dinsdag 10 mei 2011

Thije Adams: Kunstbeleid – van bevoogding naar onverschilligheid

In een goed gevuld Spui25 liet Thije Adams, voormalig directeur Algemeen Cultuurbeleid en directeur Internationale Betrekkingen van het ministerie van OCW, tijdens een lunchlezing op 10 mei, zijn licht schijnen over hoe het nu verder moet met het kunstbeleid in Nederland. Hij was hiervoor gevraagd vanwege zijn opiniestuk 'Het publiek staat op steeds meer afstand van de kunst' in NRC Handelsblad van 9 oktober vorig jaar. Aangezien de Raad voor Cultuur de staatssecretaris van Cultuur, Halbe Zijlstra, inmiddels van een advies heeft voorzien, voelde hij zich verplicht ook hier een reactie op te geven. Hij had er geen goed woord voor over.

Adams zag het advies van de Raad voor Cultuur vooral als een tegemoetkoming aan de bezuinigingsplannen van de staatssecretaris. Wat de Raad doet, is hem een financiële handreiking bieden hoe er 200 miljoen euro bezuinigd kan worden. Dat is in zijn ogen te terughoudend. Wat ze volgens Adams had moeten doen, is aangeven welke veranderingen er in het huidige beleidskader plaats zouden moeten vinden. Vervolgens gaf haar daar enkele handreikingen voor.

Hij schetste het kunstbeleid als een driehoek, waarbij aan de top de overheid en de deskundigen staan, links onderaan de kunstenaars en rechts onderaan het publiek. Het grote spel speelde zich tot nu toe aan de linkerzijde van de driehoek af. De overheid faciliteerde de kunstenaars om kunst te produceren die vervolgens door het publiek afgenomen werd. Aan de rechterzijde werd de vraag gestimuleerd middels de financiering van kunsteducatie. Dit werkte goed zolang het publiek zich braaf gedroeg. Maar juist daar is inmiddels verandering in gekomen. Het publiek heeft zich voor een deel tegen de kunsten gekeerd en laat het afweten. De dominantie van de overheid in de subsidiëring van de kunsten wordt ter discussie gesteld of zelfs afgewezen.

De oplossing die Adams aanreikt is om de hoofdstroom in het schema te veranderen. Tot nu toe werd het publiek door de overheid en de kunstenaars als een bijkomstig onderdeel in het schema gezien. Het was haast vanzelfsprekend dat het gebruik maakte van het aanbod. Het publiek maakt echter een wezenlijk deel van het schema uit en moet actiever in het schema betrokken worden. De dominantie van overheid en deskundigen bij de financiering van kunst moet omgekeerd worden, want het werkt niet meer. De instellingen – en dit geldt niet alleen voor de kunsten maar voor alle sectoren – zijn van middel tot doel geworden en daarmee is de rol van het publiek buiten spel gezet. Het publiek moet meer gekend worden in de toekenning van subsidie. Dit kan door subsidie afhankelijk te maken van de publieke steun die een kunstinstelling weet te verwerven. Hier moet de dominantie in het schema komen te liggen. Adams zei daarmee geenszins dat de overheid en de deskundigen geen beslissende rol meer moeten spelen in de financiering. Haar rol moet veranderen. Natuurlijk, zo maakte hij duidelijk, blijft die rol er voor bepaalde (abstracte) kunst, die zich minder op publieke belangstelling mag verheugen maar wel belangrijk is voor ontwikkeling in de kunsten. En daar moet de overheid ook in investeren. Het zwaartepunt dient echter bij publieke steun als criterium te liggen.

Tot besluit somde hij vier punten op hoe het publiek als centraal startpunt beleidsmatig verwezenlijkt moet worden. Allereerst moet er meer aandacht aan kunsteducatie worden besteed. Dat is iets wat de afgelopen jaren aardig verslonsd is en wat noodzakelijk is om het publiek een oordeel te kunnen laten vormen. Een tweede punt is decentralisatie van het beleid. Ten derde moet de overheid meer aansluiten bij initiatieven uit de samenleving. En tot slot moet ze terughoudend zijn met het inzetten van deskundigen om zo de betrokkenheid van burgers te bevorderen. Adams vindt het onbegrijpelijk dat de Raad voor Cultuur zich hier niet over uitgesproken heeft. Door het huidige advies maakt ze zich medeplichtig aan de mogelijke catastrofale consequenties die de bezuinigingen op de kunstsector kunnen hebben.

In de afsluitende vragenronde liet Adams zich verleiden tot een uitdagende uitspraak. Maarten Asscher, directeur van Athenaeum Boekhandel en voormalig directeur Kunsten bij het ministerie van OCW, dankte Adams voor zijn heldere uiteenzetting en zijn ‘intellectuele en cerebrale benadering’. Hij vroeg zich echter af of Adams ook niet gewoon ontzettend boos was. Na enige twijfeling bekende hij inderdaad ook wel degelijk boos te zijn. Niet zozeer op de staatssecretaris, maar veeleer op de kunstensector, die zich met allerlei en knip- en plakwerk en alle mogelijke bochten wringt om de boel bij elkaar te houden. Daarmee maakt zich mede verantwoordelijk voor de beslissing die genomen gaan worden. Het zou volgens hem het best zijn om de staatssecretaris zijn gang te laten gaan en de boel volkomen in het honderd te laten lopen. De regering zou zich dan wel gedwongen zien in te moeten grijpen.


André Nuchelmans

Geen opmerkingen:

Een reactie posten