donderdag 20 januari 2011

Eurosonic/Noorderslag 2011

Alweer een week geleden was in Groningen de jaarlijkse bijeenkomst van iedereen die in Nederland iets met popmuziek te maken heeft. Eurosonic/Noorderslag was toe aan haar 25e editie en heeft ook internationaal een steeds belangrijkere positie weten te verwerven. Elk jaar staat het Eurosonic festival voor aanstormend talent in het teken van een land. De bands die optreden zijn niet alleen interessant voor de Nederlandse programmeurs en platenbonzen, maar net zo goed voor hun buitenlandse collega’s. Er zijn dan ook steeds meer vertegenwoordigers uit buurlanden als Duitsland en België bij de optredens en seminars aanwezig. Ontstaan als een festival waar Nederlandse bands het tegen hun Belgische collega’s opnemen, is Eurosonic/Noorderslag inmiddels een vierdaags evenement, waar niemand uit de popsector meer om heen kan.

Zoals elk jaar zijn er overdag seminars waarin diverse actuele zaken aan de orde komen. De duur van zo’n seminar is een uur, gevolgd door een half uur pauze, waarin aardig wat genetwerkt en bijgekletst wordt. Na zo’n lang weekend Groningen ben je weer helemaal op de hoogte, zowel van wat er zich allemaal achter de schermen als op het podium afspeelt. De conferentiegids is elk jaar dikker en het is dan ook een heel gepuzzel om te bepalen waar je naar toe wilt en waar je uiteindelijk naar toe kunt. Zoals elk jaar concentreer ik me zoveel mogelijk op de beleidsgerelateerde onderwerpen, en probeer daarnaast ook nog een beetje de ontwikkelingen in de muziekindustrie te volgen.

Donderdag stond, zoals ook voorgaande jaren, deels in het teken van het gemeentelijk beleid. Waar het in het verleden nog wel eens moeilijk was om gemeentelijke ambtenaren in het popbeleid te interesseren, is het nu geen probleem de kleine zaal in de Oosterpoort drie uur achtereen te vullen. Het zijn ook steeds minder de gefrustreerde muzikanten die het woord vragen om ambtenaren om uitleg te vragen, maar meer de ambtenaren of medewerkers van een poppodium die geïnteresseerd zijn in het succesverhaal van een ander.
Het verhaal van Gerard Marlet zal de Boekmanlezer inmiddels bekend in de oren klinken. Ook in de Oosterpoort legde hij het belang van de aanwezigheid van (pop)podia voor de aantrekkelijkheid van een stad uit. Een logisch verhaal en een reden te meer om toch vooral niet op lokaal niveau op de podiumkunsten te bezuinigen. Het daar op volgende panel stonden twee steden centraal: Rotterdam en Den Haag. In Rotterdam wil het maar niet lukken om een goede podiuminfrastructuur op te bouwen. De gemeente zag eerst Nighttown ten onder gaan en niet lang daarna volgde ook het iets kleinere Watt. Een aderlating voor een levende popscene die de gemeente voorlopig tracht op te lossen door een budget uit te trekken om het andere podia en locaties mogelijk te maken popmuziek te programmeren. Den Haag pakt het voortvarender aan, daar is popmuziek het uithangbord waar de stad zich mee profileert. Citymarketeer en hoofd kunsten lichtten hun aanwezigheid als stad op het Amerikaanse festival South By South West toe. Daarnaast proberen ze via bands hun naamsbekendheid te vergroten. Zoals Bono van U2 bij aanvang van elk optreden het publiek verwelkomt met de tekst ‘We’re U2 from Dublin’, zo ziet de marketingafdeling van Den Haag dat Kane of Anouk ook graag doen. Verrassende uitkomsten waren er ook bij het panel Muziekwinkels. Zijn ze er nog? Zo blijkt de verkoop van cd’s (en lp’s) artiesten toch nog van de meeste inkomsten te voorzien. Digitale downloads zijn voor niet meer dan 7% van de omzet verantwoordelijk. Het is niet echt als verrassing te zien dat winkels die zich meer in randgenres specialiseren meer overlevingskansen hebben dan de grote zaken die zich op de mainstream popmuziek richten. Al is ook Plato gedwongen meer randartikelen als boeken en dvd’s te gaan verkopen om de inkomsten op peil te houden.

Voor vrijdag had ik een aantal internationale panels uitgekozen. Allereerst was dat Less tours, less tickets. Optredens worden door de dalende cd-verkoop steeds belangrijker voor inkomsten. Alhoewel de inkomsten uit optredens vooralsnog stijgen, daalt het aantal geprogrammeerde optredens op podia en festivals. Conclusie: de prijzen van kaartjes gaan omhoog. In een levendige discussie probeerden organisatoren waaronder agenten en programmeurs uit Engeland, Duitsland, Zwitserland en Nederland te achterhalen hoe dit nu komt. Belangrijke afwezige in het live-circuit zijn de grote namen, die de stadions uit kunnen verkopen. Er zijn wel steeds meer bandjes, maar er is eigenlijk niemand meer die tot het segment van publiekstrekkers als The Rolling Stones of Bon Jovi (de grootste verdieners in het internationale circuit) door kunnen dringen.
Dezelfde dag stonden ook interviews op het programma met coryfeeën als Fred Goodman (wiens Fortune’s Fool in het voorjaarsnummer door Gijsbert Kamer wordt besproken) en blogger Bob Lefsetz. Goodman hield een mooi en interessant verhaal over Edgar Bronfman, Jr. die zich koste wat kost in de muziekindustrie wilde doen gelden en bedenker van de zogenaamde 360 graden deals. Bob Lefsetz sloot de dag af zoals alleen hij dat kan. Wie zijn blogs leest weet je wat van hem kunt verwachten. Aan de hand van een rad van fortuin met daarop verschillende onderwerpen, vulde spraakwaterval Lefsetz met gemak zijn uur zonder een moment te vervelen. Onderwerpen die revue passeerden: advocaten, spotify, Justin Bieber, downloads. Hij maakte niet uit wat er gedraaid werd, Lefsetz hoefde niet na te denken, maar begon direct zijn verhaal. Een enerverend onderdeel waar je gelouterd de zaal weer verliet in afwachting van mans blogs. Tussendoor was er nog een lezing van Arno Prins van onderzoeksbureau MusicResearch.nl. Hij hield een verhaal over het onderzoek dat hij doet naar bijvoorbeeld muzieksmaken van verschillende leeftijdsgroepen en in verschillende delen van het land. De gegevens van dit soort onderzoek zijn niet alleen bruikbaar voor podia bij hun programmering, maar kunnen ook aan de wethouder overlegd worden als onderbouwing van het belang van een poppodium.

De laatste dag koos ik voor een panel over de succesvolle inzet van sociale media. Niels Aalberts van Eerste Hulp bij Plaatopnamen (EHPO) deed uit de doeken hoe je sociale media als twitter en facebook in kunt zetten om je product succesvol op de markt te zetten. Bas Kennis (bassist bij Bløf) en Bram de Wijs (drummer en de helft van het management van Only Seven Left) vulden het verhaal van Aalberts aan met praktijkvoorbeelden. Zo vertelde Kennis dat Bløf binnen afzienbare tijd twee keer de site van nu.nl haalde dankzij tweets van de chauffeur dat de vrachtwagen vast zat en van een onbekende die een grap uithaalde door het bericht de wereld in te sturen dat Bløf uit elkaar ging. Het blijkt moeilijk te voren in te schatten wat effect heeft, maar het blijkt wel van belang om je in de sociale media te storten om je achterban betrokken te houden. Het panel kreeg aan het eind van de dag nog een vervolg toen Erwin Blom van The Crowd (meer dan 10.000 volgers op zijn twitteraccount!) een overzicht gaf van de recentste ontwikkelingen, gevolgd door presentaties van een aantal nieuwe diensten. Tussendoor was er nog een knullige talkshow Beleving als headliner. De gespreksleiders van Kits zonder blog brabbelden er maar wat op los en presenteerden een volslagen nietszeggend onderzoek (ze hadden 30 mensen ondervraagt en presenteerden het als belangwekkende gegevens). Het waren vooral de panelleden die op eigen kracht het onderwerp nog enigszins de moeite waard maakten. Desalniettemin was het weer erg prettig en zinvol om drie dagen bijgepraat te worden over wat er zoal in de popsector speelt, zeker als je dan met wat mooie optredens kunt besluiten.

André Nuchelmans

woensdag 19 januari 2011

Talk of the Town. Beyond black box & white cube


In Pakhuis de Zwijger in Amsterdam vond dinsdagavond 18 januari een drukbezocht debat plaats binnen de reeks Talk of the Town. Stoelen moesten worden bijgesleept, desondanks kon niet iedereen plaatsnemen. Op het programma stond de presentatie van en discussie over de publicatie ‘Beyond black box & white cube. Hoe we onze musea en theaters kunnen vernieuwen’ van Johan Idema en Roel van Herpt, werkzaam bij adviesbureau LAgroup. Veel musea en theaters die de laatste jaren in Nederland zijn gebouwd zien er uit als zwarte en witte dozen, als bunkers, ze zijn introvert en niet-laagdrempelig, legde Idema in zijn presentatie uit. Cultuurgebouwen zouden juist aantrekkelijker, laagdrempeliger en veelzijdiger moeten zijn. Vooral nu de legitimatie voor cultuursubsidies afneemt mogen ze de aansluiting met het publiek niet verliezen, benadrukte hij terecht. Aan de hand van beelden op grote projectieschermen gaf hij een heldere toelichting op zes criteria of voorstellen, die de auteurs in het boek uitwerken, ter verbetering van ‘gesloten’ gebouwen. Deze voorstellen benadrukken dat de architectuur van het gebouw moet laten zien wat het museum of theater te bieden heeft, dat het voor publiek prettig moet zijn om in het gebouw te verblijven, dat het gebouw meer dan één functie heeft, dat het vooral transparant is, open en licht, dat het gebouw als theater/museum herkenbaar is en dat het past in de omgeving. Vernieuwing is werkelijk urgent, riep Idema, want de kunsten, het publiek, de techniek, de architectuur veranderen ook. Gebouwen mogen daar niet op achter blijven. 'Het kan in het buitenland, waarom dan niet hier?' Gespreksleider Ruben Maes vroeg hem of Amsterdam misschien voorbeelden kent van ‘ideale’ cultuurgebouwen die voldoen aan de zes criteria. Wellicht het Nieuwe DeLaMar Theater? Idema reageerde voorzichtig, maar oordeelde toch negatief over het theatergebouw. ‘Je kunt van binnen niet naar buiten kijken, en van buiten kun je niet zien wat er binnen gebeurt’, aldus Idema. En de nieuwe entree van de Stadsschouwburg is weliswaar aangenaam, maar teveel een horecagebeuren.

Sandra den Hamer, directeur van het EYE Filminstituut Nederland in Amsterdam-Noord, schoof aan op het podium. Zij gaf een toelichting op de bijna voltooide nieuwbouw op het voormalige Shell-terrein. Idema was enthousiast over het gebouw, ‘het voldoet maar liefst aan vier van de zes criteria’, maar ook kritisch. Hij noemde de buitenkant van het gebouw introvert, gesloten als een oester. Den Hamer vond ‘oester’ geen naar woord, het bleek zelfs een gangbare metafoor te zijn voor het gebouw! Zij betreurde de nadruk op de vorm in het betoog van Idema en het gebrek aan aandacht voor de inhoud. ‘De inhoud is toch het allerbelangrijkste’. Maar ze had wel degelijk oog voor de nadelen van de vorm. Die noemde ze ‘dwingend’, want geen muur is recht, 'en dat is niet praktisch', en de architect is bovendien vergeten de horecaruimte van een opslagruimte te voorzien…

De volgende gasten die aanschoven waren Patrick van Mil (zakelijk directeur Stedelijk Museum) en Mels Crouwel (architect van het vernieuwde onderkomen aan het Museumplein). Crouwel was het met Den Hamer eens over de vorm/inhoud kwestie. Zelfs wanneer een gebouw voldoet aan de zes criteria van Idema wil dat bovendien nog niet zeggen dat je een ideaal gebouw hebt. Van Mil viel hem bij. Hij kent museumgebouwen die zeer transparant zijn, met veel prachtige raamoppervlakken, maar die een regelrechte ramp zijn voor personeel, collectie en publiek. Kortom, een recept voor een volledig geslaagd gebouw bestaat niet. Crouwel vond bovendien dat Idema en Van Herpt verder in de toekomst hadden moeten kijken, in plaats van zich te baseren op de bouwpraktijk van de afgelopen vijf jaar. Belangrijk noemde hij de veranderbaarheid van een gebouw, de mate waarin het gebouw kan worden aangepast aan nieuwe wensen. Het in de zaal geopperde plan om een rijksschouwburgcommissie in het leven te roepen (in het verleden bedacht, maar nooit gerealiseerd) vond geen weerklank op het podium. Het VSCD heeft overigens al een commissie die adviezen geeft, merkte een medewerkster van de vereniging in de zaal op.

Tot slot van de discussie werd nog eens door Idema benadrukt dat cultuurgebouwen, net als de programmering, een belangrijke functie hebben in het aantrekken van publiek. Daar was iedereen het over eens. Na een flitsende, maar te snelle diapresentatie van DUS Architects door Hans Vermeulen, kreeg Maarten Kloos (ARCAM) het slotwoord. Hij noemde de publicatie niets minder dan een ‘hartstikke leuk boek’, vol mooie plaatjes, dat je graag in handen neemt in de wachtkamer van de tandarts… Maar: het zet wel aan tot denken over architectuur, aldus Kloos.

Het gevoel dat het enthousiasme over de publicatie onder de aanwezigen aan het eind van de bijeenkomst minder groot was dan bij aanvang, drong zich op.



U kunt ‘Beyond the black box and the white cube’ bestellen voor € 39,50, via Lagroup Leisure Arts Consulting, www.lagroup.nl, of de betere boekhandel, ISBN 978-94-90534-02-8. U kunt het ook lenen bij de bibliotheek van de Boekmanstichting (signatuur 10-403). De bibliotheek is geopend op werkdagen van 9 tot 17 uur, zie www.boekman.nl.

Jack van der Leden

donderdag 13 januari 2011

Mecenaat en sponsoring: mogelijkheden en beperkingen

‘We gaan het vanmiddag hebben over geld, heel belangrijk in deze tijd!’ Met deze woorden opende Ruben Maes de bijeenkomst ‘Mecenaat en sponsoring: mogelijkheden en beperkingen’, dinsdag 11 januari. Gasten waren Julienne Straatman, Jonne Verburg en Renée Steenbergen. Zij hielden een korte inleiding, vervolgens legde Maes ze een aantal vragen voor en leidde de discussie met de zaal. Het MC Theater op het Westergasfabriekterrein was tot de nok gevuld met circa 250 belangstellenden. Julienne Straatman (Straatman Strategisch Advies) kreeg als eerste het woord. De relatie met het publiek is voor culturele instellingen van cruciaal belang, was de kern van haar felle betoog. Het is tijd voor zelfreflectie, herpositionering. Instellingen moeten leren aangeven wat hun meerwaarde is, zodat ook de burgers buiten de ‘inner circle’ zich meer betrokken gaan voelen. Pas dan zal de particuliere sector bereid zijn om met geld over de brug te komen. Haar adviezen aan de culturele sector: professionaliseren, strategische allianties aangaan, public relations op een hoger niveau brengen. ‘U heeft goud in handen, laat het u niet ontglippen’. Ze gaf een aantal pijnlijke voorbeelden van museumdirecteuren die de plank volledig misslaan in hun contacten met schenkers van geld en kunstvoorwerpen. Dat mag niet meer voorkomen. Weinig hoopvol was de daaropvolgende boodschap van Jonne Verburg, oud-directeur van SNS Reaalfonds. Hij legde uit dat de vermogensfondsen door de economische crisis ongeveer 30 procent van hun vermogen verloren. Konden ze in 2008 nog 3 miljard uitdelen, nu hebben ze nog maar 1 miljard euro te besteden. Aanvragen zullen daarom veel strenger beoordeeld gaan worden. De fondsen gaan daarbij wellicht, net als de overheid, naar de hoeveelheid publiek kijken. Hij sloot zich aan bij de uitspraak van Straatman over het belang voor kunstinstellingen van marketing en communicatie. Renée Steenbergen legde daarna uit dat vooral ‘kleine gevers’ door instellingen gekoesterd moeten worden. Aan ‘vrienden’ heb je niet veel, want ze brengen geen geld in het laatje, maar… het kunnen ooit gevers worden. Dus: beschouw de vriendenverenigingen als kweekvijvers. Communicatie, public relations, ook bij Steenbergen veelgehoorde begrippen. Ze drong er bij de instellingen op aan eindelijk eens te leren hoe je tactvol en vriendelijk met je geldschieters omspringt. Net als Straatman noemde ze tenenkrommende voorbeelden van instellingen die hun eigen mecenassen niet eens uitnodigen, of, erger, niet herkennen en begroeten. ‘Maar waarom toch altijd die negatieve voorbeelden’, klaagde iemand uit de zaal, ‘het zal toch ook wel eens goed gaan?’ Steenbergen reageerde fel. Feiten zijn feiten, riep ze. Wat we ook moeten leren, ging ze verder, is ‘dankjewel’ zeggen. We moeten niet alleen leren geld te vragen, maar ook na ontvangst voor de bijdrage te danken. ‘Een mecenas is geen pinautomaat’.
Josine Meurs kreeg na afloop van de bijeenkomst gelegenheid om Publiek, vereniging voor cultuur te promoten, zie www.publiek.nl.
Kunsten92 publiceert een dezer dagen een verslag van de bijeenkomst op www.kunsten92.nl
Informatie over sponsoring, mecenaat en subsidies kunt u vinden in de bibliotheek van de Boekmanstichting. Raadpleeg de online catalogus, http://boekman.nl/. U kunt de studiezaal op Herengracht 415 op werkdagen bezoeken van 9 tot 17 uur.

Jack van der Leden

woensdag 15 december 2010

Hoe verkopen we cultuur? (in tijden van besparingen)

De Commissie Cultureel Verdrag Vlaanderen – Nederland (CVN) organiseerde op dinsdag 14 december in de Bosche Verkadefabriek een expertmeeting over mogelijkheden voor de culturele sector om meer inkomsten uit de bezoekers te halen. Het zwaartepunt lag daarbij op de podiumkunsten.

Na een korte inleiding van dagvoorzitter Annick Schramme, hoofd van de masteropleiding Cultuurmanagement en de opleiding Creatieve Industrieën van de Antwerp Management School aan de Universiteit Antwerpen, schetste de Nederlandse voorzitter van CVN, Wim van Gelder, het kader van de bijeenkomst. Hij sprak zijn onbegrip uit over de buitenproportionele bezuinigingen op cultuur die de Nederlandse regering van plan is te verwezenlijken en benadrukte het belang van een goede culturele infrastructuur en het participeren in cultuur.
Vervolgens waren er vier korte presentaties van keynotesprekers die eerlijk over Vlaanderen en Nederland verdeeld waren. Cees Langeveld, bijzonder hoogleraar Economie van de Podiumkunsten aan de Erasmus Universiteit en directeur van het Chassé Theater Breda, schetste aan de hand van een theoretisch kader de mogelijkheden om meer inkomsten uit de bezoekers te genereren. Hij benadrukte dat er teveel van het aanbod gedacht wordt en niet vanuit de klant. Langeveld zag wel degelijk mogelijkheden om meer inkomsten uit de bezoekers te halen. Zo constateerde hij dat er relatief weinig rangen in de theaters zijn, terwijl mensen best bereid zijn meer te betalen voor een betere plek. Opvallend is hierbij ook het verschil in de prijzen voor een kaartje voor de Rolling Stones tijdens hun Amerikaanse en Europese tournee in 2006. Waar de prijzen in Amerika schommelden tussen 50 en 381 Euro, was het in Europa tussen 79 en 129 Euro. Zijn conclusie was dan ook dat culturele organisaties veel meer vanuit de klant moeten gaan denken. Hij voegde de daad bij het woord en vertrok direct na zijn lezing naar een volgende klant.
Dirk De Corte, professor Financieel Management aan de Universiteit Antwerpen, betrad daarop het spreekgestoelte. In een bijzonder onderhoudende lezing, kondigde hij aan dat ook in Vlaanderen stevige bezuinigingen te verwachten zijn. Ze zouden dan te maken krijgen met een nieuw fenomeen: de Hollandse kaasschaaf. Hoe kunnen de podiumkunsteninstellingen hun inkomsten verhogen? Uit onderzoek blijkt dat er steeds meer producties worden aangeboden, dat er minder voorstellingen per productie zijn en dat het aantal toeschouwers stabiel is. Belangrijkste advies was dan ook om de creatieve kant kritischer te bekijken. Moet wel elk idee uitgevoerd worden? Aan de hand van vijf bedenkingen bood hij mogelijke uitwegen. Allereerst is daar het economie van het teveel, zoals al aangehaald. Ook moeten instellingen zich afvragen of zij zich wel goed verkopen. En wat zijn de mogelijkheden van geven om te krijgen? Hij haalde daarbij de voetbalclub Barcelona aan die tot voor kort de enige club was zonder commerciële shirtsponsoring. In plaats daarvan gaf de club jaarlijks een donatie aan Unicef en vermeldde deze organisatie op de shirts. Tegenover het verlies aan inkomsten uit shirtsponsoring staan echter veelvoudige inkomsten uit andere bronnen juist dankzij de relatie met Unicef. Wat zijn de mogelijkheden hiervan voor de culturele sector? Zoek dat eens uit? Zijn vierde bedenking was, investeer in cultuur. Als voorbeeld noemde hij een popmuzikant die zijn fans aandelen liet kopen om een productie mogelijk te maken. Hij sloot af met Matteüs, 25 v. 14-30, de parabel van de talenten.
Vervolgens was het woord aan Marjolein Fischer, verbonden aan de Faculteit der Historische en Kunstwetenschappen aan de Erasmus Universiteit Rotterdam en assistent zakelijk leider van Magogo Kamerorkest. Fischer heeft onderzoek gedaan naar de bereidheid onder opera- en poppubliek om meer te betalen voor hun kaartje en hoe beide publieken er over dachten als er meer geld naar de andere sector zou gaan. Opvallend was dat het poppubliek grotendeels geen mening had over een verhoging van de bijdrage aan opera, omdat zij hier totaal onbekend mee is. (Ik was nog wel benieuwd naar de bereidheid onder het operapubliek om meer geld aan de popsector beschikbaar te stellen, maar dat hoorde schijnbaar niet bij het onderzoek). Fischer concludeerde hieruit dat er vooral een taak ligt bij de operagezelschappen om meer bekendheid onder bredere lagen van de bevolking te krijgen. Ze illustreerde dit aan de hand van haar werk bij het Magogo Kamerorkest, die vooralsnog zonder subsidie volle zalen trekt. De problemen doen zich echter voor op het moment dat het orkest haar voorstelling aan andere zalen wil verkopen en gewoonweg te duur is in vergelijking met gesubsidieerde orkesten.
De laatste keynotespeech was van Leen Laconte, directeur en artistiek leider van het Vlaams Cultuurhuis de Brakke Grond. Laconte hield een verhaal over het wederzijdse belang van Nederland en Vlaanderen voor elkaars producties en werkte dit brede verhaal toe naar de specifieke omstandigheden van de Brakke Grond. Wat bied je aan en hoe doe je dat? Kunst wordt in haar optiek te veel gecommuniceerd als iets exclusiefs. Daardoor voelen veel mensen zich al niet aangesproken. Door meer aandacht voor de inhoud van de voorstelling in plaats van voor de vorm betrek je mensen al meer bij de voorstelling.

Na een korte pauze volgde een discussie tussen de keynotesprekers en vier panelleden. Aan tafel namen ook Joop de Jong, hoofddocent Arts & Heritage van de Universiteit Maastricht, Bart Temmerman, directeur Cultuurnet Vlaanderen, An Moons, adviseur cultuur van gedeputeerde Gilbert Van Baelen, provincie Limburg, en Letty Ranshuysen, onderzoekster in de kunst- en cultuursector, plaats. De discussie ging aanvankelijk vooral over het door Dirk De Corte aangehaalde overaanbod en de manier waarop selectie plaats moest vinden. Ranshuysen voegde daar aan toe dat er volgens haar teveel aanbod in het ‘lage’ en ‘hoge’ segment is en dat het vooral ontbreekt aan voldoende middensegment. Zo kunnen mensen zonder ervaring met het ‘hogere’ segment gemakkelijker doorstromen. Temmerman wees op een computerprogramma dat beschrijvingen in folders kan beoordelen. De meeste blijken onbegrijpelijk en daarnaast ook nog slecht geschreven te zijn. Gaandeweg verschoof de discussie naar het huidige kunstklimaat in Nederland, dat door voorstanders van de bezuinigingen als elitair wordt afgeschilderd. De panelleden en sprekers waren het er over eens dat dat vooral een gevolg was van de manier waarop de kunstsector zich van het publiek heeft vervreemd, wat weer aansloot bij de eerdere opmerking van Letty Ranshuysen. Dirk De Corte vergeleek de culturele sector met andere sectoren. Overal, met name in het bedrijfsleven, worden creatieve ideeën eerst beoordeeld voor ze uitgevoerd worden. Er wordt gekeken of er een markt voor is of er wordt een markt voor gecreëerd. Joop de Jong vulde aan dat alleen in de culturele sector het markmechanisme is weggehaald. Moderator Guy Janssens, algemeen secretaris CVN, leidde het gesprek naar een einde en gaf de zaal de mogelijkheid te reageren. Het slotwoord was van de Vlaamse voorzitter van CVN, Herman Balthazar. Daarna konden de deelnemers aanschuiven voor een uitgebreide lunch om het gesprek informeel voort te zetten.

CVN probeert zich met deze bijeenkomst weer meer te positioneren, na een jarenlang bestaan aan de zijlijn. Een geslaagd initiatief. Nederland en Vlaanderen blijken veel gemeen, maar ook veel ongemeen te hebben, maar kunnen zeker veel van elkaar leren, zoals deze dag duidelijk bleek.

André Nuchelmans

dinsdag 14 december 2010

Bezuinigingen, de katalysator voor een nieuwe economische dynamiek in de kunstsector?

Galeries lijden onder de economische crisis. Dat blijkt uit recent marktonderzoek van EMI en Motivaction. De brancheomzet daalde met circa 15% en een derde van de kunstkopers verwacht in de toekomst minder kunst te kopen. De aangekondigde BTW-verhoging op kunstvoorwerpen zal rampzalig zijn. Of de bezuinigingen aanleiding zullen zijn tot een nieuwe economische dynamiek in de branche was onderwerp van gesprek tijdens een symposium van de Nederlandse Galerie Associatie (NGA), georganiseerd met steun van de Boekmanstichting en de Mondriaan Stichting, op 13 december in het ABN AMRO hoofdkantoor in Amsterdam. Circa 150 belangstellenden waren aanwezig. Joop Wijn, lid van de Raad van Bestuur Zakelijke Relaties van de ABN AMRO, heette de gasten welkom. ‘De bank ziet u als een gewone ondernemer’, stelde hij de galeriehouders gerust, ‘die te maken heeft met omzet, winst en verlies, maar dan wel in een bijzonder mooie sector.’ Wijn benadrukte het belang van marketing en flexibel ondernemerschap, zeker in een tijd dat omzetten teruglopen. Dagvoorzitter Hadassah de Boer gaf vervolgens NGA-voorzitter Guus Broos het woord. Hij poneerde een aantal stellingen. Galeries moeten zich vaker aansluiten bij handelsmissies naar het buitenland, meer gebruik maken van het Europese speelveld, zich intensiever professionaliseren en de relatie met kunstenaars verbeteren. Socioloog en econoom aan de UvA, Olav Velthuis, gooide de knuppel in het hoenderdok door het galeriemodel, dat eigenlijk al circa 150 jaar in gebruik is en amper aangepast, te heroverwegen. Uit onderzoek van Motivaction blijkt dat de gemiddelde omzet van de galeriehouder in Nederland slechts 200 duizend euro bedraagt. De helft daarvan gaat naar de kunstenaars en van de andere helft moet de galeriehouder zijn vaste kosten betalen, maar ook zijn inkomen. Het galeriewezen moet zich op haar toekomst gaan bezinnen! Velthuis legde uit dat drie ontwikkelingen (informalisering van de maatschappij, festivalisering van de kunstwereld en economisering van tijd) daarbij een rol spelen. Hij gaf handreikingen. Misschien moeten galeries net als antiquariaten ambulant optreden in plaats van vanuit één vaste plek en op die manier hun vaste kosten verlagen? Waarom fuseren galeries niet met elkaar? Waarom wordt er door galeriehouders niet veel meer gebruik gemaakt van internet als verkoopkanaal? Zou het taboe op doorverkoop, dus het opnieuw op de markt brengen van kunstwerken, niet beter doorbroken kunnen worden (Ebay-ificatie)? Zo ook het taboe op flexibele verkoopprijzen! Zijn stelling was dat het galeriemodel niet uitsluitend mag drijven op de primaire markt. Na een korte koffiepauze vond er een paneldiscussie plaats over de vraag of bezuinigingen de katalysator zijn voor een nieuwe economische dynamiek in de branche. Egbert Dommering (verzamelaar), Erik Bos (Nouvelles Images), Kim Rikken (beeldend kunstenaar en bedrijfskundige), Edo Dijksterhuis (Art Amsterdam) en Gitta Luiten (Mondriaan Stichting) benaderden de vraag vanuit zeer diverse invalshoeken. De gedachtewisseling die volgde, was onderhoudend, maar weinig verrassend. Luiten raadde galeriehouders aan om meer gebruik te maken van stimuleringsmaatregelen van het ministerie van Economische Zaken. Dommering benadrukte de rol van een sterke culturele infrastructuur, museumeducatie en kunstonderwijs bij het vergaren en verspreiden van kunstinhoudelijke kennis. En de verzamelaar hield uiteraard een warm pleidooi voor flexibel prijsbeleid door galeriehouders. Daar moest het publiek hartelijk om lachen.… De afschaffing van de Cultuurkaart is een ramp, viel Bos hem bij. Over de mogelijkheden van het internet als verkoopkanaal van kunstwerken was Bos luid en duidelijk: op het net staan slechts plaatjes die het origineel geen recht doen, terwijl het bij kunst toch gaat om de beleving van het aanschouwen. Voor de handel in foto’s voldoet het net daarentegen wel. Hadassah noemde nog een ander voordeel van internethandel: Niet goed, terugsturen en geld terug! De meerwaarde van de galerie is ook voor kunstenaars niet altijd helder, waarschuwde Rikken. Kortom, tijd voor geprofessionaliseerd ondernemerschap!
Gelegenheid tot het stellen van vragen door het publiek stond wel op de agenda, maar vond wegens tijdgebrek geen doorgang, Dat was jammer, want er werd in de zaal veelvuldig gefluisterd en ook gegniffeld, wat nieuwsgierig maakte. Na afloop was er gelukkig ruimschoots gelegenheid tot napraten, onder het genot van een drankje en een lopend buffet.
De genoemde onderzoeken (en nog veel meer informatie over kunsthandel en galeriewezen) zijn beschikbaar in de bibliotheek van de Boekmanstichting. Ook via de website van de NGA, www.nga.nu.

Jack van der Leden

vrijdag 3 december 2010

Noise that matters? Muziek, lawaai en politiek

De Beneluxafdeling van de International Association for the Study of Popular Music (IASPM) organiseert twee keer per jaar een seminar waarop recent onderzoek op het gebied van popmuziek onder de aandacht wordt gebracht. Op 2 december gingen 3 wetenschappers bij gastheer Muziek Centrum Nederland in op hun onderzoek over de sociale en politieke betekenis van noise, gothic en andere vormen van luidruchtige muziek.
Jeroen de Kloet, bestuurslid IASPM Benelux en universitair docent media studies, leidde de lezingen in met een persoonlijk relaas over Einstürzende Neubauten. Deze band was onderdeel van een stroming binnen de popmuziek in het begin van de jaren tachtig die zogenaamde noiserock speelde. Als liefhebber van deze muziek, bekroop hem later een ongemakkelijk gevoel. Veel van de bands uit die periode bestonden uit blanke middenklassers die hun onbehagen met de maatschappij uitten en zongen over de uitzichtloosheid van het bestaan. Hoe deze gespeelde woede te plaatsen? Zijn liefde voor de muziek bleef echter ondanks deze twijfels aan de integriteit van de musici bestaan. Een artikel in Vrij Nederland wees hem op een breeder verband. Daarin werd Einstürzende Neubauten op een lijn geplaatst met Samuel Beckett en Michel Foucault, wat hij illustreerde met drie citaten, van elk een.

Isabella van Elferen, universitair docent Muziek en Nieuwe Media aan de Universiteit Utrecht, gaf vervolgens een impressie van de inhoud van haar binnenkort te verschijnen boek Gothic Music: The Sound of the Uncanny. Ze plaatste de term gothic in een bredere historische context. Zo voldeden de romans van de Brönte sisters al aan gothic kenmerken. Als diehard gothic dien je je klassiekers te kennen, nooit gedacht dat het lezen van Wuthering Heights daarbij verplichte kost was, bij Bram Stroker’s Dracula kun je je dat beter voorstellen. Gothic wordt vooral gekenmerkt door het grensoverschrijdende, het speelt zich af in grensgebieden, is unheimlich en de wereld wordt bevolkt door antropomorfe gestaltes, geesten in een menselijke gedaante. Het is een vorm van culturele kritiek en niet-politiek. Terecht werd er uit het publiek opgemerkt, dat het daardoor juist wel politiek is. Volgens Van Elferen heeft gothic een signaalfunctie, het laat zien welke onderdrukte verlangens er in een samenleving spelen.

Tussen de inleiding en de eerste lezing was nog een zeker verband, doordat het muziek uit dezelfde periode betrof. Jeroen Groenewegen verliet het westen en ging op zoek naar de identiteit van hedendaagse Chineestalige popmuziek. Hij is momenteel bezig aan de Universiteit Leiden zijn proefschrift te schrijven, getiteld The Performance of Identity in Chinese Popular Music. Wat hem daarbij fascineert is de tegenstelling tussen reality tv en popmuziek in China wat betreft het uiten van emoties. Waar het in reality tv juist wenselijk is om je emoties de vrije loop te laten, komt dat in Chinese popmuziek en de bijbehorende clips zelden voor. Groenewegen zit nog midden in zijn onderzoek en gebruikte de lezing om een aantal denkwijzen over deze materie op het publiek los te laten. Vanuit de zaal kreeg hij in ieder geval voldoende respons om de associaties aan te scherpen.

Het laatste onderzoek dat aan de orde kwam was de afstudeerscriptie van Melvin Wevers, Hypnagogic Pop as a Counter-Future. In zijn lezing Blogosphere of connoisseurs: The shifting logic of authentication gaf hij een impressie van zijn onderzoek. Centraal daarin stond het toekennen van authenticiteit door verschillende groepen aan muziek. Met de komst van internet zijn niche-culturen steeds beter zichtbaar, vindbaar en georganiseerd. Connoisseurs gaan zich deze niche-muziekculturen toeëigenen door er een naam aan te geven en het weer in subgenres onder te verdelen. Zo ook met de zogenaamde Hypnagogic pop. Tegenover de connoisseur staat de hipster, ook hij kent authenticiteit toe, maar zal zich nooit herkennen of kunnen vinden in het oordeel van de connoisseur. Waar het toekennen van authenticiteit door connoisseurs er toe kan leiden dat de muziekstroming van een niche naar de mainstream toe gaat, beweegt de hipster zich juist in tegenovergestelde richting. Toch kan het feit alleen al dat er een blogosphere over dergelijke nicheculturen op internet is, er al toe leiden dat het zich langzaam richting mainstream gaat bewegen, wat er vervolgens weer toe kan leiden dat het binnen de oorspronkelijke aanhang als niet meer authentiek wordt ervaren. Zoals aanvankelijk alle muziek uit Seattle als goed werd bevonden omdat Nirvana daar vandaan kwam, keerde het zich op een gegeven moment juist tegen de plaats als keurmerk van goede muziek.

Het leuke van de IASPM bijeenkomsten is dat het publiek een zeer gemêleerd gezelschap is van mensen die zich beroepsmatig met popmuziek bezighouden, van wetenschappers tot journalisten. Dat maakt de discussie ook altijd erg levendig omdat iedereen het vanuit een ander standpunt bekijkt. Begin volgend jaar is er weer een volgende bijeenkomst gepland. Op de website van IASPM Benelux wordt deze aangekondigd en is ook andere actuele informatie, zoals recent verschenen publicaties, te vinden.

André Nuchelmans

vrijdag 12 november 2010

De rol van bedrijfscollecties in de kunstwereld

Spui 25 in Amsterdam bood 11 november plaats aan een drukbezocht debat en een boekpresentatie, georganiseerd door de Vereniging Bedrijfscollecties Nederland (VBCN) i.s.m. de Nederlandsche Bank. De boekpresentatie was na afloop van het debat.

De publicatie is een verslag van het symposium over de plaats van bedrijfscollecties in de kunstwereld, dat precies een jaar geleden plaatsvond ter ere van het vijfjarig bestaan van de VBCN. Alexander Strengers (VBCN) overhandigde het eerste exemplaar aan Diana Wind (Stedelijk Museum Schiedam, bestuurslid van de Nederlandse Museumvereniging (NMV)). Aanvankelijk zou Wind ook deelnemen aan het debat, maar door de herfstige weersomstandigheden kwam ze pas kort voor afloop van de bijeenkomst binnenwaaien. Gelukkig nog net op tijd om het boekje in ontvangst te nemen. Zij verving in die rol overigens Siebe Weide van de NMV, die verhinderd was. Verder verliep de bijeenkomst volgens planning.

Arnold Witte, universitair docent Cultuurbeleid aan de UvA en medeauteur en –redacteur van het boek Bedrijfscollecties in Nederland (Nai Uitgevers, 2009) was gespreksleider. De panelleden waren: Ella van Zanten (Kunstzaken Rabobank), Hans Meijs (Achmea Kunstcollectie), Macha Roesink (De Paviljoens Almere), Edwin Jacobs (Centraal Museum Utrecht) en Hester Alberdingk Thijm (AkzoNobel Art Foundation).
Tijdens het debat in 2009 waren thema’s als veilingen, dreigende afstoting van collecties en door de crisis gereduceerde budgetten de aanleiding om samenwerking tussen bedrijfscollecties en musea aan de orde te stellen. Aanleiding voor dit debat op Spui 25 waren de plannen van verschillende bedrijven om een eigen expositieruimte te starten om hun collecties aan een groter publiek te tonen. Wat zijn de achtergronden van deze trend en vormt deze een hindernis of juist een nieuwe opening naar verdergaande samenwerking met musea?

Van Zanten vertelde dat de Rabobank met de kunstcollectie, die vanaf 1984 is ontstaan, meer naar buiten wil treden, onder het motto: Kunst verdient publiek, publiek verdient kunst. Uit lopend onderzoek was gebleken dat de zichtbaarheid van de bedrijfscollectie zowel intern als extern gering is en verbetering behoeft. Eerst is nog overwogen om daarvoor musea te benaderen, maar er is gekozen om de kunstwerken in 2011 een prominente plaats te geven in de nieuwe uitbreiding van het bankgebouw in Utrecht. Op de (openbare) begane grond komt naast een enorme expositieruimte een muur van maar liefst 36 meter lang, helemaal bestemd voor kunstwerken. Zowel voor werken uit eigen collectie als voor solotentoonstellingen van individuele kunstenaars. Ook de 25 niet-openbare verdiepingen daarboven zullen worden ingericht met kunst uit de eigen collectie. Het nieuwe collectiebeleid, getiteld Van verzamelen naar verzilveren, bestaat tevens uit publieksprogramma’s, zoals rondleidingen en lezingen, voor zowel intern als extern publiek. Misschien niet vreemd, maar wel opvallend, was dat tijdens de bijeenkomst toenadering leek te ontstaan tussen Van Zanten en Jacobs, directeur van het Utrechts Museum...

Ook Meijs van Achmea Kunstcollectie in Leiden sprak van een uitdaging om meer extern publiek te bereiken met de bedrijfscollectie. Daarvoor ziet hij mogelijkheden om samen te werken met culturele instellingen, met name in Leiden, zoals De Lakenhal. Ook hij streeft naar meer zichtbaarheid van de collectie. Alberdingk Thijm (AkzoNobel Art Foundation) was het met hem eens, maar zij onderstreepte met veel meer nadruk het belang van samenwerken met musea. Niet alleen om kunstwerken uit te wisselen, maar ook om gezamenlijk exposities te organiseren en expertise te delen. Jacobs reageerde alvast opgewonden. Ervaring met bedrijfscollecties heeft hij weliswaar nog niet, maar hij staat er wel voor open. Samenwerken is altijd essentieel, vindt hij. Roesink, directeur van De Paviljoens, Almere, viel hem bij. Zij was in het verleden betrokken bij zowel de kunstcommissie van de Rabobank als de Caldic Collectie. Zij plaatste de rol van museum- en bedrijfscollecties in een brede context, benadrukte de maatschappelijke functie van collecties en hun onderkomens.

Publieksbereik was een veelgehoord woord tijdens de bijeenkomst, met name Jacobs bleef er maar op terugkomen. Maar over welk publiek hebben we het eigenlijk, vroeg Witte. Jacobs reageerde: Het gaat er vooral om dat je door samen te werken meer mensen kunt bereiken. Hij noemde als voorbeeld het succes van het Dick Bruna Huis dat financieel wordt ondersteund door de BankGiro Loterij (BGL). 2011 is het Jaar van het Konijn, kondigde hij aan, en dat wordt een groot feest! Een leuk voorbeeld van vruchtbare samenwerking, maar de BGL is geen bedrijfscollectie... Ook bij Meijs is publieksbereik belangrijk, dat neemt niet weg dat een bedrijf nu eenmaal geen museum is. Hij organiseerde weliswaar een expositie waarbij zowel werknemers als externe bezoekers kunstwerken uit de bedrijfscollectie konden aankopen, maar dat doet hij af als een 'typisch inter pr-dingetje', vooral bedoeld om werknemers tegemoet te komen. Roesink trok de discussie weer wat breder. Zij gaf aan dat bedrijfscollecties, net als museumcollecties, niet alleen bedoeld zijn voor het publiek, maar ook voor kunstenaars. Die waren nog niet aan bod gekomen. Ze benadrukte ook dat bedrijven en musea met hun collecties de humuslaag zijn die de beeldende kunsten voeden. Bedrijven zouden ook moeten investeren in kunstenaars en hun projecten, zoals musea doen. Niet door het geven van opdrachten, maar door kunstenaars financieel te ondersteunen en budgetten te verstrekken. Alberdingk Thijm beaamde dat bedrijven artistieke maakprocessen kunnen ondersteunen. Het gaat er om dat bedrijven en musea door samen te werken meer publiek kunnen bereiken. Beide partijen kunnen veel aan elkaar hebben.

Nog even over publiek gesproken. Bedrijfscollecties ontstonden in de jaren vijftig en waren bedoeld om het werknemers naar de zin te maken. Maar wat vonden en vinden ze er eigenlijk van? Alberdingk Thijm vertelde dat ooit uit onderzoek was gebleken dat 80% van de werknemers van Akzo wel degelijk waardering had voor de bedrijfscollectie, maar het niet in het hoofd zou halen de kunstwerken aan de eigen muur te hangen. Zij legde uit, net als Van Zanten, het publieksbereik te willen vergroten door middel van excursies en rondleidingen.

Er was verschil van mening over de vraag of een bedrijfscollectie juist kan profiteren van een geoliede communicatieafdeling van een bedrijf, of er eerder onder gebukt gaat omdat zo’n afdeling soms de aansluiting mist met de 'culturele pers'. Roesink wees op de voordelen van een goed georganiseerde pr-afdeling, Alberdingk Thijm bracht daar tegen in dat het imago van een bedrijf niet altijd positief overkomt bij kunstafdelingen van de culturele pers. Van Zanten viel haar bij: je moet de effecten van een communicatieafdeling niet overschatten. De positie van een collectie binnen een bedrijf is sowieso lastig. Motieven van het bedrijfsmanagement moeten altijd op afstand blijven van het collectiebeleid, waarschuwde Roesink.

Witte zei benieuwd te zijn naar hoe bedrijfscollecties zich steeds zelfstandiger profileren en samenwerking zoeken met musea. Samenwerking biedt bedrijven en musea mogelijkheden. Strengers verwoordde het in zijn slotwoord alsvolgt: hoe meer verenigd, hoe sterker we staan.

Jack van der Leden