donderdag 23 mei 2013

Verslag debat: Erfgoed een hete aardappel?

vergaderzaal Trippenhuis
‘Erfgoed is als een hete aardappel, lijkt het. Iedereen zit er mee in zijn maag’. Met deze woorden opende Kitty Zijlmans de discussiemiddag ‘Erfgoed: van wie, voor wie?’, op 17 mei in het Trippenhuis te Amsterdam. Het debat was georganiseerd door de Boekmanstichting en de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW).

Circa 30 hooggeleerden en andere deskundigen, vooral erfgoedprofessionals, wisselden van gedachten over de vraag wie er nu eigenlijk verantwoordelijk is voor erfgoed. Wie draait er op voor de lasten; wie valt de lusten toe? Aanleiding tot de discussie was de terugtredende overheid. Die verplaatst ie zich steeds meer naar de achtergrond als eigenaar en beheerder van erfgoed. Het Kabinet Rutte I confronteerde de cultuursector met bezuinigingen én met de boodschap dat de verantwoordelijkheid voor erfgoed deels bij particulieren thuishoort.

Kortom, erfgoed van wie en voor wie? Zijlmans, hoogleraar kunstgeschiedenis aan de Universiteit Leiden en voorzitter van het debat, legde de vraag voor aan twee sprekers, Hester Dibbits, lector cultureel erfgoed aan de Reinwardt Academie (AHK) en Jos Bazelmans, bijzonder hoogleraar archeologische monumentenzorg aan de VU en hoofd sector Kennis van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE). Ter voorbereiding hadden de inleiders kennis genomen van een aantal artikelen die op verzoek van de redactie van het tijdschrift Boekman over het onderwerp zijn geschreven. In september worden deze en andere stukken, samen met een verslag van dit debat, gepubliceerd in een themanummer (Boekman 96) over Erfgoed.
Bazelmans was in de voorgelegde artikelen met name de urgentie van erfgoedzorg opgevallen, maar ook de introverte toon van de discussie over erfgoed. Erfgoedprofessionals hebben de neiging elkaar te sterken in hun kritiek op buitenstaanders, maar missen de durf om onderling de messen te scherpen en met elkaar een pittige discussie te voeren. ‘Ook onder de aanwezigen alhier bestaan stevige meningsverschillen!’. Bazelmans benadrukte vooral dat we niet langer op de overheid hoeven te rekenen, ‘dat is niet van de 21ste eeuw’. Hij constateerde voorts een gebrek aan verantwoordelijkheid op lokaal niveau en pleitte daarom voor een systeem van ‘checks and balances’. Voor Bazelmans behelst de definitie van erfgoed niet enkel het object, maar ook de sociale context. In het erfgoedbeleid moet het accent dan ook liggen op het gebruik van het object in plaats van op het object zelf. Bovendien: ‘Wie claimt, die financiert’.
Dibbits pleitte voor een sterke overheid, die verantwoordelijkheid neemt en een deel van de lasten draagt. ‘Doet ze dat niet, dan zit er niets anders op dan mensen te mobiliseren’.Vanuit een visie op het waarom van erfgoedzorg kun je beleid afstemmen op de toekomst, legde ze uit. Wat haar betreft staat de tijd (verleden, heden en toekomst) daarin centraal, zodat we ons bewust kunnen blijven van veranderingen, dynamiek, patronen en processen. Tijdsbesef, en niet identiteit, maakt het mogelijk dat mensen zich kunnen verhouden tot de plaats waar ze zich bevinden. ‘We laten ons in de omgang met erfgoed gijzelen door pre-occupatie met identiteit en gemeenschappen’, aldus Dibbits. Dit brengt met zich mee dat we enkel oog hebben voor wat bepaalde gemeenschappen aanstaat. Erfgoedzorg is gebaat bij transparante onderzoeksnetwerken, waaraan iedereen kan deelnemen en erfgoedprofessionals als makelaar optreden. Gemeenschappen worden netwerken, benadrukte ze. ‘Open en dynamisch’.

Haar afrekening met de identiteits- en gemeenschapsgedachte riep bij Bazelmans weerstand op. Hij benadrukte juist het sociale belang van gemeenschappen. Ook Julia Noordegraaf, hoogleraar erfgoed en digitale cultuur aan de UvA, was geen voorstander. Ze legde uit dat digitaal erfgoed bij uitstek samenhangt met gemeenschappen, omdat het er als het ware een product van is.

Maar wie bepaalt dan wat erfgoed is, legde Zijlmans de aanwezigen voor. Alles is erfgoed, aldus Pieter Matthijs Gijsbers, directeur Openluchtmuseum. Ook co-creaties, ‘hoog’ en ‘laag’, creatieve industrie. Hij pleitte voor democratisering van het begrip. Inge van der Vlies, hoogleraar staats- en bestuursrecht en kunst en recht aan de UvA, wees erop dat onze identiteit samenhangt met de gemeenschap, en daarom altijd in beweging is. Dat geldt ook voor draagvlak voor erfgoed. ‘Mijn studenten zouden er niets op tegen hebben wanneer de Nachtwacht naar het Louvre verhuist.’ Karel Loeff, directeur Erfgoedvereniging Heemschut, vond dat zijn collega’s en hij met het oog op draagvlak als erfgoedprofessionals het debat met de eigen omgeving moeten aangaan. ‘Misschien dat vervolgens bij ambtenaren vroeg of laat het kwartje valt’, want van de overheid valt vooralsnog weinig te verwachten, viel hij Bazelmans bij. ‘In het Regeerakkoord van Rutte II komt het woord erfgoed simpelweg niet voor’. Maar creatieve industrie als een van de negen topsectoren wèl, vulde Lucky Belder hem aan. Belder is werkzaam als universitair docent bij het Centrum voor Intellectueel Eigendomsrecht aan de Universiteit Utrecht. De opmars van deze tak heeft toch positieve invloed op toekomstig erfgoedbeleid, vroeg ze aan Bazelmans? Die gaf toe enige moeite te hebben met beantwoording van de vraag, maar hield het erop dat de overheid in de jaren zeventig en tachtig onvoldoende oog had voor succesvolle crossovers… ‘Zelfgenoegzaamheid speelde hierbij een rol’.

Martin Berendse, directeur Nationaal Archief, legde uit dat de rijksarchieven inzetten op toegankelijkheid en de deuren voor het grote publiek hebben opengezet, maar nu worden geconfronteerd met slinkende budgetten. Zijn oplossing was pragmatisch: een aantrekkelijk basispakket bieden voor de gebruiker.

Zijlmans bracht de eigendomskwestie nog ter sprake. Geld speelt daarbij een cruciale rol. Erfgoed leeft in de maatschappij, meer dan ooit, aldus Jan Rouwendal, bijzonder hoogleraar economische waardering van erfgoed aan de VU. Aan draagvlak geen gebrek. De overheid heeft al zo veel betaald, misschien kunnen particulieren iets meer uit de eigen portemonnee bekostigen? Of misschien kan er eens een monument worden verwijderd van de lijst? Volgens Martin Berendse neemt het erfgoed enorm toe in omvang. Belangrijke vraag bij het beheersen van deze stroom is: wat is nu werkelijk beschermwaardig? De aanwijzingen lijken in beton gegoten, legde Bazelmans uit. Objecten die als monument zijn aangewezen, blijven dat tot in de eeuwigheid. Cas Smithuijsen, directeur van de Boekmanstichting, merkte op dat het overheidsbeleid ronduit star is: de Collectie Nederland is daardoor lange tijd beschouwd als een hiërarchisch gestapelde piramide. Maar in werkelijkheid heeft zij zich tot een archipel van collecties ontwikkeld. Erfgoed leeft, concludeerde Zijlmans ter afronding van het debat. Maar wie zich voor dat leven in de toekomst verantwoordelijk voelt is ook na dit debat verre van gewis.
Jack van der Leden

vrijdag 26 april 2013

De Staat van het Boek


Dinsdag 23 april organiseerde het Vlaamse BoekenOverleg voor de derde keer De Staat van het Boek. Het symposium geeft een actueel overzicht van het boekenvak in Vlaanderen. Waar in Nederland de verkoop van boeken een dalende lijn laat zien, was in Vlaanderen in de eerste drie maanden van dit jaar sprake van een stijging van iets meer dan 7 procent. Reden voor optimisme, al werd er maar kort bij stil gestaan. De blik was vooral op de toekomst gericht. Tijdens een aantal plenaire lezingen en discussies en tijdens parallelsessies in kleinere groepen werd gepoogd een antwoord te geven op actuele vragen. Wat is er te verbeteren? Is er samenwerking met Nederland mogelijk? Biedt crowdfunding mogelijkheden voor het boekenvak? Op een middag in Antwerpen wisselden mensen uit alle geledingen van het boekenvak ervaringen uit.

Na een kort welkomstwoord ondervroeg moderator Gitte Van Hoyweghen twee kersverse spelers in het Vlaamse boekenvak. André Vandorpe is vanaf 15 april directeur van de Vlaamse vakvereniging Boek.be en Marc Reugebrink wordt, samen met Patrick De Rynck, de nieuwe voorzitter van de Vlaamse Auteursvereniging. Beiden kiezen er voor de door hun voorgangers uitgezette lijn door te trekken. In het geval van Reugebrink ligt de nadruk op handhaving van het modelcontract, Vandorpe noemt de rol van de overheid als een belangrijk agendapunt. Vandorpe en Reugebrink waren het opvallend eens, beiden vinden dat in het onderwijs meer aandacht voor literatuur moet zijn. Reugebrink chargeerde het enigszins door te stellen dat aandacht voor serieuze literatuur tegenwoordig strafbaar is. Wat betreft een breed assortiment zien ze alle twee een belangrijke rol voor bibliotheken en de onafhankelijke boekhandel weggelegd. De bibliotheken hebben hier een vitrinefunctie. Ook moet er actie komen vanuit de overheid om de positie van onafhankelijke boekhandels ten opzichte van boekenketens te versterken. Doordat Vlaanderen geen vaste boekenprijs kent, kunnen de boekenketens bibliotheken vaak tegen een lagere prijs boeken aanbieden. Over de samenwerking met Nederland zijn ze sceptisch. Het ligt voor de hand, maar er zijn veel verschillen die die samenwerking bemoeilijken. Zo blijken Vlamingen vooral Vlaamse auteurs te lezen, Nederlandse auteurs komen er niet in de boeken top 10 voor. Vooralsnog lijken de boekenmarkten in Vlaanderen en Nederland alleen nog maar verder uit elkaar te groeien.

De daarop volgende parallelsessie liet echter zien dat er op andere vlakken wel degelijk samengewerkt kan worden en van elkaar geleerd. Rudy Vanschoonbeek, voorzitter van de Vlaamse Uitgevers Vereniging, en Eppo van Nispen tot Sevenaer, directeur van de Stichting Collectieve Propaganda van het Nederlandse Boek (CPNB) presenteerden gezamenlijk de eerste resultaten van de Denktank Vlaanderen-Nederland. Door niet alleen op het aanbod in te zoomen, maar een zo breed mogelijke aanpak te hanteren, werd gekeken waar het boekenvak in het Nederlandse taalgebied van elkaar kan leren en samen op kan trekken. Dit resulteerde in een Actieprogramma voor de Nederlandstalige boekensector aan de hand van vijf concrete domeinen, voorzien van concrete beleidsvoorstellen. Die vijf domeinen zijn: de wereld, de concurrentie, uitdagingen, acties en operationaliseren. In juni 2013 moet er een Vlaams-Nederlandse stuurgroep voor coördinatie, procesbewaking en –stimulering in het leven zijn geroepen, die de actiedomeinen prioriteert en vertaalt naar besluitvorming. Als de soepele samenwerking tijdens de presentatie als toonbeeld voor de verdere samenwerking dient, kan dat zeker tot iets moois leiden. Een internetadres is alvast gereserveerd: www.boek2020.org.

Bij de tweede parallelsessie koos ik voor De smaak van Confituur. Confituur is een nieuw samenwerkingsverband van onafhankelijke boekhandels in Vlaanderen. De dag voor het symposium werd de samenwerking tussen Confituur en dagblad De Morgen bezegeld en dat was het onderwerp van de presentatie. Hoofdredacteur Yves Desmet belichtte de samenwerking en plaatste de ontwikkelingen in een breder kader. De sociale media moeten volgens hem hun plaats nog vinden tussen de reeds bestaande media. Vooralsnog komt alles nog voort uit de ‘ouderwetse’ media, die content aanbieden. Daar zal volgens hem ook altijd vraag naar blijven. De Morgen en Confituur passen volgens Desmet heel goed bij elkaar, zij hebben eenzelfde publiek en kunnen elkaar op deze manier versterken. Bovendien past het in een lijn die al eerder door De Morgen werd ingezet, waarbij de krant meer ruimte en een vaste dag voor boeken reserveerde. Initiatiefnemer Paul Luyten van de Gentse boekwinkel Walry gaf een korte toelichting op de oprichting van Confituur. De eerste plannen zijn om in De Morgen telkens tips van een bij Confituur aangesloten boekhandel op te nemen. Een ander idee is om bekende Vlamingen over hun favoriete boek aan het woord te laten en zo niet verkrijgbare boeken een nieuw leven te geven.

Na deze parallelsessies kwamen alle deelnemers weer tezamen om Hans Bourlon van Studio 100 (bekend van K3, kabouter Plop en Samson en Gert) over de succesformule van deze Vlaamse productiemaatschappij te horen. De staat van het boek nodigt elk jaar een buitenstaander uit zijn verhaal te komen vertellen zodat de boekensector daar iets van op kan steken. Studio 100 zet vooral in op een combinatie van verschillende media en grensoverschrijdende personages. Ook bezit de maatschappij inmiddels vijf Eftelingachtige pretparken in België, Nederland en Duitsland. Met de aankoop van een groot pakket licentievrije animatieproducties wil Studio 100 weer een nieuwe winstbron aan haar palet toevoegen. Een remake van Maya de Bij moet daarvan het begin vormen. Een erg interessant verhaal, maar wat de boekensector hier van kan leren, werd mij niet direct duidelijk.

Vervolgens was het woord aan Philippe De Coene, voorzitter van de commissie Cultuur van het Vlaams Parlement. Een jaar geleden keurde dat parlement een resolutie goed over een actieplan voor de letteren in Vlaanderen. De Coene ging kort in op wat er inmiddels bereikt is en waar nog werk aan de winkel is. Hij begon met het positieve nieuws. Zo heeft de boekensector met BoekenOverleg een officieel aanspreekpunt, geregeld overleg en een gezamenlijke agenda. Goed nieuws is tevens dat de Universiteit Antwerpen met ingang van het studiejaar 2014/2015 een postgraduaat Boekenvak aanbiedt. Daarnaast is er vanuit de overheid aandacht voor de problemen die de onafhankelijke boekhandels ondervinden. Ook de leenrechtvergoeding staat op de agenda maar de verdeling is nog niet goed geregeld, zo gaf De Coene te kennen. Buiten de sector is echter weinig weet van al deze ontwikkelingen. Om de sector beter op de kaart te zetten, vooral internationaal, is aan de resolutie ook het plan toegevoegd om België als gastland op de Frankfurter Buchmesse te presenteren. De Coene wilde het liefst dat België dit zelfstandig zou doen, maar het Parlement stond er op met Nederland te werken.

Tijdens het slotwoord overhandigde Leen van Dijck van BoekenOverleg het eerste exemplaar van het herziene standaardwerk Het boek in Vlaanderen sinds 1800 aan de auteur Ludo Simons. Alle deelnemers kregen een exemplaar van deze geschiedenis van het Vlaamse boekenvak mee naar huis om zo goed beslagen de blik op de toekomst te kunnen richten.



André Nuchelmans

maandag 15 april 2013

Muzikaal erfgoed op straat! Verslag expertmeeting



De verhalen liegen er niet om: persoonlijke  muziekarchieven en -collecties eindigen steeds vaker op rommelmarkten of bij de kringloop. Het archief van wijlen zanger en presentator Herman Emmink, bekend van het lied Tulpen uit Amsterdam, werd bijvoorbeeld teruggevonden in de kringloopwinkel van Soest. Instellingsarchieven en -collecties lijken eenzelfde lot beschoren. Schrijnende voorbeelden zijn het muziekarchief van de Wereldomroep en de Muziekbibliotheek van het Muziekcentrum van de Omroep, die respectievelijk 70.000 commerciële muziekdragers en vijf strekkende kilometer bladmuziek herbergen.  Als er niet snel een oplossing voor wordt gevonden, gaan ze verloren. Reden voor het  World Music Forum NL een spoed-expertmeeting te beleggen, over de toekomst van deze en andere bedreigde muziekarchieven en -collecties. De bijeenkomst vond plaats bij de Boekmanstichting, op 12 april 2013.


Illegaal geproduceerde opnamen in het archief van de Wereldomroep

Het Wereldomroeparchief kwam in de problemen toen er in 2012, na vijfentachtig jaar, een eind kwam aan de Nederlandstalige radio-uitzendingen van Radio Nederland Wereldomroep. De omroep werd drastisch afgeslankt en kreeg een andere taak. Voor het audio-deel van het archief, 20.000 lp’s en 50.000 cd’s die zijn opgeslagen in de kelders van de omroep, is in die nieuwe constellatie geen plaats. En als gevolg van de draconische bezuinigingen ook niet op een andere plek binnen de publieke omroep, alhoewel de cultuurhistorische waarde van dit erfgoed alom wordt erkend. Henk Lansink, bibliothecaris en trombonist vertelt: ‘De Wereldomroep is bereid dit deel van het muziekarchief “om niet” over te dragen aan een instelling die er iets mee wil doen, op voorwaarde dat het op 1 mei a.s. vertrokken is. Anders ligt het op straat.’ Andere, gedigitaliseerde, deelcollecties konden worden ondergebracht bij verschillende instellingen. Zo kregen de radioprogramma’s voor ‘de koloniën’ (gesproken woord) onderdak bij Stichting Beeld en Geluid.
Volgens Henk Lansink is het belangrijkste onderdeel van de audio-collectie  van de Wereldomroep de wereldmuziek die ongeveer eenderde van de collectie beslaat. De lp’s binnen deze collectie zijn ter plaatse (bijvoorbeeld in Laos) aangekocht. ‘Het zijn vaak lokaal op cassetteband geproduceerde en illegaal beluisterde opnamen die later op lp zijn gezet, of op cd gebrand. De overal verkrijgbare muziek lieten de reporters links liggen. De waarde van deze collectie wordt dan ook bepaald door zijn uniciteit, niet omdat hij van de Wereldomroep is.’ Hij is interessant voor binnen- en buitenlandse onderzoekers, uitvoerders, maar ook voor conservatoriumstudenten, zoals aan Codarts. Het is daarom lastig een geschikt onderdak te vinden waar al deze gebruikers hun weg naartoe kunnen vinden. Een van de opties is het MUI, een Gelders muziekuitleencentrum voor  muziekverenigingen, muziekdocenten en dirigenten, dat een meer landelijke georiënteerd muziekdocumentatiecentrum beoogt te worden. Ook de afdeling Bijzondere Collecties van de UvA is in beeld, maar deze vraagt een x-bedrag per strekkende meter voor een periode van vijf jaar voor onder meer opslag, onderhoud en ontsluiting, inclusief de kosten van een conservator. Na die vijf jaar neemt Bijzondere Collecties de zorg inhoudelijk en financieel over. Ook Beeld en Geluid kan niet zonder meer elke collectie opnemen: daarvoor ontbreekt de expertise die moet worden ingekocht (of tegen betaling meegeleverd). Ongeacht de keuze die uiteindelijk wordt gemaakt, is het dus zaak om particuliere financiering te zoeken. Inmiddels is wel duidelijk dat de gemeente Bussum bereid is noodopvang te bieden aan het audio-archief van de Wereldomroep.


Handgeschreven arrangementen in bladmuziekcollectie van het Muziekcentrum van de Omroep

De Muziekbibliotheek van het Muziekcentrum van de Omroep (MCO), de overkoepelende organisatie van de muziekgezelschappen van de publieke omroep, is ook slachtoffer van de overheidsbezuinigingen op het omroepbestel. Het MCO dat met ingang van 2013 met zestig procent werd gekort, zag zich genoodzaakt de Muziekbibliotheek af te stoten. ‘Voor het leeuwendeel van de bibliotheek, namelijk de grootste verzameling bladmuziek van Nederland en ver daarbuiten, is nog geen bestemming gevonden’, aldus bibliothecaris Jan Jaap Kassies. ‘Deze verzameling bestaat onder meer uit (soms handgeschreven) arrangementen voor radio en televisie, een duizelingwekkende hoeveelheid klassieke bladmuziek vanaf de middeleeuwen, songbooks van Engelse en Amerikaanse musicals, en manuscripten van componisten zoals Louis Andriessen en Otto Ketting en van jazzmusicus en  -dirigent Boy Edgar’, zegt Kassies, ‘bij elkaar ruim 200.000 titels’. Kassies is de ontdekker van de  manuscripten van de Duits-Oostenrijkse componist Hanns Eisler die bekend is geworden door zijn muzikale verbintenis met Bertold Brecht. Slechts een bescheiden deel van de collectie bladmuziek is gedigitaliseerd, een beeld dat overeenkomt met de omvang van de digitalisering van bladmuziek in de rest van Europa.
De hoop van het MCO-muziekarchief is gevestigd op het Nederlands Muziek Instituut (NMI): ’het  centrum voor het muzikaal erfgoed in Nederland’. Zwaartepunten in deze collectie zijn Nederlandse muziek van 1700 tot heden en oude muziek (Renaissance, Barok, Klassiek); de MCO-bladmuziekcollectie zou hier een goede aanvulling op vormen. Het NMI verloor echter, net als het MCO, het merendeel van zijn subsidie en werkt nu samen met het Haags Gemeentearchief waarmee het op termijn zal integreren. Er worden echter ook andere mogelijkheden onderzocht, zoals aansluiting bij een andere instelling en een voortbestaan buiten de omroep in een onafhankelijke stichting voor een op te zetten Nationale Muziekbibliotheek.



Het levensgrote probleem waar het muziekarchief van de Wereldomroep en de bladmuziekcollectie van de Muziekbibliotheek van de Omroep tegenaan lopen, is ook het probleem van particuliere verzamelaars. Waar moeten zij met hun muzikale erfgoed naar toe? Met hun muziek uit de Molukken, Indonesië en Suriname, van Nederlandse zigeunerorkesten, of Doe Maar. De verzamelaars zijn experts op hun verzamelterrein en laten in de regel ongaarne andere mensen toe in hun paradijs. Dat impliceert ook dat er weinig zicht bestaat op de aanwezige, zeer uiteenlopende archieven en collecties in Nederland waartoe ook de archieven  en collecties van de muziekindustrie, musici en componisten gerekend moeten worden. Om dat euvel te verhelpen liet het ministerie van OCW in 2009 de mogelijkheden van een digitale wegwijzer voor muziekarchieven onderzoeken. Zo’n wegwijzer zou niet zelf alle informatie moeten bevatten, maar een koppeling tussen verschillende zoekingangen moeten bieden, van bladmuziek tot concertagenda’s, van foto’s tot geluidsdragers, van muziekinstrumenten tot parafernalia en muziektradities. Die wegwijzer is er muzieksectorbreed nooit gekomen, maar is hoognodig, misschien een beetje naar voorbeeld van onze Zuiderburen. Daar presenteert de organisatie Resonant op de website www.muzikaalerfgoed.be de Muziekbank Vlaanderen als een online register voor de beschrijving van muziekarchieven en -collecties uit Vlaanderen. Met deze databank streeft Resonant ernaar de verwaarlozing van het Vlaams muzikaal erfgoed een halt toe te roepen. Het opbouwen van zo’n digitale wegwijzer in Nederland, al dan niet ondergebracht bij het NMI of een Nationale Muziekbibliotheek, gaat niet vanzelf, maar zou misschien met steun van bekende musici, de muziekindustrie en auteursrechtenverenigingen, en met  een combinatie van contributies, giften en nalatenschappen kans van slagen hebben. Inventarisatie per subsector (wereldmuziek, bijvoorbeeld) en onderlinge doorverwijzing zou al een mooie start zijn. Het regelen van opslag voor de kratten met archieven en collecties die anders zonder pardon in de vuilcontainers of papierversnipperaar verdwijnen, evenals het opstellen van selectiecriteria en een format voor de digitalisering van de inhoud van deze archieven en collecties, zijn stappen die gelijktijdig zouden moeten worden gezet. Niets doen is immers niet langer een optie.

Ineke van Hamersveld




                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                           






maandag 18 maart 2013

Economische waardering voor gebouwd erfgoed

Op 14 maart 2013 werd tijdens het congres Cultureel erfgoed op waarde geschat het gelijknamige boek gepresenteerd: Cultureel erfgoed op waarde geschat: economische waardering, verevening en erfgoedbeleid. Het boek bevat de resultaten van twee langjarige projecten: een onderzoek naar de economische waardering van cultureel erfgoed en een naar de verevening van kosten en baten van dat erfgoed. Aansluitend was de oratie van Jan Rouwendal, als bijzonder hoogleraar Economische waardering van cultureel erfgoed vanwege de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed en het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Hij is de vierde en laatste hoogleraar voor het onderwijs- en onderzoeksprogramma Erfgoed en Ruimte.* 

De belangstelling voor en erkenning van het belang van de waarde van cultuur neemt wereldwijd toe. Zo ook de behoefte van publieke en private financiers aan wetenschappelijk gefundeerd onderzoek ter onderbouwing van effectief en efficiënt beleid. Sinds de jaren tachtig van de vorige eeuw zijn er verschillende methoden ontwikkeld om goederen in het culturele domein cultureel, economisch (zoals Myerscough in 1988) en sociaal  (zoals Matarasso  in 1997) te waarderen, van festivals tot podia, van cultureel erfgoed tot bibliotheken. Internationaal befaamde cultureel economen als Françoise Benhamou, Bruno Frey, Alan Peacock en Ilde Rizzo richtten hun pijlen in het afgelopen decennium zelfs specifiek op het cultureel erfgoed.
Tegen deze achtergrond sloegen onderzoekers van de Vrije Universiteit en de Universiteit Twente de handen ineen. De Vrije Universiteit nam het onderzoek naar de economische waardering van erfgoed voor zijn rekening en vormde een consortium met de gemeenten Dordrecht, Haarlem, Heerlen, Helmond en Zaanstad. De Universiteit Twente, waar implementatiestrategieën werden onderzocht, formeerde een consortium met publiek-private gebiedsontwikkelingsprojecten waaronder de Wagenwerkplaats in Amersfoort,  het Hart van Zuid in Hengelo, de Spoorzone in Tilburg en het Hembrugterrein in Zaanstad. 



Integraal waardedenken nodig

De opmerkelijke onderzoeksresultaten  werden op de conferentie toegelicht. Marnix Smit van de Universiteit Twente onderzocht samen met Marlijn Baarveld en Geert Dewulf  of de transformatie van erfgoed mogelijk is in de bredere context van gebiedsontwikkeling. Hij stelde in zijn lezing twee modellen tegenover elkaar waarin kosten, risico’s en baten tussen de stakeholders worden verdeeld (verevening). In het oude, gangbare top-down model is verevening afdwingbaar, maar dit model ontmoet steeds meer obstakels, waaronder planologische (juridische obstakels). Er is bovendien onderzoek nodig naar het maatschappelijke draagvlak voor de transformatie van het erfgoed in kwestie en er moeten risicoanalyses worden uitgevoerd en financiers gevonden. Daarmee is een dergelijke publiekrechtelijke afdwingbaarheid in Nederland beperkt. Hier tegenover staat de bottom-up benadering waarin per project wordt gezocht naar de meest geëigende coalities en allianties. In het oude model is de gebiedsontwikkeling vooral gericht op financieel kortetermijnwinst. De gangbare vorm van verevening is dan winst te maken op het vastgoed en uit grondexploitatie. Die vorm van verevening is niet toekomstbestendig, gezien de huidige vastgoedontwikkeling. Volgens Smit moet een meer integraal waardedenken het oude model vervangen. Naast de bottom-up samenwerkingsstrategie is daarvoor waardecreatie op gebiedsniveau nodig, en niet langer op gebouwniveau. En tot slot moet het kortetermijnrendement vervangen worden door langetermijnrendement. De succesfactoren in dit bottom-op model zijn terug te voeren op een coöperatieve houding waarin de coalitiepartners precies weten wat hun doel (belang) met het project is, daar open over zijn, informatie delen en flexibel zijn. De achilleshiel van dit model is dat het voortbestaan van erfgoed in een nieuwe functie afhankelijk wordt gemaakt van het onderhandelingsproces tussen de coalitiepartners.


Inventieve en haalbare oplossingen

Praktijkvrouw Margot Haasdonk, beleidsmedewerker monumentenzorg bij de gemeente Haarlem en lid van de Federatie Grote Monumentengemeenten, vertelde hoe in Haarlem sprake was van een verschuiving van objectzorg naar omgevingszorg. De meeste monumentale panden staan immers in een straat, hebben een uitstraling naar de rest van de straat en de directe omgeving en bieden de bewoners een bepaalde identiteit. De panden vertellen iets over hoe mensen leefden, wat ze belangrijk vonden en technisch konden, reden om ze zo lang mogelijk te willen behouden. Veel monumenten staan echter leeg en de gemeente moet dan snel handelen, zonder de grenzen van het budget te overschrijden. Een van de mogelijkheden die Haasdonk voorschotelt is de panden te kopen, er een eigen dienst in te zetten en zodra het mogelijk is ze te verkopen, laten restaureren en vervolgens te huren. Een ander instrument is het aanstellen van straatmanagers als een straat met veel monumentale panden dreigt te vervallen. De straatmanagers werken samen met bewoners, gebruikers en andere partijen om de straat de benodigde boost te geven. Een onderdeel daarvan is schreeuwerige reclameborden uit te bannen, de straten te herinrichten en schoon te maken. Steden die, net als Haarlem, evenementen organiseren, kunnen uitdrukkelijk hun cultuurhistorische karakter noemen, door aan te geven dat het evenement zich afspeelt ‘in een monumentale setting’. Het zijn slimme en praktische oplossingen die iets laten zien van de inventiviteit die gemeenten aan de dag (moeten) leggen in deze tijden van financiële krapte. Haasdonk heeft in haar praktijk te maken met een schier eindeloze rij stakeholders die allemaal andere belangen hebben en zonder uitzondering een eigen benadering vragen en krijgen, van monumenteneigenaren, bedrijven, collega-afdelingen bij de gemeente, wethouders, kunstenaars, buurtbewoners en winkeleigenaren tot horeca-uitbaters, city marketeers, projectontwikkelaars en hoteleigenaren. Tussen de politieke prioriteiten van de gemeenten, de grenzen van het budget en de bereidwilligheid en draagkracht van de stakeholders ligt haar manoeuvreerruimte. Dat vraagt om een open en flexibele opstelling, zoals ook Marnix Smit bepleitte.


Langetermijnrendement en revolving funds

De financiële krapte, de duizenden leegstaande monumenten en op de koop toe een terugtrekkende rijksoverheid die van haar monumentale vastgoed af wil, vraagt andere manieren van werken dan wij gewend zijn, stelt ook Jeroen Saris, van De Stad NV. Hij noemt verschillende strategieën zoals iconisering, city marketing, herontwikkeling en commercialisering. Dat dit laatste niet altijd slecht hoeft te zijn, bewijst  de metamorfose van de Zaanse binnenstad. Onder de naam Inverdan verschenen nieuwe woningen, winkels en kantoorruimten en verbeterde de openbare ruimte, onder meer door de aanleg van een gracht en een ’opgetilde stadsstraat’. De Zaanse binnenstad beschikt daarmee onder meer over een nieuw stadhuis, een nieuwe openbare bibliotheek, een vergadercentrum,  bioscoop en nieuwe scholen. Het versterkte bovendien de ruimtelijke samenhang tussen het hart van de stad en de Zaansche Schans. Zaanstad heeft ‘een verhaal’ gekregen. Dat maakt het mogelijk routes uit te zetten, met het verhaal samenhangende evenementen te organiseren. Echter, de grootschalige blauwdrukplanning van weleer is failliet: stedelijke en landschappelijke ruimtes laten zich niet meer op de tekentafel ontwerpen. Bestaande verdienmodellen werken ook niet meer, dus wat nu? Herontwikkeling, bottom-up, heeft volgens Saris de meeste kans. Hij bepleit een geleidelijke ontwikkeling, door exploitatie. Deze is te bereiken door te zoeken naar de juiste gebruikers voor het juiste gebouw, iets wat Margot Haasdonk dagelijks probeert na te streven. Dit is volgens Saris bij uitstek de taak van een overheid. Geef die gebruikers de kans geleidelijk te investeren en de meerwaarde die zij ontwikkelen te herinvesteren in het gebouw of het gebied. Een andere manier van denken vraagt  andere regelgeving en nieuwe financiële regelingen met de huidige economie als uitgangspunt, stelt hij. Een van de opties is een revolving fund dat laagrentende leningen kan verstrekken aan de herontwikkelaars.

Voor verschillende gebieden en gebouwen zijn dus verschillende oplossingen nodig. Die zijn alleen haalbaar als de vastgoedwaarde niet langer centraal wordt gesteld in het verdienmodel, maar de economische aandacht verschuift naar de waarde die in het gebouw wordt geproduceerd en die de kosten moet opbrengen. Een waardevolle boodschap die de erfgoedsector zich ter harte kan nemen.

Ineke van Hamersveld, fondsredacteur/hoofdredacteur Boekman, Boekmanstichting

* Het onderzoeks- en onderwijsnetwerk Erfgoed en Ruimte is een gezamenlijk initiatief van de rijksoverheid (ministeries van OCW, IenM en EL&I), de Vrije Universiteit Amsterdam, de Technische Universiteit Delft en Wageningen University. Het netwerk wordt gecoördineerd en ondersteund door Platform 31, in samenwerking met de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, zie ook www.netwerkerfgoedenruimte.nl. De hoogleraren van het netwerk Erfgoed en Ruimte zijn, naast Jan Rouwendal: Hans Renes, bijzonder hoogleraar Erfgoed van stad en land aan de Faculteit der Letteren van de Vrije Universiteit Amsterdam, Eric Luiten, deeltijdhoogleraar Erfgoed en Ruimtelijk Ontwerp aan de Faculteit Bouwkunde van de Technische Universiteit Delft en Joks Janssen, bijzonder hoogleraar Ruimtelijke Planning en Cultuurhistorie bij de Environmental Science Group van Wageningen University.


maandag 11 maart 2013

Presentatie Boekman 94: i-Cultuur. Schnabels inspirerende inzichten

Een feestelijke middag is het in de Singelkerk in Amsterdam. Voor het eerst staat een editie van Boekman volledig in het teken van het werk van één man: Paul Schnabel, voor de gelegenheid getooid in een oranje stropdas. De gerenommeerde socioloog neemt per 1 mei afscheid als directeur van het Sociaal Cultureel Planbureau. In Boekman #94, i-Cultuur. Schnabels inspirerende inzichten, wordt de visie die hij in de afgelopen twintig jaar ontwikkelde over de culturele sector samengevat en geanalyseerd.

Na een korte introductie van hoofd projecten van de Boekmanstichting, Marielle Hendriks, en een optreden van strijkkwintent Firma Continuo vertelt directeur Cas Smithuijsen over de totstandkoming van dit unieke nummer. Hiervoor werden vijf artikelen geselecteerd die een beeld geven van Schnabels culturele visie, die zijn afgezet tegen de vijf i's die hij in 2000 op verzoek van toenmalig premier Wim Kok opstelde. Kok vroeg hoe de toekomst van Nederland er uit zou zien. ‘Het zal je maar gevraagd worden’, zegt Smithuijsen. Schnabel signaleerde met het SCP vijf processen: informalisering, individualisering, internationalisering, intensivering en informatisering. In het Boekmannummer koppelen Ger Groot, Cas Smithuijsen, José van Dijck, Bart Verschaffel en Ton Bevers ieder een van deze maatschappelijke processen aan de culturele sector. René Boomkens sluit het nummer af met een slotbeschouwing. Daarnaast is er in de columns in het nummer ook aandacht voor de diverse bestuursfuncties die Schnabel bekleedt.

Voor de presentatie is aan chef wetenschap van het NRC Ellen de Bruin gevraagd om de artikelen over de vijf i's te duiden. De Bruin weet op een luchtige manier samen te vatten dat de ontwikkelingen immer actueel zijn. Zo wordt de verdere individualisering van consumptie  gekoppeld aan de aankoop van een thuisbioscoop, is het feit dat Paul Schnabel graag naar The Voice kijkt een indicator van het vervagen van culturele scheidingen tussen klassen en zorgt de informatisering ervoor dat we ons sociale en culturele leven plannen op een smartphone. De processen die Schnabel ruim tien jaar geleden signaleerde, blijken niet aan zeggingskracht te hebben ingeboet.

Om duidelijk te maken dat Schnabel niet louter theoreticus maar ook practicus is, vertelt Marita Mathijsen (emeritus hoogleraar Moderne Nederlandse letterkunde aan de UvA) over haar ervaringen met Schnabel als voorzitter van de jury van literaire prijs de Gouden Ganzeveer. Mathijsen stelde vijf o's op om het leiderschap van Schnabel te omschrijven: origineel, omzichtig, overrompelend, onorthodox en onweerstaanbaar.  In een jury  bestaande uit ‘captains of industry’, literaire deskundigen en liefhebbers, die allen hun eigen favoriet hebben, weet Schnabel het telkens omzichtig en met onweerstaanbaar charisma voor elkaar te krijgen om een winnaar aan te wijzen waar iedereen tevreden mee kan zijn. ‘Paul is de onorthodoxe dirigent die het geheel tot een overdonderende samenhang weet te brengen.’

Mathijsen mag de eerste Boekman #94 uitreiken aan Paul Schnabel. Nadat hij een uur lang door iedereen in het zonnetje is gezet, is het tijd voor de hoofdrolspeler om het woord te nemen. Heel even lijkt hij overdonderd, maar hij heeft zijn aanwezige collega's van het SCP nog niet bedankt of hij steekt van wal met een analyse van het huidige kunstbeleid en de sociaal-culturele processen die hij zo vaak heeft onderzocht. ’Dat cultuur verheffend moet zijn is eigenlijk onmogelijk, toch blijft het doorklinken in beleid.’ Maar dat Schnabel meer optimist dan pessimist is wordt al snel duidelijk als hij ook de positieve kanten van bijvoorbeeld de informatisering aanstipt. De digitalisering van cultuur kan de beleving persoonlijker maken en verdiepen, daarnaast biedt het ongekende mogelijkheden voor onderzoek. Schnabel analyseert, filosofeert en haalt het ene na het andere praktijkvoorbeeld aan om zijn theorieën te onderbouwen. Na een geïmproviseerd college van twintig minuten pauzeert hij even: ’Dat was al genoeg stof voor een nieuw artikel.’

Duidelijk is dat Schnabel dan misschien terugtreedt als directeur van het SCP, klaar met werken is hij allerminst. In  onder meer zijn functies bij de Universiteit van Utrecht, het Concertgebouworkest, Museum Bredius en de Gouden Ganzeveer blijft hij zich inzetten voor de kunsten. ‘Feit is dat kunst iets is wat niet hoeft, maar je mist het als het er niet is. Het is essentieel voor een mens om geïnspireerd te worden door wat mensen maken.’

Na afloop van de presentatie geeft Schnabel nog een waarschuwing aangaande de bezuinigingen in het huidige cultuurbeleid: ’Kunst wordt een vrijetijdsactiviteit en dat gaat ten koste van de kwaliteit.’ Hoewel iedereen het er over eens lijkt dat het niet kon blijven zoals het was, waakt hij voor overhaaste beslissingen. Deze adviezen zal Schnabel blijven geven, alleen niet meer via het SCP. Daar lijkt hij zelf geen moeite mee te hebben: ’Ik blijf me inzetten, alleen het planbureau houdt voor mij op. Maar de nieuwe directeur (Prof. dr. Kim Putters, RW) is al bekend gemaakt dus dat komt ook wel goed.’

Rutger Westerhof

maandag 25 februari 2013

Lind, M en O. Velthuis (ed.) - Contemporary arts and its commercial markets: a report on current conditions and future scenarios

Je slaat een mooi vormgegeven klein boekje open omdat het thema je interessant en van belang lijkt. De eerste bladzijde van het eerste ‘hoofdstuk’ begint bij 155 en eindigt bij 168 (allemaal in rood) met een wazige pastiche (Looking for Headless) door een fictieve auteur (K.D.) van de hand van kunstenaars Simon Goldin en Jakob Senneby. Kunst dus! Daarna, op pagina 1, begint pas de inleiding. Achterin het boekje staat een aantal rode lege pagina’s. Hippe vormgeving en niet lelijk, dat zeker. Mij irriteert die paginering evenals de op zich best leuke maar onheldere inhoud, maar misschien is dat ouderwets of een kwestie van smaak.




Het boekje is uitgegeven ter gelegenheid van het curatorenproject Abstract possible: The Stockholm Synergies dat in 2012 plaatsvond in de Tensta Konsthall, the Center for Fashion Studies van de universiteit Stockholm en het veilinghuis Bukowskis. Het is een serie essays van interessante en belangrijke kunsthistorici, cultuursociologen en kunstenaars uit heel Europa met analyses van de verschillende aspecten en van de complexiteit van de hedendaagse kunstwereld in relatie tot de al dan niet commerciële kunstmarkten waar ze deel van uitmaken. Onderwerpen die aan de orde komen zijn de toename van het aantal (internationale) kunstbeurzen, de toegenomen competitie tussen veilinghuizen op het gebied van eigentijdse kunst, het fenomeen hedendaagse kunst als iets met veel waarde in relatie tot roem en rijkdom.

Alle essays hebben de onderliggende vraag: hoe zal kunst er uitzien in de komende decennia en hoe werken kunstenaars dan? In het voorwoord van Maria Lind, curator, criticus en directeur van de Tensta Konsthall, worden de veranderende condities van de productie en distributie van beeldende kunst beschreven. Complexe en ‘thought-provoking-kunst’ heeft het moeilijker dan ooit terwijl makkelijke, ‘entertain-kunst’ steeds meer als synoniem wordt gezien van kunst als zodanig. Al deze ontwikkelingen zijn verbonden met nieuwe machtsdynamiek in het kader van globalisering, neoliberaal beleid en van deregulering, financiële ontwikkelingen en de ‘boom’ van de commerciële kunstmarkt. Dat betekent dat de verhoudingen tussen kunstenaars, galeriehouders en verzamelaars in beweging zijn. De primaire en secundaire markt waren voorheen weliswaar twee verschillende circuits maar toch de plekken waar kunsthandel plaatsvond. Tegenwoordig spelen de kunstbeurzen en het internet een steeds grotere en belangrijkere rol. Dat heeft onder andere als gevolg dat van kunstenaars nu wordt verwacht dat ze hun eigen werk op de markt moeten profileren en als zodanig actief een ‘brand’ moeten opbouwen.

Cultuursocioloog Olav Velthuis betoogt in zijn inleiding dat ondanks deze recente ontwikkelingen de opbouw van de kunstmarkt nagenoeg nauwelijks veranderd is sinds de tweede helft van de 19de eeuw en dat recente veranderingen in de markt die van het verleden weerspiegelen. New York is nog steeds de plek waar de belangrijkste galeries met het meeste aanzien zich bevinden en Art Basel de meest invloedrijke kunstbeurs. Galeries blijven nog steeds vertegenwoordigers van hun eigen ‘stal’ van kunstenaars. Er bestaan nog steeds verschillende min of meer commerciële circuits maar de recente commercialisering en financiële ‘boom’ zijn met name te vinden in het topcircuit dat veel aandacht krijgt van de media. Wel is het aantal kunstkopers uit landen als Brazilië, Rusland, India en China toegenomen sinds het einde van de jaren negentig van de vorige eeuw toen kunstenaars en galeriehouders uit de VS en Europa de kunstmarkt domineerden. Tegelijkertijd lijkt de kunsthandel de afgelopen jaren mede als reactie op de ‘boom’ terug te willen grijpen naar een kleiner businessmodel, vaak in relatie tot het alternatieve circuit. De andere auteurs stellen specifieke aspecten van de internationale markt aan de orde zoals internet en commercie in relatie tot internet, de toename van het aantal beurzen en biënnales, de kunstkritiek.


Truus Gubbels

Lind, M. en O. Velthuis (ed.) - Contemporary arts and its commercial markets: a report on current conditions and future scenarios - Berlin: Sternberg Press/Tensta Konsthall, 2012 - ISBN 978-1-934105-99-3 - Prijs: 19 euro

zaterdag 16 februari 2013

Boekmandebat ‘De nieuwe werkelijkheid van de creatieve industrie’, 13 februari 2013


‘Zoals altijd worden kunstenaars weer eens buitengesloten!’ klonk het in de zaal na afloop van het Boekmandebat ‘De nieuwe werkelijkheid van de creatieve industrie’, op 13 februari in Rotterdam. De felle reactie kwam niet uit de lucht vallen, want was ook tijdens het debat aan bod gekomen. Een dag voor het debat beschreven Alexander Rinnooy Kan, Paul Rutten en Marleen Stikker dezelfde klacht in Het Financieele dagblad (‘Topsector creatieve industrie niet compleet als de kunsten er geen deel van uitmaken’, 9-2-2013). Nog eerder was het in Boekman #93 over de creatieve industrie vastgesteld. Het was een van de veelgehoorde geluiden tijdens het Boekmandebat. Er waren er meer.

De presentatie van dit themanummer van Boekman was aanleiding tot het debat. De bijeenkomst vond plaats ten huize van en in samenwerking met Het Nieuwe Instituut te Rotterdam. Deze instelling is per 1 januari voortgekomen uit een fusie van NAi, Premsela en Virtueel platform, en houdt kantoor in het NAi gebouw aan  het Rotterdamse Museumplein. .

De creatieve industrie staat volop in de aandacht, toch zijn er ook nog veel vragen over de kansen en mogelijkheden, de deelnemers.  Hebben we het over grote commerciële bedrijven, de omroepen, kunstenaars, kleine zelfstandige meubelmakers, of allemaal? Hoe worden de ambitieuze beleidsplannen omgezet naar de praktijk? En: waar blijven de kunsten binnen de creatieve industrie?

Hoezo nieuwe werkelijkheid? Valt er dan een nieuwe werkelijkheid te maken van creatieve industrie? Aldus formuleerde dagvoorzitter Valentijn Byvanck de centrale vraag.  Byvank legde de vraag voor aan drie beleidsmakers (Valerie Frissen, Paul Rutten en Timo de Rijk), drie makers (Afaina de Jong, Jeroen van Mastrigt-Ide en Gilian Schrofer) en drie stakeholders (Harry Starren,  Janny Rodermond en Floor van Spaendonck). Iedereen kreeg 5 minuten spreektijd. Tussendoor kreeg (en nam!) het publiek gelegenheid om te reageren.  Maar liefst 200 man had zich verzameld. Bijna 300 belangstellenden waren via livestream getuige.

Zoals vaker het geval tijdens debatten over cultuurbeleid, wellicht bij alle debatten, waren het de makers die de show stalen… Zij demonstreerden in dit geval op aanstekelijke wijze de toegevoegde waarde van creatieve producten en namen daarmee iets van de onduidelijkheid rond het begrip creatieve industrie weg.

Valerie Frissen (Topteam Creatieve Industrie) beet de spits af.  Binnen haar 5 minuten zette ze de doelstellingen en activiteiten van het Topteam en het CLICK programma uiteen. Ze legde uit dat het Topteam met behulp van netwerkorganisatie CLICK de connectie tussen het creatieve bedrijfsleven en de kenniswereld wil stimuleren door de werelden met elkaar te verbinden in cross-overs. Haar verhaal getuigde van routine en kennis, maar een vraag uit de zaal naar welke kennis er nu precies dient te worden versterkt, beantwoordde ze formeel door slechts op condities te wijzen. Op talentontwikkeling, netwerkontwikkeling en het stimuleren van een voedingsbodem, ontmoetingen. Concreter kon ze het niet maken.

Paul Rutten (betrokken bij CLICK, lector Creative Business bij het Kenniscentrum Creating 010 van de Hogeschool Rotterdam en hoogleraar in Antwerpen) slaagde daar wel in. Hij gaf een korte historische terugblik op het fenomeen en benadrukte het hefboomeffect van de creatieve industrie naar de rest van de economie. Timo de Rijk (voorzitter BNO en hoogleraar design aan de TU Delft en VU) streek in zijn presentatie menigeen tegen de haren. Bijvoorbeeld toen hij riep dat kunstenaars met de creatieve industrie niets te maken hebben en gewoon met rust gelaten moeten worden. Hij bleek het niet zo kras bedoeld te hebben, maar de stemming in de zaal liet zich niet keren. Marleen Stikker (WaagSociety) waarschuwde De Rijk voorzichtiger te formuleren. Kunstenaars spelen juist een onmisbare rol als vormonderzoekers bij de totstandkoming van toepassingen in de creatieve industrie. Voorbeelden kwamen uit de zaal.

Als gezegd, levendigheid ontstond pas echt in de volgende gespreksronde, die van de makers: Afaina de Jong (architecte, creatief ondernemer), Jeroen van Mastrigt-Ide (Dutch Games Garden) en Gilian Schrofer (ontwerpbureau Concern). Van Mastrigt-Ide gaf een inspirerende impressie van de vele technische en visuele mogelijkheden van de digitale wereld en gaming. De Jonge legde uit aan dat ‘haar’ kleinschaligheid haar kracht is, want ze is flexibel en multi-inzetbaar. Het gemak waarmee ze kan schakelen maakt haar waardevol voor grotere bedrijven, die minder wendbaar zijn. En daarmee benoemde ze de kracht van de vele zzp’ers binnen de creatieve industrie. De Jonge pleitte voor de oprichting van een mentorprogramma, en kreeg daarvoor steun van Timo de Rijke en Gilian Schrofer. Schrofer heeft zich juist enorm ingespannen om een degelijk opleidingstraject te realiseren, maar kreeg uiteindelijke geen of verlate steun van de accrediterende instellingen. 

Het gebrek aan zakelijke kennis onder afgestuurde creatievelingen en kunstenaars werd door vele aanwezigen onderkend en beklaagd. Er werden uiteenlopende meningen verwoord, waarbij de verantwoordelijkheid  bij resp. de opleidingen,  de studenten of  de overheid werd gelegd. Of bij de beroepsorganisaties. Minors, cursussen, trainingen, mentorships blijken evenwel voorhanden…Studenten hebben niet zelden de handen vol aan hun artistieke ontwikkeling. Nog een ander geluid: ‘Misschien moeten we van creatieve talenten niet langer verwachten dat ze ook nog eens zakelijke kwaliteiten bezitten?’

Het ontbreken van de kunsten binnen CLICK was eveneens een heikel punt. Zelfs muziek en dance schitteren vooralsnog door afwezigheid binnen CLICK, ondanks moties hierover in de Tweede Kamer in december 2012. Voor het uitgeverijwezen en artistiek onderzoek geldt hetzelfde. Rutten betreurt dit. Volgens hem is het een afwijkende manoeuvre van het ministerie. Want hoe zouden ze anders nog de cultuurbezuinigingen hebben kunnen rechtvaardigen?

In de derde en laatste ronde kwamen Harry Starren (Federatie Dutch Creative Industries), Janny Rodermond  (Stimuleringsfonds Creatieve Industrie) en Floor van Spaendonck (Het Nieuwe Instituut) aan het woord. De kracht van individuen binnen de creatieve industrie mag niet verloren gaan, aldus Starren in een inspirerend betoog. Rodermond kondigde een trendbreuk aan, maar zonder een tipje van de sluier te lichten. Dat was jammer, leek ook Van Spaendonck te vinden.

‘Maar wat gaan we nu eigenlijk doen? Echt, concreet doen!?’, was een terugkerende vraag vanuit de zaal. Starren had het antwoord. ‘Precies wat we nu aan het doen zijn, het voeren van een debat, dat is wat we doen!’

Jack van der Leden