zondag 29 augustus 2010

Paradisodebat: Kunst en cultuur: het investeren waard?

Donkere wolken hadden zich toepasselijk samengepakt boven het hoofdstedelijke Paradiso voor het jaarlijkse Paradisodebat ter afsluiting van de Uitmarkt. Onder het thema Kunst en cultuur: het investeren waard? liet een aantal relatieve buitenstaanders en betrokkenen hun licht schijnen over de betekenis van kunst voor de samenleving en gingen Hans Waege (directeur van het Rotterdams Philharmonisch Orkest), Axel Rüger (directeur van het Van Gogh Museum) en Pierre Audi (directeur van het Holland Festival en De Nederlandse Opera) het debat aan met politici van de grootste partijen. Grote afwezige was de PVV, die voorstander is van ongekende ingrepen in de kunstsubsidies. In NRC Handelsblad en de Volkskrant verschenen voorafgaand aan het debat in de kunstbijlages al bijdragen over de mogelijke consequenties van de aanstaande bezuinigingen. Uit het debat kwam naar voren dat de kunstensector zich niet aan de bezuinigingen wil onttrekken en dat er wel degelijk nog efficiënter gewerkt en de organisatie verbeterd kan worden. Op de vraag waarom in de kunstensector buitenproportioneel bezuinigd zal gaan worden, bleven de betrokken politieke partijen (VVD en CDA) het antwoord schuldig.

Ad ’s-Gravesande, voorzitter Kunsten ’92, opende het debat al met de mededeling dat het geen leuke middag zou worden en schetste een beeld van de consequenties van de aangekondigde bezuinigingen van 200 miljoen euro. Als de erfgoed- en museumsector en de openbare bibliotheken ontzien worden, zullen de podiumkunsten en beeldende kunsten het met 30% minder moeten doen. Bastiaan Vinkenburg van bureau Berenschot gaf de resultaten van een onderzoek naar de economische betekenis van de kunsten. De resultaten bevestigden de conclusies uit eerder onderzoek dat de kunstensector niet alleen direct maar ook indirect economisch rendabel is. Ook was onderzocht hoe de aangekondigde bezuinigingen gerealiseerd konden worden. De kaasschaafmethode bleek daarbij geen optie, er moeten keuzes gemaakt worden. Het onderzoek is te vinden op de www.kunsten92.nl en www.berenschot.nl.
Na Vinkenburg namen 4 sprekers het woord die het belang van de kunsten vanuit verschillende invalshoeken onder woorden brachten. Zef Hemel, stadsplanner en adjunct-directeur van de Dienst Ruimtelijke Ordening Amsterdam benadrukte het belang van kunst en cultuur in de aantrekkelijkheid en de uitstraling van steden. In zijn ogen moest er dan ook niet langer van subsidies maar van investeringen gesproken worden. Eric Eerdenburg, directeur Lowlands en directielid van Mojo Concerts schetste het belang van het Nederlandse clubcircuit voor vernieuwing en experiment in de popmuziek. De popsector vormt een uitzondering op andere sectoren in die zin dat er geen individuen of groepen gesubsidieerd worden maar de infrastructuur. Hoewel de sector weinig subsidie krijgt en veel eigen inkomsten genereert, komt het ontwikkelen en de doorstroming van talent met het wegvallen van subsidies in het geding. De sector zou wel als inspiratiebron voor andere sectoren kunnen dienen waar het gaat om de verwerving van eigen inkomsten. Vervolgens was het woord aan Jos Vranken, directeur van het Nederlands Bureau voor Toerisme en Congressen. Hij verwoordde de betekenis van kunst en cultuur voor toerisme en andersom. Uit onderzoek blijkt dat kunst en cultuur een belangrijke reden voor toeristen is om Nederland te bezoeken. Culturele toeristen geven bovendien meer geld uit dan de doorsnee toerist. Alexander Rinnooy Kan, voorzitter van het Prins Bernhard Cultuurfonds, benoemde tenslotten de do’s en don’ts voor de kunstensector in het huidige klimaat. Van belang is vooral om het economisch belang te onderkennen, maar tegelijkertijd te laten weten dat kunst en cultuur ook andere effecten hebben. Wat de sector vooral niet moet doen is de bezuinigingen als onuitvoerbaar te kenschetsen. De sector moet onderzoeken waar mogelijkheden voor bezuinigingen zijn en zich voorbereiden. Ook een kaasschaafdebat is uit den boze. De sector moet meer naar buiten treden met argumenten en wijzen op dwarsverbanden met andere sectoren.
Hierna namen Hans Waege, Axel Rüge en Pierre Audi plaats op het podium. Debatleider Twan Huys legde hen een aantal vragen voor. De aanwezige cultuurwoordvoerders van PvdA (Jette Klijnsma), D66 (Boris van der Ham), SP (Jasper van Dijk), GroenLinks (Mariko Peters), VVD (Mark Harbers) en bij afwezigheid van Joop Atsma, Nicolien van Vroonhoven voor het CDA, reageerden op de directies en elkaar.
Twan Huys vroeg de directeuren naar de consequenties van een bezuiniging op de rijkssubsidie van 20%. Het RPhO zou nog meer op de bezetting, die al miniem is, moeten bezuinigen, Axel Rüger zou het op de programmering verhalen waarbij vooral het aanbod voor de Nederlandse bezoeker in het geding zou komen. Pierre Audi gaf aan dat de hele organisatie opnieuw gestructureerd moest worden. De directeuren gaven aan het niet meer dan als vanzelfsprekend te beschouwen dat als er landelijk bezuinigd moet worden ook de kunsten hier hun steentje aan bijdragen. De aangekondigde bezuinigingen van 20% op het totale cultuurbudget hebben echter als consequentie dat de gehele sector ontwricht raakt. De betrokken politici van CDA en VVD deden zoals te verwachten was geen uitspraken over mogelijke scenario’s, al gaf Mark Harbers wel wat voorbeelden waar de 200 miljoen vandaan zou kunnen komen. De cultuurkaarten voor middelbare scholieren konden afgeschaft worden, aangezien de ouders ook de boeken al vergoed kregen. Daarnaast zag hij de WWIK als mogelijkheid. Ook zou het aantal landelijk gesubsidieerde orkesten van 13 naar 11 teruggebracht kunnen worden, konden culturele instellingen meer dan 30% eigen inkomsten genereren en kunnen de inkomsten uit entree omhoog.
Ruben Maes, bureau Maes/Ockhuijsen, vertelde op uitnodiging van Huys iets over het overleg dat binnen de kunstensector gaande is over een reactie op de aangekondigde bezuinigingen. Ook hieruit kwam naar voren dat de sector wel degelijk wil nadenken over bezuinigingen, maar dat de 20% waarvan vooralsnog sprake is, buitenproportioneel is. Vooralsnog is er echter nog geen sprake van een reactie vanuit de politiek. Vanuit de zaal en vanaf het podium werd ook ingebracht dat verdere bezuinigingen onmogelijk zijn bij een gelijkblijvend takenpakket. De sector verwacht van de overheid meer duidelijkheid over wat er dan verwacht wordt. Diverse aanwezigen vroegen zich ook af wat de rol van de Raad voor Cultuur in de huidige situatie zou moeten zijn. Boris van der Ham, D’66, gaf aan dat de sector wel erg lijdzaam alles op zich af heeft laten komen. Harbers, VVD, verwees naar het debat van vorig jaar, waarbij de VVD al had aangegeven ingrijpende bezuinigingen op de kunstensector voor te staan. De sector heeft daar echter in het geheel niet op gereageerd of geanticipeerd. Maar zoals het debat duidelijk maakte is daarin inmiddels verandering gekomen.

André Nuchelmans

dinsdag 22 juni 2010

Macht + invloed: kunst - ideologie - netwerken - politiek

Ter afsluiting van de minor Kunstbeleid binnen de studie Algemene Cultuurwetenschappen aan de Radboud Universiteit Nijmegen organiseerden de deelnemers een symposium. Deze vijfde keer dat het symposium plaatsvond stond het in het teken van macht en invloed. Docent Vincent Meelberg gaf een inleiding waarin hij de Boekmanlezing van Carolien Gehrels aanhaalde waarin zij pleitte voor meer bemoeienis van de politiek met de kunsten. Hij zette uiteen dat kunst nooit vrij is van politieke invloed. Jaren is het zelfs ingezet als propagandamiddel van de machthebbers om hun macht te onderstrepen. Bovendien is de overheid een van de grootste financiers van kunst. Door geld te oormerken voor de kunsten is er al sprake van invloed.

Binnen het thema macht en invloed onderzochten 7 groepjes studenten telkens een onderwerp. Ze brachten het onderwerp in kaart, interviewden betrokkenen en besloten met een beleidsadvies. De thema’s die aan de orde kwamen waren achtereenvolgens canonvorming, lobbyen, politiek en ideologie, kunstprijzen, kringvorming, uitsluiting, en sponsoring & mecenaat.
De eerste presentatie was Canonvorming: een onderzoek naar macht en invloed achter de canon. De studenten die dit onderwerp hadden gekozen, onderzochten de totstandkoming van drie canons. Ze onderzochten hoe de commissies tot stand waren gekomen. Alle commissieleden bleken bekend bij de organisatie van de canon, wat inhoudt dat ze tot het netwerk behoorden. Eén commissie heeft specifiek geprobeerd een balans te vinden tussen de leden, terwijl een andere commissie door de voorzitter bij elkaar werd gezocht. Terwijl de commissies duidelijk uit het netwerk van de betreffende organisatie waren gerekruteerd, bleef men benadrukken dat het onafhankelijke commissies waren. Ook kwamen de studenten er achter dat een afwijkende mening binnen de commissies niet toegelaten werd. De commissieleden achtten zichzelf deskundig op het terrein van de desbetreffende canon en plaatsten zich zo tegenover het publiek dat als niet-deskundig gezien werd. Zo bleef het vaststellen van een canon binnen de eigen kring, waardoor de deskundigheid bevestigd werd en was er geen publieke inbreng.
Onder de titel Lobbyen en gelobbyd worden: een analyse van het Rijnboogproject onderzocht een aantal studenten de manieren en momenten waarop tijdens dit project gelobbyd werd. Het Rijnboogproject is een grootschalig project in Arnhem waar ook een kunstencluster in gepland was. De studenten analyseerden de ontwikkeling van het project en wanneer en door wie er gelobbyd is. De gemeente trok voor het project een gerenommeerd architect aan, die een grootschalig plan maakte. Volgens de eerste planning had het allang gestart moeten zijn, maar het is nog steeds niet begonnen. Ze concludeerden dat de gemeente beter eerst met de betrokken partijen had kunnen overleggen. Nu werden betrokkenen geconfronteerd met een megalomaan plan dat vanaf het begin weerstand opwekte. De besluitvorming van het project was bovendien niet transparant. Een laatste advies was dat het beter is om vanuit het algemeen belang te lobbyen dan vanuit eigenbelang.
De totstandkoming van de cultuurparagraaf van het verkiezingsprogramma van de PvdA was het thema van de presentatie Sociaal-democratie ‘light’? Binnen de manier waarop het verkiezingsprogramma tot stand kwam signaleerden de studenten een aantal spanningsvelden (partijbestuur vs de leden en ideologie vs praktijk). De uiteindelijke cultuurparagraaf was zo algemeen geformuleerd dat er nog een amper een rol voor de ideologie was. Die klonk alleen door een algemene termen als een ‘brede toegankelijkheid’. Het ontbrak in de cultuurparagraaf aan diepgang. Normatieve vragen (langetermijn) waren vervangen door managementproblemen (kortetermijn). Bovendien bleek een persoon in alle besluitvormingsmomenten aanwezig te zijn. De conclusie was dan ook dat een ideale democratie niet haalbaar is en dat de inspraakmogelijkheden niet optimaal benut worden.
De vierde presentatie ging over de Volkskrant Beeldende Kunst Prijs (VBKP): professionaliteit binnen de juryvorming en het juryberaad. Een kunstprijs heeft de macht een kunstenaar te maken. Deze macht ligt met name bij de jury. Op welke criteria wordt een jury gekozen en hoe verloopt het juryberaad? Bij de VBKP dragen scouts de genomineerden voor, de jury bepaalt de uiteindelijke winnaar. Doordat verschillende partijen bij de organisatie betrokken zijn en de jury de genomineerden niet voordracht wordt de schijn van subjectiviteit weggenomen. Telkens weer wordt benadrukt dat vakkennis en professionaliteit bij de juryleden voorop staan. Doordat de prijs echter nog jong is, is de status van de prijs nog relatief laag. De onderzoekers constateerden een algeheel gebrek aan documentatie bij de prijs zelf, zo was er geen beleidsplan waarin de gang van zaken beschreven was.
Kringvorming is een relatief nieuw begrip, het is een vorm van samenwerking waarin belanghebbenden zich verenigen. De onderzoekers welke factoren bepalend zijn voor een succesvolle samenwerking. Ze deden dit aan de hand van twee voorbeelden van kringvorming: de Raad van 12 en Kunst van Vooruitzien. Deze organisaties onderscheiden zich van lobbyorganisaties doordat zij meer gericht zijn op het uitwisselen van informatie. Uit literatuuronderzoek hadden de studenten een aantal kenmerken gedestilleerd die zij aanvulden met kenmerken uit hun eigen onderzoek.
Het tegengestelde van kringvorming is uitsluiting. Onder de titel Cultuur voor iedereen? onderzocht deze groep de oorzaken van de achterblijvende cultuurparticipatie van 4 groepen allochtone Nederlanders: Turken, Marokkanen, Antilianen en Surinamers. Ze onderzochten het beleid om cultuurparticipatie onder deze groepen te stimuleren en vergeleken die met cijfers over cultuurparticipatie en gegevens uit onderzoek om het achterblijven te verklaren. Daarbij viel op dat het cultuurbegrip teveel op het westen is gericht, dat er te weinig integraal beleid wordt gevoerd en dat er te veel aandacht is voor een ‘gebrek’ als verklaring, zoals laag opleidingsniveau. Bovendien viel het de onderzoekers op dat cultuur slecht toegankelijk is. Zo gaan muziekscholen niet naar de mensen toe om leerlingen te verwerven. Het blijkt daarnaast een inflexibele sector. Kaartjes moeten ruim tevoren gekocht worden. Redenen waarom de onderzochte groepen mogelijk achterblijven in participatie.
De laatste groep onderzocht cultuurmecenaat. Het werd gedefinieerd als het structureel belangeloos geven van geld/objecten aan kunst en cultuur. Na een kort historisch overzicht van cultuurmecenaat gingen ze in op de aandacht van de overheid om cultuurmecenaat te propageren. Onderzoek naar de manier waarop in het veld tegen cultuurmecenaat aangekeken werd gelegd naast het beleid, leverde een aantal verrassende bevindingen op. Zo is er in het veld onduidelijkheid over de term en wordt het verward met sponsoring en giften. Er is te weinig onderzoek naar het programma Cultuurmecenaat van de overheid. Het heeft 4 jaar gelopen en is niet geëvalueerd. Bovendien was het beleid vooral gericht op de culturele instellingen en niet op de potentiële mecenassen. Ook constateerden de onderzoekers dat Nederland niet de juiste cultuur heeft voor het mecenaat.

Na een korte reactie op de presentaties door Liedeke Plate, universitair docent Genderstudies en Algemene cultuurwetenschappen, kondigde docent Edwin van Meerkerk de top 50 van Nederlandse kunstpausen aan. Ter gelegenheid van dit eerste lustrum hadden alle studenten gegevens verzameld over besturen, adviescommissies en wat al niet meer in de culturele sector. Dit was ingevoerd in een systeem dat aan verschillende functies een waardering koppelde en zo tot een top 50 kwam. En die ziet er heel anders uit dan je zou verwachten. De kunst- en cultuursector blijkt een redelijk geïsoleerde sector. Er is weinig kruisbestuiving met andere sectoren en er zijn relatief veel vrouwen actief. Veel mensen uit de top 50 hebben uitsluitend functies in het culturele veld. Toch was de top 3 weer een typische blankemannenaangelegenheid: 1. Hans van Beers, 2. Geurt Grosfeld en 3 Henk Pröpper. De gehele top 50 is eerdaags beschikbaar via www.ru.nl/symposiumkunstbeleid waar ook meer informatie over het symposium is te vinden.

De onderwerpen die in de presentaties aan de orde kwamen, zijn een voor een interessante onderwerpen die in een scriptie verder uitgewerkt zouden kunnen worden, door meer voorbeelden in het onderzoek te betrekken of door nog dieper op het onderwerp in te gaan. Daar bood deze minor nog niet voldoende ruimte voor, toch toonden alle studenten een nieuws- en leergierigheid die het nodige voor de toekomst doet vermoeden. In een aantal gevallen was interessante informatie boven water gehaald en waren betrokken tot opvallende openheid verleid. Een symposium (en minor) dat ook zeker de moeite waard is voor studenten van andere universiteiten die zich in het kunst- en cultuurbeleid willen verdiepen.

André Nuchelmans

vrijdag 18 juni 2010

Boekmandebat: International festival co-operation: a must in many ways.

Naar aanleiding van het verschijnen van het zomernummer van Boekman (83) met als thema festivals organiseerde de Boekmanstichting samen met het Holland Festival en CultuurCollege op 15 juni in Carré een debat over internationale coproducties op festivals.

Cas Smithuijsen, directeur van de Boekmanstichting en auteur van de epiloog in het festivalnummer van Boekman, hield een inleiding over de internationalisering van het kunstfestivalbestel en het gebrek aan financiële ondersteuning van artistieke coproducties vanuit de Europese Unie (EU). Waar het bijvoorbeeld bij het ontwikkelen van de Airbus wel vanzelfsprekend was dat daar vanuit de EU gelden naar toe gaan, is dat bij internationale samenwerking binnen Europa door kunstfestivals nog lang niet normaal. Dergelijke samenwerkingsverbanden zijn steeds gebruikelijker, terwijl de financiering daarvan door de EU door allerlei regelgeving beperkt wordt. Hij pleitte voor een opwaardering van de factor artistiek hoogwaardige kwaliteit binnen de regelgeving, waardoor financiële ondersteuning vanuit de EU voor hoogwaardige coproducties van kunstfestivals mogelijk wordt. Die zijn niet alleen een visitekaartje binnen Europa maar ook daarbuiten. De volledige lezing van Smithuijsen is te vinden op de site van de Boekmanstichting.

Na deze inleiding stelde moderator Constant Meijers (hoofdredacteur TM) de festivaldirecteuren die aan het debat deelnamen voor. Op het podium zaten Annet Lekkerkerker (Holland Festival), Loughlin Deegan (Ulster Bank Dublin Theatre Festival) en Erik Söderblom (Helsinki International Festival). Onderwerp van gesprek was nut en noodzaak van internationale festivalsamenwerking. Meijers viel direct met de deur in huis en vroeg de directies naar die noodzaak. Lekkerkerker gaf aan dat het zonder internationale samenwerking niet meer lukt om bepaalde producties mogelijk te maken. Ze zijn gewoonweg te duur geworden voor één festival. Daarnaast zijn er ook artistieke redenen om door samenwerkingsprojecten nieuwe ontwikkelingen een kans te geven. Deegan vulde hierop aan, dat festivals pas na de Tweede Wereldoorlog zijn ontstaan als een soort van artistieke Marshallhulp, de reden om samenwerking was destijds dus ook ideologisch. Vanuit Helsinki wordt het daarnaast gezien als een mogelijkheid om te netwerken en een internationale markt te bereiken. Söderblom positioneerde zich tijdens het debat enigszins geïsoleerd aan de rand van Europa, waarbij het belang van internationale samenwerking zich vooral manifesteert in een groter internationaal aanbod in Finland. Daarnaast kunnen Finse acteurs op die manier ook internationale kennis en ervaring vergaren. Meijers vatte het samen als noodzakelijk voor distributie en zichtbaarheid.
Logische volgende vraag was of er eigenlijk wel sprake is van een Europese identiteit, een wij-gevoel? Lekkerkerker haalde Prinses Máxima aan die zei dat er niet één Nederlandse identiteit is, maar vele. Van een Europese identiteit kan dan evenmin sprake zijn. Het ligt er maar aan van waaruit je het bekijkt riposteerde Deegan. Als hij in Azië is, voelt hij zich Europeaan en in Frankrijk is hij meer Ier. Kunst ontstaat toch altijd op lokaal niveau, voegde Söderblom daar aan toe. Maar het kan net als de airbus opstijgen en zo internationale uitstraling krijgen. Kunstenaars zijn over het algemeen ook erg mobiel, aldus Lekkerkerker. Zij vestigen zich relatief vaak buiten hun geboorteland en verenigen zo verschillende identiteiten. Ze werken bovendien vaak samen met buitenlandse collegae. Toch spelen je jeugdervaringen daar vaak een belangrijke rol in, volgens Söderberg. Deegan relativeerde dit door er op te wijzen dat je in het kunstonderwijs al geconfronteerd wordt met internationale grootheden. Maar het is wel degelijk gebruikelijk dat kunstenaars zich in het lokale kunstklimaat ontwikkelen, om vervolgens de sprong naar het internationale podium te maken. Vanuit de zaal reageerde Alex de Vries, zelfstandig auteur, curator en adviseur. Hij zei dat dit groeimodel misschien wel binnen de podiumkunsten van kracht is, maar zeker niet binnen de beeldende kunst. Daar kun je niet bepaald spreken van een eenduidige lokale voedingsbodem. Eigenlijk is kunst niet plaatsgebonden, ‘Home is not where the art is, but where the money is’, aldus Deegan. Bovendien is Europa soms al een te kleine eenheid en zijn kunstenaars ook daar al over de grenzen actief. Hij benadrukte ook het belang van internationale coproducties als een soort Research & Development omgeving. Het doel is om excellentie te creëren, alleen het beste en meest uitdagende is goed genoeg. Doordat een internationale coproductie zich ten taak stelt om internationaal de juiste mensen te vinden, leidt dit ook tot hoogstaande producties die voor elk nationaal publiek exotisch zijn, vulde Söderberg aan. Hij voegde daar aan toe dat in Finland alles wat Europees is, nog steeds exotisch aanvoelt.
Toch proefde Meijers al een aanzet tot een prototype coproductie. Met name de Belgen, bijvoorbeeld Alain Platel en Jan Fabre, zijn daar succesvol in. Het zijn dan vooral voorstellingen met weinig tekst en veel beweging en muziek. Kun je dan nog spreken van excelleren? Dat vond Lekkerkerker een aparte en cynische manier om het te bekijken. Zij had niet idee dat het vertrekpunt bij die succesvolle producties is om een zo groot mogelijk (Europees) publiek aan te spreken, maar dat het artistieke overtuigingen van de makers zijn die daar aan ten grondslag liggen. Daar sloten de andere directeuren zich bij aan. De makers willen het in die vorm maken en dat blijkt een divers publiek aan te spreken. Daarnaast vraagt de internationale markt om kunst die aan bepaalde kenmerken voldoet. Het uitgangspunt is echter altijd de kunstenaar die iets wil vertellen. Toch gaf Lekkerkerker toe dat het vullen van de zaal een niet te onderschatten en soms zeer moeilijk opdracht voor de organisatie is, vooral als het onbekender werk betreft of minder toegankelijke producties.
Maar, vroeg Meijers de directeuren, hoe werkt dat dan bij de EU?. Ze constateerden allen een grote mate van bureaucratie die een enorme drempel opwerpt. Daarbij zijn de Europese subsidies nog erg gericht op Europa zelf en niet op de presentatie van Europa over zijn grenzen. Bovendien blijken regelingen altijd gericht op een specifiek bijeffect: kunst als middel tot integratie. Uitgangspunt moet de kunst zelf zijn, niet kunst als middel ter bereiking van en of ander sociaal doel.

Söderberg benadrukte nogmaals dat kunst het best gedijt op lokaal niveau. Hoe houdt je Europese subsidies open voor dergelijke kleinschalige, vaak nog onbekende initiatieven? Dat is nu juist de rol van festivals, reageerde Lekkerkerker. Zij kunnen kleine en grote initiatieven aan elkaar verbinden of naast elkaar programmeren. Deegan zag het belang van de EU vooral in het faciliteren van de mobiliteit binnen Europa. Dat hoeft niet per se door fondsen en subsidies, maar kan ook door het harmoniseren van belastingtarieven en –regelgeving (hierover sprak hij lovend, want dat is inmiddels op Europees niveau al bewerkstelligd). Söderberg herkende hierin het grote onderscheid tussen kunst en politiek. Politiek gaat toch vooral om macht, terwijl kunst van nature veel meer organisch is. De huidige tijd vraagt een hybride tussenvorm, aldus Söderblom. Er moet een intensievere samenwerking komen tussen politieke macht en organische gegroeide kunstinitiatieven: vanuit de kunsten omhoog en top down vanuit de politiek. De nieuwe generatie kunstenaars is sowieso al veel meer internationaal georiënteerd dan de voorgaande.
Pim Fenger, onafhankelijke adviseur, merkte vanuit de zaal op dat het in de Europese dimensie dan om vier punten gaat. Allereerst de kunstvakopleidingen die EU Higher Eduction Mobility schema’s hebben. Daarnaast in de infrastructuur door samenwerking op organisatorisch en facilitair niveau (vergelijkbaar met het Airbusproject). Vervolgens door coöperatie als beginsel te nemen, zoals in het Kaderprogramma voor Cultuur. En tot slot door het beginsel om excellentie te stimuleren en te belonen. Hij verwees naar de situatie van onderzoek waarbij de EU excellent onderzoek stimuleert met subsidies die door een onderzoeksraad worden verdeeld.
Tot slot informeerde Meijers naar het nut van een Europees initiatief als de culturele hoofdstad. De directies waren het er over eens dat dat in de huidige vorm eerder slecht dan goed voor de Europese gedachte is. In het begin had het nog wel een Europese uitstraling, tegenwoordig is het eerder fnuikend dan stimulerend voor de internationale uitstraling van een stad.

André Nuchelmans

donderdag 10 juni 2010

Tijdschriften gaan digitaal

Meer dan 60 literaire, culturele en wetenschappelijke tijdschriften laten hun oude jaargangen digitaliseren en toegankelijk maken via de website van de Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren (DBNL), www.dbnl.org. Maandagmiddag 7 juni vond de presentatie plaats op Spui 25 in Amsterdam. De middag werd georganiseerd door de Vereniging Literaire Tijdschriften, DBNL en Athenaeum Boekhandel. In zijn welkomstwoord toonde Dirk van Weelden zich enthousiast over het initiatief omdat het literaire erfgoed nu eindelijk toegankelijk en doorzoekbaar wordt. Het gaat om literaire tijdschriften als Revisor, De Gids, Tirade en Hollands Maandblad, maar ook afgesloten periodieken, zoals Maatstaf. Verder algemeen culturele tijdschriften als Ons Erfdeel en DWB, en wetenschappelijke bladen. René Stipriaan, hoofdredacteur van DBNL, vertelde over de voorgeschiedenis en het verloop van het project. Hij maakte indruk met duizelingwekkende cijfers, want dit project blijkt deel uit te maken van een nog omvangrijker initiatief waarin uiteindelijk circa duizend oudere tijdschrifttitels gedigitaliseerd worden. Het gaat daarbij om ongeveer 7 miljoen pagina’s. Het onderdeel van de literaire en culturele tijdschriften omvat bijna anderhalf miljoen pagina’s en zal binnen drie jaar worden voltooid. De financiering is overigens nog niet rond. Er is veel vraag naar een digitaal en adequaat ontsloten tijdschriftenarchief, vertelde Stipriaan. De verschillende jaargangen die nu al op de DBNL-site beschikbaar zijn worden honderden en niet zelden duizenden keren per maand geraadpleegd. De gemiddelde tijdspanne tussen publicatie en het online brengen van oude jaargangen is 2 à 3 jaar. Tijdschriften vrezen blijkbaar dat hun inkomsten afnemen wanneer actuele afleveringen direct digitaal beschikbaar zijn. Uit onderzoek van DBNL blijkt tegelijkertijd dat redacties een positief pr-effect verwachten van digitalisering van het archief. Het grootste obstakel bij digitalisering van moderne tijdschriften is het regelen van de auteursrechten. DBNL heeft een daarom een contract opgesteld waarmee de auteurs in een keer toestemming wordt gevraagd voor het digitaliseren van al hun bijdragen in de verschillende aangesloten tijdschriften, zonder dat daar een vergoeding tegenover staat. Met succes, slechts enkele auteurs wilden niet tekenen. De verbintenis is overigens niet exclusief. Speciaal voor deze feestelijke gelegenheid ondertekenden schrijvers waaronder Maarten Asscher, Thomas Rosenboom, Dirk van Weelden, Carel Peeters, Erik Bindervoet, en Robbert-Jan Henkes de overeenkomst, op uitnodiging van de redacties van een aantal literaire tijdschriften. De Swaan hield tussendoor een onderhoudend praatje over de verschillende functies van digitalisering van informatie. Bang dat digitale tijdschriften de papieren versie gaan vervangen, is hij niet. Gedrukte publicaties zullen altijd blijven, maar met een andere functie. ‘Toen de auto werd uitgevonden, betekende dat niet het einde van de fiets’. Ook hij tekende het contract, zonder het gelezen te hebben. ‘Ik vertrouw er maar op dat het fatsoenlijk in elkaar zit’. Een van de vragen uit het publiek betrof de problemen van DBNL vorig najaar met de opname van beeldmateriaal in de databank. Stipriaan stelde ons gerust. Nog deze zomer wordt het juridische obstakel weggewerkt.

Jack van der Leden

maandag 17 mei 2010

Kunstklimaat van de toekomst: een onderzoek naar de mogelijkheden voor het creëren van een gunstig kunstklimaat. 12 mei 2010. Corrosia!, Almere-Haven

Tijdens drie bijeenkomsten in mei zoomt cultureel centrum Corrosia! in Almere-Haven in op het kunstklimaat en de toestand van de kunst, in Nederland en in Flevoland. Waar bevinden we ons nu en hoe ontwikkelt het kunstklimaat zich? In hoeverre spiegelt het jonge Flevoland zich aan nationale ontwikkelingen? Tijdens de tweede bijeenkomst op woensdag 12 mei vormden vijf uiteenlopende lezingen, en een goed verzorgde lunch, het dagvullend programma. 18 betrokkenen uit het lokale/regionale culturele veld en beleid woonden de presentaties bij en namen actief deel aan de discussies. Cas Smithuijsen (Boekmanstichting) kreeg van voorzitter Ronald Venrooy (directeur Corrosia!) als eerste het woord. Hij hield een uiteenzetting over het huidige en toekomstige kunstklimaat. Dat deed hij in vier stappen: een analyse van de huidige situatie, argumenten voor het belang van kunst en cultuur, leveranciers/bronnen van deze argumenten en opinies, en opvallende ontwikkelingen. Het steekhoudend aantonen van het belang van kunst voor de samenleving verloopt moeizaam, aldus Smithuijsen. Hij refereerde aan Boekman 77 over het belang van kunst. De kunstlobby wordt gevoerd door de direct betrokkenen, veelal professionals van (gesubsidieerde) instellingen. ‘Vanuit de Boekmanstichting verkennen we nu de kunststeun vanuit "burgerinitiatieven"’, legde hij uit. ‘We staan aan de vooravond van verandering’. Het kunstklimaat wordt gedragen door een indrukwekkend aantal kunstliefhebbers, bestuurders, donateurs en ‘vrienden’ van culturele instellingen. Het wordt tijd dat deze krachten worden gebundeld. ‘Er zijn zo’n één miljoen vrienden met elkaar te verbinden!’ Smithuijsen toonde zich verheugd over het burgerinitiatief Almere Culturele Hoofdstad 2018 (Initiatiefnemer Marcel Kolder kwam hier later op de dag uitvoerig over te vertellen). Hij noemde ook langdurige burgerinitiatieven als Vereniging Rembrandt (1883) en de vereniging Americans for the Arts (1960) die bijdragen aan een betere maatschappelijk inbedding van kunst. Smithuijsen bepleitte een centrale databank cultuurstatistieken en een (inter)nationale standaardverzameling van argumenten die het belang van een goed kunstklimaat onder woorden brengen. Tot slot nodigde hij iedereen uit om 5 oktober naar het Concertgebouw te komen om kennis te maken met Americans for the Arts.

'Bij elke kabinetswijziging is het raak. Opnieuw moeten Kamerleden overtuigd worden van het belang van kunstsubsidies’, aldus Marianne Versteegh van Kunsten ’92. Zij lichtte in haar presentatie het belang van collectieve belangenbehartiging toe aan de hand van een aantal projecten van Kunsten ’92. De bovensectorale belangenorganisatie kende bij de oprichting in 1992 80 leden, het zijn er nu 425. Versteegh ging in op het ontstaan (uit onvrede met het beleid van Hedy d’Ancona), de missie van de stichting, belangrijkste activiteiten en resultaten. ‘Zaak is nu de schade van bezuinigingen te beperken’, legde ze uit. Niet de cultuurparagrafen van de politieke partijen maar de gemeentelijke bezuinigingen van 20 procent vormen de grootste dreiging. Ook de tegenvallende opbrengsten uit kaartverkoop zijn een probleem. ‘Instellingen geven het aan: bij ons is de rek er nu echt uit.’ Het politiek draagvlak is kleiner geworden. Ondernemerschap en mecenaat krijgen steeds meer nadruk in Den Haag. Kunsten ’92 bepleit daarom bundeling van krachten, dialoog met politici, invloed uitoefenen op besluiten. ‘Het helpt, weten we uit ervaring’. Net als Cas Smithuijsen benadrukte ze de toenemende rol van publiek, cultuurconsumenten en ‘vrienden’ bij de lobby om draagvlak zichtbaar te maken. ‘De politiek heeft er geen oog voor’. Eind mei gaat er een nieuwe website de lucht in, www.zetcultuuropdekaart.nl waaraan participanten hun mening en visie over kunst kunnen toevoegen. Over de vermeende rol van vriendenverenigingen ontstond vervolgens een korte maar felle discussie. Artistiek producent van jeugdtheatergezelschap- & productiehuis BonteHond (Almere) Joop Kuyvenhoven wijst Smithuijsen er op dat de door hem aangehaalde Vereniging Rembrandt toch vooral een club is van mensen uit een kapitaalkrachtige bovenlaag, en in het geheel niet representatief. Wat schiet een nieuwe stad als Almere, waar een derde van de inwoners jonger is dan 25 jaar en een culturele elite ontbreekt, daar mee op? Smithuijsen vult aan dat de Openbare Bibliotheek ook een adequaat voorbeeld is van een omvangrijke koepel die machtig is en nationaal bereik heeft. Ietwat defensief reageert Mascha Roesink, directeur Museum De Paviljoens, op de nadruk die Versteegh legde op de politieke overwinning van de PVV in Almere. ‘Misleidend, al die aandacht voor de PVV. Laten we niet vergeten dat er in Almere in de afgelopen tien jaar enorm veel gebeurd is op het terrein van cultuur!' Na de lunchpauze kwamen twee enthousiasmerende praktijkvoorbeelden aan de orde. Marcel Kolder vertelde over het ontstaan van het burgerinitiatief, ‘liever inwonersinitiatief’, in 2006 van Almere 2018 Culturele Hoofdstad. Kunst en cultuur maken het voor een jonge stad als Almere mogelijk om te kunnen groeien. ‘Almere is toe aan zijn eigen Louvre, want de Almeerders zijn er klaar voor. Eigenlijk had het NHM hier gevestigd moeten worden’. Aanvankelijk verklaarden B&W van Almere de organisatie voor gek, maar met hulp van Bert van Meggelen raakte het bestuur overtuigd. Desondanks dreigt wethouder Arno Visser (VVD) zijn steun in te trekken... ‘Maar volgende week komt het allemaal weer goed’. Kolder heeft er vertrouwen in. Een volgende praktisch geluid kwam van Bart van Rosmalen (van componistenhuis Walter Maas Huis). Praktisch in de letterlijke betekenis ook, want hij ging van start met een indrukwekkende uitvoering op de cello. Daarna gaf hij een uitleg over het programma Connecting Conversations, een netwerk van professionals in kunst, wetenschap en het bedrijfsleven. Het doel is door middel van samenwerking ruimte te geven aan innovatie. Het verhaal van Van Rosmalen was mooi en onderhoudend. Het maakte inzichtelijk hoe de toekomst van de kunstenaarspraktijk mogelijk vorm kan krijgen. Ook het project Nieuwe Grond kwam ter sprake. Dit is een soort denk- en doetank voor onderzoekende jonge kunstenaars die zich manifesteren binnen de ambities van de stad Utrecht als Culturele Hoofdstad 2018. Toine Minnaerts, docent Theater-, Film- en Televisiewetenschap aan de Universiteit Utrecht, besloot de conferentie met een mini-college in rap tempo over theoretische bespiegelingen over de toekomst van het kunstbeleid. Hij presenteerde daartoe een drietal theoretische modellen die mogelijk kunnen worden aangewend voor het schetsen van een toekomstscenario. In alle gevallen gaat het om de wijze waarop het veld, de overheid en de burger zich tot elkaar en hun omgeving verhouden. Het abstractieniveau ging een aantal van de aanwezigen boven het hoofd. Moeiteloos herwon Minnaert de aandacht van zijn gehoor met een ... cartoon. ‘De overheid en de kunsten bevinden zich in een wederzijdse afhankelijkheidsrelatie’, legde hij uit. ‘Zie de twee partijen als twee koppige ezels die eindeloos met elkaar strijden, elkaar vervolgens met de nek aankijken om daarna opnieuw te gaan vechten. Tot ze zich realiseren dat het een hopeloos gevecht is dat nergens toe leidt. Dan treedt er eindelijk een moment van herbezinning op’. En herbezinning is waar het om gaat, herbezinning is noodzakelijk. ‘Wie kijkt er als eerste over zijn schaduw heen?’ De toehoorders reageerden instemmend. Tja, ook ambtenaren en kunstenaars zouden meer moeite moeten doen om zich in elkaars meningen in te leven. Maar wie neemt de eerste stap om werkelijk vooruit te komen? Rosmalen sprak uit ervaring: ‘We zitten vast in patronen. Ook praten, zoals we vandaag doen, helpt niet. We moeten concreet in actie komen. Maakprocessen openbreken’. De voorzitter kondigde een borrel aan. Daar was niemand op tegen. Een afrondend woord liet hij helaas achterwege. Dat was jammer aangezien het perspectief van de sprekers nogal wisselend was en de samenhang niet altijd duidelijk. Maar des te meer gespreksstof resteerde de deelnemers tijdens de borrel.

Jack van der Leden

maandag 10 mei 2010

Werkconferentie ‘Omroep en Cultuur’ op 27 april 2010 in Amsterdam

Drie casussen waarin de publieke omroep succesvol samenwerkt met de cultuursector stonden centraal op de werkconferentie ‘Omroep en Cultuur’, die op 27 april plaatsvond in de IJ kantine in Amsterdam-Noord. De eerste is een initiatief van de AVRO Televisie en het Nederlands Uitburo, om het audiovisuele materiaal dat beschikbaar is van kunstuitingen op internet toegankelijk te maken en daarmee virtueel in te spelen op het huidige consumentengedrag. Een ander initiatief, van Radio 4 met orkesten en ensembles, is het opzetten van een Virtueel Muziekhuis, dat de schat aan archiefmateriaal van de publieke omroep moet ontsluiten. De derde casus is een serie afleveringen van Het Klokhuis rond de vijftig vensters van De Canon van Nederland, waartoe de NPS samenwerkt met het Nationaal Historisch Museum.
De kansen en knelpunten van deze aanstekelijke samenwerkingsprojecten werden uitvoerig en nauwgezet besproken door de aanwezigen uit de wereld van omroep en cultuur. De omgang met auteursrechten en de regelgeving van de Mediawet zijn hierin de grote uitdaging. Maar dit moet initiatiefnemers niet langer de lust ontnemen hun ideeën enthousiast tot ontwikkeling te brengen, zo benadrukte Bert Holvast van de Cultuurformatie. De werkconferentie, een initiatief van het ministerie van OCW, de Cultuurformatie en de Nederlandse Publieke Omroep, was een vervolg op een eerdere conferentie in juni 2008. Duidelijk werd destijds dat de genoemde problemen met rechten en regelgeving obstakels opwierpen, waarop (demissionair) minister Plasterk toezegde het beleid op dit terrein te verduidelijken. Op zijn verzoek heeft het Commissariaat voor de Media september vorig jaar de mogelijkheden voor samenwerking tussen omroep en cultuursector toegelicht in een brief met de titel ‘samenwerking publieke omroep-culturele instellingen’ en een brochure ‘publiek-private samenwerking.’
In de IJ kantine hield Madeleine de Cock Buning namens het Commissariaat voor de Media een verhelderend verhaal over de samenwerkingsvormen die de Mediawet al dan niet toestaat. Kort door de bocht is samenwerking mogelijk onder drie noemers: sponsoring, een nevenactiviteit of gelijkwaardige samenwerking. Als er tenminste aan een aantal voorwaarden wordt voldaan die door het Commissariaat worden getoetst.
Gespreksleider Hans van Beers noemde de brief waarin het Commissariaat voor de Media de samenwerkingsmogelijkheden toelicht, ‘een kille demonstratie van het feit dat kunst en televisie twee media zijn die sterk van elkaar verschillen’. Deze werkconferentie is er echter om te kijken wat er wél mogelijk is, benadrukte hij, en hoe we de samenwerking kunnen stimuleren.
‘Er is vaak veel meer mogelijk dan je denkt’, zo stelden ook Monique Vogelzang en Marjan Hammersma van respectievelijk Directie Kunsten en Directie Media, Letteren en Bibliotheken van OCW. ‘Juist in deze tijd, waarin subsidies onder vuur staan, is het van belang de krachten te bundelen. Voor de culturele sector is de televisie een belangrijke etalage en hoeder van het cultureel erfgoed. Andersom kan de cultuursector de televisieprogrammaring verrijken en specifieke publieksgroepen bereiken’.
Ruud Bierman vertelde namens de Nederlandse Publieke Omroep dat er sinds de vorige werkconferentie veel is gebeurd. Hij verwees onder meer naar contacten met Oerol, IDFA, de UITmarkt en Lowlands en het debat rond Toneel op Twee in 2009. AVRO, NPS en VPRO verzorgen veel kunst en cultuur op radio, TV en internet zijn mediapartner of sponsor bij festivals en andere evenementen. Daarnaast is er aandacht voor cultuur bij andere omroepen in programma’s als het journaal of De Wereld Draait Door. ‘Ruim 5 procent van onze televisieprogrammering bestond in 2009 uit kunstinformatie, 3,5 % uit muziek en dans, meer dan 5 % uit Nederlandse fictie en nog eens bijna 2% uit cabaret en satire’, vertelde hij.
De presentatie van de drie nieuwe casussen liet zien dat omroep en cultuursector elkaar steeds dichter naderen met zowel plannen voor programma’s als gezamenlijke initiatieven op internet. In de kwestie met de auteursrechten denkt men een stap vooruit te zetten door afspraken met koepel- en belangenorganisaties, waarin ook OCW zou kunnen bemiddelen. Ook het Commissariaat voor de Media stelt zich toegankelijk op. Madeleine de Cock Bunink nodigde de aanwezigen uit om langs te komen met plannen en te kijken wat er mogelijk is.

Anita Twaalfhoven

dinsdag 20 april 2010

NOVA: Kunstsubsidies onder druk

Voor zes op de tien Nederlanders staan kunst en cultuur in de top vijf van de populairste posten waarop bezuinigd mag worden. Ontwikkelingssamenwerking staat op één, kunst en cultuur en Defensie op een gedeelde tweede plaats, gevolgd door wonen, en landbouw en visserij. Dit blijkt uit onderzoek van Synovate onder 1000 kiesgerechtigde Nederlanders, verricht in opdracht van NOVA. In de uitzending van maandag 19 april maakte het nieuwsprogramma de uitslag bekend en liet een aantal betrokkenen aan het woord.
De kunstsubsidies hebben nog nooit zo onder druk gestaan als op dit moment, aldus Clairy Polak. Sommige politieke partijen spreken zich openlijk uit voor bezuinigingen op kunst en cultuur. Waarom wel inleveren als het gaat om veiligheid en gezondheidszorg, en niet op orkesten en beeldende kunst? Op de vraag waarop absoluut niet bezuinigd mag worden koos slechts drie procent van de Nederlanders voor kunst en cultuur. De kunstsector heeft alle reden om zich zorgen te maken. Hoeveel subsidie gaat er naar de kunstsector en kan het niet wat minder? Hoe denkt de bevolking over bezuinigingen op kunst en cultuur?

NOVA sprak met columnist Bas Heijne, econoom Gerard Marlet en VVD-kamerlid Mark Harbers. Ook volgde NOVA twee kunstenaars tijdens hun subsidieaanvraag bij het Amsterdamse Fonds voor de Kunst, en sprak ze met studenten van het Utrechtse conservatorium.
Van de 4,5 miljard euro die de sector jaarlijks aan inkomsten binnenkrijgt, is tweederde afkomstig van het ministerie van OCW. Een derde komt uit kaartverkoop en sponsorgelden. Volgens Bastiaan Vinkenburg van Berenschot is de Rijksbijdrage niet hoog wanneer je het bedrag relateert aan het aantal inwoners. Per inwoner besteedt het Rijk 55 euro per jaar aan kunst en cultuur. De vier grote gemeenten betalen meer dan 200 euro per jaar per inwoner, de kleinere gemeenten gemiddeld 88 euro. Slechts 0,56% van de rijksbegroting gaat naar kunst en cultuur. Toch wordt dit nog minder, waarschuwde NOVA. ‘Kunstenaars moeten eraan geloven’.
Dat kunstsubsidies niet langer heilig zijn bleek uit de reactie van twee Kamerleden. Volgens Tweede Kamerlid Mark Harbers zijn steeds meer instellingen subsidieverslaafd geraakt. Hij pleitte voor minder subsidie en meer geld uit het land. Later lichtte hij toe dat instellingen gewezen moeten worden op alternatieve financiering zoals sponsoring. Ook het schenken door particulieren moet fiscaal gestimuleerd worden door middel van een ‘geefwet’. Ook de PVV is kritisch, bleek uit een televisiefragment waarin Tweede Kamerlid van de PVV Sietse Fritsma uitriep: ‘Waarom moet Jan Modaal betalen voor het Residentieorkest voor een klein elitegroepje’.
Waarom zijn kunst en cultuur belangrijk? De economische meerwaarde is aangetoond, legde econoom Gerard Marlet uit. De simpele aanwezigheid van cultureel aanbod is goed voor een stad, want het vergroot de aantrekkingskracht en de economie. Dat komt alle inwoners ten goede.
Een groot probleem is volgens NOVA dat kunstenaars zelf niet altijd goed kunnen uitleggen waarom subsidies van belang zijn. Een studente aan het Utrechts Conservatorium was hier een voorbeeld van. ‘Subsidies zijn belangrijk, want als er geen orkesten zijn zit ik straks zonder werk’. Ook de beeldend kunstenaars die een subsidie aanvroegen bij het AFK kwamen niet overtuigend over. Een van de kunstenaars die subsidie aanvroeg bij het AFK was Dorette Evers. Zij gaf desgevraagd aan dat ze haar project als vrijwilliger zou voortzetten wanneer ze geen subsidie zou krijgen. De andere kunstenaar, Jeroen Kramer, beaamde dat het steeds moeilijker wordt om subsidie krijgen, maar hij zag het als een uitdaging aan kunstenaars om nog serieuzer met subsidieaanvragen om te gaan.
Bas Heijne slaagde er wel in kunstsubsidies te verdedigen. Hij legde uit dat de kunstwereld vaak roept dat kunst nu eenmaal belangrijk is, maar argumenten achterwege laat. De kunstwereld kijkt alleen maar naar zichzelf. Maar soms zijn subsidies maatschappelijk moeilijk te verdedigen. ‘Ik betaal zelf ook mee aan dingen waar ik niets mee heb, zoals voetbal. Is voetbal belangrijk voor een samenleving? Voor mij niet. Een levensvoorwaarde is het niet, maar wanneer het ophoudt te bestaan betekent dat voor veel mensen een identiteitscrisis. Hetzelfde geldt voor kunst. Hij stelt voor: ‘laten we gelijk oversteken. Dan zeuren we er niet meer over’. Heijne wijst ook op de intrinsieke waarde van kunst. Kunst is verbeelding. Hij noemt als voorbeeld Romeo en Julia. Het verhaal over liefde en verraad bepaalt je blik op liefde. Kunst laat je opnieuw kijken naar je leven en je wereld.
Van de ondervraagden vindt 45% dat er te veel geld wordt uitgegeven aan kunst en cultuur, 26 % vindt het net goed, 8% noemt het te weinig. Het subsidiëren van kunst en cultuur moet daarom vaker ter discussie staan en geen automatisme zijn, aldus Vinkenburg. Iedere culturele instelling zal zijn recht op subsidie moeten verdedigen.
Nederlanders gunnen het meeste geld aan musea, daarna volgen film, festivals en orkesten. Dans en beeldende kunst komen er slecht vanaf. Geen aandacht was er in het onderzoek voor cultuurbehoud, waaronder monumentenzorg, bibliotheken en archieven. Ook kunsteducatie en amateurkunst bleven buiten beeld. Dat is een gemiste kans, want circa een derde van de bevolking houdt zich met amateurkunst bezig.
Boekman 81 over kunst en politiek bevat een volledig overzicht van de standpunten van de politieke partijen over kunst- en cultuurbeleid. Boekman 77 bevat een aantal overtuigende meningen en visies over het belang van kunst. Actuele informatie over maatschappelijk draagvlak voor kunst en de aandacht voor kunst in de verkiezingsprogramma kunt u vinden in de bibliotheek van de Boekmanstichting.

Jack van der Leden