Posts tonen met het label boekpresentatie. Alle posts tonen
Posts tonen met het label boekpresentatie. Alle posts tonen

maandag 18 maart 2013

Economische waardering voor gebouwd erfgoed

Op 14 maart 2013 werd tijdens het congres Cultureel erfgoed op waarde geschat het gelijknamige boek gepresenteerd: Cultureel erfgoed op waarde geschat: economische waardering, verevening en erfgoedbeleid. Het boek bevat de resultaten van twee langjarige projecten: een onderzoek naar de economische waardering van cultureel erfgoed en een naar de verevening van kosten en baten van dat erfgoed. Aansluitend was de oratie van Jan Rouwendal, als bijzonder hoogleraar Economische waardering van cultureel erfgoed vanwege de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed en het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Hij is de vierde en laatste hoogleraar voor het onderwijs- en onderzoeksprogramma Erfgoed en Ruimte.* 

De belangstelling voor en erkenning van het belang van de waarde van cultuur neemt wereldwijd toe. Zo ook de behoefte van publieke en private financiers aan wetenschappelijk gefundeerd onderzoek ter onderbouwing van effectief en efficiënt beleid. Sinds de jaren tachtig van de vorige eeuw zijn er verschillende methoden ontwikkeld om goederen in het culturele domein cultureel, economisch (zoals Myerscough in 1988) en sociaal  (zoals Matarasso  in 1997) te waarderen, van festivals tot podia, van cultureel erfgoed tot bibliotheken. Internationaal befaamde cultureel economen als Françoise Benhamou, Bruno Frey, Alan Peacock en Ilde Rizzo richtten hun pijlen in het afgelopen decennium zelfs specifiek op het cultureel erfgoed.
Tegen deze achtergrond sloegen onderzoekers van de Vrije Universiteit en de Universiteit Twente de handen ineen. De Vrije Universiteit nam het onderzoek naar de economische waardering van erfgoed voor zijn rekening en vormde een consortium met de gemeenten Dordrecht, Haarlem, Heerlen, Helmond en Zaanstad. De Universiteit Twente, waar implementatiestrategieën werden onderzocht, formeerde een consortium met publiek-private gebiedsontwikkelingsprojecten waaronder de Wagenwerkplaats in Amersfoort,  het Hart van Zuid in Hengelo, de Spoorzone in Tilburg en het Hembrugterrein in Zaanstad. 



Integraal waardedenken nodig

De opmerkelijke onderzoeksresultaten  werden op de conferentie toegelicht. Marnix Smit van de Universiteit Twente onderzocht samen met Marlijn Baarveld en Geert Dewulf  of de transformatie van erfgoed mogelijk is in de bredere context van gebiedsontwikkeling. Hij stelde in zijn lezing twee modellen tegenover elkaar waarin kosten, risico’s en baten tussen de stakeholders worden verdeeld (verevening). In het oude, gangbare top-down model is verevening afdwingbaar, maar dit model ontmoet steeds meer obstakels, waaronder planologische (juridische obstakels). Er is bovendien onderzoek nodig naar het maatschappelijke draagvlak voor de transformatie van het erfgoed in kwestie en er moeten risicoanalyses worden uitgevoerd en financiers gevonden. Daarmee is een dergelijke publiekrechtelijke afdwingbaarheid in Nederland beperkt. Hier tegenover staat de bottom-up benadering waarin per project wordt gezocht naar de meest geëigende coalities en allianties. In het oude model is de gebiedsontwikkeling vooral gericht op financieel kortetermijnwinst. De gangbare vorm van verevening is dan winst te maken op het vastgoed en uit grondexploitatie. Die vorm van verevening is niet toekomstbestendig, gezien de huidige vastgoedontwikkeling. Volgens Smit moet een meer integraal waardedenken het oude model vervangen. Naast de bottom-up samenwerkingsstrategie is daarvoor waardecreatie op gebiedsniveau nodig, en niet langer op gebouwniveau. En tot slot moet het kortetermijnrendement vervangen worden door langetermijnrendement. De succesfactoren in dit bottom-op model zijn terug te voeren op een coöperatieve houding waarin de coalitiepartners precies weten wat hun doel (belang) met het project is, daar open over zijn, informatie delen en flexibel zijn. De achilleshiel van dit model is dat het voortbestaan van erfgoed in een nieuwe functie afhankelijk wordt gemaakt van het onderhandelingsproces tussen de coalitiepartners.


Inventieve en haalbare oplossingen

Praktijkvrouw Margot Haasdonk, beleidsmedewerker monumentenzorg bij de gemeente Haarlem en lid van de Federatie Grote Monumentengemeenten, vertelde hoe in Haarlem sprake was van een verschuiving van objectzorg naar omgevingszorg. De meeste monumentale panden staan immers in een straat, hebben een uitstraling naar de rest van de straat en de directe omgeving en bieden de bewoners een bepaalde identiteit. De panden vertellen iets over hoe mensen leefden, wat ze belangrijk vonden en technisch konden, reden om ze zo lang mogelijk te willen behouden. Veel monumenten staan echter leeg en de gemeente moet dan snel handelen, zonder de grenzen van het budget te overschrijden. Een van de mogelijkheden die Haasdonk voorschotelt is de panden te kopen, er een eigen dienst in te zetten en zodra het mogelijk is ze te verkopen, laten restaureren en vervolgens te huren. Een ander instrument is het aanstellen van straatmanagers als een straat met veel monumentale panden dreigt te vervallen. De straatmanagers werken samen met bewoners, gebruikers en andere partijen om de straat de benodigde boost te geven. Een onderdeel daarvan is schreeuwerige reclameborden uit te bannen, de straten te herinrichten en schoon te maken. Steden die, net als Haarlem, evenementen organiseren, kunnen uitdrukkelijk hun cultuurhistorische karakter noemen, door aan te geven dat het evenement zich afspeelt ‘in een monumentale setting’. Het zijn slimme en praktische oplossingen die iets laten zien van de inventiviteit die gemeenten aan de dag (moeten) leggen in deze tijden van financiële krapte. Haasdonk heeft in haar praktijk te maken met een schier eindeloze rij stakeholders die allemaal andere belangen hebben en zonder uitzondering een eigen benadering vragen en krijgen, van monumenteneigenaren, bedrijven, collega-afdelingen bij de gemeente, wethouders, kunstenaars, buurtbewoners en winkeleigenaren tot horeca-uitbaters, city marketeers, projectontwikkelaars en hoteleigenaren. Tussen de politieke prioriteiten van de gemeenten, de grenzen van het budget en de bereidwilligheid en draagkracht van de stakeholders ligt haar manoeuvreerruimte. Dat vraagt om een open en flexibele opstelling, zoals ook Marnix Smit bepleitte.


Langetermijnrendement en revolving funds

De financiële krapte, de duizenden leegstaande monumenten en op de koop toe een terugtrekkende rijksoverheid die van haar monumentale vastgoed af wil, vraagt andere manieren van werken dan wij gewend zijn, stelt ook Jeroen Saris, van De Stad NV. Hij noemt verschillende strategieën zoals iconisering, city marketing, herontwikkeling en commercialisering. Dat dit laatste niet altijd slecht hoeft te zijn, bewijst  de metamorfose van de Zaanse binnenstad. Onder de naam Inverdan verschenen nieuwe woningen, winkels en kantoorruimten en verbeterde de openbare ruimte, onder meer door de aanleg van een gracht en een ’opgetilde stadsstraat’. De Zaanse binnenstad beschikt daarmee onder meer over een nieuw stadhuis, een nieuwe openbare bibliotheek, een vergadercentrum,  bioscoop en nieuwe scholen. Het versterkte bovendien de ruimtelijke samenhang tussen het hart van de stad en de Zaansche Schans. Zaanstad heeft ‘een verhaal’ gekregen. Dat maakt het mogelijk routes uit te zetten, met het verhaal samenhangende evenementen te organiseren. Echter, de grootschalige blauwdrukplanning van weleer is failliet: stedelijke en landschappelijke ruimtes laten zich niet meer op de tekentafel ontwerpen. Bestaande verdienmodellen werken ook niet meer, dus wat nu? Herontwikkeling, bottom-up, heeft volgens Saris de meeste kans. Hij bepleit een geleidelijke ontwikkeling, door exploitatie. Deze is te bereiken door te zoeken naar de juiste gebruikers voor het juiste gebouw, iets wat Margot Haasdonk dagelijks probeert na te streven. Dit is volgens Saris bij uitstek de taak van een overheid. Geef die gebruikers de kans geleidelijk te investeren en de meerwaarde die zij ontwikkelen te herinvesteren in het gebouw of het gebied. Een andere manier van denken vraagt  andere regelgeving en nieuwe financiële regelingen met de huidige economie als uitgangspunt, stelt hij. Een van de opties is een revolving fund dat laagrentende leningen kan verstrekken aan de herontwikkelaars.

Voor verschillende gebieden en gebouwen zijn dus verschillende oplossingen nodig. Die zijn alleen haalbaar als de vastgoedwaarde niet langer centraal wordt gesteld in het verdienmodel, maar de economische aandacht verschuift naar de waarde die in het gebouw wordt geproduceerd en die de kosten moet opbrengen. Een waardevolle boodschap die de erfgoedsector zich ter harte kan nemen.

Ineke van Hamersveld, fondsredacteur/hoofdredacteur Boekman, Boekmanstichting

* Het onderzoeks- en onderwijsnetwerk Erfgoed en Ruimte is een gezamenlijk initiatief van de rijksoverheid (ministeries van OCW, IenM en EL&I), de Vrije Universiteit Amsterdam, de Technische Universiteit Delft en Wageningen University. Het netwerk wordt gecoördineerd en ondersteund door Platform 31, in samenwerking met de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, zie ook www.netwerkerfgoedenruimte.nl. De hoogleraren van het netwerk Erfgoed en Ruimte zijn, naast Jan Rouwendal: Hans Renes, bijzonder hoogleraar Erfgoed van stad en land aan de Faculteit der Letteren van de Vrije Universiteit Amsterdam, Eric Luiten, deeltijdhoogleraar Erfgoed en Ruimtelijk Ontwerp aan de Faculteit Bouwkunde van de Technische Universiteit Delft en Joks Janssen, bijzonder hoogleraar Ruimtelijke Planning en Cultuurhistorie bij de Environmental Science Group van Wageningen University.


donderdag 28 april 2011

Immaterieel Erfgoed en Volkscultuur


Op 28 april 2011 werd in Spui 25 te Amsterdam een debat georganiseerd naar aanleiding van de verschijning van de publicatie Immaterieel erfgoed en volkscultuur. Almanak bij een actueel debat. Actueel vanwege de (komende) ratificatie van de UNESCO conventie ter Bescherming van het Immaterieel Erfgoed (2003), die wereldwijd de diversiteit aan tradities en rituelen moet waarborgen, onderwerp van gesprek was.
Prof. Dr. Markus Tauschek van het Instituut van Europese Etnologie/Volkskunde van de Universiteit van Kiel hield een inleiding met als titel Water into wine? The construction of intangable heritage over (zijn) onderzoek naar erfgoed waarin hij onder meer stelde dat cultureel erfgoed een kwestie is van ideologie en product van onderhandeling en competitie tussen betrokken partijen en daardoor politiek instrument. Hij sprak zelfs van cultureel darwinisme. Tauschek’s opmerkingen waren met name gebaseerd op zijn onderzoek naar fenomenen als het carnaval in Binche (België) en 18de eeuwse Doima muziek uit Roemenië.
Vervolgens kregen een voorstander en een tegenstander van de conventie het woord onder leiding van de directeur van het Nederlands Openluchtmuseum te Arnhem Pieter-Matthijs Gijsbers. Cas Smithuijsen directeur van de Boekmanstichting was duidelijk voorstander van de Conventie. Hij sprak van een inhaalslag ten opzichte van andere Europese landen en benadrukte de noodzaak van discussie over cultureel erfgoed op wereldniveau en niet op nationale schaal en het belang van interculturele dialoog.
Prof. Dr. Rob van der Laarse, Algemene Cultuurwetenschapper aan de Universiteit van Amsterdam en de Vrije Universiteit sprak zich uit als fervent tegenstander van de Conventie en stelde dat vragen over ‘the making of heritage’ belangrijk zijn: Van wie is het? Wie maakt het voor wie? Wie eigent het zich toe? Het onderscheid tussen materieel en immaterieel is niet nodig, elk erfgoed is immaterieel. Van belang is dat het wordt gedragen; door groepen, culturen, entiteiten. Er is volgens hem geen gemeenschap, het zijn allemaal constructies: tradities worden toegeschreven.
Beide stellingnames leidden tot een levendige onderlinge discussie maar ook uit de zaal meldden voor- en tegenstanders van de conventie zich. Zo werd er een pleidooi gehouden voor safegarding in plaats van protection. Ook kwamen de verschillende opinies over de kwestie aan de orde dat in de Conventie het initiatief ligt bij de gemeenschappen waardoor de vraag ontstaat wat de rol van de natiestaat dan nog is, aan de orde.
De bijeenkomst werd besloten met de uitreiking van het boek Immaterieel Erfgoed en volkscultuur. Almanak bij een actueel debat aan een vertegenwoordiger van de Nationale Unescocommissie en een medewerker van de directie Cultureel Erfgoed van het Ministerie van OCW in ontvangst genomen. Als uitsmijter en bij wijze van ‘voer voor etnologen‘ las middagvoorzitter Peter Jan Margry van het Meertensinstituut een passage uit het boek De helaasheid der dingen van Dimitri Verhulst uit 2006 waarin de auteur in een hilarische passage zowel de volkscultuur aan het woord laat als zich kritisch uitlaat over de perversiteit van de ‘oprechte interesse in het volk’ van de ‘professoren in de volkskunde’.

Hester Dibbits (et al.) - Immaterieel erfgoed en volkscultuur. Almanak bij een actueel debat - Amsterdam: Amsterdam University Press, 2011 - ISBN 9789089641618 - Prijs: € 14,50

Truus Gubbels

vrijdag 12 november 2010

De rol van bedrijfscollecties in de kunstwereld

Spui 25 in Amsterdam bood 11 november plaats aan een drukbezocht debat en een boekpresentatie, georganiseerd door de Vereniging Bedrijfscollecties Nederland (VBCN) i.s.m. de Nederlandsche Bank. De boekpresentatie was na afloop van het debat.

De publicatie is een verslag van het symposium over de plaats van bedrijfscollecties in de kunstwereld, dat precies een jaar geleden plaatsvond ter ere van het vijfjarig bestaan van de VBCN. Alexander Strengers (VBCN) overhandigde het eerste exemplaar aan Diana Wind (Stedelijk Museum Schiedam, bestuurslid van de Nederlandse Museumvereniging (NMV)). Aanvankelijk zou Wind ook deelnemen aan het debat, maar door de herfstige weersomstandigheden kwam ze pas kort voor afloop van de bijeenkomst binnenwaaien. Gelukkig nog net op tijd om het boekje in ontvangst te nemen. Zij verving in die rol overigens Siebe Weide van de NMV, die verhinderd was. Verder verliep de bijeenkomst volgens planning.

Arnold Witte, universitair docent Cultuurbeleid aan de UvA en medeauteur en –redacteur van het boek Bedrijfscollecties in Nederland (Nai Uitgevers, 2009) was gespreksleider. De panelleden waren: Ella van Zanten (Kunstzaken Rabobank), Hans Meijs (Achmea Kunstcollectie), Macha Roesink (De Paviljoens Almere), Edwin Jacobs (Centraal Museum Utrecht) en Hester Alberdingk Thijm (AkzoNobel Art Foundation).
Tijdens het debat in 2009 waren thema’s als veilingen, dreigende afstoting van collecties en door de crisis gereduceerde budgetten de aanleiding om samenwerking tussen bedrijfscollecties en musea aan de orde te stellen. Aanleiding voor dit debat op Spui 25 waren de plannen van verschillende bedrijven om een eigen expositieruimte te starten om hun collecties aan een groter publiek te tonen. Wat zijn de achtergronden van deze trend en vormt deze een hindernis of juist een nieuwe opening naar verdergaande samenwerking met musea?

Van Zanten vertelde dat de Rabobank met de kunstcollectie, die vanaf 1984 is ontstaan, meer naar buiten wil treden, onder het motto: Kunst verdient publiek, publiek verdient kunst. Uit lopend onderzoek was gebleken dat de zichtbaarheid van de bedrijfscollectie zowel intern als extern gering is en verbetering behoeft. Eerst is nog overwogen om daarvoor musea te benaderen, maar er is gekozen om de kunstwerken in 2011 een prominente plaats te geven in de nieuwe uitbreiding van het bankgebouw in Utrecht. Op de (openbare) begane grond komt naast een enorme expositieruimte een muur van maar liefst 36 meter lang, helemaal bestemd voor kunstwerken. Zowel voor werken uit eigen collectie als voor solotentoonstellingen van individuele kunstenaars. Ook de 25 niet-openbare verdiepingen daarboven zullen worden ingericht met kunst uit de eigen collectie. Het nieuwe collectiebeleid, getiteld Van verzamelen naar verzilveren, bestaat tevens uit publieksprogramma’s, zoals rondleidingen en lezingen, voor zowel intern als extern publiek. Misschien niet vreemd, maar wel opvallend, was dat tijdens de bijeenkomst toenadering leek te ontstaan tussen Van Zanten en Jacobs, directeur van het Utrechts Museum...

Ook Meijs van Achmea Kunstcollectie in Leiden sprak van een uitdaging om meer extern publiek te bereiken met de bedrijfscollectie. Daarvoor ziet hij mogelijkheden om samen te werken met culturele instellingen, met name in Leiden, zoals De Lakenhal. Ook hij streeft naar meer zichtbaarheid van de collectie. Alberdingk Thijm (AkzoNobel Art Foundation) was het met hem eens, maar zij onderstreepte met veel meer nadruk het belang van samenwerken met musea. Niet alleen om kunstwerken uit te wisselen, maar ook om gezamenlijk exposities te organiseren en expertise te delen. Jacobs reageerde alvast opgewonden. Ervaring met bedrijfscollecties heeft hij weliswaar nog niet, maar hij staat er wel voor open. Samenwerken is altijd essentieel, vindt hij. Roesink, directeur van De Paviljoens, Almere, viel hem bij. Zij was in het verleden betrokken bij zowel de kunstcommissie van de Rabobank als de Caldic Collectie. Zij plaatste de rol van museum- en bedrijfscollecties in een brede context, benadrukte de maatschappelijke functie van collecties en hun onderkomens.

Publieksbereik was een veelgehoord woord tijdens de bijeenkomst, met name Jacobs bleef er maar op terugkomen. Maar over welk publiek hebben we het eigenlijk, vroeg Witte. Jacobs reageerde: Het gaat er vooral om dat je door samen te werken meer mensen kunt bereiken. Hij noemde als voorbeeld het succes van het Dick Bruna Huis dat financieel wordt ondersteund door de BankGiro Loterij (BGL). 2011 is het Jaar van het Konijn, kondigde hij aan, en dat wordt een groot feest! Een leuk voorbeeld van vruchtbare samenwerking, maar de BGL is geen bedrijfscollectie... Ook bij Meijs is publieksbereik belangrijk, dat neemt niet weg dat een bedrijf nu eenmaal geen museum is. Hij organiseerde weliswaar een expositie waarbij zowel werknemers als externe bezoekers kunstwerken uit de bedrijfscollectie konden aankopen, maar dat doet hij af als een 'typisch inter pr-dingetje', vooral bedoeld om werknemers tegemoet te komen. Roesink trok de discussie weer wat breder. Zij gaf aan dat bedrijfscollecties, net als museumcollecties, niet alleen bedoeld zijn voor het publiek, maar ook voor kunstenaars. Die waren nog niet aan bod gekomen. Ze benadrukte ook dat bedrijven en musea met hun collecties de humuslaag zijn die de beeldende kunsten voeden. Bedrijven zouden ook moeten investeren in kunstenaars en hun projecten, zoals musea doen. Niet door het geven van opdrachten, maar door kunstenaars financieel te ondersteunen en budgetten te verstrekken. Alberdingk Thijm beaamde dat bedrijven artistieke maakprocessen kunnen ondersteunen. Het gaat er om dat bedrijven en musea door samen te werken meer publiek kunnen bereiken. Beide partijen kunnen veel aan elkaar hebben.

Nog even over publiek gesproken. Bedrijfscollecties ontstonden in de jaren vijftig en waren bedoeld om het werknemers naar de zin te maken. Maar wat vonden en vinden ze er eigenlijk van? Alberdingk Thijm vertelde dat ooit uit onderzoek was gebleken dat 80% van de werknemers van Akzo wel degelijk waardering had voor de bedrijfscollectie, maar het niet in het hoofd zou halen de kunstwerken aan de eigen muur te hangen. Zij legde uit, net als Van Zanten, het publieksbereik te willen vergroten door middel van excursies en rondleidingen.

Er was verschil van mening over de vraag of een bedrijfscollectie juist kan profiteren van een geoliede communicatieafdeling van een bedrijf, of er eerder onder gebukt gaat omdat zo’n afdeling soms de aansluiting mist met de 'culturele pers'. Roesink wees op de voordelen van een goed georganiseerde pr-afdeling, Alberdingk Thijm bracht daar tegen in dat het imago van een bedrijf niet altijd positief overkomt bij kunstafdelingen van de culturele pers. Van Zanten viel haar bij: je moet de effecten van een communicatieafdeling niet overschatten. De positie van een collectie binnen een bedrijf is sowieso lastig. Motieven van het bedrijfsmanagement moeten altijd op afstand blijven van het collectiebeleid, waarschuwde Roesink.

Witte zei benieuwd te zijn naar hoe bedrijfscollecties zich steeds zelfstandiger profileren en samenwerking zoeken met musea. Samenwerking biedt bedrijven en musea mogelijkheden. Strengers verwoordde het in zijn slotwoord alsvolgt: hoe meer verenigd, hoe sterker we staan.

Jack van der Leden

donderdag 28 oktober 2010

Boekpresentatie ‘Cultural policies in Algeria, Egypt, Jordan, Lebanon, Morocco, Palestine, Syria and Tunisia: an introduction’

Twee hoogtepunten vonden plaats op 27 oktober in het Bimhuis in Amsterdam. De presentatie van ‘Cultural policies in Algeria, Egypt, Jordan, Lebanon, Morocco, Palestine, Syria and Tunisia: an introduction’ van de Boekmanstichting, European Cultural Foundation (ECF), Culture Resource (Al Mawred Al Thaqafy) en Stichting Doen. En het indrukwekkende optreden van het Syrische ensemble Hewar, onder leiding van klarinettist Kinan Azmeh. Na een kort welkomstwoord van Katherine Watson (ECF) kreeg moderator Abdelkader Benali het woord. Feestelijk presenteerde hij het publiek de kersverse publicatie. Cultuurbeleid is in de Arabische landen geen nieuw concept, een heldere strategie vaak wel. Deze publicatie (‘The fruit of much labour’, aldus Watson) brengt het culturele landschap in beeld. Het werk is bedoeld als handreiking naar kunstenaars en instellingen in de desbetreffende landen en belangstellenden uit het buitenland, maar zeker ook als signaal naar overheden, als middel om hen te overtuigen van de legitimiteit van kunst- en cultuurbeleid. Dit laatste werd fel onderstreept door Basma El Husseiny, directeur van Al Mawred al Thaqafy (culture resource) in Caïro. Benali interviewde haar in de pauze tussen de twee muziekdelen. El Husseiny gaf schrijnende voorbeelden van overheden die weerstand bieden zodra er een beroep op ze wordt gedaan bij de realisatie van artistieke projecten. Financiële steun blijft uit, vergunningen worden niet verstrekt (‘In general you need three to four permits, and usually one of them is impossible to get’). Ze vertelde over het ontstaan van haar organisatie in 2004 en legde uit waarom ze zo dankbaar is voor de samenwerking met ECF (voor hun steun, expertise en lobby), waardoor ze voor het eerst de kans krijgt ook in Europees verband te werken. Kinan Azmeh, de charismatische bandleider en klarinettist, verheugde zich er over dat El Husseiny speciaal voor deze gelegenheid musici aan hem en de bandleden had geïntroduceerd. Hartstochtelijk legde hij uit dat composities en uitvoeringen het resultaat zijn van onderlinge ideeënuitwisseling en inspiratie. Klassiek én Arabisch geschoolde musici creëren een unieke muzikale taal, in dialoog met elkaar. En, benadrukt Azmeh, dat heeft dus niets met ‘East meets West’ principes te maken wat recensenten vaak suggereren. Improvisatie speelt een belangrijke rol op het podium, zo liet het levendige samenspel van de musici vanavond zien. Het prachtige optreden maakte duidelijk dat de muziek van Hewar muzikale stromingen uit alle windrichtingen vermengt. Tot groot genoegen van het publiek. Een flink gevuld Bimhuis genoot intens.

Het boek is uitgegeven door Boekmanstudies, Culture resource, European Cultural Foundation, en te verkrijgen bij de Boekmanstichting, www.boekman.nl of via de boekhandel. Prijs: 34,90 €, ISBN 9789066501003. Ook te leen in de bibliotheek van de Boekmanstichting.

Jack van der Leden

Boekpresentatie Nederlandse schrijvers en religie 1960-2010

‘Eigenlijk geloof ik niets,/en twijfel ik aan alles, zelfs aan U.’ Met deze woorden uit het gedicht Dagsluiting van Gerard Reve opende Ger Groot de presentatie van 'Nederlandse schrijvers en religie 1960-2010’ van Jaap Goedegebuure, op 27 oktober jl. in het Bethaniënklooster in Amsterdam. Let wel: Groot zòng de regels. Goedegebuure, hoogleraar moderne Nederlandse letterkunde aan de Universiteit Leiden, beschrijft in zijn boek hoe Nederlandse schrijvers en dichters zich in hun werk hebben uitgesproken over God en het goddelijke. Veel aandacht besteedt hij o.a. aan Gerard Reve, Frans Kellendonk, Hans Faverey, Andreas Burnier, Oek de Jong. Ger Groot, publicist en bijzonder hoogleraar Filosofie en Literatuur aan de Radboud Universiteit Nijmegen en universitair docent voor cultuurfilosofie en wijsgerige antropologie aan de Erasmus Universiteit Rotterdam, gaf een lovende toelichting op het werk. De opbouw van het boek is als een ‘croque monsieur’, legde hij uit. Hoofdstukken over prozaschrijvers en dichters verhouden zich tot stevige uitweidingen over katholicisme en mystieke dichters als de laagjes in zo’n tosti. Daartussen ligt ook nog een laagje ‘reformatorisch intermezzo’. Hij rondde af met de laatste dichtregels van Dagsluiting: ‘en dat, in zelfde wanhoop, Gij mij zoekt/zoals ik U.’ Daarna las dichteres en voodoopriesteres Maria van Daalen voor uit eigen werk. Van Daalen neemt een prominente plaats in in het boek van Goedegebuure. ‘Ik wist al dat ik een linkse hobby ben, maar nu dus ook een mystieke projectie’, reageerde Van Daalen. Ze verraste de aanwezigen met een voodoolied. Goedegebuure was verguld met alle aandacht. Hij vertelde dat de in 1990 overleden schrijver Frans Kellendonk een sleutelrol bekleedt in het boek, maar ook in de totstandkoming van de studie. De literatuurwetenschapper moest onverwachts invallen voor Kellendonk, die een lezing over religie zou geven in poptempel Paradiso in Amsterdam, maar op dat moment al erg ziek was. Sindsdien hield het onderwerp Goedegebuure stevig in de greep. Publicaties over literatuur en religie volgden, en uiteindelijk deze studie. Literatuur en religie hebben dezelfde bron, legde hij uit: het verlangen naar gemeenschap, naar eenheid. Hij overhandigde het eerste exemplaar aan zijn vriend Oek de Jong, die ook uitvoerig in het boek aan de orde komt. De Jong blikte terug op de kennismaking en vriendschap met de literatuurwetenschapper. Marc Beerens van uitgeverij Vantilt nodigde vervolgens iedereen uit voor een afsluitende borrel. ‘Dit is het einde van deze dienst’, zei hij, in de geest van de eerder geciteerde Gerard Reve, ‘We gaan nu drinken uit de beker. Het zojuist gepresenteerde boek zal er voor geld te koop zijn’.

´Nederlandse schrijvers en religie 1960-2010´ verscheen bij uitgeverij Vantilt en is in de reguliere boekhandel verkrijgbaar (Prijs: € 18,95 ISBN 9789460040542) en natuurlijk te leen in de bibliotheek van de Boekmanstichting. Boekman 85 over kunst en religie, die half december verschijnt, bevat een boekbespreking door Liesbeth Eugelink.

Jack van der Leden

donderdag 1 april 2010

Presentatie Geschiedenis van de Nederlandse bibliofilie

De opkomst was groot, woensdag 31 maart, bij de presentatie van de nieuwe publicatie van P.J. Buijnsters, Geschiedenis van de Nederlandse bibliofilie, op de afdeling Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam (UvA). Net als vier jaar geleden in de Aula van de UvA toen daar zijn vorige standaardwerk, Geschiedenis van het Nederlandse antiquariaat, werd gepresenteerd. De feestelijkheid vond dit keer plaats in de Nina van Leer zaal van het Allard Pierson Museum. Steph Scholten, directeur van de Divisie Erfgoed van de UvA, sprak een welkomstwoord. Hij noemde het een geweldige prestatie dat Buijnsters er in is geslaagd met zoveel passie en professionaliteit binnen zo’n korte tijd twee indrukwekkende overzichtswerken te schrijven. In de Geschiedenis van de Nederlandse bibliofilie beschrijft Buijnsters de tot op heden min of meer verborgen wereld van particuliere boek- en prentverzamelaars vanaf 1750 tot heden. Als pioniers en trendsetters hebben zij met hun collecties altijd de grondslag gelegd voor de publieke musea en bibliotheken. Passies van individuen kunnen leiden tot indrukwekkende collecties, legde Scholten uit. Buijnsters schreef zijn boek mede ter gelegenheid van het 75-jarig bestaan van de Nederlandse Vereeniging van Antiquaren (NVA). Frank Rutten van de NVA hield een geestige verhandeling over de overeenkomsten tussen verzamelaars en antiquaren. ‘Het zijn vrijwel altijd mannen met een sterk jachtinstinct’. Het doel is nooit het bereiken van een complete verzameling, want dat betekent eigenlijk de dood in de pot, maar de jacht zelf, aldus Rutten. De verzamelaar en antiquaar vullen elkaar aan, de band is zeer nauw. Hij toonde zich bezorgd over de gevolgen van de digitale toekomst, maar de relatie tussen de twee genoemde partijen zal daar alleen maar inniger door worden. Hij pleitte voor een derde publicatie waarin Buijnsters de geschiedenis van de boekencultuur uit de doeken doet. ‘Laten we dat doen bij het 100-jarig jubileum’. Daarna kreeg Buijnsters het woord. Hij toonde zich dankbaar voor de vele bekende en onbekende bibliofielen die hij tijdens zijn zoektocht door het gehele land had ontmoet. Hij bestreed het bij iedereen bekende beeld van Boudewijn Büch die boeken altijd met witte handschoenen aanraakte. ‘Helemaal niet nodig, met handschoenen poets je zilver’. Het eerste exemplaar reikte hij uit aan zijn goede vriend Freek Heijbroek, conservator prenten bij het Rijksmuseum. Verzamelaars zijn raadselachtige mensen, aldus Heijbroek, en juist daarom noemde hij het overzichtswerk bewonderenswaardig. Ook hij had een voorstel voor een te schrijven derde deel: de geschiedenis van het veilingwezen. Een borrel in het Museumcafé van Bijzondere Collecties sloot de feestelijkheid af. In het herfstnummer van Boekman verschijnt een bespreking van het boek.

Jack van der Leden



Geschiedenis van de Nederlandse bibliofilie verscheen bij uitgeverij Vantilt en is in de reguliere boekhandel verkrijgbaar (Prijs: € 45,- ISBN 9789460040436) en natuurlijk te leen in de bibliotheek van de Boekmanstichting.