In een volle Grote Zaal van De Balie in Amsterdam vond op vrijdag 24 september de kick-off van de actie Stop de culturele kaalslag plaats. FNV Kiem nam het initiatief voor deze actie tegen de aangekondigde bezuinigingen van 220 miljoen euro op de kunsten. Op de website van het initiatief hadden inmiddels 27.000 mensen de petitie ondertekend en er zouden er volgens gespreksleider Farid Tabarki elk uur 1000 bijkomen. De actiebereidheid was dan ook groot, maar het debat maakte duidelijk dat men het niet eens was of er actie gevoerd moest worden tegen de verwachte buitenproportionele bezuinigingen of tegen bezuinigingen an sich. Vanaf de kick-off wordt 5 dagen lang, voorafgaand aan theater- en muziekvoorstelling een statement voorgelezen, waarin de sector zich tegen de buitensporige bezuinigingen uitspreekt. Met het voorlezen van de tekst van het statement aan het einde van de bijeenkomst gaf Caspar de Kiefte, bestuurder van FNV Kiem, het startsein voor de actie. Dat hij daarbij een deel van de tekst oversloeg, gaf aan dat hij zelf ook nog naar de juiste woorden zocht voor een inspirerend startschot.
Drie statements leiden het debat in. Als eerste sprak Ramsey Nasr zijn gedicht/manifest Uit nutteloze noodzaak uit. Nasr sprak dit Manifest van Terschelling eerder uit bij de opening van Oerol, vlak na de Tweede Kamerverkiezingen. Vervolgens onderstreepte Carel Kraayenhof namens de Nederlandse Toonkunstenaarsbond het belang van cultuur. Jetta Klijnsma, cultuurwoordvoerder voor de PvdA in de Tweede Kamer, sloot de rij.
Na deze statements nam een aantal betrokken uit verschillende geledingen plaats op het podium. Stijn Schoonderwoerd, directeur van het Nationaal Ballet, beet het spits af. Hij hield de aanwezigen voor dat de mythes tegenwoordig niet alleen aan het podium waren voorbehouden, maar zich ook in de realiteit manifesteerden. Dat de toegangsprijzen omhoog kunnen was er een van, een andere is dat de instellingen die het niet goed doen de dupe van de bezuinigingen zijn. In de praktijk blijkt echter dat een verhoging van de toegangsprijzen een deel van het publiek zal verjagen. En de disproportionele bezuinigingen zullen het gehele kunstenbestel doen wankelen. Het publiek van het Nationaal Ballet bestaat niet uitsluitend uit de rijken, maar is een doorsnede van het Nederlandse publiek. Daar sloot actrice Halina Reijn zich bij aan. De aangekondigde bezuinigingen leiden juist tot kunst uitsluitend voor de elite. Mariko Peters, cultuurwoordvoerdster GroenLinks, kenschetste de plannen als een antibeschavingsoffensief en merkte op dat de sector eigenlijk alleen bij GroenLinks, de PvdA en de SP op steun kan rekenen. Beeldend kunstenaar Niek Verschoor vergeleek de huidige situatie met het rampjaar 1672: ‘het volk is redeloos, de regenten zijn radeloos en de kunsten zijn reddeloos’.
Econoom Pim van Klink verklaarde de huidige steun onder brede bevolkingsgroepen om op de kunsten te bezuinigen uit het feit dat de kunstensector tot nu toe altijd de dans wist te ontspringen terwijl op alle andere beleidsterreinen wel bezuinigd werd. Ook het subsidiebeoordelingssysteem dat vakgenoten de kwaliteit van de aanvragen beoordelen werkt een aversie tegen de kunsten in zijn ogen in de hand.
Voormalig cultuurwoordvoerder van de SP, Hans van Leeuwen, gaf aan dat een discrepantie tussen publiek en avantgarde van alle tijden is. Wat dat betreft lopen de kunsten voor op de rest van de bevolking. Hij pleitte er voor om actie te voeren tegen welke bezuiniging dan ook op de kunstensector. Het is toch al geen vetpot en in de ons omliggende landen is het vrij normaal om 1% van de begroting aan de kunsten te besteden. In Nederland is dit nog geen 0,5%. Niet iedereen sloot zich hier bij aan en gaf te kennen wel degelijk ook mogelijkheden te zien om te bezuinigen, maar niet op de schaal die nu de ronde doet. Stijn Schoonderwoerd durfde de stelling wel aan dat er in Nederland teveel aanbod is, er zijn teveel schouwburgen. De sector zou meer in het werk moeten stellen om zichzelf gezond te maken.
Jan Willem de Vriend, chef dirigent Orkest van het Oosten en vaste gast-dirigent van het Brabants Orkest, sprak vanuit zijn eigen ervaring over het belang van een orkest voor de directe omgeving. Dat ligt niet alleen in het feit dat de orkestleden musiceren. Velen zijn daarnaast betrokken bij het muziekonderwijs. Bezuinigingen op de orkesten zullen dus ook effect hebben op het muziekonderwijs. En de kunsteducatie is er al zo erbarmelijk aan toe. Als we kinderen niet leren kijken en luisteren, kun je ook niet verwachten dat ze later beeldende kunst of muziek op waarde schatten.
Daar kon het publiek zich wel in vinden. Het was dan ook terecht dat Mariko Peters opmerkte dat de kunstensector zich meer naar buiten moet richten. Ze moet zich verbinden met andere sectoren om haar belang en draagvlak te onderstrepen. Met alleen het vaste publiek kom je er niet om de bezuinigingen te ontlopen. Veel betrokkenen gaven aan niet te begrijpen dat juist de VVD zo’n groot voorstander van de buitenproportionele bezuinigingen op de kunstsector is. Raden van bestuur en adviesraden worden juist bevolkt door mensen met die politieke signatuur. De afspraak was dan ook snel gemaakt om deze personen te bewegen bij hun partij het belang van de kunstsubsidies kenbaar te maken. Volgens econoom Van Klink moet bij daarbij niet het economisch maar het intrinsieke belang van de kunsten onder de aandacht worden gebracht.
Iedereen was het er over eens dat er iets moest gebeuren, maar wat? Halina Reijn stelde voor de BN-ers in stelling te brengen. Stijn Schoonderwoerd wees de aanwezigen op de korte tijd die vermoedelijk resteerde tot het regeerakkoord. Hij pleitte er voor de acties onder te verdelen in korte- en langetermijn. Een rondgang langs de eigen VVD-achterban behoorde tot de eerste actie. Als de bezuinigingen dan toch een feit blijken, moet de sector zelf met voorstellen komen, mee beslissen. Op lange termijn dient de sector een groter maatschappelijk draagvlak te creëren. Vanuit de zaal werd geopperd om alle culturele instellingen een week lang dicht te gooien. Dan zou iedereen pas merken wat ze missen! Na nog enkele slotvragen en –opmerkingen vanuit het publiek gaf de gespreksleider het woord aan Caspar de Kiefte. Deze verklaarde dat het hem goed deed om te zien dat de actiebereidheid er is en dat nu tot de volgende stap overgegaan kon worden. Die stap betrof het statement dat vanaf deze avond voorafgaand aan elke voorstelling voorgelezen zou worden. Doordat De Kiefte vervolgens bij het voorlezen van het statement een deel van de tekst oversloeg, ontkrachtte hij de actie voor een deel. Het zei echter ook iets over de inhoud van het statement: van een creatieve sector zou je een steviger en inspirerender statement verwachten dan de ambtelijke tekst die De Kiefte gedeeltelijk voorlas. De bijeenkomst maakte duidelijk dat de kunstensector bereid is actie te voeren, maar hoe en precies waarvoor daar was men het nog niet over eens.
André Nuchelmans
Het laatste nieuws van de redactie van Boekman en medewerkers van de Boekmanstichting op het gebied van symposia, benoemingen, promoties, publicaties.
vrijdag 24 september 2010
dinsdag 7 september 2010
De keuze van de kijker: noodzaak of noodgreep?
Het Fonds Podiumkunsten, Theater Instituut Nederland en Muziek Centrum Nederland organiseerden dinsdag 7 september tijdens het Nederlands Theater Festival (TF) een aflevering van de debatreeks ComMotie. Aanleiding voor het debat was het initiatief van Adelheid Roosen, juryvoorzitter van het TF om een wijkjury in te voeren die ook een beste theatervoorstelling kiest. In een afgeladen Koninklijke Foyer van de Amsterdamse Stadsschouwburg gaf gespreksleider Jörgen Tjon A Fong een korte inleiding op het debat, waarna hij keynote speaker Baba Israel (Contact Theatre Manchester) introduceerde.
Israel begon met een korte persoonlijke geschiedenis. Zijn ouders waren verbonden aan het Living Theatre. Zelf startte hij zijn carrière in de kunsten als hiphopper/human beatbox. Contact met het publiek en het buiten de standaard structuren opereren waren hem dus met de paplepel ingegoten. Sinds één jaar is hij verbonden aan het Contact Theatre in Manchester, een theater dat zich specifiek op een jong publiek richt. Israel gaf aan hoe hij het publiek bij zijn programmering probeert te betrekken. Hij probeert allereerst jonge artiesten te ontwikkelen door ze in de programmering op te nemen. Daarnaast geeft hij jongeren een belangrijke rol door ze bij de programmering te betrekken. Dit gaat via zogenaamde pitch parties, waarbij een jong programmeerteam bestaande uit 4 geselecteerde jongeren luisteren naar de voorstellen van artiesten en hun voorkeur kenbaar maken. Daarnaast speelt het publiek ook een belangrijke rol bij het bepalen van de kunstinhoudelijke visie van het theater. Zo krijgt het theater een bepaalde relevantie voor de stad. Een gemêleerd publiek komt op de voorstellingen af. Maar het theater biedt meer. Het is een kunstwerk op zichzelf. Zo zijn er installaties in de ruimtes buiten de zalen te zien. Uiteindelijk is het wel de artistiek directeur die de programmering bepaalt, maar de keuze van het publiek en de jongeren wordt daarin nadrukkelijk meegenomen.
Dat hij buiten de geëigende structuren denkt en handelt, illustreerde hij met een voorbeeld van een zogenaamde unconference. Dit is een bijeenkomst zonder agenda en zonder dat tevoren bekend is wie in het programma is opgenomen. Het geheel werd in 36 uur real time georganiseerd. Spontaniteit speelt een belangrijke rol bij dergelijke bijeenkomsten.
Vervolgens stelde Tjon A Fong het volgende panel aan de zaal voor. Adelheid Roosen gaf samen met twee van de juryleden uit de wijkjury uitleg over de werking van dit initiatief. 11 Vrouwen uit Amsterdamse wijken zagen in een jaar 25 theatervoorstellingen. Deze werden na afloop besproken onder begeleiding van een dramaturg. Deze gaf de vrouwen ook aanwijzingen om tijdens de voorstellingen op bepaalde details, zoals de belichting te letten. Beide juryleden gaven aan over een drempel gehaald te zijn. In hun land van herkomst (Italië en Griekenland) gingen zij wel naar het theater, maar hier was toch vooral de taal die hen daarvan weerhield. Onduidelijk was op welke basis de juryleden gekozen waren. Toen de gespreksleider aan Roosen vroeg wat zij voor een doel met dit initiatief had, gaf deze aan niet in doelen te denken. 'Het kwam in me op en daar zat verder niets iets achter.' Wel zorgde het voor onverwachte confrontaties. Zo zat Roosen eens achter een jurylid die tijdens de voorstelling rustig zat te bellen met het thuisfront. Roosen zag zich vervolgens voor het dilemma geplaatst om daar al dan niet op te reageren. Het maakte haar duidelijk dat de heersende waarden en normen niet altijd de enige en juiste zijn.
Uiteindelijk selecteerde de wijkjury de voorstelling Branden voor het Theater Festival. Ook gaf Roosen aan zich te ergeren aan de constante vragen over dualiteit. 'Er wordt altijd uitgegaan van tegenstellingen, terwijl je het ook als bewegingen kunt zien. Ontmoetingen resulteren altijd in iets nieuws.' Het initiatief van de wijkjury is te zien 'als de stad die haar gezicht naar de wijken toekeert.' Hierop merkte Tjon A Jong terecht op dat hij het toch eerder andersom zag: de wijkjury werd naar de stad gehaald. Wat betreft het thema van het debat werd ook niet duidelijk welke rol het publiek, behalve het opnemen van een voorstelling op voordracht van de wijkjury, in de programmering speelt of zou kunnen spelen.
Na dit gesprek verlieten de twee leden van de wijkjury het podium en maakten plaats voor Joost Heijthuijsen, directielid van het independent culture festival Incubate, en Rabiaâ Banlahbib van Kosmopolis Den Haag. Beiden gaven aan hoe zij het publiek bij de programmering betrekken. Vooral Heijthuijsen gaf aansprekende voorbeelden waarbij intensief gebruik wordt gemaakt van nieuwe netwerken op het internet als Facebook en Hyves. Niet alleen het publiek wordt bij Incubate actief bij het festival betrokken, ook de artiesten. ‘Waarom zou ik zelf alle bio’s bij elkaar gaan zoeken, als die artiesten het kant en klaar op hun MySpace of Facebook pagina hebben staan’, zo redeneerde hij. Het programmaboek op internet wordt dan ook de artiesten zelf samengesteld en aangevuld. Banlahbib werd ingeleid door een filmpje van een project in Den Haag waarbij acteur bij de mensen thuis een voorstelling gaven, Theater aan huis. In mijn ogen eerder een voorbeeld van Community Art dan van het betrekken van publiek bij de programmering. Wel gaf zij aan dat Kosmopolis allerlei initiatieven ontwikkelt om bevolkingsgroepen die normaal niet naar voorstellingen gaan daarin te interesseren. Nadat Israel bij het panel aanschoof ontstond er een levendige discussie met de zaal. Hierbij kwamen vooral de marketing en het gebruik van het gebouw aan de orde. Veelvuldig was de wens te horen om meer gebruik van het gebouw te maken. De gebouwen moeten op een andere manier worden benut, ze zijn tenslotte van iedereen, dus moet iedereen er ook gebruik van kunnen maken. Heijthuijsen en Israel gaven diverse voorbeelden van hoe er out of the box gedacht kan worden in deze context. Op de vraag of het betrekken van het publiek bij de programmering nu nut of noodzaak is, kregen de bezoekers van het debat uiteindelijk geen antwoord, wel werden er inspirerende voorbeelden gegeven van hoe een nieuw en jong publiek bij het theater betrokken kan worden. Jongere programmeurs doen dit al als vanzelfsprekend en zijn ook meer in moderne netwerken ingevoerd. Dit doet vermoeden dat het slechts een kwestie van tijd is. Maar staan de culturele vestingen voor het zover is, al open voor de geopperde initiatieven om een breder en jonger publiek bij het theater te betrekken?
André Nuchelmans
Israel begon met een korte persoonlijke geschiedenis. Zijn ouders waren verbonden aan het Living Theatre. Zelf startte hij zijn carrière in de kunsten als hiphopper/human beatbox. Contact met het publiek en het buiten de standaard structuren opereren waren hem dus met de paplepel ingegoten. Sinds één jaar is hij verbonden aan het Contact Theatre in Manchester, een theater dat zich specifiek op een jong publiek richt. Israel gaf aan hoe hij het publiek bij zijn programmering probeert te betrekken. Hij probeert allereerst jonge artiesten te ontwikkelen door ze in de programmering op te nemen. Daarnaast geeft hij jongeren een belangrijke rol door ze bij de programmering te betrekken. Dit gaat via zogenaamde pitch parties, waarbij een jong programmeerteam bestaande uit 4 geselecteerde jongeren luisteren naar de voorstellen van artiesten en hun voorkeur kenbaar maken. Daarnaast speelt het publiek ook een belangrijke rol bij het bepalen van de kunstinhoudelijke visie van het theater. Zo krijgt het theater een bepaalde relevantie voor de stad. Een gemêleerd publiek komt op de voorstellingen af. Maar het theater biedt meer. Het is een kunstwerk op zichzelf. Zo zijn er installaties in de ruimtes buiten de zalen te zien. Uiteindelijk is het wel de artistiek directeur die de programmering bepaalt, maar de keuze van het publiek en de jongeren wordt daarin nadrukkelijk meegenomen.
Dat hij buiten de geëigende structuren denkt en handelt, illustreerde hij met een voorbeeld van een zogenaamde unconference. Dit is een bijeenkomst zonder agenda en zonder dat tevoren bekend is wie in het programma is opgenomen. Het geheel werd in 36 uur real time georganiseerd. Spontaniteit speelt een belangrijke rol bij dergelijke bijeenkomsten.
Vervolgens stelde Tjon A Fong het volgende panel aan de zaal voor. Adelheid Roosen gaf samen met twee van de juryleden uit de wijkjury uitleg over de werking van dit initiatief. 11 Vrouwen uit Amsterdamse wijken zagen in een jaar 25 theatervoorstellingen. Deze werden na afloop besproken onder begeleiding van een dramaturg. Deze gaf de vrouwen ook aanwijzingen om tijdens de voorstellingen op bepaalde details, zoals de belichting te letten. Beide juryleden gaven aan over een drempel gehaald te zijn. In hun land van herkomst (Italië en Griekenland) gingen zij wel naar het theater, maar hier was toch vooral de taal die hen daarvan weerhield. Onduidelijk was op welke basis de juryleden gekozen waren. Toen de gespreksleider aan Roosen vroeg wat zij voor een doel met dit initiatief had, gaf deze aan niet in doelen te denken. 'Het kwam in me op en daar zat verder niets iets achter.' Wel zorgde het voor onverwachte confrontaties. Zo zat Roosen eens achter een jurylid die tijdens de voorstelling rustig zat te bellen met het thuisfront. Roosen zag zich vervolgens voor het dilemma geplaatst om daar al dan niet op te reageren. Het maakte haar duidelijk dat de heersende waarden en normen niet altijd de enige en juiste zijn.
Uiteindelijk selecteerde de wijkjury de voorstelling Branden voor het Theater Festival. Ook gaf Roosen aan zich te ergeren aan de constante vragen over dualiteit. 'Er wordt altijd uitgegaan van tegenstellingen, terwijl je het ook als bewegingen kunt zien. Ontmoetingen resulteren altijd in iets nieuws.' Het initiatief van de wijkjury is te zien 'als de stad die haar gezicht naar de wijken toekeert.' Hierop merkte Tjon A Jong terecht op dat hij het toch eerder andersom zag: de wijkjury werd naar de stad gehaald. Wat betreft het thema van het debat werd ook niet duidelijk welke rol het publiek, behalve het opnemen van een voorstelling op voordracht van de wijkjury, in de programmering speelt of zou kunnen spelen.
Na dit gesprek verlieten de twee leden van de wijkjury het podium en maakten plaats voor Joost Heijthuijsen, directielid van het independent culture festival Incubate, en Rabiaâ Banlahbib van Kosmopolis Den Haag. Beiden gaven aan hoe zij het publiek bij de programmering betrekken. Vooral Heijthuijsen gaf aansprekende voorbeelden waarbij intensief gebruik wordt gemaakt van nieuwe netwerken op het internet als Facebook en Hyves. Niet alleen het publiek wordt bij Incubate actief bij het festival betrokken, ook de artiesten. ‘Waarom zou ik zelf alle bio’s bij elkaar gaan zoeken, als die artiesten het kant en klaar op hun MySpace of Facebook pagina hebben staan’, zo redeneerde hij. Het programmaboek op internet wordt dan ook de artiesten zelf samengesteld en aangevuld. Banlahbib werd ingeleid door een filmpje van een project in Den Haag waarbij acteur bij de mensen thuis een voorstelling gaven, Theater aan huis. In mijn ogen eerder een voorbeeld van Community Art dan van het betrekken van publiek bij de programmering. Wel gaf zij aan dat Kosmopolis allerlei initiatieven ontwikkelt om bevolkingsgroepen die normaal niet naar voorstellingen gaan daarin te interesseren. Nadat Israel bij het panel aanschoof ontstond er een levendige discussie met de zaal. Hierbij kwamen vooral de marketing en het gebruik van het gebouw aan de orde. Veelvuldig was de wens te horen om meer gebruik van het gebouw te maken. De gebouwen moeten op een andere manier worden benut, ze zijn tenslotte van iedereen, dus moet iedereen er ook gebruik van kunnen maken. Heijthuijsen en Israel gaven diverse voorbeelden van hoe er out of the box gedacht kan worden in deze context. Op de vraag of het betrekken van het publiek bij de programmering nu nut of noodzaak is, kregen de bezoekers van het debat uiteindelijk geen antwoord, wel werden er inspirerende voorbeelden gegeven van hoe een nieuw en jong publiek bij het theater betrokken kan worden. Jongere programmeurs doen dit al als vanzelfsprekend en zijn ook meer in moderne netwerken ingevoerd. Dit doet vermoeden dat het slechts een kwestie van tijd is. Maar staan de culturele vestingen voor het zover is, al open voor de geopperde initiatieven om een breder en jonger publiek bij het theater te betrekken?
André Nuchelmans
UvA Boekensalon. Drie 'boekenvaksters' debat
Het driedaagse boekenevenement Manuscripta in Amsterdam bood maandag 6 september in de namiddag plaats aan de UvA Boekensalon, het ‘Drie “boekenvaksters” debat’. De salon wordt maandelijks georganiseerd door Bijzondere Collecties van de UvA. Normaal gesproken vindt het plaats in het Museumcafé van het Allard Pierson Museum en Bijzondere Collecties aan het Turfdraagsterpad in de hoofdstad. Ter gelegenheid van de opening van het boekenseizoen was uitgeweken naar het Transformatorhuis op het Westergasfabriekterrein. In tegenstelling tot de aankondiging in het programmaboekje van Manuscripta, ‘Komen vrouwelijke uitgevers voldoende aan bod?’, was het onderwerp van de boekensalon niet de rol van vrouwen in het boekenvak. Waarom het plan was gewijzigd bleef vreemd genoeg buiten beschouwing. Bovendien ontbrak Lisa Kuitert, zij stond aangekondigd als panellid. Aanwezig waren: uitgever en literair journaliste Lidewijde Paris, uitgever Eva Cossee, Aartje Koster (directeur Selexyz Scheltema Almere) en Garrelt Verhoeven (hoofdconservator van Bijzondere Collecties van de UvA). Gespreksleider was Lennart Booij.
Als het niet over de rol van vrouwen ging, waar ging het dan wel over? Digitalisering en archivering bleken de sleutelwoorden. Aandacht was er voor de gevolgen van digitalisering voor het boekenvak en voor archiefbeheer, in het bijzonder met het oog op de Bibliotheek van het Boekenvak. Deze collectie is gewijd aan de productie, verspreiding en handel van het boek en is ondergebracht bij Bijzondere Collecties (BC). Verhoeven deed een oproep aan uitgevers om hun archief, auteurscorrespondentie, fondscatalogi, maar ook promotiemateriaal af te staan aan BC. Maar wie schrijft er nu nog een brief? En wat te doen met digitale bronnen, e-mails, bestanden? Wie archiveert ze, hoe doe je dat, hoe moet je ze ontsluiten? Daar wordt bij BC druk over nagedacht. De huidige archieven worden de komende vijf jaar alvast gedigitaliseerd. Ook geven ze bewaaradviezen aan uitgevers en schrijvers. Maar uitgevers hebben er helaas amper tijd voor, aldus Cossee en Lidewij. Ze vinden het wel enorm belangrijk en ondersteunen BC. De collectie geeft immers een rijk en inspirerend beeld van ontwikkelingen in het boekenvak sinds de 17e eeuw. Paris vertelde enthousiast over haar betrokkenheid bij de ‘redding’ van het archief van Querido. Cossee vroeg zich af wat te doen met de oude, in het verleden bekroonde, website van de uitgeverij, zodra de nieuwe website in gebruik wordt genomen. Het is toch jammer wanneer dit zomaar verdwijnt? Wat de opkomst van het e-book betreft werden positieve mogelijkheden belicht. Aartje Koster van Selexyz Almere is niet bang voor het e-book. Zij voorziet dat de boekhandel in de nabije toekomst naast boeken, ‘want die zullen nooit verdwijnen’, en e-books, ook nevenproducten gaat aanbieden, zoals ipads. En hopelijk komt er eindelijk weer meer aandacht voor het mooi verzorgde, gedrukte boek. Daar sloot iedereen zich bij aan. Cossee legde nog uit dat niet alleen bij het gedrukte boek maar ook (of juist) bij het gedigitaliseerde boek de opmaak en typografie belangrijk zijn. Kort werd gepraat over ingewikkelde aspecten als auteursrecht en beveiliging. Mensen bieden zelfs eigenhandig gescande boeken aan op marktplaats.nl, verzuchtte Cossee. Beveiligen is gewoonweg niet mogelijk.
Jack van der Leden
Als het niet over de rol van vrouwen ging, waar ging het dan wel over? Digitalisering en archivering bleken de sleutelwoorden. Aandacht was er voor de gevolgen van digitalisering voor het boekenvak en voor archiefbeheer, in het bijzonder met het oog op de Bibliotheek van het Boekenvak. Deze collectie is gewijd aan de productie, verspreiding en handel van het boek en is ondergebracht bij Bijzondere Collecties (BC). Verhoeven deed een oproep aan uitgevers om hun archief, auteurscorrespondentie, fondscatalogi, maar ook promotiemateriaal af te staan aan BC. Maar wie schrijft er nu nog een brief? En wat te doen met digitale bronnen, e-mails, bestanden? Wie archiveert ze, hoe doe je dat, hoe moet je ze ontsluiten? Daar wordt bij BC druk over nagedacht. De huidige archieven worden de komende vijf jaar alvast gedigitaliseerd. Ook geven ze bewaaradviezen aan uitgevers en schrijvers. Maar uitgevers hebben er helaas amper tijd voor, aldus Cossee en Lidewij. Ze vinden het wel enorm belangrijk en ondersteunen BC. De collectie geeft immers een rijk en inspirerend beeld van ontwikkelingen in het boekenvak sinds de 17e eeuw. Paris vertelde enthousiast over haar betrokkenheid bij de ‘redding’ van het archief van Querido. Cossee vroeg zich af wat te doen met de oude, in het verleden bekroonde, website van de uitgeverij, zodra de nieuwe website in gebruik wordt genomen. Het is toch jammer wanneer dit zomaar verdwijnt? Wat de opkomst van het e-book betreft werden positieve mogelijkheden belicht. Aartje Koster van Selexyz Almere is niet bang voor het e-book. Zij voorziet dat de boekhandel in de nabije toekomst naast boeken, ‘want die zullen nooit verdwijnen’, en e-books, ook nevenproducten gaat aanbieden, zoals ipads. En hopelijk komt er eindelijk weer meer aandacht voor het mooi verzorgde, gedrukte boek. Daar sloot iedereen zich bij aan. Cossee legde nog uit dat niet alleen bij het gedrukte boek maar ook (of juist) bij het gedigitaliseerde boek de opmaak en typografie belangrijk zijn. Kort werd gepraat over ingewikkelde aspecten als auteursrecht en beveiliging. Mensen bieden zelfs eigenhandig gescande boeken aan op marktplaats.nl, verzuchtte Cossee. Beveiligen is gewoonweg niet mogelijk.
Jack van der Leden
Labels:
archief,
boekenvak,
digitalisering,
manuscripta,
uitgevers,
verslag
zondag 29 augustus 2010
Paradisodebat: Kunst en cultuur: het investeren waard?
Donkere wolken hadden zich toepasselijk samengepakt boven het hoofdstedelijke Paradiso voor het jaarlijkse Paradisodebat ter afsluiting van de Uitmarkt. Onder het thema Kunst en cultuur: het investeren waard? liet een aantal relatieve buitenstaanders en betrokkenen hun licht schijnen over de betekenis van kunst voor de samenleving en gingen Hans Waege (directeur van het Rotterdams Philharmonisch Orkest), Axel Rüger (directeur van het Van Gogh Museum) en Pierre Audi (directeur van het Holland Festival en De Nederlandse Opera) het debat aan met politici van de grootste partijen. Grote afwezige was de PVV, die voorstander is van ongekende ingrepen in de kunstsubsidies. In NRC Handelsblad en de Volkskrant verschenen voorafgaand aan het debat in de kunstbijlages al bijdragen over de mogelijke consequenties van de aanstaande bezuinigingen. Uit het debat kwam naar voren dat de kunstensector zich niet aan de bezuinigingen wil onttrekken en dat er wel degelijk nog efficiënter gewerkt en de organisatie verbeterd kan worden. Op de vraag waarom in de kunstensector buitenproportioneel bezuinigd zal gaan worden, bleven de betrokken politieke partijen (VVD en CDA) het antwoord schuldig.
Ad ’s-Gravesande, voorzitter Kunsten ’92, opende het debat al met de mededeling dat het geen leuke middag zou worden en schetste een beeld van de consequenties van de aangekondigde bezuinigingen van 200 miljoen euro. Als de erfgoed- en museumsector en de openbare bibliotheken ontzien worden, zullen de podiumkunsten en beeldende kunsten het met 30% minder moeten doen. Bastiaan Vinkenburg van bureau Berenschot gaf de resultaten van een onderzoek naar de economische betekenis van de kunsten. De resultaten bevestigden de conclusies uit eerder onderzoek dat de kunstensector niet alleen direct maar ook indirect economisch rendabel is. Ook was onderzocht hoe de aangekondigde bezuinigingen gerealiseerd konden worden. De kaasschaafmethode bleek daarbij geen optie, er moeten keuzes gemaakt worden. Het onderzoek is te vinden op de www.kunsten92.nl en www.berenschot.nl.
Na Vinkenburg namen 4 sprekers het woord die het belang van de kunsten vanuit verschillende invalshoeken onder woorden brachten. Zef Hemel, stadsplanner en adjunct-directeur van de Dienst Ruimtelijke Ordening Amsterdam benadrukte het belang van kunst en cultuur in de aantrekkelijkheid en de uitstraling van steden. In zijn ogen moest er dan ook niet langer van subsidies maar van investeringen gesproken worden. Eric Eerdenburg, directeur Lowlands en directielid van Mojo Concerts schetste het belang van het Nederlandse clubcircuit voor vernieuwing en experiment in de popmuziek. De popsector vormt een uitzondering op andere sectoren in die zin dat er geen individuen of groepen gesubsidieerd worden maar de infrastructuur. Hoewel de sector weinig subsidie krijgt en veel eigen inkomsten genereert, komt het ontwikkelen en de doorstroming van talent met het wegvallen van subsidies in het geding. De sector zou wel als inspiratiebron voor andere sectoren kunnen dienen waar het gaat om de verwerving van eigen inkomsten. Vervolgens was het woord aan Jos Vranken, directeur van het Nederlands Bureau voor Toerisme en Congressen. Hij verwoordde de betekenis van kunst en cultuur voor toerisme en andersom. Uit onderzoek blijkt dat kunst en cultuur een belangrijke reden voor toeristen is om Nederland te bezoeken. Culturele toeristen geven bovendien meer geld uit dan de doorsnee toerist. Alexander Rinnooy Kan, voorzitter van het Prins Bernhard Cultuurfonds, benoemde tenslotten de do’s en don’ts voor de kunstensector in het huidige klimaat. Van belang is vooral om het economisch belang te onderkennen, maar tegelijkertijd te laten weten dat kunst en cultuur ook andere effecten hebben. Wat de sector vooral niet moet doen is de bezuinigingen als onuitvoerbaar te kenschetsen. De sector moet onderzoeken waar mogelijkheden voor bezuinigingen zijn en zich voorbereiden. Ook een kaasschaafdebat is uit den boze. De sector moet meer naar buiten treden met argumenten en wijzen op dwarsverbanden met andere sectoren.
Hierna namen Hans Waege, Axel Rüge en Pierre Audi plaats op het podium. Debatleider Twan Huys legde hen een aantal vragen voor. De aanwezige cultuurwoordvoerders van PvdA (Jette Klijnsma), D66 (Boris van der Ham), SP (Jasper van Dijk), GroenLinks (Mariko Peters), VVD (Mark Harbers) en bij afwezigheid van Joop Atsma, Nicolien van Vroonhoven voor het CDA, reageerden op de directies en elkaar.
Twan Huys vroeg de directeuren naar de consequenties van een bezuiniging op de rijkssubsidie van 20%. Het RPhO zou nog meer op de bezetting, die al miniem is, moeten bezuinigen, Axel Rüger zou het op de programmering verhalen waarbij vooral het aanbod voor de Nederlandse bezoeker in het geding zou komen. Pierre Audi gaf aan dat de hele organisatie opnieuw gestructureerd moest worden. De directeuren gaven aan het niet meer dan als vanzelfsprekend te beschouwen dat als er landelijk bezuinigd moet worden ook de kunsten hier hun steentje aan bijdragen. De aangekondigde bezuinigingen van 20% op het totale cultuurbudget hebben echter als consequentie dat de gehele sector ontwricht raakt. De betrokken politici van CDA en VVD deden zoals te verwachten was geen uitspraken over mogelijke scenario’s, al gaf Mark Harbers wel wat voorbeelden waar de 200 miljoen vandaan zou kunnen komen. De cultuurkaarten voor middelbare scholieren konden afgeschaft worden, aangezien de ouders ook de boeken al vergoed kregen. Daarnaast zag hij de WWIK als mogelijkheid. Ook zou het aantal landelijk gesubsidieerde orkesten van 13 naar 11 teruggebracht kunnen worden, konden culturele instellingen meer dan 30% eigen inkomsten genereren en kunnen de inkomsten uit entree omhoog.
Ruben Maes, bureau Maes/Ockhuijsen, vertelde op uitnodiging van Huys iets over het overleg dat binnen de kunstensector gaande is over een reactie op de aangekondigde bezuinigingen. Ook hieruit kwam naar voren dat de sector wel degelijk wil nadenken over bezuinigingen, maar dat de 20% waarvan vooralsnog sprake is, buitenproportioneel is. Vooralsnog is er echter nog geen sprake van een reactie vanuit de politiek. Vanuit de zaal en vanaf het podium werd ook ingebracht dat verdere bezuinigingen onmogelijk zijn bij een gelijkblijvend takenpakket. De sector verwacht van de overheid meer duidelijkheid over wat er dan verwacht wordt. Diverse aanwezigen vroegen zich ook af wat de rol van de Raad voor Cultuur in de huidige situatie zou moeten zijn. Boris van der Ham, D’66, gaf aan dat de sector wel erg lijdzaam alles op zich af heeft laten komen. Harbers, VVD, verwees naar het debat van vorig jaar, waarbij de VVD al had aangegeven ingrijpende bezuinigingen op de kunstensector voor te staan. De sector heeft daar echter in het geheel niet op gereageerd of geanticipeerd. Maar zoals het debat duidelijk maakte is daarin inmiddels verandering gekomen.
André Nuchelmans
Ad ’s-Gravesande, voorzitter Kunsten ’92, opende het debat al met de mededeling dat het geen leuke middag zou worden en schetste een beeld van de consequenties van de aangekondigde bezuinigingen van 200 miljoen euro. Als de erfgoed- en museumsector en de openbare bibliotheken ontzien worden, zullen de podiumkunsten en beeldende kunsten het met 30% minder moeten doen. Bastiaan Vinkenburg van bureau Berenschot gaf de resultaten van een onderzoek naar de economische betekenis van de kunsten. De resultaten bevestigden de conclusies uit eerder onderzoek dat de kunstensector niet alleen direct maar ook indirect economisch rendabel is. Ook was onderzocht hoe de aangekondigde bezuinigingen gerealiseerd konden worden. De kaasschaafmethode bleek daarbij geen optie, er moeten keuzes gemaakt worden. Het onderzoek is te vinden op de www.kunsten92.nl en www.berenschot.nl.
Na Vinkenburg namen 4 sprekers het woord die het belang van de kunsten vanuit verschillende invalshoeken onder woorden brachten. Zef Hemel, stadsplanner en adjunct-directeur van de Dienst Ruimtelijke Ordening Amsterdam benadrukte het belang van kunst en cultuur in de aantrekkelijkheid en de uitstraling van steden. In zijn ogen moest er dan ook niet langer van subsidies maar van investeringen gesproken worden. Eric Eerdenburg, directeur Lowlands en directielid van Mojo Concerts schetste het belang van het Nederlandse clubcircuit voor vernieuwing en experiment in de popmuziek. De popsector vormt een uitzondering op andere sectoren in die zin dat er geen individuen of groepen gesubsidieerd worden maar de infrastructuur. Hoewel de sector weinig subsidie krijgt en veel eigen inkomsten genereert, komt het ontwikkelen en de doorstroming van talent met het wegvallen van subsidies in het geding. De sector zou wel als inspiratiebron voor andere sectoren kunnen dienen waar het gaat om de verwerving van eigen inkomsten. Vervolgens was het woord aan Jos Vranken, directeur van het Nederlands Bureau voor Toerisme en Congressen. Hij verwoordde de betekenis van kunst en cultuur voor toerisme en andersom. Uit onderzoek blijkt dat kunst en cultuur een belangrijke reden voor toeristen is om Nederland te bezoeken. Culturele toeristen geven bovendien meer geld uit dan de doorsnee toerist. Alexander Rinnooy Kan, voorzitter van het Prins Bernhard Cultuurfonds, benoemde tenslotten de do’s en don’ts voor de kunstensector in het huidige klimaat. Van belang is vooral om het economisch belang te onderkennen, maar tegelijkertijd te laten weten dat kunst en cultuur ook andere effecten hebben. Wat de sector vooral niet moet doen is de bezuinigingen als onuitvoerbaar te kenschetsen. De sector moet onderzoeken waar mogelijkheden voor bezuinigingen zijn en zich voorbereiden. Ook een kaasschaafdebat is uit den boze. De sector moet meer naar buiten treden met argumenten en wijzen op dwarsverbanden met andere sectoren.
Hierna namen Hans Waege, Axel Rüge en Pierre Audi plaats op het podium. Debatleider Twan Huys legde hen een aantal vragen voor. De aanwezige cultuurwoordvoerders van PvdA (Jette Klijnsma), D66 (Boris van der Ham), SP (Jasper van Dijk), GroenLinks (Mariko Peters), VVD (Mark Harbers) en bij afwezigheid van Joop Atsma, Nicolien van Vroonhoven voor het CDA, reageerden op de directies en elkaar.
Twan Huys vroeg de directeuren naar de consequenties van een bezuiniging op de rijkssubsidie van 20%. Het RPhO zou nog meer op de bezetting, die al miniem is, moeten bezuinigen, Axel Rüger zou het op de programmering verhalen waarbij vooral het aanbod voor de Nederlandse bezoeker in het geding zou komen. Pierre Audi gaf aan dat de hele organisatie opnieuw gestructureerd moest worden. De directeuren gaven aan het niet meer dan als vanzelfsprekend te beschouwen dat als er landelijk bezuinigd moet worden ook de kunsten hier hun steentje aan bijdragen. De aangekondigde bezuinigingen van 20% op het totale cultuurbudget hebben echter als consequentie dat de gehele sector ontwricht raakt. De betrokken politici van CDA en VVD deden zoals te verwachten was geen uitspraken over mogelijke scenario’s, al gaf Mark Harbers wel wat voorbeelden waar de 200 miljoen vandaan zou kunnen komen. De cultuurkaarten voor middelbare scholieren konden afgeschaft worden, aangezien de ouders ook de boeken al vergoed kregen. Daarnaast zag hij de WWIK als mogelijkheid. Ook zou het aantal landelijk gesubsidieerde orkesten van 13 naar 11 teruggebracht kunnen worden, konden culturele instellingen meer dan 30% eigen inkomsten genereren en kunnen de inkomsten uit entree omhoog.
Ruben Maes, bureau Maes/Ockhuijsen, vertelde op uitnodiging van Huys iets over het overleg dat binnen de kunstensector gaande is over een reactie op de aangekondigde bezuinigingen. Ook hieruit kwam naar voren dat de sector wel degelijk wil nadenken over bezuinigingen, maar dat de 20% waarvan vooralsnog sprake is, buitenproportioneel is. Vooralsnog is er echter nog geen sprake van een reactie vanuit de politiek. Vanuit de zaal en vanaf het podium werd ook ingebracht dat verdere bezuinigingen onmogelijk zijn bij een gelijkblijvend takenpakket. De sector verwacht van de overheid meer duidelijkheid over wat er dan verwacht wordt. Diverse aanwezigen vroegen zich ook af wat de rol van de Raad voor Cultuur in de huidige situatie zou moeten zijn. Boris van der Ham, D’66, gaf aan dat de sector wel erg lijdzaam alles op zich af heeft laten komen. Harbers, VVD, verwees naar het debat van vorig jaar, waarbij de VVD al had aangegeven ingrijpende bezuinigingen op de kunstensector voor te staan. De sector heeft daar echter in het geheel niet op gereageerd of geanticipeerd. Maar zoals het debat duidelijk maakte is daarin inmiddels verandering gekomen.
André Nuchelmans
Labels:
bezuinigingen,
debat,
kunstbeleid,
maatschappelijk draagvlak,
verslag
dinsdag 22 juni 2010
Macht + invloed: kunst - ideologie - netwerken - politiek
Ter afsluiting van de minor Kunstbeleid binnen de studie Algemene Cultuurwetenschappen aan de Radboud Universiteit Nijmegen organiseerden de deelnemers een symposium. Deze vijfde keer dat het symposium plaatsvond stond het in het teken van macht en invloed. Docent Vincent Meelberg gaf een inleiding waarin hij de Boekmanlezing van Carolien Gehrels aanhaalde waarin zij pleitte voor meer bemoeienis van de politiek met de kunsten. Hij zette uiteen dat kunst nooit vrij is van politieke invloed. Jaren is het zelfs ingezet als propagandamiddel van de machthebbers om hun macht te onderstrepen. Bovendien is de overheid een van de grootste financiers van kunst. Door geld te oormerken voor de kunsten is er al sprake van invloed.
Binnen het thema macht en invloed onderzochten 7 groepjes studenten telkens een onderwerp. Ze brachten het onderwerp in kaart, interviewden betrokkenen en besloten met een beleidsadvies. De thema’s die aan de orde kwamen waren achtereenvolgens canonvorming, lobbyen, politiek en ideologie, kunstprijzen, kringvorming, uitsluiting, en sponsoring & mecenaat.
De eerste presentatie was Canonvorming: een onderzoek naar macht en invloed achter de canon. De studenten die dit onderwerp hadden gekozen, onderzochten de totstandkoming van drie canons. Ze onderzochten hoe de commissies tot stand waren gekomen. Alle commissieleden bleken bekend bij de organisatie van de canon, wat inhoudt dat ze tot het netwerk behoorden. Eén commissie heeft specifiek geprobeerd een balans te vinden tussen de leden, terwijl een andere commissie door de voorzitter bij elkaar werd gezocht. Terwijl de commissies duidelijk uit het netwerk van de betreffende organisatie waren gerekruteerd, bleef men benadrukken dat het onafhankelijke commissies waren. Ook kwamen de studenten er achter dat een afwijkende mening binnen de commissies niet toegelaten werd. De commissieleden achtten zichzelf deskundig op het terrein van de desbetreffende canon en plaatsten zich zo tegenover het publiek dat als niet-deskundig gezien werd. Zo bleef het vaststellen van een canon binnen de eigen kring, waardoor de deskundigheid bevestigd werd en was er geen publieke inbreng.
Onder de titel Lobbyen en gelobbyd worden: een analyse van het Rijnboogproject onderzocht een aantal studenten de manieren en momenten waarop tijdens dit project gelobbyd werd. Het Rijnboogproject is een grootschalig project in Arnhem waar ook een kunstencluster in gepland was. De studenten analyseerden de ontwikkeling van het project en wanneer en door wie er gelobbyd is. De gemeente trok voor het project een gerenommeerd architect aan, die een grootschalig plan maakte. Volgens de eerste planning had het allang gestart moeten zijn, maar het is nog steeds niet begonnen. Ze concludeerden dat de gemeente beter eerst met de betrokken partijen had kunnen overleggen. Nu werden betrokkenen geconfronteerd met een megalomaan plan dat vanaf het begin weerstand opwekte. De besluitvorming van het project was bovendien niet transparant. Een laatste advies was dat het beter is om vanuit het algemeen belang te lobbyen dan vanuit eigenbelang.
De totstandkoming van de cultuurparagraaf van het verkiezingsprogramma van de PvdA was het thema van de presentatie Sociaal-democratie ‘light’? Binnen de manier waarop het verkiezingsprogramma tot stand kwam signaleerden de studenten een aantal spanningsvelden (partijbestuur vs de leden en ideologie vs praktijk). De uiteindelijke cultuurparagraaf was zo algemeen geformuleerd dat er nog een amper een rol voor de ideologie was. Die klonk alleen door een algemene termen als een ‘brede toegankelijkheid’. Het ontbrak in de cultuurparagraaf aan diepgang. Normatieve vragen (langetermijn) waren vervangen door managementproblemen (kortetermijn). Bovendien bleek een persoon in alle besluitvormingsmomenten aanwezig te zijn. De conclusie was dan ook dat een ideale democratie niet haalbaar is en dat de inspraakmogelijkheden niet optimaal benut worden.
De vierde presentatie ging over de Volkskrant Beeldende Kunst Prijs (VBKP): professionaliteit binnen de juryvorming en het juryberaad. Een kunstprijs heeft de macht een kunstenaar te maken. Deze macht ligt met name bij de jury. Op welke criteria wordt een jury gekozen en hoe verloopt het juryberaad? Bij de VBKP dragen scouts de genomineerden voor, de jury bepaalt de uiteindelijke winnaar. Doordat verschillende partijen bij de organisatie betrokken zijn en de jury de genomineerden niet voordracht wordt de schijn van subjectiviteit weggenomen. Telkens weer wordt benadrukt dat vakkennis en professionaliteit bij de juryleden voorop staan. Doordat de prijs echter nog jong is, is de status van de prijs nog relatief laag. De onderzoekers constateerden een algeheel gebrek aan documentatie bij de prijs zelf, zo was er geen beleidsplan waarin de gang van zaken beschreven was.
Kringvorming is een relatief nieuw begrip, het is een vorm van samenwerking waarin belanghebbenden zich verenigen. De onderzoekers welke factoren bepalend zijn voor een succesvolle samenwerking. Ze deden dit aan de hand van twee voorbeelden van kringvorming: de Raad van 12 en Kunst van Vooruitzien. Deze organisaties onderscheiden zich van lobbyorganisaties doordat zij meer gericht zijn op het uitwisselen van informatie. Uit literatuuronderzoek hadden de studenten een aantal kenmerken gedestilleerd die zij aanvulden met kenmerken uit hun eigen onderzoek.
Het tegengestelde van kringvorming is uitsluiting. Onder de titel Cultuur voor iedereen? onderzocht deze groep de oorzaken van de achterblijvende cultuurparticipatie van 4 groepen allochtone Nederlanders: Turken, Marokkanen, Antilianen en Surinamers. Ze onderzochten het beleid om cultuurparticipatie onder deze groepen te stimuleren en vergeleken die met cijfers over cultuurparticipatie en gegevens uit onderzoek om het achterblijven te verklaren. Daarbij viel op dat het cultuurbegrip teveel op het westen is gericht, dat er te weinig integraal beleid wordt gevoerd en dat er te veel aandacht is voor een ‘gebrek’ als verklaring, zoals laag opleidingsniveau. Bovendien viel het de onderzoekers op dat cultuur slecht toegankelijk is. Zo gaan muziekscholen niet naar de mensen toe om leerlingen te verwerven. Het blijkt daarnaast een inflexibele sector. Kaartjes moeten ruim tevoren gekocht worden. Redenen waarom de onderzochte groepen mogelijk achterblijven in participatie.
De laatste groep onderzocht cultuurmecenaat. Het werd gedefinieerd als het structureel belangeloos geven van geld/objecten aan kunst en cultuur. Na een kort historisch overzicht van cultuurmecenaat gingen ze in op de aandacht van de overheid om cultuurmecenaat te propageren. Onderzoek naar de manier waarop in het veld tegen cultuurmecenaat aangekeken werd gelegd naast het beleid, leverde een aantal verrassende bevindingen op. Zo is er in het veld onduidelijkheid over de term en wordt het verward met sponsoring en giften. Er is te weinig onderzoek naar het programma Cultuurmecenaat van de overheid. Het heeft 4 jaar gelopen en is niet geëvalueerd. Bovendien was het beleid vooral gericht op de culturele instellingen en niet op de potentiële mecenassen. Ook constateerden de onderzoekers dat Nederland niet de juiste cultuur heeft voor het mecenaat.
Na een korte reactie op de presentaties door Liedeke Plate, universitair docent Genderstudies en Algemene cultuurwetenschappen, kondigde docent Edwin van Meerkerk de top 50 van Nederlandse kunstpausen aan. Ter gelegenheid van dit eerste lustrum hadden alle studenten gegevens verzameld over besturen, adviescommissies en wat al niet meer in de culturele sector. Dit was ingevoerd in een systeem dat aan verschillende functies een waardering koppelde en zo tot een top 50 kwam. En die ziet er heel anders uit dan je zou verwachten. De kunst- en cultuursector blijkt een redelijk geïsoleerde sector. Er is weinig kruisbestuiving met andere sectoren en er zijn relatief veel vrouwen actief. Veel mensen uit de top 50 hebben uitsluitend functies in het culturele veld. Toch was de top 3 weer een typische blankemannenaangelegenheid: 1. Hans van Beers, 2. Geurt Grosfeld en 3 Henk Pröpper. De gehele top 50 is eerdaags beschikbaar via www.ru.nl/symposiumkunstbeleid waar ook meer informatie over het symposium is te vinden.
De onderwerpen die in de presentaties aan de orde kwamen, zijn een voor een interessante onderwerpen die in een scriptie verder uitgewerkt zouden kunnen worden, door meer voorbeelden in het onderzoek te betrekken of door nog dieper op het onderwerp in te gaan. Daar bood deze minor nog niet voldoende ruimte voor, toch toonden alle studenten een nieuws- en leergierigheid die het nodige voor de toekomst doet vermoeden. In een aantal gevallen was interessante informatie boven water gehaald en waren betrokken tot opvallende openheid verleid. Een symposium (en minor) dat ook zeker de moeite waard is voor studenten van andere universiteiten die zich in het kunst- en cultuurbeleid willen verdiepen.
André Nuchelmans
Binnen het thema macht en invloed onderzochten 7 groepjes studenten telkens een onderwerp. Ze brachten het onderwerp in kaart, interviewden betrokkenen en besloten met een beleidsadvies. De thema’s die aan de orde kwamen waren achtereenvolgens canonvorming, lobbyen, politiek en ideologie, kunstprijzen, kringvorming, uitsluiting, en sponsoring & mecenaat.
De eerste presentatie was Canonvorming: een onderzoek naar macht en invloed achter de canon. De studenten die dit onderwerp hadden gekozen, onderzochten de totstandkoming van drie canons. Ze onderzochten hoe de commissies tot stand waren gekomen. Alle commissieleden bleken bekend bij de organisatie van de canon, wat inhoudt dat ze tot het netwerk behoorden. Eén commissie heeft specifiek geprobeerd een balans te vinden tussen de leden, terwijl een andere commissie door de voorzitter bij elkaar werd gezocht. Terwijl de commissies duidelijk uit het netwerk van de betreffende organisatie waren gerekruteerd, bleef men benadrukken dat het onafhankelijke commissies waren. Ook kwamen de studenten er achter dat een afwijkende mening binnen de commissies niet toegelaten werd. De commissieleden achtten zichzelf deskundig op het terrein van de desbetreffende canon en plaatsten zich zo tegenover het publiek dat als niet-deskundig gezien werd. Zo bleef het vaststellen van een canon binnen de eigen kring, waardoor de deskundigheid bevestigd werd en was er geen publieke inbreng.
Onder de titel Lobbyen en gelobbyd worden: een analyse van het Rijnboogproject onderzocht een aantal studenten de manieren en momenten waarop tijdens dit project gelobbyd werd. Het Rijnboogproject is een grootschalig project in Arnhem waar ook een kunstencluster in gepland was. De studenten analyseerden de ontwikkeling van het project en wanneer en door wie er gelobbyd is. De gemeente trok voor het project een gerenommeerd architect aan, die een grootschalig plan maakte. Volgens de eerste planning had het allang gestart moeten zijn, maar het is nog steeds niet begonnen. Ze concludeerden dat de gemeente beter eerst met de betrokken partijen had kunnen overleggen. Nu werden betrokkenen geconfronteerd met een megalomaan plan dat vanaf het begin weerstand opwekte. De besluitvorming van het project was bovendien niet transparant. Een laatste advies was dat het beter is om vanuit het algemeen belang te lobbyen dan vanuit eigenbelang.
De totstandkoming van de cultuurparagraaf van het verkiezingsprogramma van de PvdA was het thema van de presentatie Sociaal-democratie ‘light’? Binnen de manier waarop het verkiezingsprogramma tot stand kwam signaleerden de studenten een aantal spanningsvelden (partijbestuur vs de leden en ideologie vs praktijk). De uiteindelijke cultuurparagraaf was zo algemeen geformuleerd dat er nog een amper een rol voor de ideologie was. Die klonk alleen door een algemene termen als een ‘brede toegankelijkheid’. Het ontbrak in de cultuurparagraaf aan diepgang. Normatieve vragen (langetermijn) waren vervangen door managementproblemen (kortetermijn). Bovendien bleek een persoon in alle besluitvormingsmomenten aanwezig te zijn. De conclusie was dan ook dat een ideale democratie niet haalbaar is en dat de inspraakmogelijkheden niet optimaal benut worden.
De vierde presentatie ging over de Volkskrant Beeldende Kunst Prijs (VBKP): professionaliteit binnen de juryvorming en het juryberaad. Een kunstprijs heeft de macht een kunstenaar te maken. Deze macht ligt met name bij de jury. Op welke criteria wordt een jury gekozen en hoe verloopt het juryberaad? Bij de VBKP dragen scouts de genomineerden voor, de jury bepaalt de uiteindelijke winnaar. Doordat verschillende partijen bij de organisatie betrokken zijn en de jury de genomineerden niet voordracht wordt de schijn van subjectiviteit weggenomen. Telkens weer wordt benadrukt dat vakkennis en professionaliteit bij de juryleden voorop staan. Doordat de prijs echter nog jong is, is de status van de prijs nog relatief laag. De onderzoekers constateerden een algeheel gebrek aan documentatie bij de prijs zelf, zo was er geen beleidsplan waarin de gang van zaken beschreven was.
Kringvorming is een relatief nieuw begrip, het is een vorm van samenwerking waarin belanghebbenden zich verenigen. De onderzoekers welke factoren bepalend zijn voor een succesvolle samenwerking. Ze deden dit aan de hand van twee voorbeelden van kringvorming: de Raad van 12 en Kunst van Vooruitzien. Deze organisaties onderscheiden zich van lobbyorganisaties doordat zij meer gericht zijn op het uitwisselen van informatie. Uit literatuuronderzoek hadden de studenten een aantal kenmerken gedestilleerd die zij aanvulden met kenmerken uit hun eigen onderzoek.
Het tegengestelde van kringvorming is uitsluiting. Onder de titel Cultuur voor iedereen? onderzocht deze groep de oorzaken van de achterblijvende cultuurparticipatie van 4 groepen allochtone Nederlanders: Turken, Marokkanen, Antilianen en Surinamers. Ze onderzochten het beleid om cultuurparticipatie onder deze groepen te stimuleren en vergeleken die met cijfers over cultuurparticipatie en gegevens uit onderzoek om het achterblijven te verklaren. Daarbij viel op dat het cultuurbegrip teveel op het westen is gericht, dat er te weinig integraal beleid wordt gevoerd en dat er te veel aandacht is voor een ‘gebrek’ als verklaring, zoals laag opleidingsniveau. Bovendien viel het de onderzoekers op dat cultuur slecht toegankelijk is. Zo gaan muziekscholen niet naar de mensen toe om leerlingen te verwerven. Het blijkt daarnaast een inflexibele sector. Kaartjes moeten ruim tevoren gekocht worden. Redenen waarom de onderzochte groepen mogelijk achterblijven in participatie.
De laatste groep onderzocht cultuurmecenaat. Het werd gedefinieerd als het structureel belangeloos geven van geld/objecten aan kunst en cultuur. Na een kort historisch overzicht van cultuurmecenaat gingen ze in op de aandacht van de overheid om cultuurmecenaat te propageren. Onderzoek naar de manier waarop in het veld tegen cultuurmecenaat aangekeken werd gelegd naast het beleid, leverde een aantal verrassende bevindingen op. Zo is er in het veld onduidelijkheid over de term en wordt het verward met sponsoring en giften. Er is te weinig onderzoek naar het programma Cultuurmecenaat van de overheid. Het heeft 4 jaar gelopen en is niet geëvalueerd. Bovendien was het beleid vooral gericht op de culturele instellingen en niet op de potentiële mecenassen. Ook constateerden de onderzoekers dat Nederland niet de juiste cultuur heeft voor het mecenaat.
Na een korte reactie op de presentaties door Liedeke Plate, universitair docent Genderstudies en Algemene cultuurwetenschappen, kondigde docent Edwin van Meerkerk de top 50 van Nederlandse kunstpausen aan. Ter gelegenheid van dit eerste lustrum hadden alle studenten gegevens verzameld over besturen, adviescommissies en wat al niet meer in de culturele sector. Dit was ingevoerd in een systeem dat aan verschillende functies een waardering koppelde en zo tot een top 50 kwam. En die ziet er heel anders uit dan je zou verwachten. De kunst- en cultuursector blijkt een redelijk geïsoleerde sector. Er is weinig kruisbestuiving met andere sectoren en er zijn relatief veel vrouwen actief. Veel mensen uit de top 50 hebben uitsluitend functies in het culturele veld. Toch was de top 3 weer een typische blankemannenaangelegenheid: 1. Hans van Beers, 2. Geurt Grosfeld en 3 Henk Pröpper. De gehele top 50 is eerdaags beschikbaar via www.ru.nl/symposiumkunstbeleid waar ook meer informatie over het symposium is te vinden.
De onderwerpen die in de presentaties aan de orde kwamen, zijn een voor een interessante onderwerpen die in een scriptie verder uitgewerkt zouden kunnen worden, door meer voorbeelden in het onderzoek te betrekken of door nog dieper op het onderwerp in te gaan. Daar bood deze minor nog niet voldoende ruimte voor, toch toonden alle studenten een nieuws- en leergierigheid die het nodige voor de toekomst doet vermoeden. In een aantal gevallen was interessante informatie boven water gehaald en waren betrokken tot opvallende openheid verleid. Een symposium (en minor) dat ook zeker de moeite waard is voor studenten van andere universiteiten die zich in het kunst- en cultuurbeleid willen verdiepen.
André Nuchelmans
Labels:
cultuurparagraaf,
invloed,
kunstbeleid,
kunstpausen,
kunstprijzen,
lobby,
macht,
verslag
vrijdag 18 juni 2010
Boekmandebat: International festival co-operation: a must in many ways.
Naar aanleiding van het verschijnen van het zomernummer van Boekman (83) met als thema festivals organiseerde de Boekmanstichting samen met het Holland Festival en CultuurCollege op 15 juni in Carré een debat over internationale coproducties op festivals.
Cas Smithuijsen, directeur van de Boekmanstichting en auteur van de epiloog in het festivalnummer van Boekman, hield een inleiding over de internationalisering van het kunstfestivalbestel en het gebrek aan financiële ondersteuning van artistieke coproducties vanuit de Europese Unie (EU). Waar het bijvoorbeeld bij het ontwikkelen van de Airbus wel vanzelfsprekend was dat daar vanuit de EU gelden naar toe gaan, is dat bij internationale samenwerking binnen Europa door kunstfestivals nog lang niet normaal. Dergelijke samenwerkingsverbanden zijn steeds gebruikelijker, terwijl de financiering daarvan door de EU door allerlei regelgeving beperkt wordt. Hij pleitte voor een opwaardering van de factor artistiek hoogwaardige kwaliteit binnen de regelgeving, waardoor financiële ondersteuning vanuit de EU voor hoogwaardige coproducties van kunstfestivals mogelijk wordt. Die zijn niet alleen een visitekaartje binnen Europa maar ook daarbuiten. De volledige lezing van Smithuijsen is te vinden op de site van de Boekmanstichting.
Na deze inleiding stelde moderator Constant Meijers (hoofdredacteur TM) de festivaldirecteuren die aan het debat deelnamen voor. Op het podium zaten Annet Lekkerkerker (Holland Festival), Loughlin Deegan (Ulster Bank Dublin Theatre Festival) en Erik Söderblom (Helsinki International Festival). Onderwerp van gesprek was nut en noodzaak van internationale festivalsamenwerking. Meijers viel direct met de deur in huis en vroeg de directies naar die noodzaak. Lekkerkerker gaf aan dat het zonder internationale samenwerking niet meer lukt om bepaalde producties mogelijk te maken. Ze zijn gewoonweg te duur geworden voor één festival. Daarnaast zijn er ook artistieke redenen om door samenwerkingsprojecten nieuwe ontwikkelingen een kans te geven. Deegan vulde hierop aan, dat festivals pas na de Tweede Wereldoorlog zijn ontstaan als een soort van artistieke Marshallhulp, de reden om samenwerking was destijds dus ook ideologisch. Vanuit Helsinki wordt het daarnaast gezien als een mogelijkheid om te netwerken en een internationale markt te bereiken. Söderblom positioneerde zich tijdens het debat enigszins geïsoleerd aan de rand van Europa, waarbij het belang van internationale samenwerking zich vooral manifesteert in een groter internationaal aanbod in Finland. Daarnaast kunnen Finse acteurs op die manier ook internationale kennis en ervaring vergaren. Meijers vatte het samen als noodzakelijk voor distributie en zichtbaarheid.
Logische volgende vraag was of er eigenlijk wel sprake is van een Europese identiteit, een wij-gevoel? Lekkerkerker haalde Prinses Máxima aan die zei dat er niet één Nederlandse identiteit is, maar vele. Van een Europese identiteit kan dan evenmin sprake zijn. Het ligt er maar aan van waaruit je het bekijkt riposteerde Deegan. Als hij in Azië is, voelt hij zich Europeaan en in Frankrijk is hij meer Ier. Kunst ontstaat toch altijd op lokaal niveau, voegde Söderblom daar aan toe. Maar het kan net als de airbus opstijgen en zo internationale uitstraling krijgen. Kunstenaars zijn over het algemeen ook erg mobiel, aldus Lekkerkerker. Zij vestigen zich relatief vaak buiten hun geboorteland en verenigen zo verschillende identiteiten. Ze werken bovendien vaak samen met buitenlandse collegae. Toch spelen je jeugdervaringen daar vaak een belangrijke rol in, volgens Söderberg. Deegan relativeerde dit door er op te wijzen dat je in het kunstonderwijs al geconfronteerd wordt met internationale grootheden. Maar het is wel degelijk gebruikelijk dat kunstenaars zich in het lokale kunstklimaat ontwikkelen, om vervolgens de sprong naar het internationale podium te maken. Vanuit de zaal reageerde Alex de Vries, zelfstandig auteur, curator en adviseur. Hij zei dat dit groeimodel misschien wel binnen de podiumkunsten van kracht is, maar zeker niet binnen de beeldende kunst. Daar kun je niet bepaald spreken van een eenduidige lokale voedingsbodem. Eigenlijk is kunst niet plaatsgebonden, ‘Home is not where the art is, but where the money is’, aldus Deegan. Bovendien is Europa soms al een te kleine eenheid en zijn kunstenaars ook daar al over de grenzen actief. Hij benadrukte ook het belang van internationale coproducties als een soort Research & Development omgeving. Het doel is om excellentie te creëren, alleen het beste en meest uitdagende is goed genoeg. Doordat een internationale coproductie zich ten taak stelt om internationaal de juiste mensen te vinden, leidt dit ook tot hoogstaande producties die voor elk nationaal publiek exotisch zijn, vulde Söderberg aan. Hij voegde daar aan toe dat in Finland alles wat Europees is, nog steeds exotisch aanvoelt.
Toch proefde Meijers al een aanzet tot een prototype coproductie. Met name de Belgen, bijvoorbeeld Alain Platel en Jan Fabre, zijn daar succesvol in. Het zijn dan vooral voorstellingen met weinig tekst en veel beweging en muziek. Kun je dan nog spreken van excelleren? Dat vond Lekkerkerker een aparte en cynische manier om het te bekijken. Zij had niet idee dat het vertrekpunt bij die succesvolle producties is om een zo groot mogelijk (Europees) publiek aan te spreken, maar dat het artistieke overtuigingen van de makers zijn die daar aan ten grondslag liggen. Daar sloten de andere directeuren zich bij aan. De makers willen het in die vorm maken en dat blijkt een divers publiek aan te spreken. Daarnaast vraagt de internationale markt om kunst die aan bepaalde kenmerken voldoet. Het uitgangspunt is echter altijd de kunstenaar die iets wil vertellen. Toch gaf Lekkerkerker toe dat het vullen van de zaal een niet te onderschatten en soms zeer moeilijk opdracht voor de organisatie is, vooral als het onbekender werk betreft of minder toegankelijke producties.
Maar, vroeg Meijers de directeuren, hoe werkt dat dan bij de EU?. Ze constateerden allen een grote mate van bureaucratie die een enorme drempel opwerpt. Daarbij zijn de Europese subsidies nog erg gericht op Europa zelf en niet op de presentatie van Europa over zijn grenzen. Bovendien blijken regelingen altijd gericht op een specifiek bijeffect: kunst als middel tot integratie. Uitgangspunt moet de kunst zelf zijn, niet kunst als middel ter bereiking van en of ander sociaal doel.
Söderberg benadrukte nogmaals dat kunst het best gedijt op lokaal niveau. Hoe houdt je Europese subsidies open voor dergelijke kleinschalige, vaak nog onbekende initiatieven? Dat is nu juist de rol van festivals, reageerde Lekkerkerker. Zij kunnen kleine en grote initiatieven aan elkaar verbinden of naast elkaar programmeren. Deegan zag het belang van de EU vooral in het faciliteren van de mobiliteit binnen Europa. Dat hoeft niet per se door fondsen en subsidies, maar kan ook door het harmoniseren van belastingtarieven en –regelgeving (hierover sprak hij lovend, want dat is inmiddels op Europees niveau al bewerkstelligd). Söderberg herkende hierin het grote onderscheid tussen kunst en politiek. Politiek gaat toch vooral om macht, terwijl kunst van nature veel meer organisch is. De huidige tijd vraagt een hybride tussenvorm, aldus Söderblom. Er moet een intensievere samenwerking komen tussen politieke macht en organische gegroeide kunstinitiatieven: vanuit de kunsten omhoog en top down vanuit de politiek. De nieuwe generatie kunstenaars is sowieso al veel meer internationaal georiënteerd dan de voorgaande.
Pim Fenger, onafhankelijke adviseur, merkte vanuit de zaal op dat het in de Europese dimensie dan om vier punten gaat. Allereerst de kunstvakopleidingen die EU Higher Eduction Mobility schema’s hebben. Daarnaast in de infrastructuur door samenwerking op organisatorisch en facilitair niveau (vergelijkbaar met het Airbusproject). Vervolgens door coöperatie als beginsel te nemen, zoals in het Kaderprogramma voor Cultuur. En tot slot door het beginsel om excellentie te stimuleren en te belonen. Hij verwees naar de situatie van onderzoek waarbij de EU excellent onderzoek stimuleert met subsidies die door een onderzoeksraad worden verdeeld.
Tot slot informeerde Meijers naar het nut van een Europees initiatief als de culturele hoofdstad. De directies waren het er over eens dat dat in de huidige vorm eerder slecht dan goed voor de Europese gedachte is. In het begin had het nog wel een Europese uitstraling, tegenwoordig is het eerder fnuikend dan stimulerend voor de internationale uitstraling van een stad.
André Nuchelmans
Cas Smithuijsen, directeur van de Boekmanstichting en auteur van de epiloog in het festivalnummer van Boekman, hield een inleiding over de internationalisering van het kunstfestivalbestel en het gebrek aan financiële ondersteuning van artistieke coproducties vanuit de Europese Unie (EU). Waar het bijvoorbeeld bij het ontwikkelen van de Airbus wel vanzelfsprekend was dat daar vanuit de EU gelden naar toe gaan, is dat bij internationale samenwerking binnen Europa door kunstfestivals nog lang niet normaal. Dergelijke samenwerkingsverbanden zijn steeds gebruikelijker, terwijl de financiering daarvan door de EU door allerlei regelgeving beperkt wordt. Hij pleitte voor een opwaardering van de factor artistiek hoogwaardige kwaliteit binnen de regelgeving, waardoor financiële ondersteuning vanuit de EU voor hoogwaardige coproducties van kunstfestivals mogelijk wordt. Die zijn niet alleen een visitekaartje binnen Europa maar ook daarbuiten. De volledige lezing van Smithuijsen is te vinden op de site van de Boekmanstichting.
Na deze inleiding stelde moderator Constant Meijers (hoofdredacteur TM) de festivaldirecteuren die aan het debat deelnamen voor. Op het podium zaten Annet Lekkerkerker (Holland Festival), Loughlin Deegan (Ulster Bank Dublin Theatre Festival) en Erik Söderblom (Helsinki International Festival). Onderwerp van gesprek was nut en noodzaak van internationale festivalsamenwerking. Meijers viel direct met de deur in huis en vroeg de directies naar die noodzaak. Lekkerkerker gaf aan dat het zonder internationale samenwerking niet meer lukt om bepaalde producties mogelijk te maken. Ze zijn gewoonweg te duur geworden voor één festival. Daarnaast zijn er ook artistieke redenen om door samenwerkingsprojecten nieuwe ontwikkelingen een kans te geven. Deegan vulde hierop aan, dat festivals pas na de Tweede Wereldoorlog zijn ontstaan als een soort van artistieke Marshallhulp, de reden om samenwerking was destijds dus ook ideologisch. Vanuit Helsinki wordt het daarnaast gezien als een mogelijkheid om te netwerken en een internationale markt te bereiken. Söderblom positioneerde zich tijdens het debat enigszins geïsoleerd aan de rand van Europa, waarbij het belang van internationale samenwerking zich vooral manifesteert in een groter internationaal aanbod in Finland. Daarnaast kunnen Finse acteurs op die manier ook internationale kennis en ervaring vergaren. Meijers vatte het samen als noodzakelijk voor distributie en zichtbaarheid.
Logische volgende vraag was of er eigenlijk wel sprake is van een Europese identiteit, een wij-gevoel? Lekkerkerker haalde Prinses Máxima aan die zei dat er niet één Nederlandse identiteit is, maar vele. Van een Europese identiteit kan dan evenmin sprake zijn. Het ligt er maar aan van waaruit je het bekijkt riposteerde Deegan. Als hij in Azië is, voelt hij zich Europeaan en in Frankrijk is hij meer Ier. Kunst ontstaat toch altijd op lokaal niveau, voegde Söderblom daar aan toe. Maar het kan net als de airbus opstijgen en zo internationale uitstraling krijgen. Kunstenaars zijn over het algemeen ook erg mobiel, aldus Lekkerkerker. Zij vestigen zich relatief vaak buiten hun geboorteland en verenigen zo verschillende identiteiten. Ze werken bovendien vaak samen met buitenlandse collegae. Toch spelen je jeugdervaringen daar vaak een belangrijke rol in, volgens Söderberg. Deegan relativeerde dit door er op te wijzen dat je in het kunstonderwijs al geconfronteerd wordt met internationale grootheden. Maar het is wel degelijk gebruikelijk dat kunstenaars zich in het lokale kunstklimaat ontwikkelen, om vervolgens de sprong naar het internationale podium te maken. Vanuit de zaal reageerde Alex de Vries, zelfstandig auteur, curator en adviseur. Hij zei dat dit groeimodel misschien wel binnen de podiumkunsten van kracht is, maar zeker niet binnen de beeldende kunst. Daar kun je niet bepaald spreken van een eenduidige lokale voedingsbodem. Eigenlijk is kunst niet plaatsgebonden, ‘Home is not where the art is, but where the money is’, aldus Deegan. Bovendien is Europa soms al een te kleine eenheid en zijn kunstenaars ook daar al over de grenzen actief. Hij benadrukte ook het belang van internationale coproducties als een soort Research & Development omgeving. Het doel is om excellentie te creëren, alleen het beste en meest uitdagende is goed genoeg. Doordat een internationale coproductie zich ten taak stelt om internationaal de juiste mensen te vinden, leidt dit ook tot hoogstaande producties die voor elk nationaal publiek exotisch zijn, vulde Söderberg aan. Hij voegde daar aan toe dat in Finland alles wat Europees is, nog steeds exotisch aanvoelt.
Toch proefde Meijers al een aanzet tot een prototype coproductie. Met name de Belgen, bijvoorbeeld Alain Platel en Jan Fabre, zijn daar succesvol in. Het zijn dan vooral voorstellingen met weinig tekst en veel beweging en muziek. Kun je dan nog spreken van excelleren? Dat vond Lekkerkerker een aparte en cynische manier om het te bekijken. Zij had niet idee dat het vertrekpunt bij die succesvolle producties is om een zo groot mogelijk (Europees) publiek aan te spreken, maar dat het artistieke overtuigingen van de makers zijn die daar aan ten grondslag liggen. Daar sloten de andere directeuren zich bij aan. De makers willen het in die vorm maken en dat blijkt een divers publiek aan te spreken. Daarnaast vraagt de internationale markt om kunst die aan bepaalde kenmerken voldoet. Het uitgangspunt is echter altijd de kunstenaar die iets wil vertellen. Toch gaf Lekkerkerker toe dat het vullen van de zaal een niet te onderschatten en soms zeer moeilijk opdracht voor de organisatie is, vooral als het onbekender werk betreft of minder toegankelijke producties.
Maar, vroeg Meijers de directeuren, hoe werkt dat dan bij de EU?. Ze constateerden allen een grote mate van bureaucratie die een enorme drempel opwerpt. Daarbij zijn de Europese subsidies nog erg gericht op Europa zelf en niet op de presentatie van Europa over zijn grenzen. Bovendien blijken regelingen altijd gericht op een specifiek bijeffect: kunst als middel tot integratie. Uitgangspunt moet de kunst zelf zijn, niet kunst als middel ter bereiking van en of ander sociaal doel.
Söderberg benadrukte nogmaals dat kunst het best gedijt op lokaal niveau. Hoe houdt je Europese subsidies open voor dergelijke kleinschalige, vaak nog onbekende initiatieven? Dat is nu juist de rol van festivals, reageerde Lekkerkerker. Zij kunnen kleine en grote initiatieven aan elkaar verbinden of naast elkaar programmeren. Deegan zag het belang van de EU vooral in het faciliteren van de mobiliteit binnen Europa. Dat hoeft niet per se door fondsen en subsidies, maar kan ook door het harmoniseren van belastingtarieven en –regelgeving (hierover sprak hij lovend, want dat is inmiddels op Europees niveau al bewerkstelligd). Söderberg herkende hierin het grote onderscheid tussen kunst en politiek. Politiek gaat toch vooral om macht, terwijl kunst van nature veel meer organisch is. De huidige tijd vraagt een hybride tussenvorm, aldus Söderblom. Er moet een intensievere samenwerking komen tussen politieke macht en organische gegroeide kunstinitiatieven: vanuit de kunsten omhoog en top down vanuit de politiek. De nieuwe generatie kunstenaars is sowieso al veel meer internationaal georiënteerd dan de voorgaande.
Pim Fenger, onafhankelijke adviseur, merkte vanuit de zaal op dat het in de Europese dimensie dan om vier punten gaat. Allereerst de kunstvakopleidingen die EU Higher Eduction Mobility schema’s hebben. Daarnaast in de infrastructuur door samenwerking op organisatorisch en facilitair niveau (vergelijkbaar met het Airbusproject). Vervolgens door coöperatie als beginsel te nemen, zoals in het Kaderprogramma voor Cultuur. En tot slot door het beginsel om excellentie te stimuleren en te belonen. Hij verwees naar de situatie van onderzoek waarbij de EU excellent onderzoek stimuleert met subsidies die door een onderzoeksraad worden verdeeld.
Tot slot informeerde Meijers naar het nut van een Europees initiatief als de culturele hoofdstad. De directies waren het er over eens dat dat in de huidige vorm eerder slecht dan goed voor de Europese gedachte is. In het begin had het nog wel een Europese uitstraling, tegenwoordig is het eerder fnuikend dan stimulerend voor de internationale uitstraling van een stad.
André Nuchelmans
Labels:
coproducties,
europa,
europese unie,
festivals,
samenwerking,
subsidies,
verslag
donderdag 10 juni 2010
Tijdschriften gaan digitaal
Meer dan 60 literaire, culturele en wetenschappelijke tijdschriften laten hun oude jaargangen digitaliseren en toegankelijk maken via de website van de Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren (DBNL), www.dbnl.org. Maandagmiddag 7 juni vond de presentatie plaats op Spui 25 in Amsterdam. De middag werd georganiseerd door de Vereniging Literaire Tijdschriften, DBNL en Athenaeum Boekhandel. In zijn welkomstwoord toonde Dirk van Weelden zich enthousiast over het initiatief omdat het literaire erfgoed nu eindelijk toegankelijk en doorzoekbaar wordt. Het gaat om literaire tijdschriften als Revisor, De Gids, Tirade en Hollands Maandblad, maar ook afgesloten periodieken, zoals Maatstaf. Verder algemeen culturele tijdschriften als Ons Erfdeel en DWB, en wetenschappelijke bladen. René Stipriaan, hoofdredacteur van DBNL, vertelde over de voorgeschiedenis en het verloop van het project. Hij maakte indruk met duizelingwekkende cijfers, want dit project blijkt deel uit te maken van een nog omvangrijker initiatief waarin uiteindelijk circa duizend oudere tijdschrifttitels gedigitaliseerd worden. Het gaat daarbij om ongeveer 7 miljoen pagina’s. Het onderdeel van de literaire en culturele tijdschriften omvat bijna anderhalf miljoen pagina’s en zal binnen drie jaar worden voltooid. De financiering is overigens nog niet rond. Er is veel vraag naar een digitaal en adequaat ontsloten tijdschriftenarchief, vertelde Stipriaan. De verschillende jaargangen die nu al op de DBNL-site beschikbaar zijn worden honderden en niet zelden duizenden keren per maand geraadpleegd. De gemiddelde tijdspanne tussen publicatie en het online brengen van oude jaargangen is 2 à 3 jaar. Tijdschriften vrezen blijkbaar dat hun inkomsten afnemen wanneer actuele afleveringen direct digitaal beschikbaar zijn. Uit onderzoek van DBNL blijkt tegelijkertijd dat redacties een positief pr-effect verwachten van digitalisering van het archief. Het grootste obstakel bij digitalisering van moderne tijdschriften is het regelen van de auteursrechten. DBNL heeft een daarom een contract opgesteld waarmee de auteurs in een keer toestemming wordt gevraagd voor het digitaliseren van al hun bijdragen in de verschillende aangesloten tijdschriften, zonder dat daar een vergoeding tegenover staat. Met succes, slechts enkele auteurs wilden niet tekenen. De verbintenis is overigens niet exclusief. Speciaal voor deze feestelijke gelegenheid ondertekenden schrijvers waaronder Maarten Asscher, Thomas Rosenboom, Dirk van Weelden, Carel Peeters, Erik Bindervoet, en Robbert-Jan Henkes de overeenkomst, op uitnodiging van de redacties van een aantal literaire tijdschriften. De Swaan hield tussendoor een onderhoudend praatje over de verschillende functies van digitalisering van informatie. Bang dat digitale tijdschriften de papieren versie gaan vervangen, is hij niet. Gedrukte publicaties zullen altijd blijven, maar met een andere functie. ‘Toen de auto werd uitgevonden, betekende dat niet het einde van de fiets’. Ook hij tekende het contract, zonder het gelezen te hebben. ‘Ik vertrouw er maar op dat het fatsoenlijk in elkaar zit’. Een van de vragen uit het publiek betrof de problemen van DBNL vorig najaar met de opname van beeldmateriaal in de databank. Stipriaan stelde ons gerust. Nog deze zomer wordt het juridische obstakel weggewerkt.
Jack van der Leden
Jack van der Leden
Labels:
auteursrecht,
databank,
digitalisering,
tijdschriften,
verslag
Abonneren op:
Reacties (Atom)