Posts tonen met het label musea. Alle posts tonen
Posts tonen met het label musea. Alle posts tonen

dinsdag 5 februari 2013

Conferentie over Popular Music Heritage, Cultural Memory & Cultural Identity

Van woensdag 30 januari tot en met vrijdag 1 februari organiseerde het Erasmus Research Centre for Media, Communication and Culture (ERMeCC) in Rotterdam de conferentie Popular music heritage, cultural memory & cultural identity. Gedurende drie dagen presenteerden onderzoekers papers en werden ervaringen uitgewisseld tussen onderzoekers en mensen uit de praktijk. Het congres maakte deel uit van het gelijknamige internationale onderzoeksproject, kortweg POPID, waarbij een onderzoeksteam uitgebreid onderzoek doet onder archivarissen, medewerkers uit de muziekindustrie en publiek in vier landen (Oostenrijk, Engeland, Nederland en Slovenië). Naast het onderzoek dat binnen dit project verricht wordt, was er ook aandacht voor ander onderzoek dat binnen het thema valt. Het resultaat was een inspirerende en interessante conferentie.

Het congres startte woensdagmiddag met een discussie over Do It Yourself (DIY) Preservation. Onderzoekers Sarah Baker (Griffith University, Australië) en Amanda Brandellero (Universiteit van Amsterdam) en praktiserend doe-het-zelf-archivisten Bas de Koning (europopmusic.eu) en Stan Rijven (Pop Archief Nederland en Ritmundo Foundation) gingen in gesprek over het archiveren van popmuziek en popcultuur. Uit de discussie kwam de spanning tussen de verschillende individuele initiatieven en de gevestigde, geïnstitutionaliseerde archieven en musea naar voren. Het ontbreekt de initiatiefnemers enerzijds vaak aan de benodigde kennis om te conserveren en presenteren. Anderzijds is er in veel gevallen sprake van een wantrouwen naar de gevestigde archieven. Populaire muziek valt meestal niet binnen het werkterrein van de reguliere archieven. Vandaar dat mensen vanuit hun eigen betrokkenheid het initiatief nemen om te zorgen dat het voor het nageslacht bewaard blijft. Maar wat gebeurt er als de initiatiefnemer er niet meer is. De individuele initiatieven kenmerken zich veelal doordat van enige selectie nauwelijks sprake is, zo bleek uit de voorbeelden die tijdens de discussie aangedragen werden. Samenwerking tussen de DIY-initiatieven en de gevestigde archieven en musea biedt uitkomst om selectiecriteria op te stellen en de objecten te duiden.

Donderdag en vrijdag stonden in het teken van de presentatie van de verschillende onderzoeken die op het thema verricht worden. In centrale en parallelsessies presenteerde een internationaal scala aan onderzoekers hun papers. Alhoewel de onderwerpen bijzonder verschillend waren, was de organisatie er toch in geslaagd ze op verschillende thema’s te clusteren. Dit leverde zowel voor de sprekers als voor de deelnemers aan het congres verrassende inzichten en verbanden op.
De plenaire presentaties waar de donderdag mee begon, waren gebundeld onder het thema Music, place and cultural identity. Ian Inglis (Northumbria University, UK) presenteerde zijn onderzoek naar Deadheads (fanatieke aanhangers van de Amerikaanse band The Grateful Dead) in Europa. Rosa Reitsamer (Universität für Musik und Darstellende Kunst Wien) gaf een samenvatting van haar onderzoek naar het Hor 29 Novembar koor, een koor van Joegoslavische immigranten in Oostenrijk. De laatste paper in deze plenaire sessie was van Gaëlle Crenn (Université de Lorraine, Frankrijk), die de lokale aanpassingen in de tentoonstelling Abbaworld in Australië onderzocht. Alle drie de onderzoeken richtten zich op een aspect van popmuziek buiten de directe context. Zo trad The Grateful Dead nauwelijks in Europa op. Toch kunnen de Europese Deadheads zich met de band identificeren, voelen zich thuis in de community en ontlenen er een specifieke identiteit aan. Grappig was ook te horen hoe Australiërs zich met Abba identificeren, je zou haast denken dat het een Australische groep was. Vandaar ook dat de lokale organisatoren de standaard Abbaworld-tentoonstelling aan de Australische situatie aanpasten zodat de bezoekers zich meer herkenden in de tentoonstelling.
In de daarop volgende parallelsessie kwamen de thema’s Archiving and Preserving Popular Music en Music, Place and Cultural Identity aan de orde. Ik koos voor de eerste, waarin lokale en nationale initiatieven voor poparchieven in Birmingham (UK), Frankrijk, Oostenrijk en Denemarken, het onderwerp van onderzoek waren. Vooral het Deense initiatief voor een nationaal rockmuseum in Roskilde dat in 2015 moet openen, maakte indruk. Het is des te opvallender omdat in dit geval geen sprake is van een low profile DIY initiatief. Line Vestergaard Knudsen (Roskilde University) was betrokken bij het verzamelen van persoonlijke herinneringen om zo een landkaart te maken waarop de geschiedenis van de Deense popsector wordt weergegeven. Uit de presentaties kwam vooral het verschil tussen initiatieven van onderaf en van bovenaf duidelijk naar voren.
In de middag stonden presentaties over Globalization and Diversity in Popular Music en Music, Memory and Heritage op het programma. Bij het laatste thema gaf Jacob Westergaard Madsen van het Danish Rock Museum meer inzage in de wijze waarop het museum het publiek bij de tentoonstellingen wil betrekken. Hoe roep je nostalgische gevoelens op bij verschillende publieksgroepen en generaties die er zelf niet bij waren. Arno van der Hoeven (Erasmus Universiteit Rotterdam) presenteerde zijn bevindingen van een onderzoek naar de verschillende nationale belevingen van de sixties in Europa. In bijna alle onderzochte landen werden eerst de Beatbands uit de UK gekopieerd en ontwikkelden bands gaandeweg hun eigen stijl. De muzikale herinneringen en hoe verschillende onderzoeksmethodes daar sturend in kunnen werken was het onderwerp van de presentatie van Lyudmilla Nurse (Oxford University, UK). Kenny Forbes (University of Glasgow) onderzocht de herinneringen van bezoekers aan het Apollotheater in Glasgow.
De plenaire sessie op vrijdag stond in het teken van DIY Music Heritage: On and Off Line. Sarah Baker presenteerde de resultaten van haar onderzoek naar de manier waarop vrijwilligers betrokken waren bij poparchieven. Vervolgens gaf Toni Sant (University of Hull, UK) inzicht in de totstandkoming van het Malta Music Memory Project, een online database van Maltese muziek en gerelateerde onderwerpen. Tot slot ging Jan Marontate (Simon Fraser University, Canada) in op wat poparchieven kunnen leren van nieuwe-media-collecties wat betreft conserveren. Zij wees op het belang van samenwerking met verschillende betrokkenen om te bepalen hoe en wat er bewaard dient te worden. Bij popmuziek kun je dan denken aan producers en geluidstechnici, maar natuurlijk ook aan de artiesten zelf. Zij hebben daar elk een eigen visie op. Uit de discussie kwam naar voren dat individuele initiatieven vaak eigen oplossingen bedenken waar standaardoplossingen voorhanden zijn, zoals computerprogramma’s om gegevens in op te slaan.
De laatste parallelsessies stonden in het teken van Local Music Audiences en Music Scenes and Genres: Processes and Practices. Bij de laatste sessie presenteerde Wes Wierda (Inholland) een onderzoek naar de praktijken van muziekuitgeverijen in Nederland. Die blijken een geheel eigen manier te hebben om hun zaken te regelen, waarbij de grens tussen legaal en illegaal regelmatig wordt opgezocht. Andere onderwerpen die daar aan bod kwamen waren een onderzoek naar de online vertegenwoordiging van vrouwen in extreme metal en de online reacties daarop en canonvorming in de Austropop. Amanda Brandellero lichtte een onderzoek naar het verband tussen lokale muziekscenes en de aanwezigheid van muziekindustrie in Nederland toe.

Afgaande op het ongelofelijke scala aan onderwerpen binnen het thema van de conferentie, moet dit nog slechts het topje van de ijsberg zijn wat betreft wetenschappelijk onderzoek naar popmuziek en gerelateerde onderwerpen. Een bewijs te meer dat de popsector door de wetenschap serieus genomen wordt. Daar kunnen officiële instanties als archieven en musea nog wat van leren.

Voor een compleet overzicht van het congres en de activiteiten van het POPID-project kunnen geïnteresseerden terecht op de uitgebreide website.


André Nuchelmans


woensdag 28 november 2012

M. Hartog en M.A. Remmelink - Een familievriendelijk museum

De laatste jaren hebben musea er alles aan gedaan om kindvriendelijker te worden. Maar als de nadruk te veel op kinderen wordt gelegd, is museumbezoek al snel geen familie-uitje meer. In opdracht van de VSC (Vereniging voor Samenwerkende Centra en musea in wetenschap en techniek), een netwerk waarin het delen van kennis over wetenschapseducatie centraal staat, schreven Mijke de Hartog en Marie Anne Remmelink daarom dit handboek. Uitgangspunt is samen nieuwe dingen ontdekken: museumbezoek waaraan (groot)ouders, ooms, tantes en vrienden evenveel plezier beleven als kinderen.

In zeven hoofdstukken wordt uiteengezet waarom families naar musea komen, hoe musea een groot en breed publiek kunnen bereiken, welke wensen kinderen en volwassenen hebben, hoe sociale interactie bereikt kan worden en tentoonstellingen het beste kunnen worden ingericht – denk aan objecten die aangeraakt mogen worden en het gebruik van multimedia. De auteurs benadrukken dat het educatieve aspect van een tentoonstelling belangrijk is, maar amusement en sociale interactie van even grote waarde zijn. Technieken die voor kinderen werken, hoeven daarvoor geen metamorfose te ondergaan: ook volwassenen spelen graag, stellen de auteurs.

Aan de hand van interviews met experts, onder wie Kate Steiner (hoofd publieksonderzoek en evaluatie van het Science Museum) en Marlous van Gastel (medewerker educatie bij het Stedelijk Museum Amsterdam), laten De Hartog en Remmelink zien hoe diverse musea zich succesvol op families richten. Aan de hand van praktijkvoorbeelden en checklists kunnen musea controleren hoe gastvrij en familievriendelijk ze zijn – en waarmee eventueel nog winst valt te behalen.

De genoemde aanbevelingen lijken soms zo logisch, dat het verwonderlijk is dat niet alle musea ze al implementeren. Om bezoekers zo goed mogelijk te faciliteren is het bijvoorbeeld van belang dat musea een gebruiksvriendelijke website hebben, online of live met hun bezoekers in gesprek gaan en in alle communicatie gastvrijheid uitstralen. De auteurs geven echter ook aan waaraan het schort in veel musea, wat de relevantie van het boek direct duidelijk maakt. Enkele belangrijke conclusies van het boek bieden handvatten waarmee musea direct aan de slag kunnen. Voor museumprofessionals die zich op families willen richten, is de publicatie daarmee een nuttige, laagdrempelige en praktische handleiding.

Kim van der Meulen

M. Hartog en M.A. Remmelink - Een familievriendelijk museum - Amsterdam: VSC, 2012 - ISBN 9789081863605 - Prijs: 15 euro

woensdag 19 januari 2011

Talk of the Town. Beyond black box & white cube


In Pakhuis de Zwijger in Amsterdam vond dinsdagavond 18 januari een drukbezocht debat plaats binnen de reeks Talk of the Town. Stoelen moesten worden bijgesleept, desondanks kon niet iedereen plaatsnemen. Op het programma stond de presentatie van en discussie over de publicatie ‘Beyond black box & white cube. Hoe we onze musea en theaters kunnen vernieuwen’ van Johan Idema en Roel van Herpt, werkzaam bij adviesbureau LAgroup. Veel musea en theaters die de laatste jaren in Nederland zijn gebouwd zien er uit als zwarte en witte dozen, als bunkers, ze zijn introvert en niet-laagdrempelig, legde Idema in zijn presentatie uit. Cultuurgebouwen zouden juist aantrekkelijker, laagdrempeliger en veelzijdiger moeten zijn. Vooral nu de legitimatie voor cultuursubsidies afneemt mogen ze de aansluiting met het publiek niet verliezen, benadrukte hij terecht. Aan de hand van beelden op grote projectieschermen gaf hij een heldere toelichting op zes criteria of voorstellen, die de auteurs in het boek uitwerken, ter verbetering van ‘gesloten’ gebouwen. Deze voorstellen benadrukken dat de architectuur van het gebouw moet laten zien wat het museum of theater te bieden heeft, dat het voor publiek prettig moet zijn om in het gebouw te verblijven, dat het gebouw meer dan één functie heeft, dat het vooral transparant is, open en licht, dat het gebouw als theater/museum herkenbaar is en dat het past in de omgeving. Vernieuwing is werkelijk urgent, riep Idema, want de kunsten, het publiek, de techniek, de architectuur veranderen ook. Gebouwen mogen daar niet op achter blijven. 'Het kan in het buitenland, waarom dan niet hier?' Gespreksleider Ruben Maes vroeg hem of Amsterdam misschien voorbeelden kent van ‘ideale’ cultuurgebouwen die voldoen aan de zes criteria. Wellicht het Nieuwe DeLaMar Theater? Idema reageerde voorzichtig, maar oordeelde toch negatief over het theatergebouw. ‘Je kunt van binnen niet naar buiten kijken, en van buiten kun je niet zien wat er binnen gebeurt’, aldus Idema. En de nieuwe entree van de Stadsschouwburg is weliswaar aangenaam, maar teveel een horecagebeuren.

Sandra den Hamer, directeur van het EYE Filminstituut Nederland in Amsterdam-Noord, schoof aan op het podium. Zij gaf een toelichting op de bijna voltooide nieuwbouw op het voormalige Shell-terrein. Idema was enthousiast over het gebouw, ‘het voldoet maar liefst aan vier van de zes criteria’, maar ook kritisch. Hij noemde de buitenkant van het gebouw introvert, gesloten als een oester. Den Hamer vond ‘oester’ geen naar woord, het bleek zelfs een gangbare metafoor te zijn voor het gebouw! Zij betreurde de nadruk op de vorm in het betoog van Idema en het gebrek aan aandacht voor de inhoud. ‘De inhoud is toch het allerbelangrijkste’. Maar ze had wel degelijk oog voor de nadelen van de vorm. Die noemde ze ‘dwingend’, want geen muur is recht, 'en dat is niet praktisch', en de architect is bovendien vergeten de horecaruimte van een opslagruimte te voorzien…

De volgende gasten die aanschoven waren Patrick van Mil (zakelijk directeur Stedelijk Museum) en Mels Crouwel (architect van het vernieuwde onderkomen aan het Museumplein). Crouwel was het met Den Hamer eens over de vorm/inhoud kwestie. Zelfs wanneer een gebouw voldoet aan de zes criteria van Idema wil dat bovendien nog niet zeggen dat je een ideaal gebouw hebt. Van Mil viel hem bij. Hij kent museumgebouwen die zeer transparant zijn, met veel prachtige raamoppervlakken, maar die een regelrechte ramp zijn voor personeel, collectie en publiek. Kortom, een recept voor een volledig geslaagd gebouw bestaat niet. Crouwel vond bovendien dat Idema en Van Herpt verder in de toekomst hadden moeten kijken, in plaats van zich te baseren op de bouwpraktijk van de afgelopen vijf jaar. Belangrijk noemde hij de veranderbaarheid van een gebouw, de mate waarin het gebouw kan worden aangepast aan nieuwe wensen. Het in de zaal geopperde plan om een rijksschouwburgcommissie in het leven te roepen (in het verleden bedacht, maar nooit gerealiseerd) vond geen weerklank op het podium. Het VSCD heeft overigens al een commissie die adviezen geeft, merkte een medewerkster van de vereniging in de zaal op.

Tot slot van de discussie werd nog eens door Idema benadrukt dat cultuurgebouwen, net als de programmering, een belangrijke functie hebben in het aantrekken van publiek. Daar was iedereen het over eens. Na een flitsende, maar te snelle diapresentatie van DUS Architects door Hans Vermeulen, kreeg Maarten Kloos (ARCAM) het slotwoord. Hij noemde de publicatie niets minder dan een ‘hartstikke leuk boek’, vol mooie plaatjes, dat je graag in handen neemt in de wachtkamer van de tandarts… Maar: het zet wel aan tot denken over architectuur, aldus Kloos.

Het gevoel dat het enthousiasme over de publicatie onder de aanwezigen aan het eind van de bijeenkomst minder groot was dan bij aanvang, drong zich op.



U kunt ‘Beyond the black box and the white cube’ bestellen voor € 39,50, via Lagroup Leisure Arts Consulting, www.lagroup.nl, of de betere boekhandel, ISBN 978-94-90534-02-8. U kunt het ook lenen bij de bibliotheek van de Boekmanstichting (signatuur 10-403). De bibliotheek is geopend op werkdagen van 9 tot 17 uur, zie www.boekman.nl.

Jack van der Leden

vrijdag 12 november 2010

De rol van bedrijfscollecties in de kunstwereld

Spui 25 in Amsterdam bood 11 november plaats aan een drukbezocht debat en een boekpresentatie, georganiseerd door de Vereniging Bedrijfscollecties Nederland (VBCN) i.s.m. de Nederlandsche Bank. De boekpresentatie was na afloop van het debat.

De publicatie is een verslag van het symposium over de plaats van bedrijfscollecties in de kunstwereld, dat precies een jaar geleden plaatsvond ter ere van het vijfjarig bestaan van de VBCN. Alexander Strengers (VBCN) overhandigde het eerste exemplaar aan Diana Wind (Stedelijk Museum Schiedam, bestuurslid van de Nederlandse Museumvereniging (NMV)). Aanvankelijk zou Wind ook deelnemen aan het debat, maar door de herfstige weersomstandigheden kwam ze pas kort voor afloop van de bijeenkomst binnenwaaien. Gelukkig nog net op tijd om het boekje in ontvangst te nemen. Zij verving in die rol overigens Siebe Weide van de NMV, die verhinderd was. Verder verliep de bijeenkomst volgens planning.

Arnold Witte, universitair docent Cultuurbeleid aan de UvA en medeauteur en –redacteur van het boek Bedrijfscollecties in Nederland (Nai Uitgevers, 2009) was gespreksleider. De panelleden waren: Ella van Zanten (Kunstzaken Rabobank), Hans Meijs (Achmea Kunstcollectie), Macha Roesink (De Paviljoens Almere), Edwin Jacobs (Centraal Museum Utrecht) en Hester Alberdingk Thijm (AkzoNobel Art Foundation).
Tijdens het debat in 2009 waren thema’s als veilingen, dreigende afstoting van collecties en door de crisis gereduceerde budgetten de aanleiding om samenwerking tussen bedrijfscollecties en musea aan de orde te stellen. Aanleiding voor dit debat op Spui 25 waren de plannen van verschillende bedrijven om een eigen expositieruimte te starten om hun collecties aan een groter publiek te tonen. Wat zijn de achtergronden van deze trend en vormt deze een hindernis of juist een nieuwe opening naar verdergaande samenwerking met musea?

Van Zanten vertelde dat de Rabobank met de kunstcollectie, die vanaf 1984 is ontstaan, meer naar buiten wil treden, onder het motto: Kunst verdient publiek, publiek verdient kunst. Uit lopend onderzoek was gebleken dat de zichtbaarheid van de bedrijfscollectie zowel intern als extern gering is en verbetering behoeft. Eerst is nog overwogen om daarvoor musea te benaderen, maar er is gekozen om de kunstwerken in 2011 een prominente plaats te geven in de nieuwe uitbreiding van het bankgebouw in Utrecht. Op de (openbare) begane grond komt naast een enorme expositieruimte een muur van maar liefst 36 meter lang, helemaal bestemd voor kunstwerken. Zowel voor werken uit eigen collectie als voor solotentoonstellingen van individuele kunstenaars. Ook de 25 niet-openbare verdiepingen daarboven zullen worden ingericht met kunst uit de eigen collectie. Het nieuwe collectiebeleid, getiteld Van verzamelen naar verzilveren, bestaat tevens uit publieksprogramma’s, zoals rondleidingen en lezingen, voor zowel intern als extern publiek. Misschien niet vreemd, maar wel opvallend, was dat tijdens de bijeenkomst toenadering leek te ontstaan tussen Van Zanten en Jacobs, directeur van het Utrechts Museum...

Ook Meijs van Achmea Kunstcollectie in Leiden sprak van een uitdaging om meer extern publiek te bereiken met de bedrijfscollectie. Daarvoor ziet hij mogelijkheden om samen te werken met culturele instellingen, met name in Leiden, zoals De Lakenhal. Ook hij streeft naar meer zichtbaarheid van de collectie. Alberdingk Thijm (AkzoNobel Art Foundation) was het met hem eens, maar zij onderstreepte met veel meer nadruk het belang van samenwerken met musea. Niet alleen om kunstwerken uit te wisselen, maar ook om gezamenlijk exposities te organiseren en expertise te delen. Jacobs reageerde alvast opgewonden. Ervaring met bedrijfscollecties heeft hij weliswaar nog niet, maar hij staat er wel voor open. Samenwerken is altijd essentieel, vindt hij. Roesink, directeur van De Paviljoens, Almere, viel hem bij. Zij was in het verleden betrokken bij zowel de kunstcommissie van de Rabobank als de Caldic Collectie. Zij plaatste de rol van museum- en bedrijfscollecties in een brede context, benadrukte de maatschappelijke functie van collecties en hun onderkomens.

Publieksbereik was een veelgehoord woord tijdens de bijeenkomst, met name Jacobs bleef er maar op terugkomen. Maar over welk publiek hebben we het eigenlijk, vroeg Witte. Jacobs reageerde: Het gaat er vooral om dat je door samen te werken meer mensen kunt bereiken. Hij noemde als voorbeeld het succes van het Dick Bruna Huis dat financieel wordt ondersteund door de BankGiro Loterij (BGL). 2011 is het Jaar van het Konijn, kondigde hij aan, en dat wordt een groot feest! Een leuk voorbeeld van vruchtbare samenwerking, maar de BGL is geen bedrijfscollectie... Ook bij Meijs is publieksbereik belangrijk, dat neemt niet weg dat een bedrijf nu eenmaal geen museum is. Hij organiseerde weliswaar een expositie waarbij zowel werknemers als externe bezoekers kunstwerken uit de bedrijfscollectie konden aankopen, maar dat doet hij af als een 'typisch inter pr-dingetje', vooral bedoeld om werknemers tegemoet te komen. Roesink trok de discussie weer wat breder. Zij gaf aan dat bedrijfscollecties, net als museumcollecties, niet alleen bedoeld zijn voor het publiek, maar ook voor kunstenaars. Die waren nog niet aan bod gekomen. Ze benadrukte ook dat bedrijven en musea met hun collecties de humuslaag zijn die de beeldende kunsten voeden. Bedrijven zouden ook moeten investeren in kunstenaars en hun projecten, zoals musea doen. Niet door het geven van opdrachten, maar door kunstenaars financieel te ondersteunen en budgetten te verstrekken. Alberdingk Thijm beaamde dat bedrijven artistieke maakprocessen kunnen ondersteunen. Het gaat er om dat bedrijven en musea door samen te werken meer publiek kunnen bereiken. Beide partijen kunnen veel aan elkaar hebben.

Nog even over publiek gesproken. Bedrijfscollecties ontstonden in de jaren vijftig en waren bedoeld om het werknemers naar de zin te maken. Maar wat vonden en vinden ze er eigenlijk van? Alberdingk Thijm vertelde dat ooit uit onderzoek was gebleken dat 80% van de werknemers van Akzo wel degelijk waardering had voor de bedrijfscollectie, maar het niet in het hoofd zou halen de kunstwerken aan de eigen muur te hangen. Zij legde uit, net als Van Zanten, het publieksbereik te willen vergroten door middel van excursies en rondleidingen.

Er was verschil van mening over de vraag of een bedrijfscollectie juist kan profiteren van een geoliede communicatieafdeling van een bedrijf, of er eerder onder gebukt gaat omdat zo’n afdeling soms de aansluiting mist met de 'culturele pers'. Roesink wees op de voordelen van een goed georganiseerde pr-afdeling, Alberdingk Thijm bracht daar tegen in dat het imago van een bedrijf niet altijd positief overkomt bij kunstafdelingen van de culturele pers. Van Zanten viel haar bij: je moet de effecten van een communicatieafdeling niet overschatten. De positie van een collectie binnen een bedrijf is sowieso lastig. Motieven van het bedrijfsmanagement moeten altijd op afstand blijven van het collectiebeleid, waarschuwde Roesink.

Witte zei benieuwd te zijn naar hoe bedrijfscollecties zich steeds zelfstandiger profileren en samenwerking zoeken met musea. Samenwerking biedt bedrijven en musea mogelijkheden. Strengers verwoordde het in zijn slotwoord alsvolgt: hoe meer verenigd, hoe sterker we staan.

Jack van der Leden