Vorig jaar bestond het Eindhovense poppodium de Effenaar 40 jaar. Als invalshoek voor de bijpassende publicatie werd gekozen voor de artiesten die in de Effenaar hebben opgetreden. Guns verzamelde, vaak uniek, beeld van een aantal optredens en vroeg een aantal van de artiesten om hun herinnering aan de Effenaar. Veel artiesten blijken met veel plezier aan hun optreden aldaar terug te denken en de buitenlandse artiesten zien Nederland over het algemeen als een paradijs voor musici.
Zoals veel poppodia ontstond de Effenaar in 1971 uit een aan de kraakbeweging verbonden actie. Een aantal jongeren bezette in 1969 het gerechtsgebouw aan het Eindhovense Stratumseind en eiste een eigen plek. Uiteindelijk werd het in 1971 de oude textielfabriek aan de Dommelstraat, aanvankelijk nog onder de naam Open Jongerencentrum Para maar nog datzelfde jaar omgedoopt in de Effenaar. De naam verwijst naar een in de textielindustrie gebruikt apparaat om linnen en stoffen te effenen. In die begintijd is muziek nog maar een van de activiteiten die op het programma staat, maar gaandeweg krijgt het steeds meer aanzien. De titel van het eerste hoofdstuk, Hippies en sessies, zegt al genoeg.
Hoe er in die begintijd tegen de Effenaar aangekeken werd, verwoordt de huidige directeur Marijke Appelboom. Zij maakte in de jaren zeventig kennis met het poppodium, maar daar mochten haar ouders niets van weten. ‘Ik zat op het Gemeentelijk Lyceum en volgens mijn vader waren er twee plekken in Eindhoven waar ik absoluut niet mocht komen: het Stratumseind en de Effenaar.’ Binnen het Nederlandse popcircuit genoot en geniet de Effenaar nog steeds de reputatie van een podium voor vernieuwende en baanbrekende muziek. Ook nadat de Effenaar in 2005 naar een splinternieuw gebouw verhuisde. Het podium heeft zo’n specifieke reputatie dat bands uit bepaalde stromingen, zoals bijvoorbeeld Stonerrock, soms alleen in Eindhoven optreden en bekendere podia als het hoofdstedelijke Paradiso links laten liggen. Eindhoven was dan ook jaren Nederlands Rockcity.
Aan de hand van de stromingen die in elk hoofdstuk centraal staan is de ontwikkeling van de popmuziek te zien. De hippies werden het pand uitgewerkt door de punkers, daarna kwam de New Wave en de experimentele muziek, gevolgd door reggae en ska en in jaren tachtig en negentig de gitaarrock. Vervolgens eiste ook de ‘draaitafelgeneratie’ haar plaats binnen de Effenaar op. Het boek eindigt vanzelfsprekend met de nieuwe Effenaar. Op de site van VPRO’s 3voor12 is nog een aantal achtergrondartikelen te vinden naar aanleiding van het 40 jarig jubileum.
Niels Guns: Memories can’t wait. 40 jaar Effenaar.
Eindhoven: De Vrije Uitgevers, 2011
Prijs: € 34,95
Ook aanwezig in de bibliotheek van de Boekmanstichting (Signatuur: 12-023)
André Nuchelmans
Het laatste nieuws van de redactie van Boekman en medewerkers van de Boekmanstichting op het gebied van symposia, benoemingen, promoties, publicaties.
maandag 23 januari 2012
dinsdag 17 januari 2012
Eurosonic Noorderslag Conference
De tweede week van januari was traditiegetrouw Eurosonic/Noorderslag in Groningen. Overdag seminars in de Oosterpoort en in de avond bandjes verspreid over locaties in de binnenstad. Een aangename combinatie van lezingen en optredens.
Het officiële programma begon op woensdag 11 januari met de EBBA (European Border Breakers Award) uitreiking. Op donderdag startte het seminarprograma echt met panels die vooral in het teken van gemeentelijk, provinciaal en nationaal beleid en de popsector stonden. Er vinden tegelijkertijd meestal zo’n 6 panels plaats waaruit gekozen moet worden. Dankzij een perfecte organisatie waarbij de tijd nauwlettend in de gaten wordt gehouden kun je zo je eigen programma vaststellen.
Ik koos donderdag voor het gehele programma in de kleine zaal. Allereerst presenteerden Thomas van Dalen en Frans Vreeke van Vreeke & Van Dalen advies en management in cultuur, de resultaten van een beknopt onderzoek onder leden van de Vereniging Nederlands Poppodia en -Festivals (VNPF) naar de manieren waarop zij de aangekondigde bezuinigingen en de btw-verhoging op denken te vangen. Om te beginnen benadrukten ze nog maar eens het verschil tussen de theatersector, waar op elke bezoeker 17,79 euro gemeentelijke subsidie wordt bijgelegd, en de popsector, die het met 6,74 euro doet. De deelnemende podia verwachten dat er in 2013 zo’n kleine 2 miljoen euro op alle podia bezuinigd gaat worden. Ze verwachten het merendeel van deze bezuinigingen te kunnen compenseren door een commerciële verhuur van hun zalen, een populairder programma, sponsorinkomsten, meer programma-activiteiten en hogere entree en horecoprijzen. Daarnaast zal er aan de kostenkant bezuinigd worden. Deze resultaten werden vervolgens met een aantal podiumdirecteuren besproken. Algemene teneur van het gesprek was dat de podia nauwelijks protesteren tegen de bezuinigingen, maar eensgezind de schouders er onder zetten en zoeken naar creatieve oplossingen. Kanttekeningen waren er ook. Zo blijkt een gedeelde overhead (bijvoorbeeld P&O, administratie, ICT) toch niet altijd geld op te leveren. Ook bij een populairdere programmering werden vraagtekens gezet. Het levert dan wel meer inkomsten op, het brengt de doorstroom van bands en artiesten wel in gevaar, als er geen ruimte meer is voor onbekende en experimentele muziek. Een andere opvallende uitkomst was, dat poppodia de btw-verhoging op toegangskaarten vooralsnog vooral verhaald hebben op de artiesten. De bezoeker merkt er weinig van.
In het volgende panel ging Gerard Marlet, econoom en historicus en werkzaam voor de Atlas voor gemeenten, in op het belang van poppodia voor gemeenten. Marlet doet hier al jaren onderzoek naar en presenteerde op Noorderslag vooral nieuw cijfermateriaal. Waar de afgelopen jaren vooral op het economisch belang van de podia is gewezen, toonde Marlet nu aan dat dat slechts een klein deel is, het maatschappelijke belang is nog veel groter. Een andere conclusie was dat regio’s in verhouding tot hun investeringen veel profiteren van de aanwezigheid van podia. Het ligt dan ook voor de hand daar aan te kloppen voor extra investeringen.
Het nationale beleid voor de creatieve industrie en ondernemerschap stonden centraal op het derde panel in de kleine zaal. Namens het ministerie van OC&W lichtten Henri van Faassen en Quirine van der Hoeven het beleid toe. Het was een erg technische uiteenzetting, waaruit naar voren kwam dat popmuziek op dit moment geen speciale aandacht binnen het programma krijgt. Nu ook de basisinfrastructuur die rechtstreeks door het rijk wordt gesubsidieerd aanmerkelijk wordt teruggebracht is de popsector vooral op het Fonds Podiumkunsten aangewezen. Het was dan ook niet verwonderlijk dat dit Fonds net als vorig jaar op vrijdag een inloopspreekuur had.
De dag werd besloten met deel II Bezuinigen doe je zo, een vervolgbijeenkomst op die van vorig jaar. In het eerste panel was dit al zijdelings aan de orde geweest. Onder leiding van Hans Onno van den Berg gaven Pim van Klink (econoom aan de Universiteit Antwerpen), Gerard Marlet, Toine Tax (directeur poppodium Doornroosje) en Ton Schroor (wethouder gemeente Groningen) aan in hoeverre samenwerking met de lokale en regionale overheden het aanbod overeind kan houden. Tax kon met praktijkvoorbeelden uit Nijmegen (Doornroosje heeft het kleinere podium Merleyn overgenomen en beheert inmiddels ook de gemeentelijke oefenruimtes) aantonen dat goed overleg van belang is. Ton Schroor bevestigde dit vanuit beleidszijde. Marlet benadrukte nogmaals de regionale uitstraling van lokale podia. Van Klink voorzag de discussie van een kritische noot.
De eerste dag was een zinvolle dag voor iedereen die met popbeleid op welk niveau ook te maken heeft. Het blijft elk jaar jammer dat er zo weinig lokale, regionale en nationale beleidsmakers aanwezig zijn. Het onderzoek van Marlet toont al jaren aan dat zowel gemeentes als regio’s niet alleen economisch maar ook maatschappelijk profiteren van de aanwezigheid van (pop)podia, uitwisseling tussen podia en beleid lijkt dan ook erg voor de hand te liggen. Het seminarprogramma biedt daar een uitgelezen mogelijkheid toe.
Uit het grote aanbod op de tweede seminardag koos ik als eerste de bijeenkomst over de Geefwet. Dick Molenaar van Allarts presenteerde een kort overzicht van ins en outs van de Geefwet. Op de website van Allarts is het een en ander terug te vinden. Na deze presentatie schoven drie vertegenwoordigers uit andere sectoren aan die hun kennis met de popsector deelden. Het Drents Museum heeft op hun website een Geefbutton, die de gever aan de hand neemt. Er is een kant-en-klare akte van de Notaris opgenomen om een en ander vast te leggen. Invullen en opsturen maar. Ook het Holland Festival heeft al enige jaren ervaring met gevers. Medewerkster Annet Lekkerkerker benadrukte wel dat het in eerste instantie een investering vergt. Bovendien moet je geïnteresseerde gevers niet direct om geld vragen. Eye Film Instituut Nederland is onlangs ook begonnen met het binnenhalen van gevers. Alle panelleden benadrukten dat het voor je geld binnen gaat halen belangrijk is na te denken over wat je potentiële gevers te bieden hebt. Ook zetten zij hun netwerk van gevers op andere terreinen in. Voor de notariskosten hoef je in ieder geval niet te schrikken, want die moet een geefakte gratis opstellen.
Vrijdag is ook de dag dat de Popmediaprijs uitgereikt wordt. In een vol paviljoen ondervroeg Arjen Davidse van het Muziekcentrum Nederland de genomineerden Atze de Vrieze (3voor12), Willem Bemboom (OOR) en Hanna Vink (DWDD Recordings) over hun werkzaamheden. Hanna Vink kreeg aan het einde de prijs overhandigd. In hetzelfde paviljoen vond vervolgens een panel plaats over de rol van de publieke omroep bij talentontwikkeling. De panelleden gaven uitleg bij de manier waarop bijvoorbeeld Radio3, DWDD en 3voor12 talent onder de aandacht brengen. Vanuit het livecircuit bevestigde Lesley Grieten (Agents after all) het belang van een goede timing. Het is makkerlijker om een band te verkopen als ze in het middelpunt van de aandacht staan. Talent blijkt er vooralsnog in Nederland in ruime mate aanwezig, dat bleek al uit het aandeel kwalitatief hoogstaande bands in het Eurosonicprogramma en het Noorderslagfestival.
Op de slotdag van het seminar was er onder meer aandacht voor de toekomst van de platenzaak. Hoewel de verkoopcijfers van geluidsdragers nog steeds dalen, is er een opleving te zien in de verkoop van vinyl. Waar er sprake is van platenzaken die de deuren gedwongen moeten sluiten, zijn er opvallend veel nieuwe zaken. Het was een opvallend positief panel, waarbij al een aantal afspraken werden gemaakt die de toekomst van de platenzaak veilig moeten stellen. Bijvoorbeeld een betere samenwerking tussen platenindustrie en platenzaken en het aanbieden van een soort classics vinylserie in een goedkope prijsklasse. Diezelfde dag was er ook een presentatie van de exportcijfers van de Nederlandse populaire muziek in 2010. Die neemt nog steeds toe, waarbij vooral het aandeel van DJ’s en André Rieu van veel gewicht is. De gehele presentatie is op de site van Buma te bekijken. Het blijft elk jaar weer jammer dat de gegevens niet te vergelijken zijn met het buitenland, waardoor de waarde van het onderzoek alleen in verhouding tot voorgaande jaren in Nederland geplaatst kan worden. Ook over het precieze aandeel van afzonderlijke artiesten kan niets gezegd worden omdat ze anoniem verwerkt worden.
Dat niet de gehele sector de bezuinigingen gelaten ondergaat, onderstreepte Lowlands directeur Eric van Eerdenburg. Het huidige kabinetsbeleid schiet hem zo in het verkeerde keelgat dat hij liet weten dat staatssecretaris Halbe Zijlstra niet welkom is op zijn festival. Mochten de bezuinigingen nog verder gaan, dan zag hij wel mogelijkheden om illegaal te programmeren in kraakpanden. Het typeert de ondernemendheid van de popsector om niet bij de pakken neer te gaan zitten. Creatief ondernemerschap is altijd al een belangrijke factor in het voortbestaan van poppodia geweest en ook de artiesten weten zich op creatieve wijze onder de aandacht te brengen. Het zal veel aanwezigen deugd doen dat de sector ondanks het feit dat ze inmiddels ook tot de gevestigde kunsten behoort, haar rebelse karakter behouden heeft.
André Nuchelmans
Het officiële programma begon op woensdag 11 januari met de EBBA (European Border Breakers Award) uitreiking. Op donderdag startte het seminarprograma echt met panels die vooral in het teken van gemeentelijk, provinciaal en nationaal beleid en de popsector stonden. Er vinden tegelijkertijd meestal zo’n 6 panels plaats waaruit gekozen moet worden. Dankzij een perfecte organisatie waarbij de tijd nauwlettend in de gaten wordt gehouden kun je zo je eigen programma vaststellen.
Ik koos donderdag voor het gehele programma in de kleine zaal. Allereerst presenteerden Thomas van Dalen en Frans Vreeke van Vreeke & Van Dalen advies en management in cultuur, de resultaten van een beknopt onderzoek onder leden van de Vereniging Nederlands Poppodia en -Festivals (VNPF) naar de manieren waarop zij de aangekondigde bezuinigingen en de btw-verhoging op denken te vangen. Om te beginnen benadrukten ze nog maar eens het verschil tussen de theatersector, waar op elke bezoeker 17,79 euro gemeentelijke subsidie wordt bijgelegd, en de popsector, die het met 6,74 euro doet. De deelnemende podia verwachten dat er in 2013 zo’n kleine 2 miljoen euro op alle podia bezuinigd gaat worden. Ze verwachten het merendeel van deze bezuinigingen te kunnen compenseren door een commerciële verhuur van hun zalen, een populairder programma, sponsorinkomsten, meer programma-activiteiten en hogere entree en horecoprijzen. Daarnaast zal er aan de kostenkant bezuinigd worden. Deze resultaten werden vervolgens met een aantal podiumdirecteuren besproken. Algemene teneur van het gesprek was dat de podia nauwelijks protesteren tegen de bezuinigingen, maar eensgezind de schouders er onder zetten en zoeken naar creatieve oplossingen. Kanttekeningen waren er ook. Zo blijkt een gedeelde overhead (bijvoorbeeld P&O, administratie, ICT) toch niet altijd geld op te leveren. Ook bij een populairdere programmering werden vraagtekens gezet. Het levert dan wel meer inkomsten op, het brengt de doorstroom van bands en artiesten wel in gevaar, als er geen ruimte meer is voor onbekende en experimentele muziek. Een andere opvallende uitkomst was, dat poppodia de btw-verhoging op toegangskaarten vooralsnog vooral verhaald hebben op de artiesten. De bezoeker merkt er weinig van.
In het volgende panel ging Gerard Marlet, econoom en historicus en werkzaam voor de Atlas voor gemeenten, in op het belang van poppodia voor gemeenten. Marlet doet hier al jaren onderzoek naar en presenteerde op Noorderslag vooral nieuw cijfermateriaal. Waar de afgelopen jaren vooral op het economisch belang van de podia is gewezen, toonde Marlet nu aan dat dat slechts een klein deel is, het maatschappelijke belang is nog veel groter. Een andere conclusie was dat regio’s in verhouding tot hun investeringen veel profiteren van de aanwezigheid van podia. Het ligt dan ook voor de hand daar aan te kloppen voor extra investeringen.
Het nationale beleid voor de creatieve industrie en ondernemerschap stonden centraal op het derde panel in de kleine zaal. Namens het ministerie van OC&W lichtten Henri van Faassen en Quirine van der Hoeven het beleid toe. Het was een erg technische uiteenzetting, waaruit naar voren kwam dat popmuziek op dit moment geen speciale aandacht binnen het programma krijgt. Nu ook de basisinfrastructuur die rechtstreeks door het rijk wordt gesubsidieerd aanmerkelijk wordt teruggebracht is de popsector vooral op het Fonds Podiumkunsten aangewezen. Het was dan ook niet verwonderlijk dat dit Fonds net als vorig jaar op vrijdag een inloopspreekuur had.
De dag werd besloten met deel II Bezuinigen doe je zo, een vervolgbijeenkomst op die van vorig jaar. In het eerste panel was dit al zijdelings aan de orde geweest. Onder leiding van Hans Onno van den Berg gaven Pim van Klink (econoom aan de Universiteit Antwerpen), Gerard Marlet, Toine Tax (directeur poppodium Doornroosje) en Ton Schroor (wethouder gemeente Groningen) aan in hoeverre samenwerking met de lokale en regionale overheden het aanbod overeind kan houden. Tax kon met praktijkvoorbeelden uit Nijmegen (Doornroosje heeft het kleinere podium Merleyn overgenomen en beheert inmiddels ook de gemeentelijke oefenruimtes) aantonen dat goed overleg van belang is. Ton Schroor bevestigde dit vanuit beleidszijde. Marlet benadrukte nogmaals de regionale uitstraling van lokale podia. Van Klink voorzag de discussie van een kritische noot.
De eerste dag was een zinvolle dag voor iedereen die met popbeleid op welk niveau ook te maken heeft. Het blijft elk jaar jammer dat er zo weinig lokale, regionale en nationale beleidsmakers aanwezig zijn. Het onderzoek van Marlet toont al jaren aan dat zowel gemeentes als regio’s niet alleen economisch maar ook maatschappelijk profiteren van de aanwezigheid van (pop)podia, uitwisseling tussen podia en beleid lijkt dan ook erg voor de hand te liggen. Het seminarprogramma biedt daar een uitgelezen mogelijkheid toe.
Uit het grote aanbod op de tweede seminardag koos ik als eerste de bijeenkomst over de Geefwet. Dick Molenaar van Allarts presenteerde een kort overzicht van ins en outs van de Geefwet. Op de website van Allarts is het een en ander terug te vinden. Na deze presentatie schoven drie vertegenwoordigers uit andere sectoren aan die hun kennis met de popsector deelden. Het Drents Museum heeft op hun website een Geefbutton, die de gever aan de hand neemt. Er is een kant-en-klare akte van de Notaris opgenomen om een en ander vast te leggen. Invullen en opsturen maar. Ook het Holland Festival heeft al enige jaren ervaring met gevers. Medewerkster Annet Lekkerkerker benadrukte wel dat het in eerste instantie een investering vergt. Bovendien moet je geïnteresseerde gevers niet direct om geld vragen. Eye Film Instituut Nederland is onlangs ook begonnen met het binnenhalen van gevers. Alle panelleden benadrukten dat het voor je geld binnen gaat halen belangrijk is na te denken over wat je potentiële gevers te bieden hebt. Ook zetten zij hun netwerk van gevers op andere terreinen in. Voor de notariskosten hoef je in ieder geval niet te schrikken, want die moet een geefakte gratis opstellen.
Vrijdag is ook de dag dat de Popmediaprijs uitgereikt wordt. In een vol paviljoen ondervroeg Arjen Davidse van het Muziekcentrum Nederland de genomineerden Atze de Vrieze (3voor12), Willem Bemboom (OOR) en Hanna Vink (DWDD Recordings) over hun werkzaamheden. Hanna Vink kreeg aan het einde de prijs overhandigd. In hetzelfde paviljoen vond vervolgens een panel plaats over de rol van de publieke omroep bij talentontwikkeling. De panelleden gaven uitleg bij de manier waarop bijvoorbeeld Radio3, DWDD en 3voor12 talent onder de aandacht brengen. Vanuit het livecircuit bevestigde Lesley Grieten (Agents after all) het belang van een goede timing. Het is makkerlijker om een band te verkopen als ze in het middelpunt van de aandacht staan. Talent blijkt er vooralsnog in Nederland in ruime mate aanwezig, dat bleek al uit het aandeel kwalitatief hoogstaande bands in het Eurosonicprogramma en het Noorderslagfestival.
Op de slotdag van het seminar was er onder meer aandacht voor de toekomst van de platenzaak. Hoewel de verkoopcijfers van geluidsdragers nog steeds dalen, is er een opleving te zien in de verkoop van vinyl. Waar er sprake is van platenzaken die de deuren gedwongen moeten sluiten, zijn er opvallend veel nieuwe zaken. Het was een opvallend positief panel, waarbij al een aantal afspraken werden gemaakt die de toekomst van de platenzaak veilig moeten stellen. Bijvoorbeeld een betere samenwerking tussen platenindustrie en platenzaken en het aanbieden van een soort classics vinylserie in een goedkope prijsklasse. Diezelfde dag was er ook een presentatie van de exportcijfers van de Nederlandse populaire muziek in 2010. Die neemt nog steeds toe, waarbij vooral het aandeel van DJ’s en André Rieu van veel gewicht is. De gehele presentatie is op de site van Buma te bekijken. Het blijft elk jaar weer jammer dat de gegevens niet te vergelijken zijn met het buitenland, waardoor de waarde van het onderzoek alleen in verhouding tot voorgaande jaren in Nederland geplaatst kan worden. Ook over het precieze aandeel van afzonderlijke artiesten kan niets gezegd worden omdat ze anoniem verwerkt worden.
Dat niet de gehele sector de bezuinigingen gelaten ondergaat, onderstreepte Lowlands directeur Eric van Eerdenburg. Het huidige kabinetsbeleid schiet hem zo in het verkeerde keelgat dat hij liet weten dat staatssecretaris Halbe Zijlstra niet welkom is op zijn festival. Mochten de bezuinigingen nog verder gaan, dan zag hij wel mogelijkheden om illegaal te programmeren in kraakpanden. Het typeert de ondernemendheid van de popsector om niet bij de pakken neer te gaan zitten. Creatief ondernemerschap is altijd al een belangrijke factor in het voortbestaan van poppodia geweest en ook de artiesten weten zich op creatieve wijze onder de aandacht te brengen. Het zal veel aanwezigen deugd doen dat de sector ondanks het feit dat ze inmiddels ook tot de gevestigde kunsten behoort, haar rebelse karakter behouden heeft.
André Nuchelmans
Labels:
bezuinigingen,
Eurosonic,
export,
geefwet,
kunstbeleid,
Noorderslag,
overheidsbeleid,
popmuziek,
poppodia
dinsdag 20 december 2011
Openbare jaarvergadering Nederlands Uitgeversverbond
Op maandag 19 december vond in de St. Olofskapel in Amsterdam de openbare jaarvergadering van het Nederlands Uitgeversverbond (NUV) plaats. Centrale thema was hoe te overleven in een tijdperk van digitalisering en nieuwe media als twitter en facebook. Na een korte introductie door NUV-directeur Geert Noorman, sprak NUV-voorzitter Loek Hermans zijn jaarrede uit. In het huidige tijdperk, zo begon hij, ligt er een taak voor uitgevers in het aanbieden van betrouwbare informatie en een interpretatie van die informatie. Mensen zijn wel degelijk bereid daar voor te betalen. Hij constateerde de toenemende verspreiding van iPads, waardoor er in de Eerste Kamer bijvoorbeeld geen papier meer aan te pas komt. Maar zonder apps is een iPad niets, daar liggen kansen. Uitgevers zijn daar ook al mee bezig. De mogelijkheden van nieuwe media worden steeds beter benut. Maar nieuwe media zorgen ook voor nieuwe spelers, zoals amazon en bol.com. De nieuwe media hebben ook tot gevolg dat de verhouding producent – consument verandert. Hermans opperde dat het wellicht tijd wordt om na 100 jaar het auteursrecht onder de loupe te nemen en te kijken of het nog voldoet. Het NUV is niet tegen downloaden, maar wel tegen downloaden uit illegale bronnen. Je moet als uitgever inspringen op nieuwe ontwikkelingen en je hakken niet in het zand zetten. De twee sprekers na hem borduurden op deze laatste opmerking voort.
Als eerste was het woord aan Robert Levine, auteur van Free Ride: how digital parasites destroy the culture business and how the culture business can fight back en daarvoor als journalist verbonden aan Billboard, Wired en Rolling Stone. Hij vatte de inhoud van zijn boek in een half uur samen. Hij begon zijn betoog met het aanhalen van een lezing van de eindredacteur van The Guardian op een conferentie in de VS. Die legde daar uit hoe de toekomst van The Guardian verzekerd was door de inhoud gratis op internet aan te bieden. Alle aanwezigen kwamen geïnspireerd de zaal uit. Daartegenover stond de lezing van de eigenaar van een dagblad uit Arkansas, die geld vroeg voor de digitale versie van zijn dagblad. Hij verdiende er niet veel mee, maar de verkoop van de papieren versie bleef wel constant. De Guardian verdiende niets aan de internetversie en zag zijn abonneebestand teruglopen. Het was dan ook zaak, zo hield Levine de zaal voor, ‘to think about the future, making money in the mean time’.
De komst van de iPad is een uitkomst voor bijvoorbeeld uitgevers, want in tegenstelling tot internet zet het aan om te kopen. Waar internet opgezet is om gratis informatie uit te wisselen, zet de iPad juist aan om te kopen. ‘It’s easier to sell in a closed system’. Ook prijsdifferentiatie is een mogelijkheid geld te verdienen. Mensen zijn uiteindelijk niet prijsgevoelig legde hij uit. Tijs Rotmans betoogt hetzelfde in Boekman 89. Mensen betalen graag voor wat extra’s. Het gemak om het te krijgen is belangrijker dan het prijskaartje dat er aan hangt. Hij besloot zijn lezing met drie adviezen. Zoek uit waar je informatie naar toe gaat/wie het gebruikt. Zoek uit hoe het met je rechten zit en houdt zo de controle over je informatie.
Dick Molman, CEO van Sanoma Media, zorgde in zijn lezing voor de praktische uitvoering van het technische verhaal van Levine. Aanvankelijk actief in de tijdschriftenbranche is Sanoma inmiddels ontwikkelaar van apps en eigenaar van SBS. Molman legde uit wat hier achter zit. De komst van internet was een duidelijke bedreiging voor zijn branche. Hoe reageer je daarop? Hij onderscheidde drie varianten. Of je trekt je terug op je eigen terrein en optimaliseert dat. Of je vertaalt je eigen werkterrein naar het nieuwe medium. Of je slaat nieuwe paden in. Sanoma heeft niet voor een maar voor alle drie de varianten gekozen. Niet alleen zijn de tijdschriften gerestyled, ge-upgrade en alle niches inmiddels gevuld, elk tijdschrift heeft ook zijn vertaling op het internet. Daar is een speciale afdeling voor opgezet zodat alle kennis en kosten centraal beheerd worden. Het wiel heeft dus maar één keer uitgevonden te worden. Hier wordt echter weinig winst gemaakt. Het is eerder ondersteunend voor en aanvullend op de papieren versie. De derde variant is voor Sanoma financieel het meest interessant. Zo is Sanoma een eigen apps afdeling begonnen. Dit kost geld maar door het weer in een afzonderlijke afdeling te doen wordt daar de kennis geconcentreerd. In tegenstelling tot de tijdschriftenmarkt is het een groeimarkt. In Nederland zijn inmiddels ruim 3 miljoen Sanoma apps gedownload, de markt is in anderhalf jaar 5x zo groot geworden. Ook op het gebied van sociale media is er een afdeling die alles wat daar in gebeurt nauwkeurig bijhoudt.
Sinds kort is Sanoma ook actef op de televisiemarkt. De reden daarvoor is dat dat medium het hoofd in al de huidige ontwikkelingen boven water heeft weten te houden. Daarmee bestrijkt Sanoma inmiddels alle media. Het is nu zaak de kijkcijfers omhoog te halen, daar kunnen de tijdschriften en andere media voor ingezet worden. Zo begint het verhaal weer van voor af aan. De rol van het mediabedrijf is veranderd. Het is niet meer nodig als mediair tussen het content en de consument. Om te overleven moet je verbreden.
Een mooie combinatie van Amerikaanse theorie en Nederlands koopmanschap die de uitgevers in deze barre tijden een hart onder de riem steekt en inspiratie biedt er in het nieuwe jaar vol enthousiasme tegenaan te gaan.
André Nuchelmans
Als eerste was het woord aan Robert Levine, auteur van Free Ride: how digital parasites destroy the culture business and how the culture business can fight back en daarvoor als journalist verbonden aan Billboard, Wired en Rolling Stone. Hij vatte de inhoud van zijn boek in een half uur samen. Hij begon zijn betoog met het aanhalen van een lezing van de eindredacteur van The Guardian op een conferentie in de VS. Die legde daar uit hoe de toekomst van The Guardian verzekerd was door de inhoud gratis op internet aan te bieden. Alle aanwezigen kwamen geïnspireerd de zaal uit. Daartegenover stond de lezing van de eigenaar van een dagblad uit Arkansas, die geld vroeg voor de digitale versie van zijn dagblad. Hij verdiende er niet veel mee, maar de verkoop van de papieren versie bleef wel constant. De Guardian verdiende niets aan de internetversie en zag zijn abonneebestand teruglopen. Het was dan ook zaak, zo hield Levine de zaal voor, ‘to think about the future, making money in the mean time’.
De komst van de iPad is een uitkomst voor bijvoorbeeld uitgevers, want in tegenstelling tot internet zet het aan om te kopen. Waar internet opgezet is om gratis informatie uit te wisselen, zet de iPad juist aan om te kopen. ‘It’s easier to sell in a closed system’. Ook prijsdifferentiatie is een mogelijkheid geld te verdienen. Mensen zijn uiteindelijk niet prijsgevoelig legde hij uit. Tijs Rotmans betoogt hetzelfde in Boekman 89. Mensen betalen graag voor wat extra’s. Het gemak om het te krijgen is belangrijker dan het prijskaartje dat er aan hangt. Hij besloot zijn lezing met drie adviezen. Zoek uit waar je informatie naar toe gaat/wie het gebruikt. Zoek uit hoe het met je rechten zit en houdt zo de controle over je informatie.
Dick Molman, CEO van Sanoma Media, zorgde in zijn lezing voor de praktische uitvoering van het technische verhaal van Levine. Aanvankelijk actief in de tijdschriftenbranche is Sanoma inmiddels ontwikkelaar van apps en eigenaar van SBS. Molman legde uit wat hier achter zit. De komst van internet was een duidelijke bedreiging voor zijn branche. Hoe reageer je daarop? Hij onderscheidde drie varianten. Of je trekt je terug op je eigen terrein en optimaliseert dat. Of je vertaalt je eigen werkterrein naar het nieuwe medium. Of je slaat nieuwe paden in. Sanoma heeft niet voor een maar voor alle drie de varianten gekozen. Niet alleen zijn de tijdschriften gerestyled, ge-upgrade en alle niches inmiddels gevuld, elk tijdschrift heeft ook zijn vertaling op het internet. Daar is een speciale afdeling voor opgezet zodat alle kennis en kosten centraal beheerd worden. Het wiel heeft dus maar één keer uitgevonden te worden. Hier wordt echter weinig winst gemaakt. Het is eerder ondersteunend voor en aanvullend op de papieren versie. De derde variant is voor Sanoma financieel het meest interessant. Zo is Sanoma een eigen apps afdeling begonnen. Dit kost geld maar door het weer in een afzonderlijke afdeling te doen wordt daar de kennis geconcentreerd. In tegenstelling tot de tijdschriftenmarkt is het een groeimarkt. In Nederland zijn inmiddels ruim 3 miljoen Sanoma apps gedownload, de markt is in anderhalf jaar 5x zo groot geworden. Ook op het gebied van sociale media is er een afdeling die alles wat daar in gebeurt nauwkeurig bijhoudt.
Sinds kort is Sanoma ook actef op de televisiemarkt. De reden daarvoor is dat dat medium het hoofd in al de huidige ontwikkelingen boven water heeft weten te houden. Daarmee bestrijkt Sanoma inmiddels alle media. Het is nu zaak de kijkcijfers omhoog te halen, daar kunnen de tijdschriften en andere media voor ingezet worden. Zo begint het verhaal weer van voor af aan. De rol van het mediabedrijf is veranderd. Het is niet meer nodig als mediair tussen het content en de consument. Om te overleven moet je verbreden.
Een mooie combinatie van Amerikaanse theorie en Nederlands koopmanschap die de uitgevers in deze barre tijden een hart onder de riem steekt en inspiratie biedt er in het nieuwe jaar vol enthousiasme tegenaan te gaan.
André Nuchelmans
donderdag 1 december 2011
De portretfabriek van Michiel van Mierevelt (1566-1641)
Vanaf het einde van de 16de eeuw kenden alle Noord Nederlandse steden van enige betekenis een of meer gevestigde schilders die voorzagen in de lokale behoefte aan portretten. Met name stedelijke regentenfamilies, rijke kooplieden, legerofficieren en telgen uit oude adellijke families lieten portretten schilderen maar ook predikanten en geleerden.
Michiel Jansz. van Mierevelt was de meest productieve kunstenaar van zijn tijd in Delft en maakte talloze portretten waaronder in 1607 een portret van Prins Maurits waarmee hij faam verwierf en wat leidde tot tal van andere opdrachten. Zijn leven viel samen met een turbulente periode in de vaderlandse geschiedenis waarbij Delft nauw betrokken was. Vlak na zijn geboorte begon de tachtigjarige oorlog die pas zeven jaar na zijn overlijden zou eindigen. Karel van Mander beschrijft de kwaliteit van de portretten van de schilder in zijn beroemde Schilderboeck als ‘heerlijck, uytnemend en wonderlijck uitmuntend’.
Museum het Prinsenhof te Delft besteedde van 24 september 2011 tot en met 8 januari 2012 een expositie aan het oeuvre van de vooraanstaande portretschilder uit de 17de eeuw met als titel: Portretfabriek Van Mierevelt. Ontdek de hand van de meester. Van Mierevelt had een enorme productie: er kwamen drie of vier schilderijen per week uit het atelier waar het werk met hulp van zonen, leerlingen en assistenten werd gemaakt. De kunstenaar was in de Gouden Eeuw fameuzer dan Vermeer en heeft de 17de eeuwse Hollanders het gezicht gegeven waarmee ze nu nog steeds geassocieerd worden. In de overzichtstentoonstelling zijn veel portretten uit binnen- en buitenland bij elkaar gebracht, de meeste uit Nederlandse musea maar ook een aantal uit buitenlandse musea. 38 werken uit de collectie van het Prinsenhof worden aan hem toegeschreven. De tentoonstelling en het boek geven een inkijk in een zeer bedrijvig kunstenaarschap voorzien van een uitgebreide klandizie. Overigens waren er op de lokale kunstenaarsmarkt ook andere schilders actief maar van een felle concurrentiestrijd was naar alle waarschijnlijkheid geen sprake. Vaak was het zo dat voormalige assistenten een deel van de markt van de met opdrachten overladen meester overnamen. De bloeiperiode van de ‘prins der schilders’ die het als zakenman net zo goed deed als als schilder.
Van Mierevelt stamt uit een geslacht van ambachtslieden afkomstig uit het Brabantse plaatsje Mier in de buurt van Turnhout. Zijn overgrootvader vestigde zich rond 1500 met twee kinderen in Delft. Zijn vader was goudsmid en hij groeide dus op in een artistiek milieu. Na verschillende leermeesters rondde hij zijn opleiding af en in 1589 trouwde hij met Stijntge Pietersdr. Van der Pes met wie hij in de veertien jaar die daarop volgden acht kinderen kreeg.
Het grootste deel van de portretten werd begin 17de eeuw, tijdens de bloeiperiode van zijn carrière, vervaardigd in zijn statige huis, ‘Het Wapen van Spangien’, een hoofdhuis met zijhuis aan de gracht en een achterhuis, aan de Oude Delft te Delft. Van Mierevelt schilderde voornamelijk op panelen die niet in het atelier werden gemaakt maar aangeleverd werden door schrijnwerkers. Portretten konden besteld worden in een aantal standaardformaten, afhankelijk van de draagkracht en wensen van de klant. De kunstenaar hanteerde een extreem doorgevoerde standaard in de portretten; de houding van het lijf, zelfs de hoek van de draaiing van het hoofd waren telkens hetzelfde. De kleding van de geportretteerde is vaak sober maar wel gemaakt van kostbare stoffen en geschilderd met veel oog voor detail. Van het bewaard gebleven werk bestaat ongeveer 50 procent uit replieken of kopieën. Het aantal versies dat van een werk gemaakt werd, varieërde van twee tot 42 (Prins Maurits). Dat gold ook voor de prijzen: een borststuk of een kniestuk ‘geconterfeyted nae ’t leven’ waren respectievelijk 48-50 gulden en 200-300 gulden.
Het atelier ontwikkelde zich tot een familiebedrijf vanaf het moment dat de oudste zoon van de kunstenaar een rol ging spelen, maar ook drie andere zonen leverden in de loop der tijd een bijdrage aan het maken van portretten en dus aan het familiebedrijf.
De meeste klanten (bijna de helft) waren afkomstig uit Delft, maar er kwamen ook portretopdrachten van elders, bijvoorbeeld uit Amsterdam, Den Haag en het buitenland. Wat de sociale herkomst betreft waren het vooral rijke mensen uit de burgerij, weer met name uit Delft, maar ook, weliswaar in mindere mate, waren officieren, bevelhebbers, gezanten, diplomaten, familieleden, theologen klanten van Van Mierevelt.
Een hoofdstuk is gewijd aan het productieproces in het atelier en gaat in op het materiaalgebruik en de schildertechniek van de kunstenaar; de panelen en penselen. In het slothoofdstuk worden de portretten van Prins Maurits beschreven. Van Mierevelt startte aan het begin van de 17de eeuw met de productie van portretten van de prins. De portretten werden in soorten en maten geschilderd; zowel knie- en (kleine) borststukken als ten voeten uit geleverd. Een enkele keer werd de prins geschilderd in een glad metalen harnas in plaats van een pronkharnas, een ‘swart lere colderken’, of ook in kostuum, veelal een met gouddraad geborduurde buis met pofbroek met een bijbehorende hoge zwarte hoed met pluim. Tot de dood van de kunstenaar zouden deze portretten het handelsmerk van het atelier vormen.
Het boek is heel erg mooi geïllustreerd en voorzien van een uitvoerige catalogus met portretten. Daarnaast zijn er, behalve de bij de afzonderlijke hoofdstukken horende afbeeldingen, tussen de hoofdstukken pagina’s met details van de schilderijen opgenomen zoals een pagina met neuzen en monden, een pagina met handen, een pagina met sieraden, een pagina met kragen een pagina met portretten van prins Maurits.
Anita Jansen, Rudi Ekkart en Johanneke Verhave − De portretfabriek van Michiel van Mierevelt (1566-1641) – Zwolle/Delft: WBooks/Museum Het Prinsenhof Delft, 2010 – ISBN 978 90 400 7824 8 – Prijs: € 39,50
Truus Gubbels
Michiel Jansz. van Mierevelt was de meest productieve kunstenaar van zijn tijd in Delft en maakte talloze portretten waaronder in 1607 een portret van Prins Maurits waarmee hij faam verwierf en wat leidde tot tal van andere opdrachten. Zijn leven viel samen met een turbulente periode in de vaderlandse geschiedenis waarbij Delft nauw betrokken was. Vlak na zijn geboorte begon de tachtigjarige oorlog die pas zeven jaar na zijn overlijden zou eindigen. Karel van Mander beschrijft de kwaliteit van de portretten van de schilder in zijn beroemde Schilderboeck als ‘heerlijck, uytnemend en wonderlijck uitmuntend’.
Museum het Prinsenhof te Delft besteedde van 24 september 2011 tot en met 8 januari 2012 een expositie aan het oeuvre van de vooraanstaande portretschilder uit de 17de eeuw met als titel: Portretfabriek Van Mierevelt. Ontdek de hand van de meester. Van Mierevelt had een enorme productie: er kwamen drie of vier schilderijen per week uit het atelier waar het werk met hulp van zonen, leerlingen en assistenten werd gemaakt. De kunstenaar was in de Gouden Eeuw fameuzer dan Vermeer en heeft de 17de eeuwse Hollanders het gezicht gegeven waarmee ze nu nog steeds geassocieerd worden. In de overzichtstentoonstelling zijn veel portretten uit binnen- en buitenland bij elkaar gebracht, de meeste uit Nederlandse musea maar ook een aantal uit buitenlandse musea. 38 werken uit de collectie van het Prinsenhof worden aan hem toegeschreven. De tentoonstelling en het boek geven een inkijk in een zeer bedrijvig kunstenaarschap voorzien van een uitgebreide klandizie. Overigens waren er op de lokale kunstenaarsmarkt ook andere schilders actief maar van een felle concurrentiestrijd was naar alle waarschijnlijkheid geen sprake. Vaak was het zo dat voormalige assistenten een deel van de markt van de met opdrachten overladen meester overnamen. De bloeiperiode van de ‘prins der schilders’ die het als zakenman net zo goed deed als als schilder.
Van Mierevelt stamt uit een geslacht van ambachtslieden afkomstig uit het Brabantse plaatsje Mier in de buurt van Turnhout. Zijn overgrootvader vestigde zich rond 1500 met twee kinderen in Delft. Zijn vader was goudsmid en hij groeide dus op in een artistiek milieu. Na verschillende leermeesters rondde hij zijn opleiding af en in 1589 trouwde hij met Stijntge Pietersdr. Van der Pes met wie hij in de veertien jaar die daarop volgden acht kinderen kreeg.
Het grootste deel van de portretten werd begin 17de eeuw, tijdens de bloeiperiode van zijn carrière, vervaardigd in zijn statige huis, ‘Het Wapen van Spangien’, een hoofdhuis met zijhuis aan de gracht en een achterhuis, aan de Oude Delft te Delft. Van Mierevelt schilderde voornamelijk op panelen die niet in het atelier werden gemaakt maar aangeleverd werden door schrijnwerkers. Portretten konden besteld worden in een aantal standaardformaten, afhankelijk van de draagkracht en wensen van de klant. De kunstenaar hanteerde een extreem doorgevoerde standaard in de portretten; de houding van het lijf, zelfs de hoek van de draaiing van het hoofd waren telkens hetzelfde. De kleding van de geportretteerde is vaak sober maar wel gemaakt van kostbare stoffen en geschilderd met veel oog voor detail. Van het bewaard gebleven werk bestaat ongeveer 50 procent uit replieken of kopieën. Het aantal versies dat van een werk gemaakt werd, varieërde van twee tot 42 (Prins Maurits). Dat gold ook voor de prijzen: een borststuk of een kniestuk ‘geconterfeyted nae ’t leven’ waren respectievelijk 48-50 gulden en 200-300 gulden.
Het atelier ontwikkelde zich tot een familiebedrijf vanaf het moment dat de oudste zoon van de kunstenaar een rol ging spelen, maar ook drie andere zonen leverden in de loop der tijd een bijdrage aan het maken van portretten en dus aan het familiebedrijf.
De meeste klanten (bijna de helft) waren afkomstig uit Delft, maar er kwamen ook portretopdrachten van elders, bijvoorbeeld uit Amsterdam, Den Haag en het buitenland. Wat de sociale herkomst betreft waren het vooral rijke mensen uit de burgerij, weer met name uit Delft, maar ook, weliswaar in mindere mate, waren officieren, bevelhebbers, gezanten, diplomaten, familieleden, theologen klanten van Van Mierevelt.
Een hoofdstuk is gewijd aan het productieproces in het atelier en gaat in op het materiaalgebruik en de schildertechniek van de kunstenaar; de panelen en penselen. In het slothoofdstuk worden de portretten van Prins Maurits beschreven. Van Mierevelt startte aan het begin van de 17de eeuw met de productie van portretten van de prins. De portretten werden in soorten en maten geschilderd; zowel knie- en (kleine) borststukken als ten voeten uit geleverd. Een enkele keer werd de prins geschilderd in een glad metalen harnas in plaats van een pronkharnas, een ‘swart lere colderken’, of ook in kostuum, veelal een met gouddraad geborduurde buis met pofbroek met een bijbehorende hoge zwarte hoed met pluim. Tot de dood van de kunstenaar zouden deze portretten het handelsmerk van het atelier vormen.
Het boek is heel erg mooi geïllustreerd en voorzien van een uitvoerige catalogus met portretten. Daarnaast zijn er, behalve de bij de afzonderlijke hoofdstukken horende afbeeldingen, tussen de hoofdstukken pagina’s met details van de schilderijen opgenomen zoals een pagina met neuzen en monden, een pagina met handen, een pagina met sieraden, een pagina met kragen een pagina met portretten van prins Maurits.
Anita Jansen, Rudi Ekkart en Johanneke Verhave − De portretfabriek van Michiel van Mierevelt (1566-1641) – Zwolle/Delft: WBooks/Museum Het Prinsenhof Delft, 2010 – ISBN 978 90 400 7824 8 – Prijs: € 39,50
Truus Gubbels
Labels:
beeldende kunst,
boekbespreking,
Delft,
economie,
geschiedenis,
opdrachten,
schilders
vrijdag 25 november 2011
ABC van de literaire kritiek
Met de opkomst van blogs en sociale media als facebook en twitter stellen gevestigde media als kranten en tijdschriften zich met enige regelmaat de vraag of het nog wel nut heeft een speciaal katern of deel van het tijdschrift aan recensies van boeken te wijden. De literaire kritiek staat wat dat betreft niet alleen, ook in andere kunstsectoren als muziek, theater, film en beeldende kunst vragen media zich af of zij nog een rol te vervullen hebben.
Critici en recensenten geven meestal een bevestigend antwoord. De reden die ze er voor geven, is dat zij, meer dan de liefhebber op zijn blog of facebookpagina, het boek in een breder kader kunnen plaatsen. Met andere woorden, hun belezenheid en kennis van zaken gaat altijd verder dan dat van een gemiddelde lezer die een andere lezer wil overtuigen een bepaald boek te lezen of juist niet. Elsbeth Etty betoogde het al in haar oratie De literaire kritiek als journalistiek genre, die zij uitsprak bij de aanvaarding van het bijzonder hoogleraarschap Literaire kritiek aan de Vrije Universiteit te Amsterdam. Daarin stelde ze de literaire criticus gelijk aan elke ander journalist. Hij diende dan ook aan dezelfde eisen te voldoen: betrouwbaarheid en objectiviteit. In het ABC van de literaire kritiek zet ze het aan de hand van een aantal steekwoorden allemaal nog eens op een alfabetisch rijtje. Het boekje verscheen ter gelegenheid van het 25-jarig bestaan van uitgeverij Balans.
Het leven van een literair criticus is geen lolletje, je doet het namelijk nooit goed. Als je een positieve recensie schrijft wordt je al snel van omkoping beticht, schrijf je een negatieve recensie dan heb je nog een rekening met de auteur te vereffenen. Maar dat hoort er bij. ‘Wantrouw dus vooral de recensent die nog nooit is uitgemaakt voor aasgier of erger’, houdt Etty de lezer voor. En zij kan het weten. In 2001 verklaarde auteur Joke J. Hermsen naar aanleiding van de bespreking door Etty van haar roman Tweeduister, dat ze had overwogen aangifte tegen Etty te doen voor een poging tot doodslag. En zo noemt ze nog een aantal voorbeelden op.
Ze betoont zich absoluut geen voorstander van een aanpassing van de kritiek aan de wens van de meerderheid van de lezers, die graag hapklare, amusante stukjes wil. En ook de beoordeling zoals die tegenwoordig in veel dag- en weekbladen wordt gehanteerd met ‘debiliserende ballen of sterren’, kan haar goedkeuring niet wegdragen. Het doel van de literaire kritiek is meer dan alleen ‘een betrouwbare en gefundeerde beoordeling te geven’, het moet ook een ‘lezenswaardig en boeiend artikel’ opleveren. Er is in haar optiek maar één manier om het gezag van de literaire kritiek weer te herstellen en dat is het verbeteren van de kwaliteit. Daarmee gaat ze dwars in tegen de mening van bijvoorbeeld Thomas Vaessens, hoogleraar moderne letterkunde aan de Universiteit van Amsterdam. Hij verkondigde in zijn boek De revanche van de roman dat boekenbijlages maar beter konden verdwijnen, want daar zat niemand behalve een kleine culturele elite nog op te wachten. Om de studenten tegemoet te komen en zijn vak nog enigszins de moeite waard te houden, ging hij in zijn colleges de boeken van Kluun, Saskia Noort en andere lectuur te behandelen. Elsbeth Etty is er de vrouw niet naar om de handdoek in de ring te gooien. Met dit ABC van de literaire kritiek weet ze dat op overtuigende wijze te onderbouwen. Het is niet alleen een must voor iedere criticus die zijn vak serieus neemt – je hoeft het daarvoor niet met haar eens te zijn – maar kan zeker ook van dienst zijn bij het schrijven van een goede blog.
Elsbeth Etty – ABC van de literaire kritiek – Amsterdam: Balans, 2011 – ISBN 978 94 600 3335 3 – Prijs: € 6,95
André Nuchelmans
Critici en recensenten geven meestal een bevestigend antwoord. De reden die ze er voor geven, is dat zij, meer dan de liefhebber op zijn blog of facebookpagina, het boek in een breder kader kunnen plaatsen. Met andere woorden, hun belezenheid en kennis van zaken gaat altijd verder dan dat van een gemiddelde lezer die een andere lezer wil overtuigen een bepaald boek te lezen of juist niet. Elsbeth Etty betoogde het al in haar oratie De literaire kritiek als journalistiek genre, die zij uitsprak bij de aanvaarding van het bijzonder hoogleraarschap Literaire kritiek aan de Vrije Universiteit te Amsterdam. Daarin stelde ze de literaire criticus gelijk aan elke ander journalist. Hij diende dan ook aan dezelfde eisen te voldoen: betrouwbaarheid en objectiviteit. In het ABC van de literaire kritiek zet ze het aan de hand van een aantal steekwoorden allemaal nog eens op een alfabetisch rijtje. Het boekje verscheen ter gelegenheid van het 25-jarig bestaan van uitgeverij Balans.
Het leven van een literair criticus is geen lolletje, je doet het namelijk nooit goed. Als je een positieve recensie schrijft wordt je al snel van omkoping beticht, schrijf je een negatieve recensie dan heb je nog een rekening met de auteur te vereffenen. Maar dat hoort er bij. ‘Wantrouw dus vooral de recensent die nog nooit is uitgemaakt voor aasgier of erger’, houdt Etty de lezer voor. En zij kan het weten. In 2001 verklaarde auteur Joke J. Hermsen naar aanleiding van de bespreking door Etty van haar roman Tweeduister, dat ze had overwogen aangifte tegen Etty te doen voor een poging tot doodslag. En zo noemt ze nog een aantal voorbeelden op.
Ze betoont zich absoluut geen voorstander van een aanpassing van de kritiek aan de wens van de meerderheid van de lezers, die graag hapklare, amusante stukjes wil. En ook de beoordeling zoals die tegenwoordig in veel dag- en weekbladen wordt gehanteerd met ‘debiliserende ballen of sterren’, kan haar goedkeuring niet wegdragen. Het doel van de literaire kritiek is meer dan alleen ‘een betrouwbare en gefundeerde beoordeling te geven’, het moet ook een ‘lezenswaardig en boeiend artikel’ opleveren. Er is in haar optiek maar één manier om het gezag van de literaire kritiek weer te herstellen en dat is het verbeteren van de kwaliteit. Daarmee gaat ze dwars in tegen de mening van bijvoorbeeld Thomas Vaessens, hoogleraar moderne letterkunde aan de Universiteit van Amsterdam. Hij verkondigde in zijn boek De revanche van de roman dat boekenbijlages maar beter konden verdwijnen, want daar zat niemand behalve een kleine culturele elite nog op te wachten. Om de studenten tegemoet te komen en zijn vak nog enigszins de moeite waard te houden, ging hij in zijn colleges de boeken van Kluun, Saskia Noort en andere lectuur te behandelen. Elsbeth Etty is er de vrouw niet naar om de handdoek in de ring te gooien. Met dit ABC van de literaire kritiek weet ze dat op overtuigende wijze te onderbouwen. Het is niet alleen een must voor iedere criticus die zijn vak serieus neemt – je hoeft het daarvoor niet met haar eens te zijn – maar kan zeker ook van dienst zijn bij het schrijven van een goede blog.
Elsbeth Etty – ABC van de literaire kritiek – Amsterdam: Balans, 2011 – ISBN 978 94 600 3335 3 – Prijs: € 6,95
André Nuchelmans
Labels:
boekbespreking,
kunstkritiek,
literaire kritiek,
literatuur
donderdag 10 november 2011
Niet tellen, maar wegen
Jet de Ranitz, voorzitter van het College van Bestuur van de Amsterdamse Hogeschool voor de kunsten, wordt de nieuwe voorzitter van Kunsten ’92. Met dat nieuwtje opende de huidige voorzitter Ad ’s-Gravesande het Kunsten '92 en Boekmandebat Niet tellen maar wegen op 8 november in het uitverkochte Amsterdamse Compagnietheater. Het debat vond plaats aansluitend op de besloten ledenvergadering van Kunsten ’92, waar de voordracht was aanvaard. Aanleiding voor het debat was de publicatie van Boekmanstudies Niet tellen, maar wegen. Over de zin en onzin van prestatieafspraken in de culturele sector. Na een korte inleiding op het programma, gaf 's-Gravesande het woord aan Maud van de Wiel die het debat in goede banen moest leiden. Wethouder Michiel van Wessem, die in Arnhem namens de VVD cultuur in zijn portefeuille heeft, moest helaas verstek laten gaan. Er bleken echter meerdere lokale politici in de zaal aanwezig op wie Van der Wiel een beroep mocht doen tijdens het debat over hoe prestatieafspraken vorm te geven en de rol die cijfers daar in spelen.
Marjolein Februari, publiciste en adviseur over maatschappelijke en bestuurlijke onderwerpen, zette de publicatie Niet tellen maar wegen en het gebruik van cijfermateriaal in een breder kader, door een voorbeeld uit de luchtvaart aan te halen. Ze betoogde dat getallen de situatie op papier kunnen verbeteren, terwijl die in de praktijk verslechtert. Cijfers gaan een eigen leven leiden. In 2003 ontstond commotie onder de bewoners in de buurt van Maastricht Aachen Airport omdat 87 woningen binnen de contour bleken te liggen waar een grotere kans op overlijden als gevolg van het vliegverkeer was. Het model was gebaseerd op aannames. Door deze te wijzigen werd het aantal woningen al gereduceerd tot 23 huizen. Als klap op de vuurpijl werd de landingsbaan met 150 meter ingekort en bleek er geen enkele woning meer binnen de gevarenzone met verhoogd risico te liggen. Het probleem was opgelost. Februari haalde dit voorbeeld aan om aan te tonen dat de fixatie op papier zo groot is dat de werkelijkheid uit het zicht verdwijnt. Ze besloot haar lezing met drie opmerkingen naar aanleiding van het boek. De eerste was dat het boek binnen de tijdgeest past dat niet alles binnen het nutsdenken te vangen is. Er is steeds meer sprake van een algehele ontevredenheid over meten en de consequenties van een verantwoordingsplicht. Daarnaast wees het boek haar op het verschil tussen ideaal en norm, dat haar al langer bezig houdt. Normen sturen iedereen naar het midden, alles wordt bijgeschaafd naar het gemiddelde. Tegenover het SMART-principe (specifiek, meetbaar, acceptabel, realistisch, tijdgebonden) van doelstellingen stelde zij het FUZZY-principe (feestelijk, uitdagend, zuiver, zindelijk, yes). Tot slot ging ze in op de begrippen vitaliteit en weerbaar. Ze bedoelde hiermee dat je instelling moet zijn om je werk goed te doen, in plaats van achteraf te kijken hoe je het gedaan hebt. Niet de regels sturen je, maar je eigen professionaliteit. Dit is in de kunstwereld niet zo vanzelfsprekend en dat moet in deze barre tijden onder ogen gezien worden. Er is maar één ding dat werkt en dat is je werk beter doen!
Vervolgens ondervroeg Maud van de Wiel Hans de Bruijn, hoogleraar bestuurskunde aan de Technische Universiteit Delft, als relatieve buitenstaander naar zijn mening over prestatieafspraken. De Bruijn refereerde daarbij vooral aan de prestatieafspraken zoals die tot voor kort in de universitaire wereld gelden. Daar hanteerde men voor elke publicatie een puntensysteem, afhankelijk van onder andere het soort publicatie en de taal. Het enige doel was nog om aan het gestelde aantal punten te komen. De inhoud deed er niet meer toe. In de universitaire wereld is de kritiek op het verantwoordingsdenken inmiddels ingedaald. Maar, zo nuanceerde hij zijn betoog, cijfers kunnen zeker heilzaam zijn in alle sectoren. Hij bedoelde daar vooral simpele cijfers mee, zoals bijvoorbeeld publiekcijfers. Als degene die de cijfers levert, moet je er begrip voor opbrengen dat er behoefte is aan cijfers. Maar het moet niet alleen bij de cijfers blijven. Van belang is dat er een goed gesprek over ontstaat over de achtergronden van de cijfers. Zijn advies was om je als kunstinstelling proactief op te stellen. Laat merken dat je cijfers wel degelijk van belang vindt, maar dat er daarnaast nog iets anders is, zoals kwaliteit. Ga daarover het gesprek aan.
Na deze relatieve buitenstaanders, kwamen de meest direct betrokkenen aan het woord: de auteurs. Van de Wiel ondervroeg Claartje Bunnik en Edwin van Huis over de achtergronden van het boek. Uit hun dagelijkse adviespraktijk viel hun op dat subsidiegevers en –ontvangers verschillende talen spraken en dat de inhoud nauwelijks aan de orde kwam. Wat vertellen cijfers eigenlijk? Ze haalden Rotterdam als voorbeeld aan van hoe het moet. Daar wordt een gesprek met de subsidiënten gevoerd op basis van de bredere doelstellingen van de stad en praten ook verschillende sectoren met elkaar. Bunnik sprak de tijdgeest die Februari constateerde tegen. In de cultuursector richt men zich volgens haar nog steeds meer op cijfers. Van Huis sloot zich hierbij aan en hoopte dat culturele instellingen toch vooral zichzelf blijven. Sta er bij stil waar je het voor doet en doe mee, maar blijf jezelf, was zijn advies.
De paneldiscussie sloot hier direct op aan. Aan tafel namen George Lawson, directeur van het Fonds Podiumkunsten, Benno Tempel, directeur van het Gemeentemuseum Den Haag en Hans Waege, algemeen directeur van het Rotterdam Philharmonisch Orkest, plaats. In de zaal kon gesprekleidster Van de Wiel een beroep doen op Eric van der Want, wethouder namens D66 in Hilversum. Tussen de panelleden heerste opvallend veel eensgezindheid. Zo benadrukten ze dat de culturele sector veel te breed is om onderlinge vergelijkingen mogelijk te maken. Cijfers zeggen in zo’n geval niets. Het is appels met peren vergelijken. Ook hechten alle panelleden aan een gesprek tussen subsidiegever en subsidiënt. Natuurlijk zijn cijfers ook belangrijk, maar ze zijn niet alleszeggend. Een gesprek kan duidelijk maken waarom de cijfers zijn zoals ze zijn. Waege kon zich vinden in de complimenten van auteur Van Huis voor de gemeente Rotterdam. Maatschappelijke verankering speelt daar een grote rol en is wel degelijk te meten door bijvoorbeeld het aantal wijkconcerten, lokale sponsoren en concerten op scholen. Maar naast die cijfermatige verantwoording moet je het ook woordelijk doen. Tempel wees op een artikel in Trouw waarin het feit dat enkele musea er nu in geslaagd zijn particulier geld te vinden als het gelijk van staatssecretaris Zijlstra wordt gezien. Musea zijn onderling echter zo verschillend, je kunt een kunstmuseum niet met een historisch museum vergelijken. Lawson hecht er erg veel waarde aan dat het fonds de logica van de subsidiering aan de subsidiënten en de buitenwereld duidelijk kan maken. Peerreviews zijn daarin van groot belang, naast andere criteria. De fysieke waarneming van kwaliteit speelt mee in de beoordeling. Door deze helderheid te creëren kom je als partners tegenover elkaar te staan.
Naar het einde toe mengde ook de zaal zich nadrukkelijker in het gesprek. Meest opvallend daarin was wel de mededeling van Rob Boonzajer Flaes, voormalig lid van de Raad voor Cultuur, dat je het allemaal niet erger moet maken dan het is. ‘De overheid doet niets met alle aangeleverde gegevens. Vul gewoon in wat ze vragen, ze onthouden het toch niet. Als ze je willen korten, doen ze dat toch wel.’ Maud van de Wiel besloot het debat dat naast een interessante discussie ook nog een aantal alternatieve titels had opgeleverd, zoals Tellen is niet weten; Eerst wegen, dan tellen; en Intelligent tellen en dan wegen.
André Nuchelmans
Marjolein Februari, publiciste en adviseur over maatschappelijke en bestuurlijke onderwerpen, zette de publicatie Niet tellen maar wegen en het gebruik van cijfermateriaal in een breder kader, door een voorbeeld uit de luchtvaart aan te halen. Ze betoogde dat getallen de situatie op papier kunnen verbeteren, terwijl die in de praktijk verslechtert. Cijfers gaan een eigen leven leiden. In 2003 ontstond commotie onder de bewoners in de buurt van Maastricht Aachen Airport omdat 87 woningen binnen de contour bleken te liggen waar een grotere kans op overlijden als gevolg van het vliegverkeer was. Het model was gebaseerd op aannames. Door deze te wijzigen werd het aantal woningen al gereduceerd tot 23 huizen. Als klap op de vuurpijl werd de landingsbaan met 150 meter ingekort en bleek er geen enkele woning meer binnen de gevarenzone met verhoogd risico te liggen. Het probleem was opgelost. Februari haalde dit voorbeeld aan om aan te tonen dat de fixatie op papier zo groot is dat de werkelijkheid uit het zicht verdwijnt. Ze besloot haar lezing met drie opmerkingen naar aanleiding van het boek. De eerste was dat het boek binnen de tijdgeest past dat niet alles binnen het nutsdenken te vangen is. Er is steeds meer sprake van een algehele ontevredenheid over meten en de consequenties van een verantwoordingsplicht. Daarnaast wees het boek haar op het verschil tussen ideaal en norm, dat haar al langer bezig houdt. Normen sturen iedereen naar het midden, alles wordt bijgeschaafd naar het gemiddelde. Tegenover het SMART-principe (specifiek, meetbaar, acceptabel, realistisch, tijdgebonden) van doelstellingen stelde zij het FUZZY-principe (feestelijk, uitdagend, zuiver, zindelijk, yes). Tot slot ging ze in op de begrippen vitaliteit en weerbaar. Ze bedoelde hiermee dat je instelling moet zijn om je werk goed te doen, in plaats van achteraf te kijken hoe je het gedaan hebt. Niet de regels sturen je, maar je eigen professionaliteit. Dit is in de kunstwereld niet zo vanzelfsprekend en dat moet in deze barre tijden onder ogen gezien worden. Er is maar één ding dat werkt en dat is je werk beter doen!
Vervolgens ondervroeg Maud van de Wiel Hans de Bruijn, hoogleraar bestuurskunde aan de Technische Universiteit Delft, als relatieve buitenstaander naar zijn mening over prestatieafspraken. De Bruijn refereerde daarbij vooral aan de prestatieafspraken zoals die tot voor kort in de universitaire wereld gelden. Daar hanteerde men voor elke publicatie een puntensysteem, afhankelijk van onder andere het soort publicatie en de taal. Het enige doel was nog om aan het gestelde aantal punten te komen. De inhoud deed er niet meer toe. In de universitaire wereld is de kritiek op het verantwoordingsdenken inmiddels ingedaald. Maar, zo nuanceerde hij zijn betoog, cijfers kunnen zeker heilzaam zijn in alle sectoren. Hij bedoelde daar vooral simpele cijfers mee, zoals bijvoorbeeld publiekcijfers. Als degene die de cijfers levert, moet je er begrip voor opbrengen dat er behoefte is aan cijfers. Maar het moet niet alleen bij de cijfers blijven. Van belang is dat er een goed gesprek over ontstaat over de achtergronden van de cijfers. Zijn advies was om je als kunstinstelling proactief op te stellen. Laat merken dat je cijfers wel degelijk van belang vindt, maar dat er daarnaast nog iets anders is, zoals kwaliteit. Ga daarover het gesprek aan.
Na deze relatieve buitenstaanders, kwamen de meest direct betrokkenen aan het woord: de auteurs. Van de Wiel ondervroeg Claartje Bunnik en Edwin van Huis over de achtergronden van het boek. Uit hun dagelijkse adviespraktijk viel hun op dat subsidiegevers en –ontvangers verschillende talen spraken en dat de inhoud nauwelijks aan de orde kwam. Wat vertellen cijfers eigenlijk? Ze haalden Rotterdam als voorbeeld aan van hoe het moet. Daar wordt een gesprek met de subsidiënten gevoerd op basis van de bredere doelstellingen van de stad en praten ook verschillende sectoren met elkaar. Bunnik sprak de tijdgeest die Februari constateerde tegen. In de cultuursector richt men zich volgens haar nog steeds meer op cijfers. Van Huis sloot zich hierbij aan en hoopte dat culturele instellingen toch vooral zichzelf blijven. Sta er bij stil waar je het voor doet en doe mee, maar blijf jezelf, was zijn advies.
De paneldiscussie sloot hier direct op aan. Aan tafel namen George Lawson, directeur van het Fonds Podiumkunsten, Benno Tempel, directeur van het Gemeentemuseum Den Haag en Hans Waege, algemeen directeur van het Rotterdam Philharmonisch Orkest, plaats. In de zaal kon gesprekleidster Van de Wiel een beroep doen op Eric van der Want, wethouder namens D66 in Hilversum. Tussen de panelleden heerste opvallend veel eensgezindheid. Zo benadrukten ze dat de culturele sector veel te breed is om onderlinge vergelijkingen mogelijk te maken. Cijfers zeggen in zo’n geval niets. Het is appels met peren vergelijken. Ook hechten alle panelleden aan een gesprek tussen subsidiegever en subsidiënt. Natuurlijk zijn cijfers ook belangrijk, maar ze zijn niet alleszeggend. Een gesprek kan duidelijk maken waarom de cijfers zijn zoals ze zijn. Waege kon zich vinden in de complimenten van auteur Van Huis voor de gemeente Rotterdam. Maatschappelijke verankering speelt daar een grote rol en is wel degelijk te meten door bijvoorbeeld het aantal wijkconcerten, lokale sponsoren en concerten op scholen. Maar naast die cijfermatige verantwoording moet je het ook woordelijk doen. Tempel wees op een artikel in Trouw waarin het feit dat enkele musea er nu in geslaagd zijn particulier geld te vinden als het gelijk van staatssecretaris Zijlstra wordt gezien. Musea zijn onderling echter zo verschillend, je kunt een kunstmuseum niet met een historisch museum vergelijken. Lawson hecht er erg veel waarde aan dat het fonds de logica van de subsidiering aan de subsidiënten en de buitenwereld duidelijk kan maken. Peerreviews zijn daarin van groot belang, naast andere criteria. De fysieke waarneming van kwaliteit speelt mee in de beoordeling. Door deze helderheid te creëren kom je als partners tegenover elkaar te staan.
Naar het einde toe mengde ook de zaal zich nadrukkelijker in het gesprek. Meest opvallend daarin was wel de mededeling van Rob Boonzajer Flaes, voormalig lid van de Raad voor Cultuur, dat je het allemaal niet erger moet maken dan het is. ‘De overheid doet niets met alle aangeleverde gegevens. Vul gewoon in wat ze vragen, ze onthouden het toch niet. Als ze je willen korten, doen ze dat toch wel.’ Maud van de Wiel besloot het debat dat naast een interessante discussie ook nog een aantal alternatieve titels had opgeleverd, zoals Tellen is niet weten; Eerst wegen, dan tellen; en Intelligent tellen en dan wegen.
André Nuchelmans
woensdag 5 oktober 2011
De boekenbusiness. Hoe geld het boekenvak heeft veranderd
‘Hoe het grote geld het boekenvak en het lezen heeft veranderd’, luidt de ondertitel van André Schiffrins levendige en persoonlijke boek over de vercommercialisering van de boekenwereld. Volgens de oud-uitgever van Pantheon Books, de Amerikaanse uitgeverij van onder anderen Günter Grass en Simone de Beauvoir, is een boek tegenwoordig een product ‘zoals een pak zeep’, dat zijn succes uitsluitend aan winst afmeet.
De Boekenbusiness begint als de memoires van Schiffrin, die als klein jongetje in het New York van de jaren veertig graag op bezoek ging bij de uitgeverijen waar zijn vader werkte: eerst Gallimard en later, vanaf 1942, Pantheon Books. Dialogen tussen rijke Amerikaanse investeerders en intellectuele Europeaanse uitgevers, eigen gedachten en de vertellende ik-figuur maken het boek prettig leesbaar en aansprekend. Ondanks de vele romantitels, auteurs, jaartallen en zakelijke kwesties die aan de orde komen, is Schiffrins vertelling allesbehalve een geschiedenisles.
Rode draad in het verhaal zijn de ontwikkelingen binnen uitgeverij Pantheon, die zich sinds eind jaren vijftig steeds meer zou richten op verkoop en promotie. Destijds veranderde geld de toekomst van het bedrijf door onder meer Doctor Zhivago in een oplage van 4000 exemplaren te drukken. De schrijver, Boris Pasternak, kreeg een Nobelprijs en de moeilijke Russische roman werd met meer dan zes miljoen verkochte exemplaren een bestseller.
Dat was pas het begin, zo vertelt Schiffrin. Uit alles in zijn boek spreekt liefde voor het vak en een wens voor een intellectueel en verstandig uitgeefbeleid en een afkeer van vercommercialisering die daar decennialang een einde aan maakte. Het is fascinerend om te lezen hoe de auteur sinds 1961, toen hij zijn vader opvolgde als hoofd van uitgeverij Pantheon, steeds meer te maken kreeg met financieel gewin en kortzichtige commerciële keuzes, die diversiteit en experimenten in de boekenwereld langzaam naar de achtergrond verdreven. In de jaren negentig werden ‘substantiële titels’ geschrapt omdat ze de budgettair opgelegde verkoopcijfers niet haalden, de rol van uitgever werd langzaam vervangen door marketingmanagers. Het boek was geen intellectueel of maatschappelijk waardevol goed meer, maar een product.
Hoewel De Boekenbusiness hier en daar een ‘vroeger-was-alles-beter’-neiging heeft, schrijft Schiffrin zijn betoog overtuigend en haalt hij genoeg voorbeelden aan om te onderbouwen dat de boekenwereld vroeger waarschijnlijk inderdaad beter was. De auteur liet het hoofd echter niet hangen: sinds de jaren negentig is hij hoofd van uitgeverij The New Press, waar auteur en boek centraal staan.
In een nawoord beschrijft Laurens van Krevelen vergelijkbare ontwikkelingen in Nederland.
André Schiffrin - De Boekenbusiness. Hoe het grote geld het boekenvak en het lezen heeft veranderd - Amsterdam: Wereldbibliotheek, 2011 - ISBN 9789028423572 – prijs: euro 19,90
Ook te leen in de bibliotheek van de Boekmanstichting, signatuur: 11-283
Kim van der Meulen
De Boekenbusiness begint als de memoires van Schiffrin, die als klein jongetje in het New York van de jaren veertig graag op bezoek ging bij de uitgeverijen waar zijn vader werkte: eerst Gallimard en later, vanaf 1942, Pantheon Books. Dialogen tussen rijke Amerikaanse investeerders en intellectuele Europeaanse uitgevers, eigen gedachten en de vertellende ik-figuur maken het boek prettig leesbaar en aansprekend. Ondanks de vele romantitels, auteurs, jaartallen en zakelijke kwesties die aan de orde komen, is Schiffrins vertelling allesbehalve een geschiedenisles.
Rode draad in het verhaal zijn de ontwikkelingen binnen uitgeverij Pantheon, die zich sinds eind jaren vijftig steeds meer zou richten op verkoop en promotie. Destijds veranderde geld de toekomst van het bedrijf door onder meer Doctor Zhivago in een oplage van 4000 exemplaren te drukken. De schrijver, Boris Pasternak, kreeg een Nobelprijs en de moeilijke Russische roman werd met meer dan zes miljoen verkochte exemplaren een bestseller.
Dat was pas het begin, zo vertelt Schiffrin. Uit alles in zijn boek spreekt liefde voor het vak en een wens voor een intellectueel en verstandig uitgeefbeleid en een afkeer van vercommercialisering die daar decennialang een einde aan maakte. Het is fascinerend om te lezen hoe de auteur sinds 1961, toen hij zijn vader opvolgde als hoofd van uitgeverij Pantheon, steeds meer te maken kreeg met financieel gewin en kortzichtige commerciële keuzes, die diversiteit en experimenten in de boekenwereld langzaam naar de achtergrond verdreven. In de jaren negentig werden ‘substantiële titels’ geschrapt omdat ze de budgettair opgelegde verkoopcijfers niet haalden, de rol van uitgever werd langzaam vervangen door marketingmanagers. Het boek was geen intellectueel of maatschappelijk waardevol goed meer, maar een product.
Hoewel De Boekenbusiness hier en daar een ‘vroeger-was-alles-beter’-neiging heeft, schrijft Schiffrin zijn betoog overtuigend en haalt hij genoeg voorbeelden aan om te onderbouwen dat de boekenwereld vroeger waarschijnlijk inderdaad beter was. De auteur liet het hoofd echter niet hangen: sinds de jaren negentig is hij hoofd van uitgeverij The New Press, waar auteur en boek centraal staan.
In een nawoord beschrijft Laurens van Krevelen vergelijkbare ontwikkelingen in Nederland.
André Schiffrin - De Boekenbusiness. Hoe het grote geld het boekenvak en het lezen heeft veranderd - Amsterdam: Wereldbibliotheek, 2011 - ISBN 9789028423572 – prijs: euro 19,90
Ook te leen in de bibliotheek van de Boekmanstichting, signatuur: 11-283
Kim van der Meulen
Labels:
boekbespreking,
boeken,
boekenvak,
commercialisering,
management,
marketing
Abonneren op:
Reacties (Atom)






