maandag 16 mei 2011

Plaatsen van verbeelding


Jaarlijks bezoeken duizenden mensen Nieuw-Zeeland om te zien waar The Lord of the Rings is opgenomen; in New York staan vrouwen in de rij om een cocktail te drinken in de favoriete bars van hun heldinnen uit Sex and the City en in Oxford is het aantal Inspector Morse-tours niet meer te tellen. Geen nieuw fenomeen, stelt Stijn Reijnders in zijn recente publicatie Plaatsen van verbeelding, al in de negentiende eeuw waren populaire romans van de gezusters Brönte aanleiding voor zogenaamd ‘literair toerisme’. Over die vorm van toerisme is, zo blijkt uit de bronnen die Reijnders in de introductie aanhaalt, relatief veel onderzoek gedaan. Het is de nadruk op de snelle schaalvergroting en popularisering van dit fenomeen, een ontwikkeling van de laatste twee decennia, die Plaatsen van verbeelding vernieuwend maakt – en herkenbaar.

Reijnders, universitair hoofddocent Cultureel Erfgoed aan de Erasmus Universiteit Rotterdam, deed drie jaar onderzoek naar het fenomeen dat hij ‘mediatoerisme’ noemt. Een term waarmee hij de veelomvattendheid van het sociologische verschijnsel hoopt te dekken. Met succes, want de auteur maakt in zijn boek duidelijk dat het bezoeken van locaties uit tv-series en films een volwaardig onderdeel is van de huidige mediacultuur. Een stevige basis voor deze veronderstelling legt hij in het eerste hoofdstuk, bestaande uit een uitgebreid theoretisch kader. Hierin bouwt hij voort op theorieën uit de mediawetenschap, communicatiewetenschap en filosofie. Een van de belangrijkste is die van Pierre Nora, die in de jaren tachtig lieux de mémoire introduceerde. Deze Franse historicus en deconstructivist stelt dat mensen fysieke plaatsen en objecten nodig hebben om herinneringen vorm te geven. Reijnders concretiseert deze benadering door er lieux d’imagination van te maken, waarbij verbeelding niet per se hoeft terug te slaan op een herinnering – ook voor het vormgeven van fictieve objecten, gebeurtenissen en plaatsen hebben we fysieke plaatsen nodig. Een interessant uitgangspunt, dat wordt afgezet tegen de veelgehoorde veronderstelling dat mensen steeds minder behoefte zouden hebben aan fysieke verbeelding vanwege het enorme aanbod aan digitale cultuur. Reijnders stelt dat het tegenovergestelde waar is: juist doordat we ons fictieve werelden toe-eigenen en we ons identificeren met plaatsen en personages, ontstaat er behoefte aan een werkelijke ervaring hiervan.

Reijnders deed empirisch onderzoek, met financiële steun van de NWO (Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek). Hij bezocht diverse ‘mediatoeristische’ locaties in Europa, die als case studies in zijn boek dienen. Ter plaatse sprak hij met onder meer toeristen, toerismeprofessionals en omwonenden. De resultaten verweeft hij met een verdere toepassing van zijn theoretisch kader in drie prettig leesbare, rijk geïllustreerde hoofdstukken. Deze zijn thematisch geordend (eerst tv-detectives als Baantjer en Inspector Morse, vervolgens James Bond en tot slot Dracula) en benadrukken de uiteenlopende redenen van toeristen om de bekende locaties te bezoeken. Reijnders doet afstand van een vergelijking met religieuze pelgrimages, die in eerdere studies werd gemaakt. In plaats daarvan onderscheidt hij twee basisredenen (die hij ‘modi’ noemt). Allereerst is er een rationele zoektocht naar ‘de waarheid’, waarbij toeristen uitzoeken of de grootte van gebouwen, afstanden en aantallen traptreden overeenkomen met die in de film of serie. De tweede reden is een meer emotionele, intuïtieve zoektocht naar lichamelijke nabijheid: fans willen in de wereld van hun favoriete personage opgaan door reenactment: een biertje bestellen in het café van Morse of langsgaan op crime scenes uit Baantjer. De vele voorbeelden en citaten van geïnterviewden maken het boek levendig en aansprekend. Waar de grens tussen verbeelding, herinnering en werkelijkheid ligt is niet altijd duidelijk, zo weet de auteur helder te onderbouwen. Met die conclusie pleit Reijnders voor een grotere waardering voor verbeelding als volwaardig onderzoeksobject binnen de (media)wetenschap. Hij geeft hoe dan ook aanleiding genoeg tot vervolgonderzoek naar een interessant fenomeen binnen onze huidige mediacultuur.

Stijn Reijnders – Plaatsen van verbeelding. Media, toerisme & fancultuur – Alphen aan de Maas: Veerhuis, 2011 – ISBN 9789087300357 – Prijs: € 19,95

Kim van der Meulen

dinsdag 10 mei 2011

Thije Adams: Kunstbeleid – van bevoogding naar onverschilligheid

In een goed gevuld Spui25 liet Thije Adams, voormalig directeur Algemeen Cultuurbeleid en directeur Internationale Betrekkingen van het ministerie van OCW, tijdens een lunchlezing op 10 mei, zijn licht schijnen over hoe het nu verder moet met het kunstbeleid in Nederland. Hij was hiervoor gevraagd vanwege zijn opiniestuk 'Het publiek staat op steeds meer afstand van de kunst' in NRC Handelsblad van 9 oktober vorig jaar. Aangezien de Raad voor Cultuur de staatssecretaris van Cultuur, Halbe Zijlstra, inmiddels van een advies heeft voorzien, voelde hij zich verplicht ook hier een reactie op te geven. Hij had er geen goed woord voor over.

Adams zag het advies van de Raad voor Cultuur vooral als een tegemoetkoming aan de bezuinigingsplannen van de staatssecretaris. Wat de Raad doet, is hem een financiële handreiking bieden hoe er 200 miljoen euro bezuinigd kan worden. Dat is in zijn ogen te terughoudend. Wat ze volgens Adams had moeten doen, is aangeven welke veranderingen er in het huidige beleidskader plaats zouden moeten vinden. Vervolgens gaf haar daar enkele handreikingen voor.

Hij schetste het kunstbeleid als een driehoek, waarbij aan de top de overheid en de deskundigen staan, links onderaan de kunstenaars en rechts onderaan het publiek. Het grote spel speelde zich tot nu toe aan de linkerzijde van de driehoek af. De overheid faciliteerde de kunstenaars om kunst te produceren die vervolgens door het publiek afgenomen werd. Aan de rechterzijde werd de vraag gestimuleerd middels de financiering van kunsteducatie. Dit werkte goed zolang het publiek zich braaf gedroeg. Maar juist daar is inmiddels verandering in gekomen. Het publiek heeft zich voor een deel tegen de kunsten gekeerd en laat het afweten. De dominantie van de overheid in de subsidiëring van de kunsten wordt ter discussie gesteld of zelfs afgewezen.

De oplossing die Adams aanreikt is om de hoofdstroom in het schema te veranderen. Tot nu toe werd het publiek door de overheid en de kunstenaars als een bijkomstig onderdeel in het schema gezien. Het was haast vanzelfsprekend dat het gebruik maakte van het aanbod. Het publiek maakt echter een wezenlijk deel van het schema uit en moet actiever in het schema betrokken worden. De dominantie van overheid en deskundigen bij de financiering van kunst moet omgekeerd worden, want het werkt niet meer. De instellingen – en dit geldt niet alleen voor de kunsten maar voor alle sectoren – zijn van middel tot doel geworden en daarmee is de rol van het publiek buiten spel gezet. Het publiek moet meer gekend worden in de toekenning van subsidie. Dit kan door subsidie afhankelijk te maken van de publieke steun die een kunstinstelling weet te verwerven. Hier moet de dominantie in het schema komen te liggen. Adams zei daarmee geenszins dat de overheid en de deskundigen geen beslissende rol meer moeten spelen in de financiering. Haar rol moet veranderen. Natuurlijk, zo maakte hij duidelijk, blijft die rol er voor bepaalde (abstracte) kunst, die zich minder op publieke belangstelling mag verheugen maar wel belangrijk is voor ontwikkeling in de kunsten. En daar moet de overheid ook in investeren. Het zwaartepunt dient echter bij publieke steun als criterium te liggen.

Tot besluit somde hij vier punten op hoe het publiek als centraal startpunt beleidsmatig verwezenlijkt moet worden. Allereerst moet er meer aandacht aan kunsteducatie worden besteed. Dat is iets wat de afgelopen jaren aardig verslonsd is en wat noodzakelijk is om het publiek een oordeel te kunnen laten vormen. Een tweede punt is decentralisatie van het beleid. Ten derde moet de overheid meer aansluiten bij initiatieven uit de samenleving. En tot slot moet ze terughoudend zijn met het inzetten van deskundigen om zo de betrokkenheid van burgers te bevorderen. Adams vindt het onbegrijpelijk dat de Raad voor Cultuur zich hier niet over uitgesproken heeft. Door het huidige advies maakt ze zich medeplichtig aan de mogelijke catastrofale consequenties die de bezuinigingen op de kunstsector kunnen hebben.

In de afsluitende vragenronde liet Adams zich verleiden tot een uitdagende uitspraak. Maarten Asscher, directeur van Athenaeum Boekhandel en voormalig directeur Kunsten bij het ministerie van OCW, dankte Adams voor zijn heldere uiteenzetting en zijn ‘intellectuele en cerebrale benadering’. Hij vroeg zich echter af of Adams ook niet gewoon ontzettend boos was. Na enige twijfeling bekende hij inderdaad ook wel degelijk boos te zijn. Niet zozeer op de staatssecretaris, maar veeleer op de kunstensector, die zich met allerlei en knip- en plakwerk en alle mogelijke bochten wringt om de boel bij elkaar te houden. Daarmee maakt zich mede verantwoordelijk voor de beslissing die genomen gaan worden. Het zou volgens hem het best zijn om de staatssecretaris zijn gang te laten gaan en de boel volkomen in het honderd te laten lopen. De regering zou zich dan wel gedwongen zien in te moeten grijpen.


André Nuchelmans

vrijdag 29 april 2011

De staat van het boek

Op donderdag 21 april vond op de Internationale Kunstcampus deSingel in Antwerpen het symposium De staat van het boek plaats. De bijeenkomst was een initiatief van het BoekenOverleg, een samenwerkingsverband van organisaties in de boeken- en letterensector in Vlaanderen.

In de Blauwe Zaal van het vlakbij de ringweg gelegen deSingel heette gastvrouwe Betty Mellaerts de ongeveer 200 deelnemers van harte welkom. De eerste spreker was Hans Bousie, oprichter van Bousie Advocaten. Zijn kantoor houdt zich vooral bezig met auteursrechten in de boeken- en muzieksector. Onder de titel Het einde van het boekenvak, lessen uit de muziekindustrie, maakte hij duidelijk wat de ervaringen in de muziekindustrie met digitalisering het boekenvak kunnen leren. De muziekindustrie werd een aantal jaar geleden al geconfronteerd met de consequenties voor de sector van de digitalisering van muziek. Het ligt dus voor de hand hier lering uit te trekken nu het e-book aan een opmars begint. Dit zal de komende jaren voor grote veranderingen in het boekenvak zorgen. Bousie benadrukte dat je vooral niet, zoals de muziekindustrie deed, op je auteursrechten moet gaan zitten. De boekhandelaar/uitgever is vooral een handelaar in verhalen en daar moet hij zich op toeleggen. Kansen liggen er volgens hem vooral voor kleinere organisaties die zich op een speciaal onderdeel/onderwerp toeleggen. Een van die kansgebieden is het ontwikkelingen van boek/leesgerelateerde apps.

Na deze openingslezing konden de deelnemers kiezen uit vier verschillende sessies. Ik had me aangemeld voor De nieuwe lezer. Nick Decrock (marketeer/specialist sociale media bij Nocus) en Bas Heijne (NRC Handelsblad) hielden een korte inleiding over de consequenties van de huidige ontwikkelingen van digitalisering voor de lezer. Zoals te verwachten zag Decrock het nieuwe lezen meer verschuiven richting digitaal lezen dan Heijne. Nadat beiden hun standpunten hadden verkondigd, ontwikkelde zich onder het toeziend oog van Betty Mellaerts een interessante discussie, aanvankelijk tussen Decrock en Heijne en later ook met de zaal. Zo zag Decrock wel degelijk mogelijkheden voor het interactieve boek met doorklikmogelijkheden et cetera, waar Heijne dit als onzinnig afdeed. Het pastte volgens Decrock geheel bij de huidige gebruiker van digitale media om bijvoorbeeld op een plaatsnaam in een roman door te kunnen klikken naar meer informatie over deze plaats. Heijne zag het papieren boek nog niet zo snel verdwijnen, maar wel veranderen. Hij verwees daarbij naar een heruitgave van Scott Fitzgeralds The Great Gatsby bij Penguin in de originele vormgeving van de eerste druk. Een bekend fenomeen dat regelrecht lijkt overgenomen uit de muziekindustrie, waar de kopers door allerlei verschillende versies van originele albums verleid worden tot aanschaf.

Na een korte pauze volgde een tweede reeks van sessies. Ik volgde de gastvrouwe naar de Kleine Zaal waar het debat Boeken in de media plaatsvond. Redacteuren van diverse media schoven aan en gaven hun visie. Er was sprake van een unaniem oordeel in de zin dat boeken en literatuur aandacht verdienden in de media en dat er ook bij de lezer interesse voor is. Karl van den Broeck (Knack) zag vooral op internet mogelijkheden. Daar presenteert Knack dagelijks boekennieuws en recensies. Cuttingedge.be richt zich uitsluitend op internet en behandelt daar alle topics op het gebied van cultuur. Boeken maken daar een essentieel onderdeel van uit en dat onderdeel wordt veel gelezen, aldus Kevin Major. Jan Stevens (tot voor kort werkzaam bij tv-kanaal Canvas) bevestigde het al jaren heersende vermoeden dat er voor boeken op televisie geen vruchtbare voedingsbodem is. Hij zag echter wel degelijk mogelijkheden wanneer boeken in een bredere context onder de aandacht worden gebracht, zoals met enige regelmaat in het Nederlandse De Wereld Draait Door gebeurt. Karel Verhoeven (hoofdredacteur De Standaard) ziet de boekenbijlage als een onderdeel inherent aan een krant. Het is in zijn ogen eigenlijk meer een ideeënbijlage.

In het afsluitende onderdeel blikte schrijver Tom Naegels op de middag terug. Hij bevestigde dat schrijvers geen geschikte personages voor tv zijn. Hij zit zelf liever op sociale media als twitter en blogs. Daar kan hij doen wat hij leuk vindt: schrijven. Bas Heijne merkte al op dat wat dat betreft de vijftien jaar geleden aangekondigde maatschappij van de beeldcultuur toch niet bewaarheid lijkt te worden. Het succes van twitter en blogs wijst eerder op een rehabilitatie van het woord. Namens het BoekenOverleg las oud-voorzitter Jos Geysels een brief van ‘Dikke Freddy’ aan de aanwezige Vlaams minister van Leefmilieu, Natuur en Cultuur, Joke Schauvliege, voor. Freddy somde daarin acht punten voor een integraal letterenbeleid op. Wat vooral opviel is de lage leenrechtvergoeding in Vlaanderen ten opzichte van de omringende landen. In Vlaanderen krijgen auteurs slechts 1,4 procent, waar dat bijvoorbeeld in Nederlandse 11,4 procent is. Tot slot was het woord aan de bewindsvrouwe. Minister Schauvliege noemde allereerst de voordelen van digitalisering, om daarna zes maatregelen aan te kondigen die zij in het belang van het boekenvak uit wilde voeren. Een verhoging van het leenrecht was er daar een van. Maar, zoals wel vaker het geval is, was dat alleen een zaak van haar beleidsterrein, zodat de instemming van andere bewindspersonen nodig is. De minister toonde zich in haar toespraak betrokken bij het boekenvak en beloofde verbetering van de huidige situatie. De toekomst zal leren of ze zich hier ook aan houdt.

Op de website van De staat van het boek, zijn verslagen en powerpointpresentaties van het merendeel van de lezingen en sessies te raadplegen.


André Nuchelmans

donderdag 28 april 2011

Immaterieel Erfgoed en Volkscultuur


Op 28 april 2011 werd in Spui 25 te Amsterdam een debat georganiseerd naar aanleiding van de verschijning van de publicatie Immaterieel erfgoed en volkscultuur. Almanak bij een actueel debat. Actueel vanwege de (komende) ratificatie van de UNESCO conventie ter Bescherming van het Immaterieel Erfgoed (2003), die wereldwijd de diversiteit aan tradities en rituelen moet waarborgen, onderwerp van gesprek was.
Prof. Dr. Markus Tauschek van het Instituut van Europese Etnologie/Volkskunde van de Universiteit van Kiel hield een inleiding met als titel Water into wine? The construction of intangable heritage over (zijn) onderzoek naar erfgoed waarin hij onder meer stelde dat cultureel erfgoed een kwestie is van ideologie en product van onderhandeling en competitie tussen betrokken partijen en daardoor politiek instrument. Hij sprak zelfs van cultureel darwinisme. Tauschek’s opmerkingen waren met name gebaseerd op zijn onderzoek naar fenomenen als het carnaval in Binche (België) en 18de eeuwse Doima muziek uit Roemenië.
Vervolgens kregen een voorstander en een tegenstander van de conventie het woord onder leiding van de directeur van het Nederlands Openluchtmuseum te Arnhem Pieter-Matthijs Gijsbers. Cas Smithuijsen directeur van de Boekmanstichting was duidelijk voorstander van de Conventie. Hij sprak van een inhaalslag ten opzichte van andere Europese landen en benadrukte de noodzaak van discussie over cultureel erfgoed op wereldniveau en niet op nationale schaal en het belang van interculturele dialoog.
Prof. Dr. Rob van der Laarse, Algemene Cultuurwetenschapper aan de Universiteit van Amsterdam en de Vrije Universiteit sprak zich uit als fervent tegenstander van de Conventie en stelde dat vragen over ‘the making of heritage’ belangrijk zijn: Van wie is het? Wie maakt het voor wie? Wie eigent het zich toe? Het onderscheid tussen materieel en immaterieel is niet nodig, elk erfgoed is immaterieel. Van belang is dat het wordt gedragen; door groepen, culturen, entiteiten. Er is volgens hem geen gemeenschap, het zijn allemaal constructies: tradities worden toegeschreven.
Beide stellingnames leidden tot een levendige onderlinge discussie maar ook uit de zaal meldden voor- en tegenstanders van de conventie zich. Zo werd er een pleidooi gehouden voor safegarding in plaats van protection. Ook kwamen de verschillende opinies over de kwestie aan de orde dat in de Conventie het initiatief ligt bij de gemeenschappen waardoor de vraag ontstaat wat de rol van de natiestaat dan nog is, aan de orde.
De bijeenkomst werd besloten met de uitreiking van het boek Immaterieel Erfgoed en volkscultuur. Almanak bij een actueel debat aan een vertegenwoordiger van de Nationale Unescocommissie en een medewerker van de directie Cultureel Erfgoed van het Ministerie van OCW in ontvangst genomen. Als uitsmijter en bij wijze van ‘voer voor etnologen‘ las middagvoorzitter Peter Jan Margry van het Meertensinstituut een passage uit het boek De helaasheid der dingen van Dimitri Verhulst uit 2006 waarin de auteur in een hilarische passage zowel de volkscultuur aan het woord laat als zich kritisch uitlaat over de perversiteit van de ‘oprechte interesse in het volk’ van de ‘professoren in de volkskunde’.

Hester Dibbits (et al.) - Immaterieel erfgoed en volkscultuur. Almanak bij een actueel debat - Amsterdam: Amsterdam University Press, 2011 - ISBN 9789089641618 - Prijs: € 14,50

Truus Gubbels

dinsdag 19 april 2011

Popular Music: Theory and Practice in the Lowlands

Het was alweer 10 jaar geleden dat de Beneluxafdeling van de International Association for the Study of Popular Music (IASPM) een groot congres organiseerde. In 2001 was het evenement Access to Amsterdam, georganiseerd door het Nationaal Popinstituut, voor IASPM Benelux de kapstok om een aantal lezingen te organiseren. In de tussentijd zijn er wel bijeenkomsten georganiseerd, maar deze waren vaak kleinschalig. Afgelopen donderdag 14 en vrijdag 15 april was Hogeschool Inholland in Haarlem de locatie voor een tweedaags symposium met nationale en internationale sprekers over onderzoek naar popmuziek. De organisatoren waren zichtbaar tevreden met de aanmeldingen van onderzoekers uit binnen- en buitenland en de publieke belangstelling voor het congres.

Na een kort welkomstwoord van Koos Zwaan en Tom ter Bogt namens IASPM Benelux en Regine von Stieglitz namens Inholland konden de deelnemers kiezen uit twee parallelle sessies met de thema’s lokaliteit en globalisering en onderzoeksmethoden. Ik was aanwezig bij de eerste waar Stan Rijven (o.a. Trouw, World Music Forum Nl) in ging op de rol van havens en wereldwateren in de verspreiding van muziek. Rijven ziet de oceanen als 6e continent. In het verleden vervulde het water de rol van de digitale kabels tegenwoordig. Er zijn duidelijke stromen van muziekstijlen van de ene haven naar de andere waarneembaar. De tweede lezing ging in op de manier waarop het Zuidafrikaanse genre Maskanda wordt beloofd door de vertolkers en door de bezoekers van concerten in Nederland. Onderzoeksters Barbara Titus (Universiteit Utrecht) en Kathryn Olsen (University of KwaZulu-Natal, Durban, SA) belichten beiden vanuit hun perspectief de authenticiteit van de uitvoerders. De bezoekers van een concert in RASA (Utrecht) hebben een heel andere visie op authenticiteit dan de vertolkers van de muziek. De laatste presentatie was van Amanda Brandellero (Erasmus Universiteit Rotterdam (EUR)). Zij belichtte haar onderzoek naar Popular music heritage, cultural memory and cultural identity (POPID). Doel van het onderzoek is om te kijken welke muzikale herinneringen in rol spelen in de identiteitsvorming van luisteraars. De verwachting is dat dit lokaal gebonden is. Maar in hoeverre is de geschreven geschiedenis hier een houvast en wijken lokale belevingen hier van af? Het onderzoek vindt plaats in een aantal Europese landen, zodat de gegevens met elkaar vergeleken kunnen worden.

De tweede begon met een keynote speech van David Hesmondhalgh (Professor of Media and music industries, University of Leeds, UK), Towards a politics of music. Hesmondhalgh wijdde uit over de rol die muziek in het emotionele leven van mensen kan spelen. Hij baseerde zich daarbij op theorieën van Martha Nussbaum. Hij stak een helder en interessant verhaal af, waarin hij aantoonde dat popmuziek meer belangen heeft dan alleen het economische, waar het veelal over gaat. Een mooi begin van de tweede dag van de conferentie. Hierna volgden drie parallelle sessies op telkens twee verschillende thema’s. Ik koos voor de thema’s Music industry changes; stream 1: Music industry & business models; Selling the artist: stream 1: Music industry & business models; en Journalism & media; stream 2: Popular music media & cultures.
In de eerste sessie ging Victor Sarafian (University of Toulouse, France) in op de zoektocht van de muziekindustrie naar de heilige graal. Sinds de komst van Napster in 1998 is de verkoop van geluidsdragers niet langer de belangrijkste inkomstenbron van de muziekindustrie. Wat heeft zij gedaan om hier op in te spelen? Op www.iaspm.nl is een korte impressie van zijn lezing te lezen. Wes Wierda (Hogeschool Inholland) ging vervolgens op de invloed van macro-economische cycli op muziekconsumptie in. Uit zijn lezing kwam een verband tussen beide naar voren. De laatste presentatie in de eerste sessie was van Erik Hitters (EUR) en Miriam van der Kamp (Universiteit Leiden). Zij gaven op basis van de veranderingen in de muziekindustrie suggesties voor mogelijke nieuwe onderzoeksrichtingen. Ook de tweede sessie richtte zich op de muziekindustrie, maar dan meer vanuit de artiest. Jonathan Shaw (University of the Witwatersrand, Johannesburg, SA) ging in op de verschuiving van het album als centraal begrip in de muziekindustrie naar de artiest. De industrie richt zich na de instorting van de geluidsdrager als inkomstenbron, steeds meer op andere aspecten. Dit resulteerde o.a. in de zogenaamde 360 graden deal, waarbij de muziekindustrie in alle inkomstenbronnen van de artiest. Niet de muziek is uitgangspunt, maar de artiest. Hierna belichtte Joke Fictoor (Inholland) haar promotieonderzoek. Zij onderzoekt de reacties van professionele Nederlandse artiesten op veranderingen in hun omgeving. Wat is de rol van internet, twitter en andere sociale media in het muzikantenbestaan? Hoe gaan artiesten om met hun fans en met de muziekindustrie? Lee Marshall (University of Bristol, UK) besloot de sessie met een lezing over de rol van sterrendom in popmuziek en specifieker de muziekindustrie. Hij borduurde daarmee voort op de lezing van Shaw in de zin dat de industrie gebaat is bij een sterstatus van hun artiesten. Zo behouden ze hun inkomsten en kunnen die uitbreiden.
De laatste sessie die ik bezocht had journalistiek en media als thema. Pauwke Berkers (EUR) gaf inzage in zijn onderzoek naar de verschillende manieren waarop de Engelse ‘serieuze’ pers de rock ‘n’ roll levensstijlen van Amy Winehouse en Pete Doherty benaderde. Voor vrouwen blijkt het toch minder geaccepteerd als zij er een dergelijke levensstijl op na houden. Nienke van Olphen (EUR) deed verslag van het onderzoek voor haar masterscriptie naar de export van Nederlandse rock- en dance muziek en hoe de Britse en Duitse muziekpers hier aandacht aan besteden. In hoeverre is Holland hier een referentiepunt? Lieselotte Goessens (Vrije Universiteit Brussel) ging hierna in op de rol die Vlaamse radio speelde in de vorming van een Vlaamse identiteit in het decennium voorafgaande aan de Tweede Wereldoorlog. Net als Nederland kende Vlaanderen in die tijd een verzuild omroepbestel, dat na WO II is afgeschaft. Arno van der Hoeven (EUR) sloot de laatste sessie af met zijn onderzoek naar piratenzenders in Nederland. Ze blijken er nog steeds te zijn en inmiddels heeft een aantal de overstap gemaakt van ether naar internet. Het onderzoek maakt deel uit van het op de eerste dag gepresenteerde onderzoek POPID.
Shane Homan (Monash University, Australia) besloot het congres met een keynotespeech over het Australische overheidsbeleid met betrekking tot auteursrecht. Hij belichtte een aantal rechtszaken, waarbij de muziekindustrie afdracht van hotels, fitnessstudio’s en nachtclubs af probeerde te dwingen en hoe de overheid reageerde op de vraag van de muziekindustrie om het downloaden aan banden te leggen.

Bovenstaande is nog maar de helft van de onderzoeken die tijdens het congres aan bod kwamen, maar geeft een aardig beeld van de verschillende invalshoeken die de bestudering van popmuziek op kan gaan. Het congres geeft daarmee een mooie stand van zaken van het onderzoek weer, niet alleen in Nederland maar ook daarbuiten. Een must voor iedereen die zich in de Lage Landen op een of andere manier wetenschappelijk met popmuziek bezig houdt. Doel van IASPM Benelux is om deze onderzoekers met elkaar in contact en op de hoogte van elkaars onderzoek te brengen. Een zeer inspirerend congres dat hopelijk een vervolg krijgt op een regelmatigere basis van tot nu toe het geval was. Reden te meer om je als onderzoeker op dit terrein aan te melden als IASPM Beneluxlid, waarmee je ook direct lid bent van de wereldwijde IASPM.

Op www.iaspm.nl is meer informatie over een aantal lezingen en het congres algemeen te vinden.

André Nuchelmans

vrijdag 8 april 2011

Keihard & Swingend. De jongensjaren van Muziekkrant Oor


Het publiek in de kleine zaal van Paradiso was afgelopen maandagmiddag voor een groot deel 60-plus. Het popjournaille uit de beginjaren van Muziekkrant Oor had zich verzameld voor de feestelijke presentatie van Keihard & Swingend. De jongensjaren van Muziekkrant Oor van oprichter Barend Toet. Velen hadden elkaar jaren niet gezien, zo leek het althans uit de enthousiaste omhelzingen en vaag herkennende blikken. Anderhalf uur na de presentatie voerde het jonge publiek weer de boventoon, toen het muzikale gedeelte van het jubileumfeest begon. Zo werd eens te meer duidelijk dat popmuziek inmiddels voor alle generaties is.

Een respectabele leeftijd voor een muziektijdschrift, 40 jaar. Dat hebben in Nederland, en zelfs in de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk, niet veel soortgelijke tijdschriften gehaald. Reden te meer om er bij stil te staan. En wie kan er dan beter over schrijven dan de man die het allemaal in gang heeft gezet. Zijn eigen geheugen heeft hij aangevuld met interviews met diverse betrokkenen en buitenstaanders.
Het zwaartepunt van het boek ligt bij de periode dat Toet zelf actief was voor Muziekkrant Oor, van 1971 tot en met 1981. De ondertitel is wat dat betreft goed gekozen. De eerste 10 jaar waren een soort van puberjaren: alles was mogelijk, journalisten trokken dagen achtereen met hun idool op en geld kwam pas op de tweede plaats. Gaandeweg het eerste decennium begint de organisatie echter steeds meer volwassen trekken te vertonen, al bleef het financieel een onduidelijke zaak. Er ontstaat gaandeweg binnen de redactie een duidelijk hiërarchie en de zakelijke en artistieke leiding worden gescheiden. Zo staat er in 1982 een tijdschrift waar geen enkele serieuze popliefhebber om heen kan.
De periode na zijn directe betrokkenheid beschrijft Toet met meer afstand. Hij signaleert veranderingen in de popmuziek en de manier waarop de platenindustrie met journalisten omgaat. Als je het boek gelezen hebt, krijg je toch al snel de indruk dat die eerste jaren toch wel de beste jaren waren. Het genre was overzichtelijk, popmuzikanten over het algemeen gemakkelijk te benaderen en de journalist was belangrijk voor de artiest om hem met zijn achterban in contact te brengen.
Met fototoestel en pen en papier in de aanslag toog Toet in 1970 naar het Holland Popfestival aan de Kralingse Plas in Rotterdam om een reportage voor De Nieuwe Linie te maken. Uiteindelijk was dit de aanleiding om een eigen tijdschrift te beginnen dat zich uitsluitend op popmuziek richtte. In tegenstelling tot Aloha/Hitweek dat zich meer op de jongeren-/tegencultuur algemeen richtte, waar popmuziek slechts een onderdeel van vormde. De werkwijze zoals Toet die in Kralingen hanteerde, was in de beginjaren van Oor gemeengoed onder de schrijvers voor het blad. Tot de komst van Constant Meijers. Door Toet met een goed salaris gelokt uit de burelen van Aloha, rangeert Meijers hem al snel op een zijspoor door een scheiding tussen zakelijke en artistieke leiding voor te stellen, waarbij Toet zich met de financiën gaat bemoeien en Meijers de inhoud van het blad voor zijn rekening neemt. ‘Door me toch die kant op te laten sturen, nam ik onbedoeld een afslag met verstrekkende gevolgen voor mijn eigen loopbaan, die me uiteindelijk niet goed is bevallen’, zo formuleert Toet het nog netjes (p. 106-107). Dat het ook anders kan bewees Jann Wenner, oprichter van The Rolling Stone, die nog altijd zowel de inhoudelijke als de zakelijke kant voor zijn rekening neemt.

Keihard & Swingend leest als een jongensboek en bevat zeker voor de jongere lichting popjournalisten jaloersmakende anekdotes. Wie kan er nu nog een paar dagen op stap met een muzikant. De meesten mogen al blij zijn als ze een half uurtje krijgen en te laat komen moet je al helemaal niet doen, want dan is de artiest al vertrokken.
In het tweede deel heeft Toet meer oog voor de veranderingen in de platenindustrie en de rol die de popjournalist nog speelt in de tijd van internet. Tegenwoordig is iedereen popjournalist in de zin dat iedereen een recensie van een concert of cd op zijn blog op internet kan zetten. De rol van een papieren tijdschrift lijkt daarmee ondergraven te worden. En inderdaad zijn de oplagecijfers van Oor de laatste jaren ontzettend gedaald. Toch ziet Toet wel degelijk mogelijkheden voor de popjournalist (en daarmee voor een muziektijdschrift) om zich van deze liefhebbers te onderscheiden. Hij blijkt goed op de hoogte van de laatste ontwikkelingen op het internet. Voor de popjournalist ziet hij vooral een rol als gids, die nieuwe bands, ontwikkelingen en stromingen kan duiden. Oor heeft zich de opmerkingen van de oprichter schijnbaar aangetrokken, want ter gelegenheid van het jubileum is de website opgepimpt. Het speciale jubileumnummer van Oor biedt een mooie aanvulling op het boek van Toet. In een interviewserie blikken oud-Oormedewerkers Bert van de Kamp, Paul Evers, Mark van Schaick en Kees de Koning uitgebreid terug. In kortere bijdragen geven artiesten en popjournalisten aan wat Oor in hun muziekleven betekende. Op naar de 50!

Barend Toet - Keihard & Swingend. De jongensjaren van Muziekkrant OOR - Amsterdam: Boekerij, 2011 - ISBN 9789022555149 - Prijs: € 19,95

André Nuchelmans

donderdag 7 april 2011

De vlakte en de vrijheid: literaire kritiek online

Het ontbreekt de literatuurkritiek op internet aan fundering en grondigheid. ‘Het is daardoor één grote puinzooi’. Aldus Fabian Stolk, docent moderne Nederlandse letterkunde aan de Universiteit Utrecht, in zijn inleidende betoog tijdens het debat op 5 april bij Spui25 in Amsterdam. Stichting Recensieweb en Athenaeum Boekhandel waren de organisatoren van de bijeenkomst. Stolk klaagde op felle toon over de vervlakking en platheid van de kritieken op het web, het gebrek aan kwaliteit en argumentatie. Hilarisch waren de voorbeelden die hij noemde. ‘Zogenaamde redacteuren gedragen zich als culturele poortwachters, maar lijken boven hun toetsenbord in slaap gevallenen’. Redacties van websites dienen net zo streng en sturend op te treden als bij de gedrukte media het geval is, aldus Stolk. Na dit betoog volgde een discussie tussen essayist Arjen van Veelen, uitgever Lidewijde Paris, auteur, chef kunst en literair criticus voor De Groene Amsterdammer Joost de Vries en Stolk over literatuurkritiek op het web. Gespreksleider was Daan Stoffelsen, o.a. betrokken bij Recensieweb en recensent bij NRC Handelsblad. Veel bijval kreeg Stolk niet. Al helemaal niet van Paris. Zij is vooral geïnteresseerd in lezerservaringen, vertelde ze. Ze hield dan ook een pleidooi voor democratisering van literaire kritiek. Het gaat altijd om de inhoud en niet om de vorm. Wat maakt het uit in welke vorm een kritiek verschijnt? Met de kritieken op het web is volgens haar niets mis. ‘Je leest ervaringen en meningen van lezers, die je anders niet zou leren kennen’. En daar gaat het haar om. De kwaliteit is misschien belabberd, maar de ‘klassieke’ kritieken in de papieren media stellen haar evenzogoed teleur. De stukken in kranten zijn de laatste jaren slechter geworden, minder van kwaliteit, kleiner in omvang. Jammer, want ze dienen de lezer een ijkpunt te bieden. Broddelwerk, zo noemde ze, als voorbeeld, de ‘signalementjes’ die Elsbeth Etty sinds een paar weken in NRC Handelsblad mag schrijven. Paris maakte zich boos: ‘Etty doet beweringen over boeken die gewoon niet kloppen! Nee, laat dan die bloggers maar lekker hun gang gaan. Zolang ze de boeken maar lezen en hun oordeel beargumenteren, want dat doet Etty in het geheel niet’, riep ze uit. De overige panelleden leken weinig onder de indruk van de scherpe uithaal. Joost de Vries kon de stukjes eigenlijk wel waarderen. Sommigen zagen de rubriek van Etty juist als een hedendaagse vorm van kunstkritiek die demonstreert dat de kranten in hun presentatie deels op internet gaan lijken. Flitsende, korte signalerende tekstjes, met een attenderende functie. Daar zijn er op het web heel veel van. Teveel, volgens Stolk. Op de recensiewebsites presenteert iedereen zich zomaar als criticus, er is geen redactie die toeziet op de kwaliteit. In tegenstelling tot de krantenredacties, ‘die bovendien een eigen smoel durven tonen!’ Daan Stoffelsen greep op dit punt in. Hij maakte duidelijk dat ‘zijn’ recensieweb wel degelijk de kwaliteit bewaakt en bijdragen soms ook weigert. Lastig is dat de critici niet betaald krijgen voor hun werk. De kwaliteit van de webkritieken zou verbeterd kunnen worden wanneer er een verdienmodel zou zijn, vond iedereen. Van Veelen vroeg zich af of hoe de amateurrecensenten op het web zich in de toekomst gaan ontwikkelen. Gaan ze ooit verdienen aan hun attenderende inspanningen op het web en de sociale media, zoals dat ook in de mode en muziek het geval is? Er zijn bijvoorbeeld twitteraars, actief in de mode-industrie, die met hun berichten invloed uitoefenen op de bekendheid van merken en daar soms ook voor betaald krijgen. Ook de amateurcritici in de muzieksector winnen steeds meer digitaal terrein op professionele critici. Paris sloot uit dat zoiets in het boekenvak mogelijk is, want beeld en muziek laten zich nu eenmaal makkelijker aan de man brengen dan literatuur.

De meningen en koersen over digitale kritieken waren en bleven verdeeld tijdens de bijeenkomst. Opvallend was een uitspraak van Van Veelen die vertelde amper nog zin te hebben in het lezen van artikelen van 4000 woorden of meer, maar zich liever te laten ‘sturen’ door de meningen en ‘links’ van recensenten op het web. Het is een nieuwe vorm van recenseren. ‘De sociale media zoals Facebook bieden mij advies-op-maat’. Een zinnige opmerking, ver verwijderd van de (zure) kwalificaties als ‘puinzooi’ en ‘brij’ die Stolk had opgeworpen.

Zie voor meer informatie over de bijeenkomst en de panelleden: www.recensieweb.nl

Jack van der Leden