Met de opkomst van blogs en sociale media als facebook en twitter stellen gevestigde media als kranten en tijdschriften zich met enige regelmaat de vraag of het nog wel nut heeft een speciaal katern of deel van het tijdschrift aan recensies van boeken te wijden. De literaire kritiek staat wat dat betreft niet alleen, ook in andere kunstsectoren als muziek, theater, film en beeldende kunst vragen media zich af of zij nog een rol te vervullen hebben.
Critici en recensenten geven meestal een bevestigend antwoord. De reden die ze er voor geven, is dat zij, meer dan de liefhebber op zijn blog of facebookpagina, het boek in een breder kader kunnen plaatsen. Met andere woorden, hun belezenheid en kennis van zaken gaat altijd verder dan dat van een gemiddelde lezer die een andere lezer wil overtuigen een bepaald boek te lezen of juist niet.
Elsbeth Etty betoogde het al in haar oratie De literaire kritiek als journalistiek genre, die zij uitsprak bij de aanvaarding van het bijzonder hoogleraarschap Literaire kritiek aan de Vrije Universiteit te Amsterdam. Daarin stelde ze de literaire criticus gelijk aan elke ander journalist. Hij diende dan ook aan dezelfde eisen te voldoen: betrouwbaarheid en objectiviteit. In het ABC van de literaire kritiek zet ze het aan de hand van een aantal steekwoorden allemaal nog eens op een alfabetisch rijtje. Het boekje verscheen ter gelegenheid van het 25-jarig bestaan van uitgeverij Balans.
Het leven van een literair criticus is geen lolletje, je doet het namelijk nooit goed. Als je een positieve recensie schrijft wordt je al snel van omkoping beticht, schrijf je een negatieve recensie dan heb je nog een rekening met de auteur te vereffenen. Maar dat hoort er bij. ‘Wantrouw dus vooral de recensent die nog nooit is uitgemaakt voor aasgier of erger’, houdt Etty de lezer voor. En zij kan het weten. In 2001 verklaarde auteur Joke J. Hermsen naar aanleiding van de bespreking door Etty van haar roman Tweeduister, dat ze had overwogen aangifte tegen Etty te doen voor een poging tot doodslag. En zo noemt ze nog een aantal voorbeelden op.
Ze betoont zich absoluut geen voorstander van een aanpassing van de kritiek aan de wens van de meerderheid van de lezers, die graag hapklare, amusante stukjes wil. En ook de beoordeling zoals die tegenwoordig in veel dag- en weekbladen wordt gehanteerd met ‘debiliserende ballen of sterren’, kan haar goedkeuring niet wegdragen. Het doel van de literaire kritiek is meer dan alleen ‘een betrouwbare en gefundeerde beoordeling te geven’, het moet ook een ‘lezenswaardig en boeiend artikel’ opleveren. Er is in haar optiek maar één manier om het gezag van de literaire kritiek weer te herstellen en dat is het verbeteren van de kwaliteit. Daarmee gaat ze dwars in tegen de mening van bijvoorbeeld Thomas Vaessens, hoogleraar moderne letterkunde aan de Universiteit van Amsterdam. Hij verkondigde in zijn boek De revanche van de roman dat boekenbijlages maar beter konden verdwijnen, want daar zat niemand behalve een kleine culturele elite nog op te wachten. Om de studenten tegemoet te komen en zijn vak nog enigszins de moeite waard te houden, ging hij in zijn colleges de boeken van Kluun, Saskia Noort en andere lectuur te behandelen. Elsbeth Etty is er de vrouw niet naar om de handdoek in de ring te gooien. Met dit ABC van de literaire kritiek weet ze dat op overtuigende wijze te onderbouwen. Het is niet alleen een must voor iedere criticus die zijn vak serieus neemt – je hoeft het daarvoor niet met haar eens te zijn – maar kan zeker ook van dienst zijn bij het schrijven van een goede blog.
Elsbeth Etty – ABC van de literaire kritiek – Amsterdam: Balans, 2011 – ISBN 978 94 600 3335 3 – Prijs: € 6,95
André Nuchelmans
Het laatste nieuws van de redactie van Boekman en medewerkers van de Boekmanstichting op het gebied van symposia, benoemingen, promoties, publicaties.
vrijdag 25 november 2011
donderdag 10 november 2011
Niet tellen, maar wegen
Jet de Ranitz, voorzitter van het College van Bestuur van de Amsterdamse Hogeschool voor de kunsten, wordt de nieuwe voorzitter van Kunsten ’92. Met dat nieuwtje opende de huidige voorzitter Ad ’s-Gravesande het Kunsten '92 en Boekmandebat Niet tellen maar wegen op 8 november in het uitverkochte Amsterdamse Compagnietheater. Het debat vond plaats aansluitend op de besloten ledenvergadering van Kunsten ’92, waar de voordracht was aanvaard. Aanleiding voor het debat was de publicatie van Boekmanstudies Niet tellen, maar wegen. Over de zin en onzin van prestatieafspraken in de culturele sector. Na een korte inleiding op het programma, gaf 's-Gravesande het woord aan Maud van de Wiel die het debat in goede banen moest leiden. Wethouder Michiel van Wessem, die in Arnhem namens de VVD cultuur in zijn portefeuille heeft, moest helaas verstek laten gaan. Er bleken echter meerdere lokale politici in de zaal aanwezig op wie Van der Wiel een beroep mocht doen tijdens het debat over hoe prestatieafspraken vorm te geven en de rol die cijfers daar in spelen.
Marjolein Februari, publiciste en adviseur over maatschappelijke en bestuurlijke onderwerpen, zette de publicatie Niet tellen maar wegen en het gebruik van cijfermateriaal in een breder kader, door een voorbeeld uit de luchtvaart aan te halen. Ze betoogde dat getallen de situatie op papier kunnen verbeteren, terwijl die in de praktijk verslechtert. Cijfers gaan een eigen leven leiden. In 2003 ontstond commotie onder de bewoners in de buurt van Maastricht Aachen Airport omdat 87 woningen binnen de contour bleken te liggen waar een grotere kans op overlijden als gevolg van het vliegverkeer was. Het model was gebaseerd op aannames. Door deze te wijzigen werd het aantal woningen al gereduceerd tot 23 huizen. Als klap op de vuurpijl werd de landingsbaan met 150 meter ingekort en bleek er geen enkele woning meer binnen de gevarenzone met verhoogd risico te liggen. Het probleem was opgelost. Februari haalde dit voorbeeld aan om aan te tonen dat de fixatie op papier zo groot is dat de werkelijkheid uit het zicht verdwijnt. Ze besloot haar lezing met drie opmerkingen naar aanleiding van het boek. De eerste was dat het boek binnen de tijdgeest past dat niet alles binnen het nutsdenken te vangen is. Er is steeds meer sprake van een algehele ontevredenheid over meten en de consequenties van een verantwoordingsplicht. Daarnaast wees het boek haar op het verschil tussen ideaal en norm, dat haar al langer bezig houdt. Normen sturen iedereen naar het midden, alles wordt bijgeschaafd naar het gemiddelde. Tegenover het SMART-principe (specifiek, meetbaar, acceptabel, realistisch, tijdgebonden) van doelstellingen stelde zij het FUZZY-principe (feestelijk, uitdagend, zuiver, zindelijk, yes). Tot slot ging ze in op de begrippen vitaliteit en weerbaar. Ze bedoelde hiermee dat je instelling moet zijn om je werk goed te doen, in plaats van achteraf te kijken hoe je het gedaan hebt. Niet de regels sturen je, maar je eigen professionaliteit. Dit is in de kunstwereld niet zo vanzelfsprekend en dat moet in deze barre tijden onder ogen gezien worden. Er is maar één ding dat werkt en dat is je werk beter doen!
Vervolgens ondervroeg Maud van de Wiel Hans de Bruijn, hoogleraar bestuurskunde aan de Technische Universiteit Delft, als relatieve buitenstaander naar zijn mening over prestatieafspraken. De Bruijn refereerde daarbij vooral aan de prestatieafspraken zoals die tot voor kort in de universitaire wereld gelden. Daar hanteerde men voor elke publicatie een puntensysteem, afhankelijk van onder andere het soort publicatie en de taal. Het enige doel was nog om aan het gestelde aantal punten te komen. De inhoud deed er niet meer toe. In de universitaire wereld is de kritiek op het verantwoordingsdenken inmiddels ingedaald. Maar, zo nuanceerde hij zijn betoog, cijfers kunnen zeker heilzaam zijn in alle sectoren. Hij bedoelde daar vooral simpele cijfers mee, zoals bijvoorbeeld publiekcijfers. Als degene die de cijfers levert, moet je er begrip voor opbrengen dat er behoefte is aan cijfers. Maar het moet niet alleen bij de cijfers blijven. Van belang is dat er een goed gesprek over ontstaat over de achtergronden van de cijfers. Zijn advies was om je als kunstinstelling proactief op te stellen. Laat merken dat je cijfers wel degelijk van belang vindt, maar dat er daarnaast nog iets anders is, zoals kwaliteit. Ga daarover het gesprek aan.
Na deze relatieve buitenstaanders, kwamen de meest direct betrokkenen aan het woord: de auteurs. Van de Wiel ondervroeg Claartje Bunnik en Edwin van Huis over de achtergronden van het boek. Uit hun dagelijkse adviespraktijk viel hun op dat subsidiegevers en –ontvangers verschillende talen spraken en dat de inhoud nauwelijks aan de orde kwam. Wat vertellen cijfers eigenlijk? Ze haalden Rotterdam als voorbeeld aan van hoe het moet. Daar wordt een gesprek met de subsidiënten gevoerd op basis van de bredere doelstellingen van de stad en praten ook verschillende sectoren met elkaar. Bunnik sprak de tijdgeest die Februari constateerde tegen. In de cultuursector richt men zich volgens haar nog steeds meer op cijfers. Van Huis sloot zich hierbij aan en hoopte dat culturele instellingen toch vooral zichzelf blijven. Sta er bij stil waar je het voor doet en doe mee, maar blijf jezelf, was zijn advies.
De paneldiscussie sloot hier direct op aan. Aan tafel namen George Lawson, directeur van het Fonds Podiumkunsten, Benno Tempel, directeur van het Gemeentemuseum Den Haag en Hans Waege, algemeen directeur van het Rotterdam Philharmonisch Orkest, plaats. In de zaal kon gesprekleidster Van de Wiel een beroep doen op Eric van der Want, wethouder namens D66 in Hilversum. Tussen de panelleden heerste opvallend veel eensgezindheid. Zo benadrukten ze dat de culturele sector veel te breed is om onderlinge vergelijkingen mogelijk te maken. Cijfers zeggen in zo’n geval niets. Het is appels met peren vergelijken. Ook hechten alle panelleden aan een gesprek tussen subsidiegever en subsidiënt. Natuurlijk zijn cijfers ook belangrijk, maar ze zijn niet alleszeggend. Een gesprek kan duidelijk maken waarom de cijfers zijn zoals ze zijn. Waege kon zich vinden in de complimenten van auteur Van Huis voor de gemeente Rotterdam. Maatschappelijke verankering speelt daar een grote rol en is wel degelijk te meten door bijvoorbeeld het aantal wijkconcerten, lokale sponsoren en concerten op scholen. Maar naast die cijfermatige verantwoording moet je het ook woordelijk doen. Tempel wees op een artikel in Trouw waarin het feit dat enkele musea er nu in geslaagd zijn particulier geld te vinden als het gelijk van staatssecretaris Zijlstra wordt gezien. Musea zijn onderling echter zo verschillend, je kunt een kunstmuseum niet met een historisch museum vergelijken. Lawson hecht er erg veel waarde aan dat het fonds de logica van de subsidiering aan de subsidiënten en de buitenwereld duidelijk kan maken. Peerreviews zijn daarin van groot belang, naast andere criteria. De fysieke waarneming van kwaliteit speelt mee in de beoordeling. Door deze helderheid te creëren kom je als partners tegenover elkaar te staan.
Naar het einde toe mengde ook de zaal zich nadrukkelijker in het gesprek. Meest opvallend daarin was wel de mededeling van Rob Boonzajer Flaes, voormalig lid van de Raad voor Cultuur, dat je het allemaal niet erger moet maken dan het is. ‘De overheid doet niets met alle aangeleverde gegevens. Vul gewoon in wat ze vragen, ze onthouden het toch niet. Als ze je willen korten, doen ze dat toch wel.’ Maud van de Wiel besloot het debat dat naast een interessante discussie ook nog een aantal alternatieve titels had opgeleverd, zoals Tellen is niet weten; Eerst wegen, dan tellen; en Intelligent tellen en dan wegen.
André Nuchelmans
Marjolein Februari, publiciste en adviseur over maatschappelijke en bestuurlijke onderwerpen, zette de publicatie Niet tellen maar wegen en het gebruik van cijfermateriaal in een breder kader, door een voorbeeld uit de luchtvaart aan te halen. Ze betoogde dat getallen de situatie op papier kunnen verbeteren, terwijl die in de praktijk verslechtert. Cijfers gaan een eigen leven leiden. In 2003 ontstond commotie onder de bewoners in de buurt van Maastricht Aachen Airport omdat 87 woningen binnen de contour bleken te liggen waar een grotere kans op overlijden als gevolg van het vliegverkeer was. Het model was gebaseerd op aannames. Door deze te wijzigen werd het aantal woningen al gereduceerd tot 23 huizen. Als klap op de vuurpijl werd de landingsbaan met 150 meter ingekort en bleek er geen enkele woning meer binnen de gevarenzone met verhoogd risico te liggen. Het probleem was opgelost. Februari haalde dit voorbeeld aan om aan te tonen dat de fixatie op papier zo groot is dat de werkelijkheid uit het zicht verdwijnt. Ze besloot haar lezing met drie opmerkingen naar aanleiding van het boek. De eerste was dat het boek binnen de tijdgeest past dat niet alles binnen het nutsdenken te vangen is. Er is steeds meer sprake van een algehele ontevredenheid over meten en de consequenties van een verantwoordingsplicht. Daarnaast wees het boek haar op het verschil tussen ideaal en norm, dat haar al langer bezig houdt. Normen sturen iedereen naar het midden, alles wordt bijgeschaafd naar het gemiddelde. Tegenover het SMART-principe (specifiek, meetbaar, acceptabel, realistisch, tijdgebonden) van doelstellingen stelde zij het FUZZY-principe (feestelijk, uitdagend, zuiver, zindelijk, yes). Tot slot ging ze in op de begrippen vitaliteit en weerbaar. Ze bedoelde hiermee dat je instelling moet zijn om je werk goed te doen, in plaats van achteraf te kijken hoe je het gedaan hebt. Niet de regels sturen je, maar je eigen professionaliteit. Dit is in de kunstwereld niet zo vanzelfsprekend en dat moet in deze barre tijden onder ogen gezien worden. Er is maar één ding dat werkt en dat is je werk beter doen!
Vervolgens ondervroeg Maud van de Wiel Hans de Bruijn, hoogleraar bestuurskunde aan de Technische Universiteit Delft, als relatieve buitenstaander naar zijn mening over prestatieafspraken. De Bruijn refereerde daarbij vooral aan de prestatieafspraken zoals die tot voor kort in de universitaire wereld gelden. Daar hanteerde men voor elke publicatie een puntensysteem, afhankelijk van onder andere het soort publicatie en de taal. Het enige doel was nog om aan het gestelde aantal punten te komen. De inhoud deed er niet meer toe. In de universitaire wereld is de kritiek op het verantwoordingsdenken inmiddels ingedaald. Maar, zo nuanceerde hij zijn betoog, cijfers kunnen zeker heilzaam zijn in alle sectoren. Hij bedoelde daar vooral simpele cijfers mee, zoals bijvoorbeeld publiekcijfers. Als degene die de cijfers levert, moet je er begrip voor opbrengen dat er behoefte is aan cijfers. Maar het moet niet alleen bij de cijfers blijven. Van belang is dat er een goed gesprek over ontstaat over de achtergronden van de cijfers. Zijn advies was om je als kunstinstelling proactief op te stellen. Laat merken dat je cijfers wel degelijk van belang vindt, maar dat er daarnaast nog iets anders is, zoals kwaliteit. Ga daarover het gesprek aan.
Na deze relatieve buitenstaanders, kwamen de meest direct betrokkenen aan het woord: de auteurs. Van de Wiel ondervroeg Claartje Bunnik en Edwin van Huis over de achtergronden van het boek. Uit hun dagelijkse adviespraktijk viel hun op dat subsidiegevers en –ontvangers verschillende talen spraken en dat de inhoud nauwelijks aan de orde kwam. Wat vertellen cijfers eigenlijk? Ze haalden Rotterdam als voorbeeld aan van hoe het moet. Daar wordt een gesprek met de subsidiënten gevoerd op basis van de bredere doelstellingen van de stad en praten ook verschillende sectoren met elkaar. Bunnik sprak de tijdgeest die Februari constateerde tegen. In de cultuursector richt men zich volgens haar nog steeds meer op cijfers. Van Huis sloot zich hierbij aan en hoopte dat culturele instellingen toch vooral zichzelf blijven. Sta er bij stil waar je het voor doet en doe mee, maar blijf jezelf, was zijn advies.
De paneldiscussie sloot hier direct op aan. Aan tafel namen George Lawson, directeur van het Fonds Podiumkunsten, Benno Tempel, directeur van het Gemeentemuseum Den Haag en Hans Waege, algemeen directeur van het Rotterdam Philharmonisch Orkest, plaats. In de zaal kon gesprekleidster Van de Wiel een beroep doen op Eric van der Want, wethouder namens D66 in Hilversum. Tussen de panelleden heerste opvallend veel eensgezindheid. Zo benadrukten ze dat de culturele sector veel te breed is om onderlinge vergelijkingen mogelijk te maken. Cijfers zeggen in zo’n geval niets. Het is appels met peren vergelijken. Ook hechten alle panelleden aan een gesprek tussen subsidiegever en subsidiënt. Natuurlijk zijn cijfers ook belangrijk, maar ze zijn niet alleszeggend. Een gesprek kan duidelijk maken waarom de cijfers zijn zoals ze zijn. Waege kon zich vinden in de complimenten van auteur Van Huis voor de gemeente Rotterdam. Maatschappelijke verankering speelt daar een grote rol en is wel degelijk te meten door bijvoorbeeld het aantal wijkconcerten, lokale sponsoren en concerten op scholen. Maar naast die cijfermatige verantwoording moet je het ook woordelijk doen. Tempel wees op een artikel in Trouw waarin het feit dat enkele musea er nu in geslaagd zijn particulier geld te vinden als het gelijk van staatssecretaris Zijlstra wordt gezien. Musea zijn onderling echter zo verschillend, je kunt een kunstmuseum niet met een historisch museum vergelijken. Lawson hecht er erg veel waarde aan dat het fonds de logica van de subsidiering aan de subsidiënten en de buitenwereld duidelijk kan maken. Peerreviews zijn daarin van groot belang, naast andere criteria. De fysieke waarneming van kwaliteit speelt mee in de beoordeling. Door deze helderheid te creëren kom je als partners tegenover elkaar te staan.
Naar het einde toe mengde ook de zaal zich nadrukkelijker in het gesprek. Meest opvallend daarin was wel de mededeling van Rob Boonzajer Flaes, voormalig lid van de Raad voor Cultuur, dat je het allemaal niet erger moet maken dan het is. ‘De overheid doet niets met alle aangeleverde gegevens. Vul gewoon in wat ze vragen, ze onthouden het toch niet. Als ze je willen korten, doen ze dat toch wel.’ Maud van de Wiel besloot het debat dat naast een interessante discussie ook nog een aantal alternatieve titels had opgeleverd, zoals Tellen is niet weten; Eerst wegen, dan tellen; en Intelligent tellen en dan wegen.
André Nuchelmans
woensdag 5 oktober 2011
De boekenbusiness. Hoe geld het boekenvak heeft veranderd
‘Hoe het grote geld het boekenvak en het lezen heeft veranderd’, luidt de ondertitel van André Schiffrins levendige en persoonlijke boek over de vercommercialisering van de boekenwereld. Volgens de oud-uitgever van Pantheon Books, de Amerikaanse uitgeverij van onder anderen Günter Grass en Simone de Beauvoir, is een boek tegenwoordig een product ‘zoals een pak zeep’, dat zijn succes uitsluitend aan winst afmeet.
De Boekenbusiness begint als de memoires van Schiffrin, die als klein jongetje in het New York van de jaren veertig graag op bezoek ging bij de uitgeverijen waar zijn vader werkte: eerst Gallimard en later, vanaf 1942, Pantheon Books. Dialogen tussen rijke Amerikaanse investeerders en intellectuele Europeaanse uitgevers, eigen gedachten en de vertellende ik-figuur maken het boek prettig leesbaar en aansprekend. Ondanks de vele romantitels, auteurs, jaartallen en zakelijke kwesties die aan de orde komen, is Schiffrins vertelling allesbehalve een geschiedenisles.
Rode draad in het verhaal zijn de ontwikkelingen binnen uitgeverij Pantheon, die zich sinds eind jaren vijftig steeds meer zou richten op verkoop en promotie. Destijds veranderde geld de toekomst van het bedrijf door onder meer Doctor Zhivago in een oplage van 4000 exemplaren te drukken. De schrijver, Boris Pasternak, kreeg een Nobelprijs en de moeilijke Russische roman werd met meer dan zes miljoen verkochte exemplaren een bestseller.
Dat was pas het begin, zo vertelt Schiffrin. Uit alles in zijn boek spreekt liefde voor het vak en een wens voor een intellectueel en verstandig uitgeefbeleid en een afkeer van vercommercialisering die daar decennialang een einde aan maakte. Het is fascinerend om te lezen hoe de auteur sinds 1961, toen hij zijn vader opvolgde als hoofd van uitgeverij Pantheon, steeds meer te maken kreeg met financieel gewin en kortzichtige commerciële keuzes, die diversiteit en experimenten in de boekenwereld langzaam naar de achtergrond verdreven. In de jaren negentig werden ‘substantiële titels’ geschrapt omdat ze de budgettair opgelegde verkoopcijfers niet haalden, de rol van uitgever werd langzaam vervangen door marketingmanagers. Het boek was geen intellectueel of maatschappelijk waardevol goed meer, maar een product.
Hoewel De Boekenbusiness hier en daar een ‘vroeger-was-alles-beter’-neiging heeft, schrijft Schiffrin zijn betoog overtuigend en haalt hij genoeg voorbeelden aan om te onderbouwen dat de boekenwereld vroeger waarschijnlijk inderdaad beter was. De auteur liet het hoofd echter niet hangen: sinds de jaren negentig is hij hoofd van uitgeverij The New Press, waar auteur en boek centraal staan.
In een nawoord beschrijft Laurens van Krevelen vergelijkbare ontwikkelingen in Nederland.
André Schiffrin - De Boekenbusiness. Hoe het grote geld het boekenvak en het lezen heeft veranderd - Amsterdam: Wereldbibliotheek, 2011 - ISBN 9789028423572 – prijs: euro 19,90
Ook te leen in de bibliotheek van de Boekmanstichting, signatuur: 11-283
Kim van der Meulen
De Boekenbusiness begint als de memoires van Schiffrin, die als klein jongetje in het New York van de jaren veertig graag op bezoek ging bij de uitgeverijen waar zijn vader werkte: eerst Gallimard en later, vanaf 1942, Pantheon Books. Dialogen tussen rijke Amerikaanse investeerders en intellectuele Europeaanse uitgevers, eigen gedachten en de vertellende ik-figuur maken het boek prettig leesbaar en aansprekend. Ondanks de vele romantitels, auteurs, jaartallen en zakelijke kwesties die aan de orde komen, is Schiffrins vertelling allesbehalve een geschiedenisles.
Rode draad in het verhaal zijn de ontwikkelingen binnen uitgeverij Pantheon, die zich sinds eind jaren vijftig steeds meer zou richten op verkoop en promotie. Destijds veranderde geld de toekomst van het bedrijf door onder meer Doctor Zhivago in een oplage van 4000 exemplaren te drukken. De schrijver, Boris Pasternak, kreeg een Nobelprijs en de moeilijke Russische roman werd met meer dan zes miljoen verkochte exemplaren een bestseller.
Dat was pas het begin, zo vertelt Schiffrin. Uit alles in zijn boek spreekt liefde voor het vak en een wens voor een intellectueel en verstandig uitgeefbeleid en een afkeer van vercommercialisering die daar decennialang een einde aan maakte. Het is fascinerend om te lezen hoe de auteur sinds 1961, toen hij zijn vader opvolgde als hoofd van uitgeverij Pantheon, steeds meer te maken kreeg met financieel gewin en kortzichtige commerciële keuzes, die diversiteit en experimenten in de boekenwereld langzaam naar de achtergrond verdreven. In de jaren negentig werden ‘substantiële titels’ geschrapt omdat ze de budgettair opgelegde verkoopcijfers niet haalden, de rol van uitgever werd langzaam vervangen door marketingmanagers. Het boek was geen intellectueel of maatschappelijk waardevol goed meer, maar een product.
Hoewel De Boekenbusiness hier en daar een ‘vroeger-was-alles-beter’-neiging heeft, schrijft Schiffrin zijn betoog overtuigend en haalt hij genoeg voorbeelden aan om te onderbouwen dat de boekenwereld vroeger waarschijnlijk inderdaad beter was. De auteur liet het hoofd echter niet hangen: sinds de jaren negentig is hij hoofd van uitgeverij The New Press, waar auteur en boek centraal staan.
In een nawoord beschrijft Laurens van Krevelen vergelijkbare ontwikkelingen in Nederland.
André Schiffrin - De Boekenbusiness. Hoe het grote geld het boekenvak en het lezen heeft veranderd - Amsterdam: Wereldbibliotheek, 2011 - ISBN 9789028423572 – prijs: euro 19,90
Ook te leen in de bibliotheek van de Boekmanstichting, signatuur: 11-283
Kim van der Meulen
Labels:
boekbespreking,
boeken,
boekenvak,
commercialisering,
management,
marketing
dinsdag 4 oktober 2011
De oogst van KOERS KUNST, presentatie en debat
Maandag 3 oktober stond de oogst van KOERS KUNST centraal in Pakhuis De Zwijger in Amsterdam. Buiten was het fraai weer. Desondanks kwamen circa 150 mensen naar de bijeenkomst, bestaande uit een presentatie door initiatiefnemer Johan Idema en een discussie m.m.v. Dingeman Kuilman (collegevoorzitter van ArtEZ hogeschool voor de kunsten), Nanette Ris (directeur muziekcentrum Vredenburg) en Hans Maarten van den Brink (directeur Mediafonds). De gespreksleiding was in handen van Ilona Eichhorn. Met uitroepen als ‘U haalt adem, dus u wilt vast iets vragen!’, slaagde ze er in de aandacht vast te houden. Een beetje vreemd, was het wel.
KOERS KUNST is een landelijke brainstorm, opgezet door Idema en Simon van den Berg, bedoeld om de mogelijkheden voor vernieuwing in de wereld van kunst en cultuur te verkennen. Van april tot juli kreeg iedereen die kunst en cultuur een warm hart toedraagt de kans om zijn of haar ideeën aan te dragen. De beste initiatieven werden online verspreid (zie www.koerskunst.nl) en becommentarieerd door een panel van deskundigen. Sinds april hebben circa 10.000 belangstellenden op enigerleiwijze hun stem laten horen op de interactieve website, twitter of andere media. De sector mag dit niet negeren, aldus Idema, die nog benadrukte dat het project al voor de bezuinigingen was ontstaan. De behoefte aan vernieuwing in de kunstwereld dateert al van daarvoor.
De resultaten van het project kregen hun neerslag in een publicatie, die de eerste honderd bezoekers van de bijeenkomst kregen uitgereikt. Johan Idema presenteerde aan de hand van een powerpoint een terugblik op het project en lichtte de belangrijkste conclusies toe. Hij bracht ze onder in drie zogenaamde routes: 1. Van bekijken naar begrijpen; 2. Van bestoken naar betrekken; 3. Van binnenkant naar buitenkans. De belangrijkste conclusie was: echte vernieuwing draait om meer dan financiering en publiek. Het begint bij de missie, ambities en bedrijfsprocessen. Frisse ideeën kunnen leiden tot vernieuwing in de praktijk, aldus Idema.
Het panel kwam vervolgens aan het woord. Aanpassen of uitsterven? Dat was de eerste stelling die Eichhorn de gasten voorlegde. Aanpassen natuurlijk, reageerden ze. Instellingen zijn al druk bezig, legde Ris uit. Er volgden meer stellingen, soms gebaseerd op vragen vanuit het publiek. Bijvoorbeeld de vraag: Is de sector niet allang bezig met de drie genoemde routes? (ja, min of meer...) Ook de kwestie elitekunst versus populaire cultuur dook op. Moeten kunstinstellingen en kunstenaar zich richten op de inhoud of op vermaak? De meningen waren licht verdeeld, maar uiteindelijk was men het er over eens dat het zaak is publiek te betrekken bij kunstuitingen door het ervoor te enthousiasmeren, en niet dwingend ´vóór te schrijven´. Wie maakt zich tegenwoordig nog werkelijk druk om het toegankelijk maken van kunst? Wat is er eigenlijk mee mis wanneer Oprah Winfrey in haar boekenclub op weinig literaire wijze een lans breekt voor Tolstoj’s Anna Karenina en het boek daarmee tot bestseller weet te transformeren? Helemaal niets! ‘Het gaat er om dat publiek zich realiseert dat het boek over hen gaat, en dus een bepaalde relevantie voor ze heeft. Ze stellen zich er vervolgens voor open’, legde Kuilman uit. ‘Daarom moet je je als instelling verdiepen in de belevingswereld van je publiek’.
Kuilman kon zich ook vinden in het voorstel vanuit de zaal voor trapsgewijze instroom. Niet iedereen wil hetzelfde, pas je aanbod daar op aan. De een wil meer inhoud en diepgang, een ander komt puur om zich te vermaken. Het is niet het een of het ander, je kunt je aanbod ook variëren. Idema noemde nog een ander voorbeeld: rondleidingen in musea. Bezoekers leren kijken naar wat ze eerst wel zagen, maar misschien niet ‘ begrepen’. In het geval van bepaalde kunstuitingen bestaat er van oudsher weliswaar een zekere afstand tot het grote publiek, zoals bij poëzie. Dat neemt niet weg dat het tijd wordt dat er weer eens iets wordt ondernomen om ook deze afstand te beslechten, aldus Kuilman. De Nacht van de poëzie was een prachtig initiatief, maar is al weer een paar decennia oud. ‘Kortom, tijd om iets nieuws te verzinnen’. Vanuit de zaal werd hem het verwijt gemaakt dat hij teveel op de hoge kunst inzette. Hiphop is eigenlijk ook poëzie en daar luisteren veel meer mensen naar. Zo kwam ook deze discussie weer terug bij het onderscheid hoge en lage kunst.
Nanette Ris zette in heldere woorden uiteen dat de moeizame onderlinge verhoudingen bij de realisatie van Het Muziekpaleis in Utrecht de betrokken partijen de afgelopen maanden hebben gedwongen te kijken naar de eigen DNA en interne discussies te voeren over missie en doelstellingen. Tivoli zag Vredenburg vooral als elitaire kunst, andersom zag Vredenburg de popzaal vooral als bierschenker. Je moet dan vooral niet in het defensieve schieten, maar proberen te achterhalen waar die vooroordelen op berusten. Vanuit haar ervaringen onderstreepte ze de bevindingen van Idema en Van de Berg. Organiseer je eigen zelfkritiek, was haar aanvullend devies. Experimenteer met formats, probeer nieuw publiek te overtuigen, spring niet direct in een defensieve houding. ‘Luister naar je publiek’. Hans Maarten ten Brink viel haar bij. ‘Als instelling moet je gaan waar je publiek is.’
Idema benadrukte dat hij hoopt dat financiers dezelfde richtlijnen volgen bij het ondersteunen van initiatieven. Fondsen en andere geldschieters zouden meer eisen moeten stellen aan de subsidiënt om de drie routes te volgen. De in de zaal aanwezige vertegenwoordigers van fondsen lieten zich daar nog niet zo duidelijk over uit. Het is aan de instellingen om naast het produceren ook het experiment ruimte te bieden, maar daarvoor hebben ze de steun van geldschieters nodig. Ook zouden die geldschieters minder geld voor de producties kunnen geven en meer voor publiciteit en marketing. Vooralsnog gaat subsidie vooral naar de productie en komt promotie op een tweede plan. Hans Maarten ten Brink bepleitte meer samenwerking tussen de fondsen. Iets wat het Mediafonds de afgelopen jaren al in de praktijk heeft gebracht.
Een feestelijke borrel rondde de bijeenkomst af. De versnaperingen waren overigens op kosten van de gebruiker. Het leek rechtstreeks afkomstig uit de ideeënkoker van KOERS KUNST.
U kunt de publicatie vinden op www.koerskunst.nl
Jack van der Leden en André Nuchelmans
KOERS KUNST is een landelijke brainstorm, opgezet door Idema en Simon van den Berg, bedoeld om de mogelijkheden voor vernieuwing in de wereld van kunst en cultuur te verkennen. Van april tot juli kreeg iedereen die kunst en cultuur een warm hart toedraagt de kans om zijn of haar ideeën aan te dragen. De beste initiatieven werden online verspreid (zie www.koerskunst.nl) en becommentarieerd door een panel van deskundigen. Sinds april hebben circa 10.000 belangstellenden op enigerleiwijze hun stem laten horen op de interactieve website, twitter of andere media. De sector mag dit niet negeren, aldus Idema, die nog benadrukte dat het project al voor de bezuinigingen was ontstaan. De behoefte aan vernieuwing in de kunstwereld dateert al van daarvoor.
De resultaten van het project kregen hun neerslag in een publicatie, die de eerste honderd bezoekers van de bijeenkomst kregen uitgereikt. Johan Idema presenteerde aan de hand van een powerpoint een terugblik op het project en lichtte de belangrijkste conclusies toe. Hij bracht ze onder in drie zogenaamde routes: 1. Van bekijken naar begrijpen; 2. Van bestoken naar betrekken; 3. Van binnenkant naar buitenkans. De belangrijkste conclusie was: echte vernieuwing draait om meer dan financiering en publiek. Het begint bij de missie, ambities en bedrijfsprocessen. Frisse ideeën kunnen leiden tot vernieuwing in de praktijk, aldus Idema.
Het panel kwam vervolgens aan het woord. Aanpassen of uitsterven? Dat was de eerste stelling die Eichhorn de gasten voorlegde. Aanpassen natuurlijk, reageerden ze. Instellingen zijn al druk bezig, legde Ris uit. Er volgden meer stellingen, soms gebaseerd op vragen vanuit het publiek. Bijvoorbeeld de vraag: Is de sector niet allang bezig met de drie genoemde routes? (ja, min of meer...) Ook de kwestie elitekunst versus populaire cultuur dook op. Moeten kunstinstellingen en kunstenaar zich richten op de inhoud of op vermaak? De meningen waren licht verdeeld, maar uiteindelijk was men het er over eens dat het zaak is publiek te betrekken bij kunstuitingen door het ervoor te enthousiasmeren, en niet dwingend ´vóór te schrijven´. Wie maakt zich tegenwoordig nog werkelijk druk om het toegankelijk maken van kunst? Wat is er eigenlijk mee mis wanneer Oprah Winfrey in haar boekenclub op weinig literaire wijze een lans breekt voor Tolstoj’s Anna Karenina en het boek daarmee tot bestseller weet te transformeren? Helemaal niets! ‘Het gaat er om dat publiek zich realiseert dat het boek over hen gaat, en dus een bepaalde relevantie voor ze heeft. Ze stellen zich er vervolgens voor open’, legde Kuilman uit. ‘Daarom moet je je als instelling verdiepen in de belevingswereld van je publiek’.
Kuilman kon zich ook vinden in het voorstel vanuit de zaal voor trapsgewijze instroom. Niet iedereen wil hetzelfde, pas je aanbod daar op aan. De een wil meer inhoud en diepgang, een ander komt puur om zich te vermaken. Het is niet het een of het ander, je kunt je aanbod ook variëren. Idema noemde nog een ander voorbeeld: rondleidingen in musea. Bezoekers leren kijken naar wat ze eerst wel zagen, maar misschien niet ‘ begrepen’. In het geval van bepaalde kunstuitingen bestaat er van oudsher weliswaar een zekere afstand tot het grote publiek, zoals bij poëzie. Dat neemt niet weg dat het tijd wordt dat er weer eens iets wordt ondernomen om ook deze afstand te beslechten, aldus Kuilman. De Nacht van de poëzie was een prachtig initiatief, maar is al weer een paar decennia oud. ‘Kortom, tijd om iets nieuws te verzinnen’. Vanuit de zaal werd hem het verwijt gemaakt dat hij teveel op de hoge kunst inzette. Hiphop is eigenlijk ook poëzie en daar luisteren veel meer mensen naar. Zo kwam ook deze discussie weer terug bij het onderscheid hoge en lage kunst.
Nanette Ris zette in heldere woorden uiteen dat de moeizame onderlinge verhoudingen bij de realisatie van Het Muziekpaleis in Utrecht de betrokken partijen de afgelopen maanden hebben gedwongen te kijken naar de eigen DNA en interne discussies te voeren over missie en doelstellingen. Tivoli zag Vredenburg vooral als elitaire kunst, andersom zag Vredenburg de popzaal vooral als bierschenker. Je moet dan vooral niet in het defensieve schieten, maar proberen te achterhalen waar die vooroordelen op berusten. Vanuit haar ervaringen onderstreepte ze de bevindingen van Idema en Van de Berg. Organiseer je eigen zelfkritiek, was haar aanvullend devies. Experimenteer met formats, probeer nieuw publiek te overtuigen, spring niet direct in een defensieve houding. ‘Luister naar je publiek’. Hans Maarten ten Brink viel haar bij. ‘Als instelling moet je gaan waar je publiek is.’
Idema benadrukte dat hij hoopt dat financiers dezelfde richtlijnen volgen bij het ondersteunen van initiatieven. Fondsen en andere geldschieters zouden meer eisen moeten stellen aan de subsidiënt om de drie routes te volgen. De in de zaal aanwezige vertegenwoordigers van fondsen lieten zich daar nog niet zo duidelijk over uit. Het is aan de instellingen om naast het produceren ook het experiment ruimte te bieden, maar daarvoor hebben ze de steun van geldschieters nodig. Ook zouden die geldschieters minder geld voor de producties kunnen geven en meer voor publiciteit en marketing. Vooralsnog gaat subsidie vooral naar de productie en komt promotie op een tweede plan. Hans Maarten ten Brink bepleitte meer samenwerking tussen de fondsen. Iets wat het Mediafonds de afgelopen jaren al in de praktijk heeft gebracht.
Een feestelijke borrel rondde de bijeenkomst af. De versnaperingen waren overigens op kosten van de gebruiker. Het leek rechtstreeks afkomstig uit de ideeënkoker van KOERS KUNST.
U kunt de publicatie vinden op www.koerskunst.nl
Jack van der Leden en André Nuchelmans
Labels:
financiering,
marketing,
markt,
private financiering,
publiek,
toekomstvisie,
verslag
vrijdag 23 september 2011
De koopman en de kunstenaar. Hoe kunst en handel elkaar – kunnen – versterken
Op de toepasselijke locatie het ING House vond op 22 september de door Sica samen met ING georganiseerde bijeenkomst De koopman en de kunstenaar plaats. Na een heldere keynotespeech van Paul Hughes werd in een plenaire discussie uitgebreid ingegaan op de samenwerkingsverbanden bij de wereldtournee die het Koninklijk Concertgebouw Orkest (KCO) in 2013 gaat houden. Na 3 parallelle workshops legde dagvoorzitter Rob Vermaas de Vlaming Hugo de Greef een aantal vragen voor op het middagthema. Een mooi afgerond programma waarin de deelnemers vol ideeën en goede moed weer vertrokken.
Na een kort welkomstwoord door Jan Kennis, adjunct-directeur bij Sica, stak Paul Hughes van wal. Hughes is mede-oprichter en strategisch directeur van Lava, dat zich bezighoudt met branding en design. In slechts een kwartier deed hij uit de doeken waar Nederlandse kunstinstellingen en kunstenaars vaak in de fout gaan als zij zich in het buitenland willen presenteren. De titel van de lezing,Sweet spot, verwees naar de kracht van samenwerking. De kracht zit hem in de combinatie niet in de individuele elementen. De combinatie van koolstof, waterstof en zuurstof levert suiker. Hetzelfde geldt voor de Nederlandse cultuur. Momenteel wordt het vooral op individueel niveau gepromoot, terwijl een combinatie veel meer op kan leveren. Het brandverhaal is daarbij van belang (Why? What? How?). ‘It’s not what you do, it’s how you do it’, hield Hughes de aanwezigen voor. ‘Connect your stories and unify under the Dutch brand’. Kenmerken van het Nederlandse merk zijn ‘pragmatic openmindedness, collaborative diversity and local/global’. Treed daar collectief mee naar buiten en verplaats je in de buitenstaander. Hoe kijkt die tegen je aan?
De plenaire discussie over de wereldtournee van het KCO gaf direct aan hoe je dit model in praktijk kunt brengen. In het panel zaten vertegenwoordigers van het KCO en van partners waarmee het de wereldtournee organiseert. Jan Meddens, manager corporate relations & sponsoring bij het KCO, legde kort uit wat de wereldtournee inhoudt en hoe het KCO dit organisatorisch aan gaat pakken. Rutger Hamelynck, global head sponsorship bij ING, vertelde dat ING als sinds 1989 partner is van KCO. De merkverhalen van ING en KCO passen goed bij elkaar en ze hebben beide belang bij internationale optredens. De optredens bieden ING goede mogelijkheden contacten in het buitenland aan te halen. Een andere partner is de AVRO. Willemijn Maas, algemeen directeur van de AVRO, overtrof ING door mee te delen dat de banden tussen AVRO en KCO al bijna 90 jaar oud zijn. De AVRO wil kunst en cultuur toegankelijk maken bij een breed publiek, maar is daarbij op zoek naar andere vormen dan een pure concertregistratie. De bedoeling is dan ook om een roadmovie van de wereldtour te maken. Jan van Weijen, verbonden aan de Nederlandse ambassade in Londen, maakte duidelijk wat de ambassade voor het KCO kan betekenen als het Groot-Brittannië aandoet en welke mogelijkheden optredens van het KCO aldaar de ambassade bieden. Het KCO is daarbij een visitekaartje waar je als ambassade mee voor de dag kunt komen door bijvoorbeeld buitenlandse investeerders voor het concert uit te nodigen. Agentschap NL biedt het KCO vooral contacten in de landen die tijdens de wereldtournee aangedaan worden, zo lichtte Vincent Stokman toe. Kunst en cultuur worden daar vooral gebruikt om contacten voor het bedrijfsleven te leggen en te onderhouden.
Tot besluit kwam dagvoorzitter Rob Vermaas terug op de samenwerking en hoe dit als voorbeeld voor andere culturele instellingen zou kunnen werken. Hier kwam naar voren dat je als culturele instelling niet kost wat kost het buitenland voor ogen moet houden. Veel instellingen zijn daar ook niet voor bedoeld. Als je echter naar het buitenland wilt, is het van belang daar een helder en goed onderbouwd plan voor op te stellen, waarmee je bij eventuele partners aan kunt komen. Het KCO heeft wat dat betreft als wereldvermaard orkest dat overal welkom is een duidelijke voorsprong. ING verbindt zich niet aan optredens van het KCO. Zo heeft ING geen enkel belang in Zuid-Afrika. Daar zal het zich dan ook niet met het KCO afficheren. Het zal echter niet moeilijk zijn daar een andere partner voor te vinden. Willemijn Maas bracht in dat het model niet alleen internationaal maar ook nationaal bruikbaar is. ING gaf in de persoon van Hamelynck te kennen dat als kunstinstellingen ondernemend zijn, het ING daar graag bij aanhaakt.
Na een korte pauze werden de aanwezigen verdeeld over 3 workshops: Hoe weet ik wat ik waard ben? Het buitenland gold als voorbeeld. En wat doet de koppelaar? Ik was ingedeeld bij de eerste workshop waar Steven Kop, creatief directeur van adviesbureau Creatieve Koppen, een inleiding hield over de werkwijze van zijn bureau. Aan de hand van een aantal pitches werden de aanwezigen uitgedaagd mogelijke oplossingen aan te dragen. Zoals in het huidige klimaat te verwachten, betrof het vooral het zoeken van financiers voor projecten. Het viel me op hoeveel oplossingen mensen uit de kunst- en cultuursector hier in korte tijd voor aan kunnen dragen. Zo werd een pianist die een festival wilde organiseren waar pianisten en drummers voorstellingen gaven door de aanwezigen gekoppeld aan een datingbureau of een bedrijf met veel duobanen. Kop kwam zelf met het voorbeeld van de Cliniclowns die meer voorstellingen wilden geven, maar hoe dat te financieren? Hij stelde daarop voor de cliniclowns ook in het bedrijfsleven in te zetten. Door daar een ziekenhuisclown voor op te offeren, konden 3 anderen extra in het ziekenhuis aan de slag. Een reden om de banden met het bedrijfsleven op andere manier aan te halen dan alleen als directe financier.
Een kort interview met Hugo de Greef, momenteel adviseur van de Vlaamse regering over de vormgeving van haar internationaal cultuurbeleid, besloot de bijeenkomst. Op de vraag naar zijn mening over de combinatie kunst en koopman was De Greef duidelijk. Dit levert in een aantal gevallen zeker goede combinaties op, maar het dient geen uitgangspunt te zijn. Net zo min als het uitgangspunt dat de overheid eigen inkomsten van cultuur- en kunstinstellingen een op een matcht. De kunst- en cultuursector is daarvoor te divers en de verschillen tussen de verschillende sectoren zijn daarvoor te groot. Een orkest is niet te vergelijken met een filmregisseur of beeldend kunstenaar. Maar zoals ING-medewerker Rutger Hamelynck in de paneldiscussie al aangaf: ‘op ieder potje past een dekseltje’.
André Nuchelmans
Na een kort welkomstwoord door Jan Kennis, adjunct-directeur bij Sica, stak Paul Hughes van wal. Hughes is mede-oprichter en strategisch directeur van Lava, dat zich bezighoudt met branding en design. In slechts een kwartier deed hij uit de doeken waar Nederlandse kunstinstellingen en kunstenaars vaak in de fout gaan als zij zich in het buitenland willen presenteren. De titel van de lezing,Sweet spot, verwees naar de kracht van samenwerking. De kracht zit hem in de combinatie niet in de individuele elementen. De combinatie van koolstof, waterstof en zuurstof levert suiker. Hetzelfde geldt voor de Nederlandse cultuur. Momenteel wordt het vooral op individueel niveau gepromoot, terwijl een combinatie veel meer op kan leveren. Het brandverhaal is daarbij van belang (Why? What? How?). ‘It’s not what you do, it’s how you do it’, hield Hughes de aanwezigen voor. ‘Connect your stories and unify under the Dutch brand’. Kenmerken van het Nederlandse merk zijn ‘pragmatic openmindedness, collaborative diversity and local/global’. Treed daar collectief mee naar buiten en verplaats je in de buitenstaander. Hoe kijkt die tegen je aan?
De plenaire discussie over de wereldtournee van het KCO gaf direct aan hoe je dit model in praktijk kunt brengen. In het panel zaten vertegenwoordigers van het KCO en van partners waarmee het de wereldtournee organiseert. Jan Meddens, manager corporate relations & sponsoring bij het KCO, legde kort uit wat de wereldtournee inhoudt en hoe het KCO dit organisatorisch aan gaat pakken. Rutger Hamelynck, global head sponsorship bij ING, vertelde dat ING als sinds 1989 partner is van KCO. De merkverhalen van ING en KCO passen goed bij elkaar en ze hebben beide belang bij internationale optredens. De optredens bieden ING goede mogelijkheden contacten in het buitenland aan te halen. Een andere partner is de AVRO. Willemijn Maas, algemeen directeur van de AVRO, overtrof ING door mee te delen dat de banden tussen AVRO en KCO al bijna 90 jaar oud zijn. De AVRO wil kunst en cultuur toegankelijk maken bij een breed publiek, maar is daarbij op zoek naar andere vormen dan een pure concertregistratie. De bedoeling is dan ook om een roadmovie van de wereldtour te maken. Jan van Weijen, verbonden aan de Nederlandse ambassade in Londen, maakte duidelijk wat de ambassade voor het KCO kan betekenen als het Groot-Brittannië aandoet en welke mogelijkheden optredens van het KCO aldaar de ambassade bieden. Het KCO is daarbij een visitekaartje waar je als ambassade mee voor de dag kunt komen door bijvoorbeeld buitenlandse investeerders voor het concert uit te nodigen. Agentschap NL biedt het KCO vooral contacten in de landen die tijdens de wereldtournee aangedaan worden, zo lichtte Vincent Stokman toe. Kunst en cultuur worden daar vooral gebruikt om contacten voor het bedrijfsleven te leggen en te onderhouden.
Tot besluit kwam dagvoorzitter Rob Vermaas terug op de samenwerking en hoe dit als voorbeeld voor andere culturele instellingen zou kunnen werken. Hier kwam naar voren dat je als culturele instelling niet kost wat kost het buitenland voor ogen moet houden. Veel instellingen zijn daar ook niet voor bedoeld. Als je echter naar het buitenland wilt, is het van belang daar een helder en goed onderbouwd plan voor op te stellen, waarmee je bij eventuele partners aan kunt komen. Het KCO heeft wat dat betreft als wereldvermaard orkest dat overal welkom is een duidelijke voorsprong. ING verbindt zich niet aan optredens van het KCO. Zo heeft ING geen enkel belang in Zuid-Afrika. Daar zal het zich dan ook niet met het KCO afficheren. Het zal echter niet moeilijk zijn daar een andere partner voor te vinden. Willemijn Maas bracht in dat het model niet alleen internationaal maar ook nationaal bruikbaar is. ING gaf in de persoon van Hamelynck te kennen dat als kunstinstellingen ondernemend zijn, het ING daar graag bij aanhaakt.
Na een korte pauze werden de aanwezigen verdeeld over 3 workshops: Hoe weet ik wat ik waard ben? Het buitenland gold als voorbeeld. En wat doet de koppelaar? Ik was ingedeeld bij de eerste workshop waar Steven Kop, creatief directeur van adviesbureau Creatieve Koppen, een inleiding hield over de werkwijze van zijn bureau. Aan de hand van een aantal pitches werden de aanwezigen uitgedaagd mogelijke oplossingen aan te dragen. Zoals in het huidige klimaat te verwachten, betrof het vooral het zoeken van financiers voor projecten. Het viel me op hoeveel oplossingen mensen uit de kunst- en cultuursector hier in korte tijd voor aan kunnen dragen. Zo werd een pianist die een festival wilde organiseren waar pianisten en drummers voorstellingen gaven door de aanwezigen gekoppeld aan een datingbureau of een bedrijf met veel duobanen. Kop kwam zelf met het voorbeeld van de Cliniclowns die meer voorstellingen wilden geven, maar hoe dat te financieren? Hij stelde daarop voor de cliniclowns ook in het bedrijfsleven in te zetten. Door daar een ziekenhuisclown voor op te offeren, konden 3 anderen extra in het ziekenhuis aan de slag. Een reden om de banden met het bedrijfsleven op andere manier aan te halen dan alleen als directe financier.
Een kort interview met Hugo de Greef, momenteel adviseur van de Vlaamse regering over de vormgeving van haar internationaal cultuurbeleid, besloot de bijeenkomst. Op de vraag naar zijn mening over de combinatie kunst en koopman was De Greef duidelijk. Dit levert in een aantal gevallen zeker goede combinaties op, maar het dient geen uitgangspunt te zijn. Net zo min als het uitgangspunt dat de overheid eigen inkomsten van cultuur- en kunstinstellingen een op een matcht. De kunst- en cultuursector is daarvoor te divers en de verschillen tussen de verschillende sectoren zijn daarvoor te groot. Een orkest is niet te vergelijken met een filmregisseur of beeldend kunstenaar. Maar zoals ING-medewerker Rutger Hamelynck in de paneldiscussie al aangaf: ‘op ieder potje past een dekseltje’.
André Nuchelmans
Labels:
bedrijven,
financiering,
private financiering,
samenwerking,
sponsoring,
verslag
dinsdag 20 september 2011
Incubate. DIY conference
Afgelopen vrijdag was de conferentiedag op het Tilburgse festival Incubate. Het thema was dit jaar DIY oftewel Do It Yourself. In het Midi Theater was een afwisselend programma in de theaterzaal en de bar. De term DIY stamt uit de jaren 70 toen veel punkbandjes het heft in eigen hand namen en niet langer afhankelijk wilden zijn van grote platenmaatschappijen. Ze konden niet alleen zelf de muziek maken, maar die ook opnemen en aan de man of vrouw brengen. In het huidige digitale tijdperk is dat allemaal nog iets eenvoudiger dan toentertijd. In het programma kwam zowel heden als verleden aan de orde, waarbij de balans enigszins doorslag naar de DIY in de jaren 70.
Allereerst was het woord aan Michael Azerrad, auteur van het boek Our band could be your life. In het boek beschrijft hij de opkomst van de DIY cultuur, zoals een aantal Amerikaanse bands dat eind jaren 70, begin jaren 80 in de praktijk bracht. Zijn lezing was een korte weergave van de inhoud van het boek, waaruit hij veelvuldig citeerde. Zoals de titel al aangeeft, was de DIY cultuur in de beschreven periode meer dan alleen een manier waarop bandjes zich manifesteerden. Het was een manier van leven. De lezing was een soort verheerlijking van de beschreven periode. Het was absoluut niet rooskleurig, maar er sprak wel iets uit van 'toen was alles nog serieus (en beter)'. Jammer was bovendien dat Azerrad de draad zelf nauwelijks doortrok naar de huidige tijd. Gelukkig waren er vragen uit de zaal die daar wel op inspeelden. Belangrijkste conclusie was dat de hedendaagse indie cultuur inmiddels veel meer onderdeel is van de media-industrie dan in de vorige eeuw. Alle indielabels zijn onderdeel van een van de grote platenmaatschappijen. De echte DIY manier van muziek maken en distribueren speelt zich daarbuiten af.
Vervolgens was er in de theaterzaal een vertoning van de documentaire PressPausePlay die zich volledig toespitste op de mogelijkheden die de huidige digitale wereld de DIY cultuur biedt. In tegenstelling tot de lezing van Azerrad kwamen hier niet alleen de voordelen, maar ook de nadelen uitvoerig aan de orde. Als grootste nadeel noemden diverse geïnterviewden dat iedereen zijn product wereldwijd kan aanbieden en verspreiden. Je hoeft absoluut geen talent te hebben om een filmpje met je uiting op internet te plaatsen. Ook is het mogelijk om valse of niet in het ritme passende zang electronisch niet vals of ritmisch passend te maken. Hierdoor ontstaat een grote hoeveelheid middelmatige of zelfs minderwaardige cultuurproducten, waar je nauwelijks nog de weg naar het echte talent in kunt vinden. Aansluitend vond een discussie over de film plaats. Tegelijkertijd vond onder leiding van Niels Aalberts (EHPO) een discussie in de bar plaats met studenten over DIY. Daarbij werd hetzelfde punt als in de documentaire aangeroerd: de negatieve effecten van het feit dat iedereen zijn product tegenwoordig via YouTube of een ander digitaal kanaal wereldwijd aan kan bieden.
Na deze discussie in de bar gaf Slava Rubin van IndieGogo in de theaterzaal een presentatie van Crowfunding zoals alleen Amerikanen dat kunnen. In een razend tempo gaf Rubin een zogenaamd objectieve presentatie van crowdfunding, waarbij IndieGogo alom aanwezig was. Desalniettemin was het een enthousiasmerende en informatieve lezing. Iedereen kan op IndieGogo’s een project aanbieden om dat via crowdfunding gefinancierd te krijgen. Je krijgt je geld altijd netjes op je rekening gestort of je je streefbedrag gehaald hebt of niet. Kom je in de lijst van favoriete projecten (opgesteld op basis van zuiver analytische cijferbewerkingen en niet op subjectieve oordelen, aldus Rubin) dan zal IndieGogo er alles aan doen om je een handje te helpen. Van belang is vooral om je via je directe vrienden- en familiekring te verzekeren van een startkapitaal en je product zo onder de aandacht te brengen dat ook andere mensen in je project geïnteresseerd raken. De site herbergt van alles: van industriële ontwerpen tot een bandje dat een cd op wil nemen. IndieGogo kan er van bestaan door van de geslaagde projecten 4% van de opbrengst te vragen en van niet geslaagde 9%. Het meest interessante van de lezing van Rubin was dat hij de term DIY naar de prullenbak verwees. Hij spreekt liever van DIWO: Do It With Others.
Het daaropvolgende interview van John Robb met Steve Ignorant, frontman van de Engelse punkband Crass, verzandde al snel in een verzameling anecdotes die vooral voor de diehard fans interessant waren. Net als de eerste lezing van Azerrad werd het thema van de conferentie niet of nauwelijks naar het heden doorgetrokken. Het slotwoord van de conferentie was aan Bill Drummond, met wie diezelfde dag ook al een uitgebreid interview in de Volkskrant stond. Het onderwerp was nagenoeg hetzelfde. Na een korte terugblik op zijn activiteiten in de popsector vanaf de jaren 90, hekelde Drummond de huidige cultuur waarbij iedereen de gehele dag met oortjes in rondloopt. Het creëert een soort steriele wereld waarin mensen geïsoleerd en geluidloos leven. Iedereen geeft zich de gehele dag over aan een passieve geluidsstroom. Je hoort nooit meer iemand fluiten op straat. Drummond probeert zich hier zelf aan te onttrekken door zich op straat als schoenenpoetser aan te bieden onder een zelfgeproduceerd riedeltje fluiten. Dat hij de daad bij het woord voegde was voor zijn lezing te zien, toen hij de schoenen van nietsvermoedende bezoekers van het congres en voorbijgangers voor de deur van het Miditheater poetste.
Het meest treffende voorbeeld van DIY in het huidige digitale tijdperk leverde Erwin Blom die vrijdagavond al een Ebook van de conferentie produceerde, gemaakt met een gedownloade app op zijn Ipad.
André Nuchelmans
Allereerst was het woord aan Michael Azerrad, auteur van het boek Our band could be your life. In het boek beschrijft hij de opkomst van de DIY cultuur, zoals een aantal Amerikaanse bands dat eind jaren 70, begin jaren 80 in de praktijk bracht. Zijn lezing was een korte weergave van de inhoud van het boek, waaruit hij veelvuldig citeerde. Zoals de titel al aangeeft, was de DIY cultuur in de beschreven periode meer dan alleen een manier waarop bandjes zich manifesteerden. Het was een manier van leven. De lezing was een soort verheerlijking van de beschreven periode. Het was absoluut niet rooskleurig, maar er sprak wel iets uit van 'toen was alles nog serieus (en beter)'. Jammer was bovendien dat Azerrad de draad zelf nauwelijks doortrok naar de huidige tijd. Gelukkig waren er vragen uit de zaal die daar wel op inspeelden. Belangrijkste conclusie was dat de hedendaagse indie cultuur inmiddels veel meer onderdeel is van de media-industrie dan in de vorige eeuw. Alle indielabels zijn onderdeel van een van de grote platenmaatschappijen. De echte DIY manier van muziek maken en distribueren speelt zich daarbuiten af.
Vervolgens was er in de theaterzaal een vertoning van de documentaire PressPausePlay die zich volledig toespitste op de mogelijkheden die de huidige digitale wereld de DIY cultuur biedt. In tegenstelling tot de lezing van Azerrad kwamen hier niet alleen de voordelen, maar ook de nadelen uitvoerig aan de orde. Als grootste nadeel noemden diverse geïnterviewden dat iedereen zijn product wereldwijd kan aanbieden en verspreiden. Je hoeft absoluut geen talent te hebben om een filmpje met je uiting op internet te plaatsen. Ook is het mogelijk om valse of niet in het ritme passende zang electronisch niet vals of ritmisch passend te maken. Hierdoor ontstaat een grote hoeveelheid middelmatige of zelfs minderwaardige cultuurproducten, waar je nauwelijks nog de weg naar het echte talent in kunt vinden. Aansluitend vond een discussie over de film plaats. Tegelijkertijd vond onder leiding van Niels Aalberts (EHPO) een discussie in de bar plaats met studenten over DIY. Daarbij werd hetzelfde punt als in de documentaire aangeroerd: de negatieve effecten van het feit dat iedereen zijn product tegenwoordig via YouTube of een ander digitaal kanaal wereldwijd aan kan bieden.
Na deze discussie in de bar gaf Slava Rubin van IndieGogo in de theaterzaal een presentatie van Crowfunding zoals alleen Amerikanen dat kunnen. In een razend tempo gaf Rubin een zogenaamd objectieve presentatie van crowdfunding, waarbij IndieGogo alom aanwezig was. Desalniettemin was het een enthousiasmerende en informatieve lezing. Iedereen kan op IndieGogo’s een project aanbieden om dat via crowdfunding gefinancierd te krijgen. Je krijgt je geld altijd netjes op je rekening gestort of je je streefbedrag gehaald hebt of niet. Kom je in de lijst van favoriete projecten (opgesteld op basis van zuiver analytische cijferbewerkingen en niet op subjectieve oordelen, aldus Rubin) dan zal IndieGogo er alles aan doen om je een handje te helpen. Van belang is vooral om je via je directe vrienden- en familiekring te verzekeren van een startkapitaal en je product zo onder de aandacht te brengen dat ook andere mensen in je project geïnteresseerd raken. De site herbergt van alles: van industriële ontwerpen tot een bandje dat een cd op wil nemen. IndieGogo kan er van bestaan door van de geslaagde projecten 4% van de opbrengst te vragen en van niet geslaagde 9%. Het meest interessante van de lezing van Rubin was dat hij de term DIY naar de prullenbak verwees. Hij spreekt liever van DIWO: Do It With Others.
Het daaropvolgende interview van John Robb met Steve Ignorant, frontman van de Engelse punkband Crass, verzandde al snel in een verzameling anecdotes die vooral voor de diehard fans interessant waren. Net als de eerste lezing van Azerrad werd het thema van de conferentie niet of nauwelijks naar het heden doorgetrokken. Het slotwoord van de conferentie was aan Bill Drummond, met wie diezelfde dag ook al een uitgebreid interview in de Volkskrant stond. Het onderwerp was nagenoeg hetzelfde. Na een korte terugblik op zijn activiteiten in de popsector vanaf de jaren 90, hekelde Drummond de huidige cultuur waarbij iedereen de gehele dag met oortjes in rondloopt. Het creëert een soort steriele wereld waarin mensen geïsoleerd en geluidloos leven. Iedereen geeft zich de gehele dag over aan een passieve geluidsstroom. Je hoort nooit meer iemand fluiten op straat. Drummond probeert zich hier zelf aan te onttrekken door zich op straat als schoenenpoetser aan te bieden onder een zelfgeproduceerd riedeltje fluiten. Dat hij de daad bij het woord voegde was voor zijn lezing te zien, toen hij de schoenen van nietsvermoedende bezoekers van het congres en voorbijgangers voor de deur van het Miditheater poetste.
Het meest treffende voorbeeld van DIY in het huidige digitale tijdperk leverde Erwin Blom die vrijdagavond al een Ebook van de conferentie produceerde, gemaakt met een gedownloade app op zijn Ipad.
André Nuchelmans
Labels:
crowdfunding,
digitalisering,
DIY,
Incubate,
internet,
popmuziek,
verslag
maandag 12 september 2011
Gala van het Nederlands Theater
Acteur Jacob Derwig kwam op straat een man tegen die hem herkende maar niet precies wist waarvan. 'De televisieserie In therapie?', probeerde Derwig. Of misschien de film Lek of Enclave? Het deed geen bel rinkelen bij de voorbijganger en de acteur vervolgde: 'Ik werk ook bij Toneelgroep Amsterdam, het grootste gezelschap van Nederland, als acteur.' De zoekende blik van de man maakte plaats voor minachting: 'Tonéél?!' Hij maakte zich snel uit de voeten. In een tijd waarin gesubsidieerde kunst en podiumkunst in het bijzonder in diskrediet zijn geraakt, vraagt zelfs een acteur die de Louis d’Or 2011 wint zich af of hij er nog wel mee door moet gaan. Derwig won deze prijs voor de meest indrukwekkende mannelijke dragende rol voor zijn personage in Kinderen van de Zon van Toneelgroep Amsterdam. Elsie de Brauw kreeg de Theo d’Or voor de meest indrukwekkende vrouwelijke dragende rol, die zij speelde in Gif van NTGent.
Zondagavond 11 september zijn tijdens het Gala van het Nederlands Theater in de Amsterdamse Stadsschouwburg de VSCD Toneelprijzen, de VSCD Mimeprijs, de VSCD Jeugdtheaterprijzen en de AVRO Toneel Publieksprijs 2011 uitgereikt. Acteurs Leopold Witte en Geert Lageveen verzorgden de presentatie en kwamen op in sjofele kleding met een ouderwetse grammofoon. Voor iedere prijswinnaar was er een nostalgische plaat, variërend van Boney M. tot The Beatles.
De afspraak was ‘om het er niet over te hebben’, over de aangekondigde bezuinigingen. Maar, meestal via een geestige omweg, verwees iedereen er naar: de ‘linkse hobby’ en de ‘kaalslag’ die vooral nadelig uit lijken te pakken voor de toekomst van jong talent. Onny Huising, artistiek leider van Het Speeltheater Holland, samen met Het Houten Huis winnaar van De Gouden Krekel voor Adios, de beste jeugdtheatervoorstelling, riep door de microfoon: 'Ik ga het er tóch over hebben!' Hij vroeg aandacht voor jong talent zoals regisseur Eileen van den Hoek die naast hem op het podium stond.
Toch was de sfeer vooral feestelijk, met stevige muzikanten van Orkater op het podium. De acteurs waren zenuwachtig en de twee presentatoren juist losjes, met de ene kwinkslag na de andere.
De winnaar van de prestigieuze Prosceniumprijs Jan Joris Lamers, die volgens de jury een wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het toneelklimaat, schitterde door afwezigheid want hij stond in Utrecht op de planken. De jury acht het theaterpedagogisch aspect van Lamers’ werk ‘van onmetelijk belang voor de ontwikkeling van het Nederlandse toneel’.
Belangrijk voor het draagvlak van theater blijft de AVRO Toneel Publieksprijs, waarvoor meer dan 30.000 mensen hun stem uitbrachten, met stemformulieren in het theater en een online stemronde. Winnaars Peter Blok en Loes Lucca, acteurs van de productie DOEK!, krijgen van de AVRO zendtijd en € 25.000,-, voor een volgende productie.
De Arlecchino 2011, voor de meest indrukwekkende mannelijke bijdragende rol, ging naar een zichtbaar ontroerde Peter Bolhuis voor zijn rol in Augustus: Oklahoma van De Utrechtse Spelen. De Vlaamse actrice Lies Pauwels, die de Colombina, voor de meest indrukwekkende vrouwelijke bijdragende rol, in ontvangst nam voor haar rol in Freetown van Dood Paard kreeg de lachers op haar hand. 'Ik sta hier in een kleed van 295 euro', zei ze met een hulpeloze blik op haar iets te slobberige gewaad. 'Ik weet, het is er niet aan af te zien. Maar ik zeg het u tóch. Als we het geld dat iedereen vanavond voor zijn feestkleding heeft uitgegeven in één pot zouden doen, zou daarmee misschien een bescheiden theaterproductie zijn te financieren.' Maar dan was het uitbundige bal na afloop op het podium nogal saai geweest.
Het volledige juryrapport is te downloaden via www.galavanhetnederlandstheater.nl of www.vscd.nl.
Anita Twaalfhoven
Zondagavond 11 september zijn tijdens het Gala van het Nederlands Theater in de Amsterdamse Stadsschouwburg de VSCD Toneelprijzen, de VSCD Mimeprijs, de VSCD Jeugdtheaterprijzen en de AVRO Toneel Publieksprijs 2011 uitgereikt. Acteurs Leopold Witte en Geert Lageveen verzorgden de presentatie en kwamen op in sjofele kleding met een ouderwetse grammofoon. Voor iedere prijswinnaar was er een nostalgische plaat, variërend van Boney M. tot The Beatles.
De afspraak was ‘om het er niet over te hebben’, over de aangekondigde bezuinigingen. Maar, meestal via een geestige omweg, verwees iedereen er naar: de ‘linkse hobby’ en de ‘kaalslag’ die vooral nadelig uit lijken te pakken voor de toekomst van jong talent. Onny Huising, artistiek leider van Het Speeltheater Holland, samen met Het Houten Huis winnaar van De Gouden Krekel voor Adios, de beste jeugdtheatervoorstelling, riep door de microfoon: 'Ik ga het er tóch over hebben!' Hij vroeg aandacht voor jong talent zoals regisseur Eileen van den Hoek die naast hem op het podium stond.
Toch was de sfeer vooral feestelijk, met stevige muzikanten van Orkater op het podium. De acteurs waren zenuwachtig en de twee presentatoren juist losjes, met de ene kwinkslag na de andere.
De winnaar van de prestigieuze Prosceniumprijs Jan Joris Lamers, die volgens de jury een wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het toneelklimaat, schitterde door afwezigheid want hij stond in Utrecht op de planken. De jury acht het theaterpedagogisch aspect van Lamers’ werk ‘van onmetelijk belang voor de ontwikkeling van het Nederlandse toneel’.
Belangrijk voor het draagvlak van theater blijft de AVRO Toneel Publieksprijs, waarvoor meer dan 30.000 mensen hun stem uitbrachten, met stemformulieren in het theater en een online stemronde. Winnaars Peter Blok en Loes Lucca, acteurs van de productie DOEK!, krijgen van de AVRO zendtijd en € 25.000,-, voor een volgende productie.
De Arlecchino 2011, voor de meest indrukwekkende mannelijke bijdragende rol, ging naar een zichtbaar ontroerde Peter Bolhuis voor zijn rol in Augustus: Oklahoma van De Utrechtse Spelen. De Vlaamse actrice Lies Pauwels, die de Colombina, voor de meest indrukwekkende vrouwelijke bijdragende rol, in ontvangst nam voor haar rol in Freetown van Dood Paard kreeg de lachers op haar hand. 'Ik sta hier in een kleed van 295 euro', zei ze met een hulpeloze blik op haar iets te slobberige gewaad. 'Ik weet, het is er niet aan af te zien. Maar ik zeg het u tóch. Als we het geld dat iedereen vanavond voor zijn feestkleding heeft uitgegeven in één pot zouden doen, zou daarmee misschien een bescheiden theaterproductie zijn te financieren.' Maar dan was het uitbundige bal na afloop op het podium nogal saai geweest.
Het volledige juryrapport is te downloaden via www.galavanhetnederlandstheater.nl of www.vscd.nl.
Anita Twaalfhoven
Labels:
bezuinigingen,
kunstprijzen,
theater,
verslag
Abonneren op:
Reacties (Atom)



