Op maandag 19 december vond in de St. Olofskapel in Amsterdam de openbare jaarvergadering van het Nederlands Uitgeversverbond (NUV) plaats. Centrale thema was hoe te overleven in een tijdperk van digitalisering en nieuwe media als twitter en facebook. Na een korte introductie door NUV-directeur Geert Noorman, sprak NUV-voorzitter Loek Hermans zijn jaarrede uit. In het huidige tijdperk, zo begon hij, ligt er een taak voor uitgevers in het aanbieden van betrouwbare informatie en een interpretatie van die informatie. Mensen zijn wel degelijk bereid daar voor te betalen. Hij constateerde de toenemende verspreiding van iPads, waardoor er in de Eerste Kamer bijvoorbeeld geen papier meer aan te pas komt. Maar zonder apps is een iPad niets, daar liggen kansen. Uitgevers zijn daar ook al mee bezig. De mogelijkheden van nieuwe media worden steeds beter benut. Maar nieuwe media zorgen ook voor nieuwe spelers, zoals amazon en bol.com. De nieuwe media hebben ook tot gevolg dat de verhouding producent – consument verandert. Hermans opperde dat het wellicht tijd wordt om na 100 jaar het auteursrecht onder de loupe te nemen en te kijken of het nog voldoet. Het NUV is niet tegen downloaden, maar wel tegen downloaden uit illegale bronnen. Je moet als uitgever inspringen op nieuwe ontwikkelingen en je hakken niet in het zand zetten. De twee sprekers na hem borduurden op deze laatste opmerking voort.
Als eerste was het woord aan Robert Levine, auteur van Free Ride: how digital parasites destroy the culture business and how the culture business can fight back en daarvoor als journalist verbonden aan Billboard, Wired en Rolling Stone. Hij vatte de inhoud van zijn boek in een half uur samen. Hij begon zijn betoog met het aanhalen van een lezing van de eindredacteur van The Guardian op een conferentie in de VS. Die legde daar uit hoe de toekomst van The Guardian verzekerd was door de inhoud gratis op internet aan te bieden. Alle aanwezigen kwamen geïnspireerd de zaal uit. Daartegenover stond de lezing van de eigenaar van een dagblad uit Arkansas, die geld vroeg voor de digitale versie van zijn dagblad. Hij verdiende er niet veel mee, maar de verkoop van de papieren versie bleef wel constant. De Guardian verdiende niets aan de internetversie en zag zijn abonneebestand teruglopen. Het was dan ook zaak, zo hield Levine de zaal voor, ‘to think about the future, making money in the mean time’.
De komst van de iPad is een uitkomst voor bijvoorbeeld uitgevers, want in tegenstelling tot internet zet het aan om te kopen. Waar internet opgezet is om gratis informatie uit te wisselen, zet de iPad juist aan om te kopen. ‘It’s easier to sell in a closed system’. Ook prijsdifferentiatie is een mogelijkheid geld te verdienen. Mensen zijn uiteindelijk niet prijsgevoelig legde hij uit. Tijs Rotmans betoogt hetzelfde in Boekman 89. Mensen betalen graag voor wat extra’s. Het gemak om het te krijgen is belangrijker dan het prijskaartje dat er aan hangt. Hij besloot zijn lezing met drie adviezen. Zoek uit waar je informatie naar toe gaat/wie het gebruikt. Zoek uit hoe het met je rechten zit en houdt zo de controle over je informatie.
Dick Molman, CEO van Sanoma Media, zorgde in zijn lezing voor de praktische uitvoering van het technische verhaal van Levine. Aanvankelijk actief in de tijdschriftenbranche is Sanoma inmiddels ontwikkelaar van apps en eigenaar van SBS. Molman legde uit wat hier achter zit. De komst van internet was een duidelijke bedreiging voor zijn branche. Hoe reageer je daarop? Hij onderscheidde drie varianten. Of je trekt je terug op je eigen terrein en optimaliseert dat. Of je vertaalt je eigen werkterrein naar het nieuwe medium. Of je slaat nieuwe paden in. Sanoma heeft niet voor een maar voor alle drie de varianten gekozen. Niet alleen zijn de tijdschriften gerestyled, ge-upgrade en alle niches inmiddels gevuld, elk tijdschrift heeft ook zijn vertaling op het internet. Daar is een speciale afdeling voor opgezet zodat alle kennis en kosten centraal beheerd worden. Het wiel heeft dus maar één keer uitgevonden te worden. Hier wordt echter weinig winst gemaakt. Het is eerder ondersteunend voor en aanvullend op de papieren versie. De derde variant is voor Sanoma financieel het meest interessant. Zo is Sanoma een eigen apps afdeling begonnen. Dit kost geld maar door het weer in een afzonderlijke afdeling te doen wordt daar de kennis geconcentreerd. In tegenstelling tot de tijdschriftenmarkt is het een groeimarkt. In Nederland zijn inmiddels ruim 3 miljoen Sanoma apps gedownload, de markt is in anderhalf jaar 5x zo groot geworden. Ook op het gebied van sociale media is er een afdeling die alles wat daar in gebeurt nauwkeurig bijhoudt.
Sinds kort is Sanoma ook actef op de televisiemarkt. De reden daarvoor is dat dat medium het hoofd in al de huidige ontwikkelingen boven water heeft weten te houden. Daarmee bestrijkt Sanoma inmiddels alle media. Het is nu zaak de kijkcijfers omhoog te halen, daar kunnen de tijdschriften en andere media voor ingezet worden. Zo begint het verhaal weer van voor af aan. De rol van het mediabedrijf is veranderd. Het is niet meer nodig als mediair tussen het content en de consument. Om te overleven moet je verbreden.
Een mooie combinatie van Amerikaanse theorie en Nederlands koopmanschap die de uitgevers in deze barre tijden een hart onder de riem steekt en inspiratie biedt er in het nieuwe jaar vol enthousiasme tegenaan te gaan.
André Nuchelmans
Het laatste nieuws van de redactie van Boekman en medewerkers van de Boekmanstichting op het gebied van symposia, benoemingen, promoties, publicaties.
dinsdag 20 december 2011
donderdag 1 december 2011
De portretfabriek van Michiel van Mierevelt (1566-1641)
Vanaf het einde van de 16de eeuw kenden alle Noord Nederlandse steden van enige betekenis een of meer gevestigde schilders die voorzagen in de lokale behoefte aan portretten. Met name stedelijke regentenfamilies, rijke kooplieden, legerofficieren en telgen uit oude adellijke families lieten portretten schilderen maar ook predikanten en geleerden.
Michiel Jansz. van Mierevelt was de meest productieve kunstenaar van zijn tijd in Delft en maakte talloze portretten waaronder in 1607 een portret van Prins Maurits waarmee hij faam verwierf en wat leidde tot tal van andere opdrachten. Zijn leven viel samen met een turbulente periode in de vaderlandse geschiedenis waarbij Delft nauw betrokken was. Vlak na zijn geboorte begon de tachtigjarige oorlog die pas zeven jaar na zijn overlijden zou eindigen. Karel van Mander beschrijft de kwaliteit van de portretten van de schilder in zijn beroemde Schilderboeck als ‘heerlijck, uytnemend en wonderlijck uitmuntend’.
Museum het Prinsenhof te Delft besteedde van 24 september 2011 tot en met 8 januari 2012 een expositie aan het oeuvre van de vooraanstaande portretschilder uit de 17de eeuw met als titel: Portretfabriek Van Mierevelt. Ontdek de hand van de meester. Van Mierevelt had een enorme productie: er kwamen drie of vier schilderijen per week uit het atelier waar het werk met hulp van zonen, leerlingen en assistenten werd gemaakt. De kunstenaar was in de Gouden Eeuw fameuzer dan Vermeer en heeft de 17de eeuwse Hollanders het gezicht gegeven waarmee ze nu nog steeds geassocieerd worden. In de overzichtstentoonstelling zijn veel portretten uit binnen- en buitenland bij elkaar gebracht, de meeste uit Nederlandse musea maar ook een aantal uit buitenlandse musea. 38 werken uit de collectie van het Prinsenhof worden aan hem toegeschreven. De tentoonstelling en het boek geven een inkijk in een zeer bedrijvig kunstenaarschap voorzien van een uitgebreide klandizie. Overigens waren er op de lokale kunstenaarsmarkt ook andere schilders actief maar van een felle concurrentiestrijd was naar alle waarschijnlijkheid geen sprake. Vaak was het zo dat voormalige assistenten een deel van de markt van de met opdrachten overladen meester overnamen. De bloeiperiode van de ‘prins der schilders’ die het als zakenman net zo goed deed als als schilder.
Van Mierevelt stamt uit een geslacht van ambachtslieden afkomstig uit het Brabantse plaatsje Mier in de buurt van Turnhout. Zijn overgrootvader vestigde zich rond 1500 met twee kinderen in Delft. Zijn vader was goudsmid en hij groeide dus op in een artistiek milieu. Na verschillende leermeesters rondde hij zijn opleiding af en in 1589 trouwde hij met Stijntge Pietersdr. Van der Pes met wie hij in de veertien jaar die daarop volgden acht kinderen kreeg.
Het grootste deel van de portretten werd begin 17de eeuw, tijdens de bloeiperiode van zijn carrière, vervaardigd in zijn statige huis, ‘Het Wapen van Spangien’, een hoofdhuis met zijhuis aan de gracht en een achterhuis, aan de Oude Delft te Delft. Van Mierevelt schilderde voornamelijk op panelen die niet in het atelier werden gemaakt maar aangeleverd werden door schrijnwerkers. Portretten konden besteld worden in een aantal standaardformaten, afhankelijk van de draagkracht en wensen van de klant. De kunstenaar hanteerde een extreem doorgevoerde standaard in de portretten; de houding van het lijf, zelfs de hoek van de draaiing van het hoofd waren telkens hetzelfde. De kleding van de geportretteerde is vaak sober maar wel gemaakt van kostbare stoffen en geschilderd met veel oog voor detail. Van het bewaard gebleven werk bestaat ongeveer 50 procent uit replieken of kopieën. Het aantal versies dat van een werk gemaakt werd, varieërde van twee tot 42 (Prins Maurits). Dat gold ook voor de prijzen: een borststuk of een kniestuk ‘geconterfeyted nae ’t leven’ waren respectievelijk 48-50 gulden en 200-300 gulden.
Het atelier ontwikkelde zich tot een familiebedrijf vanaf het moment dat de oudste zoon van de kunstenaar een rol ging spelen, maar ook drie andere zonen leverden in de loop der tijd een bijdrage aan het maken van portretten en dus aan het familiebedrijf.
De meeste klanten (bijna de helft) waren afkomstig uit Delft, maar er kwamen ook portretopdrachten van elders, bijvoorbeeld uit Amsterdam, Den Haag en het buitenland. Wat de sociale herkomst betreft waren het vooral rijke mensen uit de burgerij, weer met name uit Delft, maar ook, weliswaar in mindere mate, waren officieren, bevelhebbers, gezanten, diplomaten, familieleden, theologen klanten van Van Mierevelt.
Een hoofdstuk is gewijd aan het productieproces in het atelier en gaat in op het materiaalgebruik en de schildertechniek van de kunstenaar; de panelen en penselen. In het slothoofdstuk worden de portretten van Prins Maurits beschreven. Van Mierevelt startte aan het begin van de 17de eeuw met de productie van portretten van de prins. De portretten werden in soorten en maten geschilderd; zowel knie- en (kleine) borststukken als ten voeten uit geleverd. Een enkele keer werd de prins geschilderd in een glad metalen harnas in plaats van een pronkharnas, een ‘swart lere colderken’, of ook in kostuum, veelal een met gouddraad geborduurde buis met pofbroek met een bijbehorende hoge zwarte hoed met pluim. Tot de dood van de kunstenaar zouden deze portretten het handelsmerk van het atelier vormen.
Het boek is heel erg mooi geïllustreerd en voorzien van een uitvoerige catalogus met portretten. Daarnaast zijn er, behalve de bij de afzonderlijke hoofdstukken horende afbeeldingen, tussen de hoofdstukken pagina’s met details van de schilderijen opgenomen zoals een pagina met neuzen en monden, een pagina met handen, een pagina met sieraden, een pagina met kragen een pagina met portretten van prins Maurits.
Anita Jansen, Rudi Ekkart en Johanneke Verhave − De portretfabriek van Michiel van Mierevelt (1566-1641) – Zwolle/Delft: WBooks/Museum Het Prinsenhof Delft, 2010 – ISBN 978 90 400 7824 8 – Prijs: € 39,50
Truus Gubbels
Michiel Jansz. van Mierevelt was de meest productieve kunstenaar van zijn tijd in Delft en maakte talloze portretten waaronder in 1607 een portret van Prins Maurits waarmee hij faam verwierf en wat leidde tot tal van andere opdrachten. Zijn leven viel samen met een turbulente periode in de vaderlandse geschiedenis waarbij Delft nauw betrokken was. Vlak na zijn geboorte begon de tachtigjarige oorlog die pas zeven jaar na zijn overlijden zou eindigen. Karel van Mander beschrijft de kwaliteit van de portretten van de schilder in zijn beroemde Schilderboeck als ‘heerlijck, uytnemend en wonderlijck uitmuntend’.
Museum het Prinsenhof te Delft besteedde van 24 september 2011 tot en met 8 januari 2012 een expositie aan het oeuvre van de vooraanstaande portretschilder uit de 17de eeuw met als titel: Portretfabriek Van Mierevelt. Ontdek de hand van de meester. Van Mierevelt had een enorme productie: er kwamen drie of vier schilderijen per week uit het atelier waar het werk met hulp van zonen, leerlingen en assistenten werd gemaakt. De kunstenaar was in de Gouden Eeuw fameuzer dan Vermeer en heeft de 17de eeuwse Hollanders het gezicht gegeven waarmee ze nu nog steeds geassocieerd worden. In de overzichtstentoonstelling zijn veel portretten uit binnen- en buitenland bij elkaar gebracht, de meeste uit Nederlandse musea maar ook een aantal uit buitenlandse musea. 38 werken uit de collectie van het Prinsenhof worden aan hem toegeschreven. De tentoonstelling en het boek geven een inkijk in een zeer bedrijvig kunstenaarschap voorzien van een uitgebreide klandizie. Overigens waren er op de lokale kunstenaarsmarkt ook andere schilders actief maar van een felle concurrentiestrijd was naar alle waarschijnlijkheid geen sprake. Vaak was het zo dat voormalige assistenten een deel van de markt van de met opdrachten overladen meester overnamen. De bloeiperiode van de ‘prins der schilders’ die het als zakenman net zo goed deed als als schilder.
Van Mierevelt stamt uit een geslacht van ambachtslieden afkomstig uit het Brabantse plaatsje Mier in de buurt van Turnhout. Zijn overgrootvader vestigde zich rond 1500 met twee kinderen in Delft. Zijn vader was goudsmid en hij groeide dus op in een artistiek milieu. Na verschillende leermeesters rondde hij zijn opleiding af en in 1589 trouwde hij met Stijntge Pietersdr. Van der Pes met wie hij in de veertien jaar die daarop volgden acht kinderen kreeg.
Het grootste deel van de portretten werd begin 17de eeuw, tijdens de bloeiperiode van zijn carrière, vervaardigd in zijn statige huis, ‘Het Wapen van Spangien’, een hoofdhuis met zijhuis aan de gracht en een achterhuis, aan de Oude Delft te Delft. Van Mierevelt schilderde voornamelijk op panelen die niet in het atelier werden gemaakt maar aangeleverd werden door schrijnwerkers. Portretten konden besteld worden in een aantal standaardformaten, afhankelijk van de draagkracht en wensen van de klant. De kunstenaar hanteerde een extreem doorgevoerde standaard in de portretten; de houding van het lijf, zelfs de hoek van de draaiing van het hoofd waren telkens hetzelfde. De kleding van de geportretteerde is vaak sober maar wel gemaakt van kostbare stoffen en geschilderd met veel oog voor detail. Van het bewaard gebleven werk bestaat ongeveer 50 procent uit replieken of kopieën. Het aantal versies dat van een werk gemaakt werd, varieërde van twee tot 42 (Prins Maurits). Dat gold ook voor de prijzen: een borststuk of een kniestuk ‘geconterfeyted nae ’t leven’ waren respectievelijk 48-50 gulden en 200-300 gulden.
Het atelier ontwikkelde zich tot een familiebedrijf vanaf het moment dat de oudste zoon van de kunstenaar een rol ging spelen, maar ook drie andere zonen leverden in de loop der tijd een bijdrage aan het maken van portretten en dus aan het familiebedrijf.
De meeste klanten (bijna de helft) waren afkomstig uit Delft, maar er kwamen ook portretopdrachten van elders, bijvoorbeeld uit Amsterdam, Den Haag en het buitenland. Wat de sociale herkomst betreft waren het vooral rijke mensen uit de burgerij, weer met name uit Delft, maar ook, weliswaar in mindere mate, waren officieren, bevelhebbers, gezanten, diplomaten, familieleden, theologen klanten van Van Mierevelt.
Een hoofdstuk is gewijd aan het productieproces in het atelier en gaat in op het materiaalgebruik en de schildertechniek van de kunstenaar; de panelen en penselen. In het slothoofdstuk worden de portretten van Prins Maurits beschreven. Van Mierevelt startte aan het begin van de 17de eeuw met de productie van portretten van de prins. De portretten werden in soorten en maten geschilderd; zowel knie- en (kleine) borststukken als ten voeten uit geleverd. Een enkele keer werd de prins geschilderd in een glad metalen harnas in plaats van een pronkharnas, een ‘swart lere colderken’, of ook in kostuum, veelal een met gouddraad geborduurde buis met pofbroek met een bijbehorende hoge zwarte hoed met pluim. Tot de dood van de kunstenaar zouden deze portretten het handelsmerk van het atelier vormen.
Het boek is heel erg mooi geïllustreerd en voorzien van een uitvoerige catalogus met portretten. Daarnaast zijn er, behalve de bij de afzonderlijke hoofdstukken horende afbeeldingen, tussen de hoofdstukken pagina’s met details van de schilderijen opgenomen zoals een pagina met neuzen en monden, een pagina met handen, een pagina met sieraden, een pagina met kragen een pagina met portretten van prins Maurits.
Anita Jansen, Rudi Ekkart en Johanneke Verhave − De portretfabriek van Michiel van Mierevelt (1566-1641) – Zwolle/Delft: WBooks/Museum Het Prinsenhof Delft, 2010 – ISBN 978 90 400 7824 8 – Prijs: € 39,50
Truus Gubbels
Labels:
beeldende kunst,
boekbespreking,
Delft,
economie,
geschiedenis,
opdrachten,
schilders
vrijdag 25 november 2011
ABC van de literaire kritiek
Met de opkomst van blogs en sociale media als facebook en twitter stellen gevestigde media als kranten en tijdschriften zich met enige regelmaat de vraag of het nog wel nut heeft een speciaal katern of deel van het tijdschrift aan recensies van boeken te wijden. De literaire kritiek staat wat dat betreft niet alleen, ook in andere kunstsectoren als muziek, theater, film en beeldende kunst vragen media zich af of zij nog een rol te vervullen hebben.
Critici en recensenten geven meestal een bevestigend antwoord. De reden die ze er voor geven, is dat zij, meer dan de liefhebber op zijn blog of facebookpagina, het boek in een breder kader kunnen plaatsen. Met andere woorden, hun belezenheid en kennis van zaken gaat altijd verder dan dat van een gemiddelde lezer die een andere lezer wil overtuigen een bepaald boek te lezen of juist niet. Elsbeth Etty betoogde het al in haar oratie De literaire kritiek als journalistiek genre, die zij uitsprak bij de aanvaarding van het bijzonder hoogleraarschap Literaire kritiek aan de Vrije Universiteit te Amsterdam. Daarin stelde ze de literaire criticus gelijk aan elke ander journalist. Hij diende dan ook aan dezelfde eisen te voldoen: betrouwbaarheid en objectiviteit. In het ABC van de literaire kritiek zet ze het aan de hand van een aantal steekwoorden allemaal nog eens op een alfabetisch rijtje. Het boekje verscheen ter gelegenheid van het 25-jarig bestaan van uitgeverij Balans.
Het leven van een literair criticus is geen lolletje, je doet het namelijk nooit goed. Als je een positieve recensie schrijft wordt je al snel van omkoping beticht, schrijf je een negatieve recensie dan heb je nog een rekening met de auteur te vereffenen. Maar dat hoort er bij. ‘Wantrouw dus vooral de recensent die nog nooit is uitgemaakt voor aasgier of erger’, houdt Etty de lezer voor. En zij kan het weten. In 2001 verklaarde auteur Joke J. Hermsen naar aanleiding van de bespreking door Etty van haar roman Tweeduister, dat ze had overwogen aangifte tegen Etty te doen voor een poging tot doodslag. En zo noemt ze nog een aantal voorbeelden op.
Ze betoont zich absoluut geen voorstander van een aanpassing van de kritiek aan de wens van de meerderheid van de lezers, die graag hapklare, amusante stukjes wil. En ook de beoordeling zoals die tegenwoordig in veel dag- en weekbladen wordt gehanteerd met ‘debiliserende ballen of sterren’, kan haar goedkeuring niet wegdragen. Het doel van de literaire kritiek is meer dan alleen ‘een betrouwbare en gefundeerde beoordeling te geven’, het moet ook een ‘lezenswaardig en boeiend artikel’ opleveren. Er is in haar optiek maar één manier om het gezag van de literaire kritiek weer te herstellen en dat is het verbeteren van de kwaliteit. Daarmee gaat ze dwars in tegen de mening van bijvoorbeeld Thomas Vaessens, hoogleraar moderne letterkunde aan de Universiteit van Amsterdam. Hij verkondigde in zijn boek De revanche van de roman dat boekenbijlages maar beter konden verdwijnen, want daar zat niemand behalve een kleine culturele elite nog op te wachten. Om de studenten tegemoet te komen en zijn vak nog enigszins de moeite waard te houden, ging hij in zijn colleges de boeken van Kluun, Saskia Noort en andere lectuur te behandelen. Elsbeth Etty is er de vrouw niet naar om de handdoek in de ring te gooien. Met dit ABC van de literaire kritiek weet ze dat op overtuigende wijze te onderbouwen. Het is niet alleen een must voor iedere criticus die zijn vak serieus neemt – je hoeft het daarvoor niet met haar eens te zijn – maar kan zeker ook van dienst zijn bij het schrijven van een goede blog.
Elsbeth Etty – ABC van de literaire kritiek – Amsterdam: Balans, 2011 – ISBN 978 94 600 3335 3 – Prijs: € 6,95
André Nuchelmans
Critici en recensenten geven meestal een bevestigend antwoord. De reden die ze er voor geven, is dat zij, meer dan de liefhebber op zijn blog of facebookpagina, het boek in een breder kader kunnen plaatsen. Met andere woorden, hun belezenheid en kennis van zaken gaat altijd verder dan dat van een gemiddelde lezer die een andere lezer wil overtuigen een bepaald boek te lezen of juist niet. Elsbeth Etty betoogde het al in haar oratie De literaire kritiek als journalistiek genre, die zij uitsprak bij de aanvaarding van het bijzonder hoogleraarschap Literaire kritiek aan de Vrije Universiteit te Amsterdam. Daarin stelde ze de literaire criticus gelijk aan elke ander journalist. Hij diende dan ook aan dezelfde eisen te voldoen: betrouwbaarheid en objectiviteit. In het ABC van de literaire kritiek zet ze het aan de hand van een aantal steekwoorden allemaal nog eens op een alfabetisch rijtje. Het boekje verscheen ter gelegenheid van het 25-jarig bestaan van uitgeverij Balans.
Het leven van een literair criticus is geen lolletje, je doet het namelijk nooit goed. Als je een positieve recensie schrijft wordt je al snel van omkoping beticht, schrijf je een negatieve recensie dan heb je nog een rekening met de auteur te vereffenen. Maar dat hoort er bij. ‘Wantrouw dus vooral de recensent die nog nooit is uitgemaakt voor aasgier of erger’, houdt Etty de lezer voor. En zij kan het weten. In 2001 verklaarde auteur Joke J. Hermsen naar aanleiding van de bespreking door Etty van haar roman Tweeduister, dat ze had overwogen aangifte tegen Etty te doen voor een poging tot doodslag. En zo noemt ze nog een aantal voorbeelden op.
Ze betoont zich absoluut geen voorstander van een aanpassing van de kritiek aan de wens van de meerderheid van de lezers, die graag hapklare, amusante stukjes wil. En ook de beoordeling zoals die tegenwoordig in veel dag- en weekbladen wordt gehanteerd met ‘debiliserende ballen of sterren’, kan haar goedkeuring niet wegdragen. Het doel van de literaire kritiek is meer dan alleen ‘een betrouwbare en gefundeerde beoordeling te geven’, het moet ook een ‘lezenswaardig en boeiend artikel’ opleveren. Er is in haar optiek maar één manier om het gezag van de literaire kritiek weer te herstellen en dat is het verbeteren van de kwaliteit. Daarmee gaat ze dwars in tegen de mening van bijvoorbeeld Thomas Vaessens, hoogleraar moderne letterkunde aan de Universiteit van Amsterdam. Hij verkondigde in zijn boek De revanche van de roman dat boekenbijlages maar beter konden verdwijnen, want daar zat niemand behalve een kleine culturele elite nog op te wachten. Om de studenten tegemoet te komen en zijn vak nog enigszins de moeite waard te houden, ging hij in zijn colleges de boeken van Kluun, Saskia Noort en andere lectuur te behandelen. Elsbeth Etty is er de vrouw niet naar om de handdoek in de ring te gooien. Met dit ABC van de literaire kritiek weet ze dat op overtuigende wijze te onderbouwen. Het is niet alleen een must voor iedere criticus die zijn vak serieus neemt – je hoeft het daarvoor niet met haar eens te zijn – maar kan zeker ook van dienst zijn bij het schrijven van een goede blog.
Elsbeth Etty – ABC van de literaire kritiek – Amsterdam: Balans, 2011 – ISBN 978 94 600 3335 3 – Prijs: € 6,95
André Nuchelmans
Labels:
boekbespreking,
kunstkritiek,
literaire kritiek,
literatuur
donderdag 10 november 2011
Niet tellen, maar wegen
Jet de Ranitz, voorzitter van het College van Bestuur van de Amsterdamse Hogeschool voor de kunsten, wordt de nieuwe voorzitter van Kunsten ’92. Met dat nieuwtje opende de huidige voorzitter Ad ’s-Gravesande het Kunsten '92 en Boekmandebat Niet tellen maar wegen op 8 november in het uitverkochte Amsterdamse Compagnietheater. Het debat vond plaats aansluitend op de besloten ledenvergadering van Kunsten ’92, waar de voordracht was aanvaard. Aanleiding voor het debat was de publicatie van Boekmanstudies Niet tellen, maar wegen. Over de zin en onzin van prestatieafspraken in de culturele sector. Na een korte inleiding op het programma, gaf 's-Gravesande het woord aan Maud van de Wiel die het debat in goede banen moest leiden. Wethouder Michiel van Wessem, die in Arnhem namens de VVD cultuur in zijn portefeuille heeft, moest helaas verstek laten gaan. Er bleken echter meerdere lokale politici in de zaal aanwezig op wie Van der Wiel een beroep mocht doen tijdens het debat over hoe prestatieafspraken vorm te geven en de rol die cijfers daar in spelen.
Marjolein Februari, publiciste en adviseur over maatschappelijke en bestuurlijke onderwerpen, zette de publicatie Niet tellen maar wegen en het gebruik van cijfermateriaal in een breder kader, door een voorbeeld uit de luchtvaart aan te halen. Ze betoogde dat getallen de situatie op papier kunnen verbeteren, terwijl die in de praktijk verslechtert. Cijfers gaan een eigen leven leiden. In 2003 ontstond commotie onder de bewoners in de buurt van Maastricht Aachen Airport omdat 87 woningen binnen de contour bleken te liggen waar een grotere kans op overlijden als gevolg van het vliegverkeer was. Het model was gebaseerd op aannames. Door deze te wijzigen werd het aantal woningen al gereduceerd tot 23 huizen. Als klap op de vuurpijl werd de landingsbaan met 150 meter ingekort en bleek er geen enkele woning meer binnen de gevarenzone met verhoogd risico te liggen. Het probleem was opgelost. Februari haalde dit voorbeeld aan om aan te tonen dat de fixatie op papier zo groot is dat de werkelijkheid uit het zicht verdwijnt. Ze besloot haar lezing met drie opmerkingen naar aanleiding van het boek. De eerste was dat het boek binnen de tijdgeest past dat niet alles binnen het nutsdenken te vangen is. Er is steeds meer sprake van een algehele ontevredenheid over meten en de consequenties van een verantwoordingsplicht. Daarnaast wees het boek haar op het verschil tussen ideaal en norm, dat haar al langer bezig houdt. Normen sturen iedereen naar het midden, alles wordt bijgeschaafd naar het gemiddelde. Tegenover het SMART-principe (specifiek, meetbaar, acceptabel, realistisch, tijdgebonden) van doelstellingen stelde zij het FUZZY-principe (feestelijk, uitdagend, zuiver, zindelijk, yes). Tot slot ging ze in op de begrippen vitaliteit en weerbaar. Ze bedoelde hiermee dat je instelling moet zijn om je werk goed te doen, in plaats van achteraf te kijken hoe je het gedaan hebt. Niet de regels sturen je, maar je eigen professionaliteit. Dit is in de kunstwereld niet zo vanzelfsprekend en dat moet in deze barre tijden onder ogen gezien worden. Er is maar één ding dat werkt en dat is je werk beter doen!
Vervolgens ondervroeg Maud van de Wiel Hans de Bruijn, hoogleraar bestuurskunde aan de Technische Universiteit Delft, als relatieve buitenstaander naar zijn mening over prestatieafspraken. De Bruijn refereerde daarbij vooral aan de prestatieafspraken zoals die tot voor kort in de universitaire wereld gelden. Daar hanteerde men voor elke publicatie een puntensysteem, afhankelijk van onder andere het soort publicatie en de taal. Het enige doel was nog om aan het gestelde aantal punten te komen. De inhoud deed er niet meer toe. In de universitaire wereld is de kritiek op het verantwoordingsdenken inmiddels ingedaald. Maar, zo nuanceerde hij zijn betoog, cijfers kunnen zeker heilzaam zijn in alle sectoren. Hij bedoelde daar vooral simpele cijfers mee, zoals bijvoorbeeld publiekcijfers. Als degene die de cijfers levert, moet je er begrip voor opbrengen dat er behoefte is aan cijfers. Maar het moet niet alleen bij de cijfers blijven. Van belang is dat er een goed gesprek over ontstaat over de achtergronden van de cijfers. Zijn advies was om je als kunstinstelling proactief op te stellen. Laat merken dat je cijfers wel degelijk van belang vindt, maar dat er daarnaast nog iets anders is, zoals kwaliteit. Ga daarover het gesprek aan.
Na deze relatieve buitenstaanders, kwamen de meest direct betrokkenen aan het woord: de auteurs. Van de Wiel ondervroeg Claartje Bunnik en Edwin van Huis over de achtergronden van het boek. Uit hun dagelijkse adviespraktijk viel hun op dat subsidiegevers en –ontvangers verschillende talen spraken en dat de inhoud nauwelijks aan de orde kwam. Wat vertellen cijfers eigenlijk? Ze haalden Rotterdam als voorbeeld aan van hoe het moet. Daar wordt een gesprek met de subsidiënten gevoerd op basis van de bredere doelstellingen van de stad en praten ook verschillende sectoren met elkaar. Bunnik sprak de tijdgeest die Februari constateerde tegen. In de cultuursector richt men zich volgens haar nog steeds meer op cijfers. Van Huis sloot zich hierbij aan en hoopte dat culturele instellingen toch vooral zichzelf blijven. Sta er bij stil waar je het voor doet en doe mee, maar blijf jezelf, was zijn advies.
De paneldiscussie sloot hier direct op aan. Aan tafel namen George Lawson, directeur van het Fonds Podiumkunsten, Benno Tempel, directeur van het Gemeentemuseum Den Haag en Hans Waege, algemeen directeur van het Rotterdam Philharmonisch Orkest, plaats. In de zaal kon gesprekleidster Van de Wiel een beroep doen op Eric van der Want, wethouder namens D66 in Hilversum. Tussen de panelleden heerste opvallend veel eensgezindheid. Zo benadrukten ze dat de culturele sector veel te breed is om onderlinge vergelijkingen mogelijk te maken. Cijfers zeggen in zo’n geval niets. Het is appels met peren vergelijken. Ook hechten alle panelleden aan een gesprek tussen subsidiegever en subsidiënt. Natuurlijk zijn cijfers ook belangrijk, maar ze zijn niet alleszeggend. Een gesprek kan duidelijk maken waarom de cijfers zijn zoals ze zijn. Waege kon zich vinden in de complimenten van auteur Van Huis voor de gemeente Rotterdam. Maatschappelijke verankering speelt daar een grote rol en is wel degelijk te meten door bijvoorbeeld het aantal wijkconcerten, lokale sponsoren en concerten op scholen. Maar naast die cijfermatige verantwoording moet je het ook woordelijk doen. Tempel wees op een artikel in Trouw waarin het feit dat enkele musea er nu in geslaagd zijn particulier geld te vinden als het gelijk van staatssecretaris Zijlstra wordt gezien. Musea zijn onderling echter zo verschillend, je kunt een kunstmuseum niet met een historisch museum vergelijken. Lawson hecht er erg veel waarde aan dat het fonds de logica van de subsidiering aan de subsidiënten en de buitenwereld duidelijk kan maken. Peerreviews zijn daarin van groot belang, naast andere criteria. De fysieke waarneming van kwaliteit speelt mee in de beoordeling. Door deze helderheid te creëren kom je als partners tegenover elkaar te staan.
Naar het einde toe mengde ook de zaal zich nadrukkelijker in het gesprek. Meest opvallend daarin was wel de mededeling van Rob Boonzajer Flaes, voormalig lid van de Raad voor Cultuur, dat je het allemaal niet erger moet maken dan het is. ‘De overheid doet niets met alle aangeleverde gegevens. Vul gewoon in wat ze vragen, ze onthouden het toch niet. Als ze je willen korten, doen ze dat toch wel.’ Maud van de Wiel besloot het debat dat naast een interessante discussie ook nog een aantal alternatieve titels had opgeleverd, zoals Tellen is niet weten; Eerst wegen, dan tellen; en Intelligent tellen en dan wegen.
André Nuchelmans
Marjolein Februari, publiciste en adviseur over maatschappelijke en bestuurlijke onderwerpen, zette de publicatie Niet tellen maar wegen en het gebruik van cijfermateriaal in een breder kader, door een voorbeeld uit de luchtvaart aan te halen. Ze betoogde dat getallen de situatie op papier kunnen verbeteren, terwijl die in de praktijk verslechtert. Cijfers gaan een eigen leven leiden. In 2003 ontstond commotie onder de bewoners in de buurt van Maastricht Aachen Airport omdat 87 woningen binnen de contour bleken te liggen waar een grotere kans op overlijden als gevolg van het vliegverkeer was. Het model was gebaseerd op aannames. Door deze te wijzigen werd het aantal woningen al gereduceerd tot 23 huizen. Als klap op de vuurpijl werd de landingsbaan met 150 meter ingekort en bleek er geen enkele woning meer binnen de gevarenzone met verhoogd risico te liggen. Het probleem was opgelost. Februari haalde dit voorbeeld aan om aan te tonen dat de fixatie op papier zo groot is dat de werkelijkheid uit het zicht verdwijnt. Ze besloot haar lezing met drie opmerkingen naar aanleiding van het boek. De eerste was dat het boek binnen de tijdgeest past dat niet alles binnen het nutsdenken te vangen is. Er is steeds meer sprake van een algehele ontevredenheid over meten en de consequenties van een verantwoordingsplicht. Daarnaast wees het boek haar op het verschil tussen ideaal en norm, dat haar al langer bezig houdt. Normen sturen iedereen naar het midden, alles wordt bijgeschaafd naar het gemiddelde. Tegenover het SMART-principe (specifiek, meetbaar, acceptabel, realistisch, tijdgebonden) van doelstellingen stelde zij het FUZZY-principe (feestelijk, uitdagend, zuiver, zindelijk, yes). Tot slot ging ze in op de begrippen vitaliteit en weerbaar. Ze bedoelde hiermee dat je instelling moet zijn om je werk goed te doen, in plaats van achteraf te kijken hoe je het gedaan hebt. Niet de regels sturen je, maar je eigen professionaliteit. Dit is in de kunstwereld niet zo vanzelfsprekend en dat moet in deze barre tijden onder ogen gezien worden. Er is maar één ding dat werkt en dat is je werk beter doen!
Vervolgens ondervroeg Maud van de Wiel Hans de Bruijn, hoogleraar bestuurskunde aan de Technische Universiteit Delft, als relatieve buitenstaander naar zijn mening over prestatieafspraken. De Bruijn refereerde daarbij vooral aan de prestatieafspraken zoals die tot voor kort in de universitaire wereld gelden. Daar hanteerde men voor elke publicatie een puntensysteem, afhankelijk van onder andere het soort publicatie en de taal. Het enige doel was nog om aan het gestelde aantal punten te komen. De inhoud deed er niet meer toe. In de universitaire wereld is de kritiek op het verantwoordingsdenken inmiddels ingedaald. Maar, zo nuanceerde hij zijn betoog, cijfers kunnen zeker heilzaam zijn in alle sectoren. Hij bedoelde daar vooral simpele cijfers mee, zoals bijvoorbeeld publiekcijfers. Als degene die de cijfers levert, moet je er begrip voor opbrengen dat er behoefte is aan cijfers. Maar het moet niet alleen bij de cijfers blijven. Van belang is dat er een goed gesprek over ontstaat over de achtergronden van de cijfers. Zijn advies was om je als kunstinstelling proactief op te stellen. Laat merken dat je cijfers wel degelijk van belang vindt, maar dat er daarnaast nog iets anders is, zoals kwaliteit. Ga daarover het gesprek aan.
Na deze relatieve buitenstaanders, kwamen de meest direct betrokkenen aan het woord: de auteurs. Van de Wiel ondervroeg Claartje Bunnik en Edwin van Huis over de achtergronden van het boek. Uit hun dagelijkse adviespraktijk viel hun op dat subsidiegevers en –ontvangers verschillende talen spraken en dat de inhoud nauwelijks aan de orde kwam. Wat vertellen cijfers eigenlijk? Ze haalden Rotterdam als voorbeeld aan van hoe het moet. Daar wordt een gesprek met de subsidiënten gevoerd op basis van de bredere doelstellingen van de stad en praten ook verschillende sectoren met elkaar. Bunnik sprak de tijdgeest die Februari constateerde tegen. In de cultuursector richt men zich volgens haar nog steeds meer op cijfers. Van Huis sloot zich hierbij aan en hoopte dat culturele instellingen toch vooral zichzelf blijven. Sta er bij stil waar je het voor doet en doe mee, maar blijf jezelf, was zijn advies.
De paneldiscussie sloot hier direct op aan. Aan tafel namen George Lawson, directeur van het Fonds Podiumkunsten, Benno Tempel, directeur van het Gemeentemuseum Den Haag en Hans Waege, algemeen directeur van het Rotterdam Philharmonisch Orkest, plaats. In de zaal kon gesprekleidster Van de Wiel een beroep doen op Eric van der Want, wethouder namens D66 in Hilversum. Tussen de panelleden heerste opvallend veel eensgezindheid. Zo benadrukten ze dat de culturele sector veel te breed is om onderlinge vergelijkingen mogelijk te maken. Cijfers zeggen in zo’n geval niets. Het is appels met peren vergelijken. Ook hechten alle panelleden aan een gesprek tussen subsidiegever en subsidiënt. Natuurlijk zijn cijfers ook belangrijk, maar ze zijn niet alleszeggend. Een gesprek kan duidelijk maken waarom de cijfers zijn zoals ze zijn. Waege kon zich vinden in de complimenten van auteur Van Huis voor de gemeente Rotterdam. Maatschappelijke verankering speelt daar een grote rol en is wel degelijk te meten door bijvoorbeeld het aantal wijkconcerten, lokale sponsoren en concerten op scholen. Maar naast die cijfermatige verantwoording moet je het ook woordelijk doen. Tempel wees op een artikel in Trouw waarin het feit dat enkele musea er nu in geslaagd zijn particulier geld te vinden als het gelijk van staatssecretaris Zijlstra wordt gezien. Musea zijn onderling echter zo verschillend, je kunt een kunstmuseum niet met een historisch museum vergelijken. Lawson hecht er erg veel waarde aan dat het fonds de logica van de subsidiering aan de subsidiënten en de buitenwereld duidelijk kan maken. Peerreviews zijn daarin van groot belang, naast andere criteria. De fysieke waarneming van kwaliteit speelt mee in de beoordeling. Door deze helderheid te creëren kom je als partners tegenover elkaar te staan.
Naar het einde toe mengde ook de zaal zich nadrukkelijker in het gesprek. Meest opvallend daarin was wel de mededeling van Rob Boonzajer Flaes, voormalig lid van de Raad voor Cultuur, dat je het allemaal niet erger moet maken dan het is. ‘De overheid doet niets met alle aangeleverde gegevens. Vul gewoon in wat ze vragen, ze onthouden het toch niet. Als ze je willen korten, doen ze dat toch wel.’ Maud van de Wiel besloot het debat dat naast een interessante discussie ook nog een aantal alternatieve titels had opgeleverd, zoals Tellen is niet weten; Eerst wegen, dan tellen; en Intelligent tellen en dan wegen.
André Nuchelmans
woensdag 5 oktober 2011
De boekenbusiness. Hoe geld het boekenvak heeft veranderd
‘Hoe het grote geld het boekenvak en het lezen heeft veranderd’, luidt de ondertitel van André Schiffrins levendige en persoonlijke boek over de vercommercialisering van de boekenwereld. Volgens de oud-uitgever van Pantheon Books, de Amerikaanse uitgeverij van onder anderen Günter Grass en Simone de Beauvoir, is een boek tegenwoordig een product ‘zoals een pak zeep’, dat zijn succes uitsluitend aan winst afmeet.
De Boekenbusiness begint als de memoires van Schiffrin, die als klein jongetje in het New York van de jaren veertig graag op bezoek ging bij de uitgeverijen waar zijn vader werkte: eerst Gallimard en later, vanaf 1942, Pantheon Books. Dialogen tussen rijke Amerikaanse investeerders en intellectuele Europeaanse uitgevers, eigen gedachten en de vertellende ik-figuur maken het boek prettig leesbaar en aansprekend. Ondanks de vele romantitels, auteurs, jaartallen en zakelijke kwesties die aan de orde komen, is Schiffrins vertelling allesbehalve een geschiedenisles.
Rode draad in het verhaal zijn de ontwikkelingen binnen uitgeverij Pantheon, die zich sinds eind jaren vijftig steeds meer zou richten op verkoop en promotie. Destijds veranderde geld de toekomst van het bedrijf door onder meer Doctor Zhivago in een oplage van 4000 exemplaren te drukken. De schrijver, Boris Pasternak, kreeg een Nobelprijs en de moeilijke Russische roman werd met meer dan zes miljoen verkochte exemplaren een bestseller.
Dat was pas het begin, zo vertelt Schiffrin. Uit alles in zijn boek spreekt liefde voor het vak en een wens voor een intellectueel en verstandig uitgeefbeleid en een afkeer van vercommercialisering die daar decennialang een einde aan maakte. Het is fascinerend om te lezen hoe de auteur sinds 1961, toen hij zijn vader opvolgde als hoofd van uitgeverij Pantheon, steeds meer te maken kreeg met financieel gewin en kortzichtige commerciële keuzes, die diversiteit en experimenten in de boekenwereld langzaam naar de achtergrond verdreven. In de jaren negentig werden ‘substantiële titels’ geschrapt omdat ze de budgettair opgelegde verkoopcijfers niet haalden, de rol van uitgever werd langzaam vervangen door marketingmanagers. Het boek was geen intellectueel of maatschappelijk waardevol goed meer, maar een product.
Hoewel De Boekenbusiness hier en daar een ‘vroeger-was-alles-beter’-neiging heeft, schrijft Schiffrin zijn betoog overtuigend en haalt hij genoeg voorbeelden aan om te onderbouwen dat de boekenwereld vroeger waarschijnlijk inderdaad beter was. De auteur liet het hoofd echter niet hangen: sinds de jaren negentig is hij hoofd van uitgeverij The New Press, waar auteur en boek centraal staan.
In een nawoord beschrijft Laurens van Krevelen vergelijkbare ontwikkelingen in Nederland.
André Schiffrin - De Boekenbusiness. Hoe het grote geld het boekenvak en het lezen heeft veranderd - Amsterdam: Wereldbibliotheek, 2011 - ISBN 9789028423572 – prijs: euro 19,90
Ook te leen in de bibliotheek van de Boekmanstichting, signatuur: 11-283
Kim van der Meulen
De Boekenbusiness begint als de memoires van Schiffrin, die als klein jongetje in het New York van de jaren veertig graag op bezoek ging bij de uitgeverijen waar zijn vader werkte: eerst Gallimard en later, vanaf 1942, Pantheon Books. Dialogen tussen rijke Amerikaanse investeerders en intellectuele Europeaanse uitgevers, eigen gedachten en de vertellende ik-figuur maken het boek prettig leesbaar en aansprekend. Ondanks de vele romantitels, auteurs, jaartallen en zakelijke kwesties die aan de orde komen, is Schiffrins vertelling allesbehalve een geschiedenisles.
Rode draad in het verhaal zijn de ontwikkelingen binnen uitgeverij Pantheon, die zich sinds eind jaren vijftig steeds meer zou richten op verkoop en promotie. Destijds veranderde geld de toekomst van het bedrijf door onder meer Doctor Zhivago in een oplage van 4000 exemplaren te drukken. De schrijver, Boris Pasternak, kreeg een Nobelprijs en de moeilijke Russische roman werd met meer dan zes miljoen verkochte exemplaren een bestseller.
Dat was pas het begin, zo vertelt Schiffrin. Uit alles in zijn boek spreekt liefde voor het vak en een wens voor een intellectueel en verstandig uitgeefbeleid en een afkeer van vercommercialisering die daar decennialang een einde aan maakte. Het is fascinerend om te lezen hoe de auteur sinds 1961, toen hij zijn vader opvolgde als hoofd van uitgeverij Pantheon, steeds meer te maken kreeg met financieel gewin en kortzichtige commerciële keuzes, die diversiteit en experimenten in de boekenwereld langzaam naar de achtergrond verdreven. In de jaren negentig werden ‘substantiële titels’ geschrapt omdat ze de budgettair opgelegde verkoopcijfers niet haalden, de rol van uitgever werd langzaam vervangen door marketingmanagers. Het boek was geen intellectueel of maatschappelijk waardevol goed meer, maar een product.
Hoewel De Boekenbusiness hier en daar een ‘vroeger-was-alles-beter’-neiging heeft, schrijft Schiffrin zijn betoog overtuigend en haalt hij genoeg voorbeelden aan om te onderbouwen dat de boekenwereld vroeger waarschijnlijk inderdaad beter was. De auteur liet het hoofd echter niet hangen: sinds de jaren negentig is hij hoofd van uitgeverij The New Press, waar auteur en boek centraal staan.
In een nawoord beschrijft Laurens van Krevelen vergelijkbare ontwikkelingen in Nederland.
André Schiffrin - De Boekenbusiness. Hoe het grote geld het boekenvak en het lezen heeft veranderd - Amsterdam: Wereldbibliotheek, 2011 - ISBN 9789028423572 – prijs: euro 19,90
Ook te leen in de bibliotheek van de Boekmanstichting, signatuur: 11-283
Kim van der Meulen
Labels:
boekbespreking,
boeken,
boekenvak,
commercialisering,
management,
marketing
dinsdag 4 oktober 2011
De oogst van KOERS KUNST, presentatie en debat
Maandag 3 oktober stond de oogst van KOERS KUNST centraal in Pakhuis De Zwijger in Amsterdam. Buiten was het fraai weer. Desondanks kwamen circa 150 mensen naar de bijeenkomst, bestaande uit een presentatie door initiatiefnemer Johan Idema en een discussie m.m.v. Dingeman Kuilman (collegevoorzitter van ArtEZ hogeschool voor de kunsten), Nanette Ris (directeur muziekcentrum Vredenburg) en Hans Maarten van den Brink (directeur Mediafonds). De gespreksleiding was in handen van Ilona Eichhorn. Met uitroepen als ‘U haalt adem, dus u wilt vast iets vragen!’, slaagde ze er in de aandacht vast te houden. Een beetje vreemd, was het wel.
KOERS KUNST is een landelijke brainstorm, opgezet door Idema en Simon van den Berg, bedoeld om de mogelijkheden voor vernieuwing in de wereld van kunst en cultuur te verkennen. Van april tot juli kreeg iedereen die kunst en cultuur een warm hart toedraagt de kans om zijn of haar ideeën aan te dragen. De beste initiatieven werden online verspreid (zie www.koerskunst.nl) en becommentarieerd door een panel van deskundigen. Sinds april hebben circa 10.000 belangstellenden op enigerleiwijze hun stem laten horen op de interactieve website, twitter of andere media. De sector mag dit niet negeren, aldus Idema, die nog benadrukte dat het project al voor de bezuinigingen was ontstaan. De behoefte aan vernieuwing in de kunstwereld dateert al van daarvoor.
De resultaten van het project kregen hun neerslag in een publicatie, die de eerste honderd bezoekers van de bijeenkomst kregen uitgereikt. Johan Idema presenteerde aan de hand van een powerpoint een terugblik op het project en lichtte de belangrijkste conclusies toe. Hij bracht ze onder in drie zogenaamde routes: 1. Van bekijken naar begrijpen; 2. Van bestoken naar betrekken; 3. Van binnenkant naar buitenkans. De belangrijkste conclusie was: echte vernieuwing draait om meer dan financiering en publiek. Het begint bij de missie, ambities en bedrijfsprocessen. Frisse ideeën kunnen leiden tot vernieuwing in de praktijk, aldus Idema.
Het panel kwam vervolgens aan het woord. Aanpassen of uitsterven? Dat was de eerste stelling die Eichhorn de gasten voorlegde. Aanpassen natuurlijk, reageerden ze. Instellingen zijn al druk bezig, legde Ris uit. Er volgden meer stellingen, soms gebaseerd op vragen vanuit het publiek. Bijvoorbeeld de vraag: Is de sector niet allang bezig met de drie genoemde routes? (ja, min of meer...) Ook de kwestie elitekunst versus populaire cultuur dook op. Moeten kunstinstellingen en kunstenaar zich richten op de inhoud of op vermaak? De meningen waren licht verdeeld, maar uiteindelijk was men het er over eens dat het zaak is publiek te betrekken bij kunstuitingen door het ervoor te enthousiasmeren, en niet dwingend ´vóór te schrijven´. Wie maakt zich tegenwoordig nog werkelijk druk om het toegankelijk maken van kunst? Wat is er eigenlijk mee mis wanneer Oprah Winfrey in haar boekenclub op weinig literaire wijze een lans breekt voor Tolstoj’s Anna Karenina en het boek daarmee tot bestseller weet te transformeren? Helemaal niets! ‘Het gaat er om dat publiek zich realiseert dat het boek over hen gaat, en dus een bepaalde relevantie voor ze heeft. Ze stellen zich er vervolgens voor open’, legde Kuilman uit. ‘Daarom moet je je als instelling verdiepen in de belevingswereld van je publiek’.
Kuilman kon zich ook vinden in het voorstel vanuit de zaal voor trapsgewijze instroom. Niet iedereen wil hetzelfde, pas je aanbod daar op aan. De een wil meer inhoud en diepgang, een ander komt puur om zich te vermaken. Het is niet het een of het ander, je kunt je aanbod ook variëren. Idema noemde nog een ander voorbeeld: rondleidingen in musea. Bezoekers leren kijken naar wat ze eerst wel zagen, maar misschien niet ‘ begrepen’. In het geval van bepaalde kunstuitingen bestaat er van oudsher weliswaar een zekere afstand tot het grote publiek, zoals bij poëzie. Dat neemt niet weg dat het tijd wordt dat er weer eens iets wordt ondernomen om ook deze afstand te beslechten, aldus Kuilman. De Nacht van de poëzie was een prachtig initiatief, maar is al weer een paar decennia oud. ‘Kortom, tijd om iets nieuws te verzinnen’. Vanuit de zaal werd hem het verwijt gemaakt dat hij teveel op de hoge kunst inzette. Hiphop is eigenlijk ook poëzie en daar luisteren veel meer mensen naar. Zo kwam ook deze discussie weer terug bij het onderscheid hoge en lage kunst.
Nanette Ris zette in heldere woorden uiteen dat de moeizame onderlinge verhoudingen bij de realisatie van Het Muziekpaleis in Utrecht de betrokken partijen de afgelopen maanden hebben gedwongen te kijken naar de eigen DNA en interne discussies te voeren over missie en doelstellingen. Tivoli zag Vredenburg vooral als elitaire kunst, andersom zag Vredenburg de popzaal vooral als bierschenker. Je moet dan vooral niet in het defensieve schieten, maar proberen te achterhalen waar die vooroordelen op berusten. Vanuit haar ervaringen onderstreepte ze de bevindingen van Idema en Van de Berg. Organiseer je eigen zelfkritiek, was haar aanvullend devies. Experimenteer met formats, probeer nieuw publiek te overtuigen, spring niet direct in een defensieve houding. ‘Luister naar je publiek’. Hans Maarten ten Brink viel haar bij. ‘Als instelling moet je gaan waar je publiek is.’
Idema benadrukte dat hij hoopt dat financiers dezelfde richtlijnen volgen bij het ondersteunen van initiatieven. Fondsen en andere geldschieters zouden meer eisen moeten stellen aan de subsidiënt om de drie routes te volgen. De in de zaal aanwezige vertegenwoordigers van fondsen lieten zich daar nog niet zo duidelijk over uit. Het is aan de instellingen om naast het produceren ook het experiment ruimte te bieden, maar daarvoor hebben ze de steun van geldschieters nodig. Ook zouden die geldschieters minder geld voor de producties kunnen geven en meer voor publiciteit en marketing. Vooralsnog gaat subsidie vooral naar de productie en komt promotie op een tweede plan. Hans Maarten ten Brink bepleitte meer samenwerking tussen de fondsen. Iets wat het Mediafonds de afgelopen jaren al in de praktijk heeft gebracht.
Een feestelijke borrel rondde de bijeenkomst af. De versnaperingen waren overigens op kosten van de gebruiker. Het leek rechtstreeks afkomstig uit de ideeënkoker van KOERS KUNST.
U kunt de publicatie vinden op www.koerskunst.nl
Jack van der Leden en André Nuchelmans
KOERS KUNST is een landelijke brainstorm, opgezet door Idema en Simon van den Berg, bedoeld om de mogelijkheden voor vernieuwing in de wereld van kunst en cultuur te verkennen. Van april tot juli kreeg iedereen die kunst en cultuur een warm hart toedraagt de kans om zijn of haar ideeën aan te dragen. De beste initiatieven werden online verspreid (zie www.koerskunst.nl) en becommentarieerd door een panel van deskundigen. Sinds april hebben circa 10.000 belangstellenden op enigerleiwijze hun stem laten horen op de interactieve website, twitter of andere media. De sector mag dit niet negeren, aldus Idema, die nog benadrukte dat het project al voor de bezuinigingen was ontstaan. De behoefte aan vernieuwing in de kunstwereld dateert al van daarvoor.
De resultaten van het project kregen hun neerslag in een publicatie, die de eerste honderd bezoekers van de bijeenkomst kregen uitgereikt. Johan Idema presenteerde aan de hand van een powerpoint een terugblik op het project en lichtte de belangrijkste conclusies toe. Hij bracht ze onder in drie zogenaamde routes: 1. Van bekijken naar begrijpen; 2. Van bestoken naar betrekken; 3. Van binnenkant naar buitenkans. De belangrijkste conclusie was: echte vernieuwing draait om meer dan financiering en publiek. Het begint bij de missie, ambities en bedrijfsprocessen. Frisse ideeën kunnen leiden tot vernieuwing in de praktijk, aldus Idema.
Het panel kwam vervolgens aan het woord. Aanpassen of uitsterven? Dat was de eerste stelling die Eichhorn de gasten voorlegde. Aanpassen natuurlijk, reageerden ze. Instellingen zijn al druk bezig, legde Ris uit. Er volgden meer stellingen, soms gebaseerd op vragen vanuit het publiek. Bijvoorbeeld de vraag: Is de sector niet allang bezig met de drie genoemde routes? (ja, min of meer...) Ook de kwestie elitekunst versus populaire cultuur dook op. Moeten kunstinstellingen en kunstenaar zich richten op de inhoud of op vermaak? De meningen waren licht verdeeld, maar uiteindelijk was men het er over eens dat het zaak is publiek te betrekken bij kunstuitingen door het ervoor te enthousiasmeren, en niet dwingend ´vóór te schrijven´. Wie maakt zich tegenwoordig nog werkelijk druk om het toegankelijk maken van kunst? Wat is er eigenlijk mee mis wanneer Oprah Winfrey in haar boekenclub op weinig literaire wijze een lans breekt voor Tolstoj’s Anna Karenina en het boek daarmee tot bestseller weet te transformeren? Helemaal niets! ‘Het gaat er om dat publiek zich realiseert dat het boek over hen gaat, en dus een bepaalde relevantie voor ze heeft. Ze stellen zich er vervolgens voor open’, legde Kuilman uit. ‘Daarom moet je je als instelling verdiepen in de belevingswereld van je publiek’.
Kuilman kon zich ook vinden in het voorstel vanuit de zaal voor trapsgewijze instroom. Niet iedereen wil hetzelfde, pas je aanbod daar op aan. De een wil meer inhoud en diepgang, een ander komt puur om zich te vermaken. Het is niet het een of het ander, je kunt je aanbod ook variëren. Idema noemde nog een ander voorbeeld: rondleidingen in musea. Bezoekers leren kijken naar wat ze eerst wel zagen, maar misschien niet ‘ begrepen’. In het geval van bepaalde kunstuitingen bestaat er van oudsher weliswaar een zekere afstand tot het grote publiek, zoals bij poëzie. Dat neemt niet weg dat het tijd wordt dat er weer eens iets wordt ondernomen om ook deze afstand te beslechten, aldus Kuilman. De Nacht van de poëzie was een prachtig initiatief, maar is al weer een paar decennia oud. ‘Kortom, tijd om iets nieuws te verzinnen’. Vanuit de zaal werd hem het verwijt gemaakt dat hij teveel op de hoge kunst inzette. Hiphop is eigenlijk ook poëzie en daar luisteren veel meer mensen naar. Zo kwam ook deze discussie weer terug bij het onderscheid hoge en lage kunst.
Nanette Ris zette in heldere woorden uiteen dat de moeizame onderlinge verhoudingen bij de realisatie van Het Muziekpaleis in Utrecht de betrokken partijen de afgelopen maanden hebben gedwongen te kijken naar de eigen DNA en interne discussies te voeren over missie en doelstellingen. Tivoli zag Vredenburg vooral als elitaire kunst, andersom zag Vredenburg de popzaal vooral als bierschenker. Je moet dan vooral niet in het defensieve schieten, maar proberen te achterhalen waar die vooroordelen op berusten. Vanuit haar ervaringen onderstreepte ze de bevindingen van Idema en Van de Berg. Organiseer je eigen zelfkritiek, was haar aanvullend devies. Experimenteer met formats, probeer nieuw publiek te overtuigen, spring niet direct in een defensieve houding. ‘Luister naar je publiek’. Hans Maarten ten Brink viel haar bij. ‘Als instelling moet je gaan waar je publiek is.’
Idema benadrukte dat hij hoopt dat financiers dezelfde richtlijnen volgen bij het ondersteunen van initiatieven. Fondsen en andere geldschieters zouden meer eisen moeten stellen aan de subsidiënt om de drie routes te volgen. De in de zaal aanwezige vertegenwoordigers van fondsen lieten zich daar nog niet zo duidelijk over uit. Het is aan de instellingen om naast het produceren ook het experiment ruimte te bieden, maar daarvoor hebben ze de steun van geldschieters nodig. Ook zouden die geldschieters minder geld voor de producties kunnen geven en meer voor publiciteit en marketing. Vooralsnog gaat subsidie vooral naar de productie en komt promotie op een tweede plan. Hans Maarten ten Brink bepleitte meer samenwerking tussen de fondsen. Iets wat het Mediafonds de afgelopen jaren al in de praktijk heeft gebracht.
Een feestelijke borrel rondde de bijeenkomst af. De versnaperingen waren overigens op kosten van de gebruiker. Het leek rechtstreeks afkomstig uit de ideeënkoker van KOERS KUNST.
U kunt de publicatie vinden op www.koerskunst.nl
Jack van der Leden en André Nuchelmans
Labels:
financiering,
marketing,
markt,
private financiering,
publiek,
toekomstvisie,
verslag
vrijdag 23 september 2011
De koopman en de kunstenaar. Hoe kunst en handel elkaar – kunnen – versterken
Op de toepasselijke locatie het ING House vond op 22 september de door Sica samen met ING georganiseerde bijeenkomst De koopman en de kunstenaar plaats. Na een heldere keynotespeech van Paul Hughes werd in een plenaire discussie uitgebreid ingegaan op de samenwerkingsverbanden bij de wereldtournee die het Koninklijk Concertgebouw Orkest (KCO) in 2013 gaat houden. Na 3 parallelle workshops legde dagvoorzitter Rob Vermaas de Vlaming Hugo de Greef een aantal vragen voor op het middagthema. Een mooi afgerond programma waarin de deelnemers vol ideeën en goede moed weer vertrokken.
Na een kort welkomstwoord door Jan Kennis, adjunct-directeur bij Sica, stak Paul Hughes van wal. Hughes is mede-oprichter en strategisch directeur van Lava, dat zich bezighoudt met branding en design. In slechts een kwartier deed hij uit de doeken waar Nederlandse kunstinstellingen en kunstenaars vaak in de fout gaan als zij zich in het buitenland willen presenteren. De titel van de lezing,Sweet spot, verwees naar de kracht van samenwerking. De kracht zit hem in de combinatie niet in de individuele elementen. De combinatie van koolstof, waterstof en zuurstof levert suiker. Hetzelfde geldt voor de Nederlandse cultuur. Momenteel wordt het vooral op individueel niveau gepromoot, terwijl een combinatie veel meer op kan leveren. Het brandverhaal is daarbij van belang (Why? What? How?). ‘It’s not what you do, it’s how you do it’, hield Hughes de aanwezigen voor. ‘Connect your stories and unify under the Dutch brand’. Kenmerken van het Nederlandse merk zijn ‘pragmatic openmindedness, collaborative diversity and local/global’. Treed daar collectief mee naar buiten en verplaats je in de buitenstaander. Hoe kijkt die tegen je aan?
De plenaire discussie over de wereldtournee van het KCO gaf direct aan hoe je dit model in praktijk kunt brengen. In het panel zaten vertegenwoordigers van het KCO en van partners waarmee het de wereldtournee organiseert. Jan Meddens, manager corporate relations & sponsoring bij het KCO, legde kort uit wat de wereldtournee inhoudt en hoe het KCO dit organisatorisch aan gaat pakken. Rutger Hamelynck, global head sponsorship bij ING, vertelde dat ING als sinds 1989 partner is van KCO. De merkverhalen van ING en KCO passen goed bij elkaar en ze hebben beide belang bij internationale optredens. De optredens bieden ING goede mogelijkheden contacten in het buitenland aan te halen. Een andere partner is de AVRO. Willemijn Maas, algemeen directeur van de AVRO, overtrof ING door mee te delen dat de banden tussen AVRO en KCO al bijna 90 jaar oud zijn. De AVRO wil kunst en cultuur toegankelijk maken bij een breed publiek, maar is daarbij op zoek naar andere vormen dan een pure concertregistratie. De bedoeling is dan ook om een roadmovie van de wereldtour te maken. Jan van Weijen, verbonden aan de Nederlandse ambassade in Londen, maakte duidelijk wat de ambassade voor het KCO kan betekenen als het Groot-Brittannië aandoet en welke mogelijkheden optredens van het KCO aldaar de ambassade bieden. Het KCO is daarbij een visitekaartje waar je als ambassade mee voor de dag kunt komen door bijvoorbeeld buitenlandse investeerders voor het concert uit te nodigen. Agentschap NL biedt het KCO vooral contacten in de landen die tijdens de wereldtournee aangedaan worden, zo lichtte Vincent Stokman toe. Kunst en cultuur worden daar vooral gebruikt om contacten voor het bedrijfsleven te leggen en te onderhouden.
Tot besluit kwam dagvoorzitter Rob Vermaas terug op de samenwerking en hoe dit als voorbeeld voor andere culturele instellingen zou kunnen werken. Hier kwam naar voren dat je als culturele instelling niet kost wat kost het buitenland voor ogen moet houden. Veel instellingen zijn daar ook niet voor bedoeld. Als je echter naar het buitenland wilt, is het van belang daar een helder en goed onderbouwd plan voor op te stellen, waarmee je bij eventuele partners aan kunt komen. Het KCO heeft wat dat betreft als wereldvermaard orkest dat overal welkom is een duidelijke voorsprong. ING verbindt zich niet aan optredens van het KCO. Zo heeft ING geen enkel belang in Zuid-Afrika. Daar zal het zich dan ook niet met het KCO afficheren. Het zal echter niet moeilijk zijn daar een andere partner voor te vinden. Willemijn Maas bracht in dat het model niet alleen internationaal maar ook nationaal bruikbaar is. ING gaf in de persoon van Hamelynck te kennen dat als kunstinstellingen ondernemend zijn, het ING daar graag bij aanhaakt.
Na een korte pauze werden de aanwezigen verdeeld over 3 workshops: Hoe weet ik wat ik waard ben? Het buitenland gold als voorbeeld. En wat doet de koppelaar? Ik was ingedeeld bij de eerste workshop waar Steven Kop, creatief directeur van adviesbureau Creatieve Koppen, een inleiding hield over de werkwijze van zijn bureau. Aan de hand van een aantal pitches werden de aanwezigen uitgedaagd mogelijke oplossingen aan te dragen. Zoals in het huidige klimaat te verwachten, betrof het vooral het zoeken van financiers voor projecten. Het viel me op hoeveel oplossingen mensen uit de kunst- en cultuursector hier in korte tijd voor aan kunnen dragen. Zo werd een pianist die een festival wilde organiseren waar pianisten en drummers voorstellingen gaven door de aanwezigen gekoppeld aan een datingbureau of een bedrijf met veel duobanen. Kop kwam zelf met het voorbeeld van de Cliniclowns die meer voorstellingen wilden geven, maar hoe dat te financieren? Hij stelde daarop voor de cliniclowns ook in het bedrijfsleven in te zetten. Door daar een ziekenhuisclown voor op te offeren, konden 3 anderen extra in het ziekenhuis aan de slag. Een reden om de banden met het bedrijfsleven op andere manier aan te halen dan alleen als directe financier.
Een kort interview met Hugo de Greef, momenteel adviseur van de Vlaamse regering over de vormgeving van haar internationaal cultuurbeleid, besloot de bijeenkomst. Op de vraag naar zijn mening over de combinatie kunst en koopman was De Greef duidelijk. Dit levert in een aantal gevallen zeker goede combinaties op, maar het dient geen uitgangspunt te zijn. Net zo min als het uitgangspunt dat de overheid eigen inkomsten van cultuur- en kunstinstellingen een op een matcht. De kunst- en cultuursector is daarvoor te divers en de verschillen tussen de verschillende sectoren zijn daarvoor te groot. Een orkest is niet te vergelijken met een filmregisseur of beeldend kunstenaar. Maar zoals ING-medewerker Rutger Hamelynck in de paneldiscussie al aangaf: ‘op ieder potje past een dekseltje’.
André Nuchelmans
Na een kort welkomstwoord door Jan Kennis, adjunct-directeur bij Sica, stak Paul Hughes van wal. Hughes is mede-oprichter en strategisch directeur van Lava, dat zich bezighoudt met branding en design. In slechts een kwartier deed hij uit de doeken waar Nederlandse kunstinstellingen en kunstenaars vaak in de fout gaan als zij zich in het buitenland willen presenteren. De titel van de lezing,Sweet spot, verwees naar de kracht van samenwerking. De kracht zit hem in de combinatie niet in de individuele elementen. De combinatie van koolstof, waterstof en zuurstof levert suiker. Hetzelfde geldt voor de Nederlandse cultuur. Momenteel wordt het vooral op individueel niveau gepromoot, terwijl een combinatie veel meer op kan leveren. Het brandverhaal is daarbij van belang (Why? What? How?). ‘It’s not what you do, it’s how you do it’, hield Hughes de aanwezigen voor. ‘Connect your stories and unify under the Dutch brand’. Kenmerken van het Nederlandse merk zijn ‘pragmatic openmindedness, collaborative diversity and local/global’. Treed daar collectief mee naar buiten en verplaats je in de buitenstaander. Hoe kijkt die tegen je aan?
De plenaire discussie over de wereldtournee van het KCO gaf direct aan hoe je dit model in praktijk kunt brengen. In het panel zaten vertegenwoordigers van het KCO en van partners waarmee het de wereldtournee organiseert. Jan Meddens, manager corporate relations & sponsoring bij het KCO, legde kort uit wat de wereldtournee inhoudt en hoe het KCO dit organisatorisch aan gaat pakken. Rutger Hamelynck, global head sponsorship bij ING, vertelde dat ING als sinds 1989 partner is van KCO. De merkverhalen van ING en KCO passen goed bij elkaar en ze hebben beide belang bij internationale optredens. De optredens bieden ING goede mogelijkheden contacten in het buitenland aan te halen. Een andere partner is de AVRO. Willemijn Maas, algemeen directeur van de AVRO, overtrof ING door mee te delen dat de banden tussen AVRO en KCO al bijna 90 jaar oud zijn. De AVRO wil kunst en cultuur toegankelijk maken bij een breed publiek, maar is daarbij op zoek naar andere vormen dan een pure concertregistratie. De bedoeling is dan ook om een roadmovie van de wereldtour te maken. Jan van Weijen, verbonden aan de Nederlandse ambassade in Londen, maakte duidelijk wat de ambassade voor het KCO kan betekenen als het Groot-Brittannië aandoet en welke mogelijkheden optredens van het KCO aldaar de ambassade bieden. Het KCO is daarbij een visitekaartje waar je als ambassade mee voor de dag kunt komen door bijvoorbeeld buitenlandse investeerders voor het concert uit te nodigen. Agentschap NL biedt het KCO vooral contacten in de landen die tijdens de wereldtournee aangedaan worden, zo lichtte Vincent Stokman toe. Kunst en cultuur worden daar vooral gebruikt om contacten voor het bedrijfsleven te leggen en te onderhouden.
Tot besluit kwam dagvoorzitter Rob Vermaas terug op de samenwerking en hoe dit als voorbeeld voor andere culturele instellingen zou kunnen werken. Hier kwam naar voren dat je als culturele instelling niet kost wat kost het buitenland voor ogen moet houden. Veel instellingen zijn daar ook niet voor bedoeld. Als je echter naar het buitenland wilt, is het van belang daar een helder en goed onderbouwd plan voor op te stellen, waarmee je bij eventuele partners aan kunt komen. Het KCO heeft wat dat betreft als wereldvermaard orkest dat overal welkom is een duidelijke voorsprong. ING verbindt zich niet aan optredens van het KCO. Zo heeft ING geen enkel belang in Zuid-Afrika. Daar zal het zich dan ook niet met het KCO afficheren. Het zal echter niet moeilijk zijn daar een andere partner voor te vinden. Willemijn Maas bracht in dat het model niet alleen internationaal maar ook nationaal bruikbaar is. ING gaf in de persoon van Hamelynck te kennen dat als kunstinstellingen ondernemend zijn, het ING daar graag bij aanhaakt.
Na een korte pauze werden de aanwezigen verdeeld over 3 workshops: Hoe weet ik wat ik waard ben? Het buitenland gold als voorbeeld. En wat doet de koppelaar? Ik was ingedeeld bij de eerste workshop waar Steven Kop, creatief directeur van adviesbureau Creatieve Koppen, een inleiding hield over de werkwijze van zijn bureau. Aan de hand van een aantal pitches werden de aanwezigen uitgedaagd mogelijke oplossingen aan te dragen. Zoals in het huidige klimaat te verwachten, betrof het vooral het zoeken van financiers voor projecten. Het viel me op hoeveel oplossingen mensen uit de kunst- en cultuursector hier in korte tijd voor aan kunnen dragen. Zo werd een pianist die een festival wilde organiseren waar pianisten en drummers voorstellingen gaven door de aanwezigen gekoppeld aan een datingbureau of een bedrijf met veel duobanen. Kop kwam zelf met het voorbeeld van de Cliniclowns die meer voorstellingen wilden geven, maar hoe dat te financieren? Hij stelde daarop voor de cliniclowns ook in het bedrijfsleven in te zetten. Door daar een ziekenhuisclown voor op te offeren, konden 3 anderen extra in het ziekenhuis aan de slag. Een reden om de banden met het bedrijfsleven op andere manier aan te halen dan alleen als directe financier.
Een kort interview met Hugo de Greef, momenteel adviseur van de Vlaamse regering over de vormgeving van haar internationaal cultuurbeleid, besloot de bijeenkomst. Op de vraag naar zijn mening over de combinatie kunst en koopman was De Greef duidelijk. Dit levert in een aantal gevallen zeker goede combinaties op, maar het dient geen uitgangspunt te zijn. Net zo min als het uitgangspunt dat de overheid eigen inkomsten van cultuur- en kunstinstellingen een op een matcht. De kunst- en cultuursector is daarvoor te divers en de verschillen tussen de verschillende sectoren zijn daarvoor te groot. Een orkest is niet te vergelijken met een filmregisseur of beeldend kunstenaar. Maar zoals ING-medewerker Rutger Hamelynck in de paneldiscussie al aangaf: ‘op ieder potje past een dekseltje’.
André Nuchelmans
Labels:
bedrijven,
financiering,
private financiering,
samenwerking,
sponsoring,
verslag
Abonneren op:
Reacties (Atom)






