken. Ze zijn gewoonweg te duur geworden voor één festival. Daarnaast zijn er ook artistieke redenen om door samenwerkingsprojecten nieuwe ontwikkelingen een kans te geven. Deegan vulde hierop aan, dat festivals pas na de Tweede Wereldoorlog zijn ontstaan als een soort van artistieke Marshallhulp, de reden om samenwerking was destijds dus ook ideologisch. Vanuit Helsinki wordt het daarnaast gezien als een mogelijkheid om te netwerken en een internationale markt te bereiken. Söderblom positioneerde zich tijdens het debat enigszins geïsoleerd aan de rand van Europa, waarbij het belang van internationale samenwerking zich vooral manifesteert in een groter internationaal aanbod in Finland. Daarnaast kunnen Finse acteurs op die manier ook internationale kennis en ervaring vergaren. Meijers vatte het samen als noodzakelijk voor distributie en zichtbaarheid.
Logische volgende vraag was of er eigenlijk wel sprake is van een Europese identiteit, een wij-gevoel? Lekkerkerker haalde Prinses Máxima aan die zei dat er niet één Nederlandse identiteit is, maar vele. Van een Europese identiteit kan dan evenmin sprake zijn. Het ligt er maar aan van waaruit je het bekijkt riposteerde Deegan. Als hij in Azië is, voelt hij zich Europeaan en in Frankrijk is hij meer Ier. Kunst ontstaat toch altijd op lokaal niveau, voegde Söderblom daar aan toe. Maar het kan net als de airbus opstijgen en zo internationale uitstraling krijgen. Kunstenaars zijn over het algemeen ook erg mobiel, aldus Lekkerkerker. Zij vestigen zich relatief vaak buiten hun geboorteland en verenigen zo verschillende identiteiten. Ze werken bovendien vaak samen met buitenlandse collegae. Toch spelen je jeugdervaringen daar vaak een belangrijke rol in, volgens Söderberg. Deegan relativeerde dit door er op te wijzen dat je in het kunstonderwijs al geconfronteerd wordt met internationale grootheden. Maar het is wel degelijk gebruikelijk dat kunstenaars zich in het lokale kunstklimaat ontwikkelen, om vervolgens de sprong naar het internationale podium te maken. Vanuit de zaal reageerde Alex de Vries, zelfstandig auteur, curator en adviseur. Hij zei dat dit groeimodel misschien wel binnen de podiumkunsten van kracht is, maar zeker niet binnen de beeldende kunst. Daar kun je niet bepaald spreken van een eenduidige lokale voedingsbodem. Eigenlijk is kunst niet plaatsgebonden, ‘Home is not where the art is, but where the money is’, aldus Deegan. Bovendien is Europa soms al een te kleine eenheid en zijn kunstenaars ook daar al over de grenzen actief. Hij benadrukte ook het belang van internationale coproducties als een soort Research & Development omgeving. Het doel is om excellentie te creëren, alleen het beste en meest uitdagende is goed genoeg. Doordat een internationale coproductie zich ten taak stelt om internationaal de juiste mensen te vinden, leidt dit ook tot hoogstaande producties die voor elk nationaal publiek exotisch zijn, vulde Söderberg aan. Hij voegde daar aan toe dat in Finland alles wat Europees is, nog steeds exotisch aanvoelt.
Toch proefde Meijers al een aanzet tot een prototype coproductie. Met name de Belgen, bijvoorbeeld Alain Platel en Jan Fabre, zijn daar succesvol in. Het zijn dan vooral voorstellingen met weinig tekst en veel beweging en muziek. Kun je dan nog spreken van excelleren? Dat vond Lekkerkerker een aparte en cynische manier om het te bekijken. Zij had niet idee dat het vertrekpunt bij die succesvolle producties is om een zo groot mogelijk (Europees) publiek aan te spreken, maar dat het artistieke overtuigingen van de makers zijn die daar aan ten grondslag liggen. Daar sloten de andere directeuren zich bij aan. De makers willen het in die vorm maken en dat blijkt een divers publiek aan te spreken. Daarnaast vraagt de internationale markt om kunst die aan bepaalde kenmerken voldoet. Het uitgangspunt is echter altijd de kunstenaar die iets wil vertellen. Toch gaf Lekkerkerker toe dat het vullen van de zaal een niet te onderschatten en soms zeer moeilijk opdracht voor de organisatie is, vooral als het onbekender werk betreft of minder toegankelijke producties.
Maar, vroeg Meijers de directeuren, hoe werkt dat dan bij de EU?. Ze constateerden allen een grote mate van bureaucratie die een enorme drempel opwerpt. Daarbij zijn de Europese subsidies nog erg gericht op Europa zelf en niet op de presentatie van Europa over zijn grenzen. Bovendien blijken regelingen altijd gericht op een specifiek bijeffect: kunst als middel tot integratie. Uitgangspunt moet de kunst zelf zijn, niet kunst als middel ter bereiking van en of ander sociaal doel.
Söderberg benadrukte nogmaals dat kunst het best gedijt op lokaal niveau. Hoe houdt je Europese subsidies open voor dergelijke kleinschalige, vaak nog onbekende initiatieven? Dat is nu juist de rol van festivals, reageerde Lekkerkerker. Zij kunnen kleine en grote initiatieven aan elkaar verbinden of naast elkaar programmeren. Deegan zag het belang van de EU vooral in het faciliteren van de mobiliteit binnen Europa. Dat hoeft niet per se door fondsen en subsidies, maar kan ook door het harmoniseren van belastingtarieven en –regelgeving (hierover sprak hij lovend, want dat is inmiddels op Europees niveau al bewerkstelligd). Söderberg herkende hierin het grote onderscheid tussen kunst en politiek. Politiek gaat toch vooral om macht, terwijl kunst van nature veel meer organisch is. De huidige tijd vraagt een hybride tussenvorm, aldus Söderblom. Er moet een intensievere samenwerking komen tussen politieke macht en organische gegroeide kunstinitiatieven: vanuit de kunsten omhoog en top down vanuit de politiek. De nieuwe generatie kunstenaars is sowieso al veel meer internationaal georiënteerd dan de voorgaande.
Pim Fenger, onafhankelijke adviseur, merkte vanuit de zaal op dat het in de Europese dimensie dan om vier punten gaat. Allereerst de kunstvakopleidingen die EU Higher Eduction Mobility schema’s hebben. Daarnaast in de infrastructuur door samenwerking op organisatorisch en facilitair niveau (vergelijkbaar met het Airbusproject). Vervolgens door coöperatie als beginsel te nemen, zoals in het Kaderprogramma voor Cultuur. En tot slot door het beginsel om excellentie te stimuleren en te belonen. Hij verwees naar de situatie van onderzoek waarbij de EU excellent onderzoek stimuleert met subsidies die door een onderzoeksraad worden verdeeld.
Tot slot informeerde Meijers naar het nut van een Europees initiatief als de culturele hoofdstad. De directies waren het er over eens dat dat in de huidige vorm eerder slecht dan goed voor de Europese gedachte is. In het begin had het nog wel een Europese uitstraling, tegenwoordig is het eerder fnuikend dan stimulerend voor de internationale uitstraling van een stad.
André Nuchelmans
Labels:
coproducties,
europa,
europese unie,
festivals,
samenwerking,
subsidies,
verslag
Abonneren op:
Reacties (Atom)