Posts tonen met het label onderzoek. Alle posts tonen
Posts tonen met het label onderzoek. Alle posts tonen

dinsdag 12 juni 2012

Uitreiking 2e Boekman Dissertatieprijs en presentatie Boekman 91, 6 juni 2012


‘Döner Kebab stamt niet gewoon uit Turkije, maar is ontwikkeld in Berlijn door Turkse Duitsers’. Migranten als ondernemers in de culturele industrie van het land van bestemming.

SPUI25 in Amsterdam was afgelopen woensdag het podium van de uitreiking van de 2e Boekman Dissertatieprijs voor kunst- en cultuurbeleid 2012 en de presentatie van Boekman 91 over kunst en onderzoek. In het verlengde daarvan organiseerde de Boekmanstichting het paneldebat ‘Verspild inzicht? over onderzoek en cultuurbeleid’.

Annick Schramme (hoogleraar Cultuurmanagement aan de Universiteit Antwerpen) sprak over de onafhankelijkheid en objectiviteit van onderzoek in relatie tot de economische agenda van met name de creatieve industrie, die op dit moment erg booming is. Liane van der Linden (directeur Kosmopolis Rotterdam) verhaalde over onderzoekers die al in een vroeg stadium betrokken worden bij de ontwikkeling van culturele producties, toegespitst op het voorbeeld van etnische ondernemers en superdiversiteit. Imagine IC en Kosmopolis Rotterdam laten bijvoorbeeld met de robot, de videoportretten van de restauranthouder en de ondernemeruitvinder samen, het achtergrond verhaal zien van de Döner Kebab en daarmee van de verschillende dimensies van actueel en transnationaal ondernemerschap. Als resultaat van de wisselwerking tussen onderzoek, cultuurproductie en erfgoededucatie.

Onder leiding van Paul Steenhuis (chef Cultuurredactie NRC) gingen de drie genomineerden voor de prijs van 2012 - Amanda Brandellero (EUR), Christian Handke (EUR) en Leentje Volker (TUD) - de discussie aan met de twee eerder genoemde sprekers. Aan de orde kwamen de objectiviteit en onafhankelijkheid van de onderzoeker, de vraag hoe die positie te handhaven is en de rol die onderzoekers kunnen spelen om de resultaten van hun onderzoek sterker uit te dragen.

De genomineerden plaatsen met hun onderzoeken namelijk grote kanttekeningen bij het huidige Nederlandse en Europese cultuurbeleid en doen voorstellen voor verbetering daarvan. Het gaat om drie onderzoeken over respectievelijk de invloed van etnische verscheidenheid op creatieve productieprocessen door Amanda, de veranderende rol van het auteursrecht in de muziekindustrie door Christian en blunderende overheidsfunctionarissen die architecten selecteren via Europese aanbestedingsprocedures door Leentje.

Juryvoorzitter Gillis Dorleijn (RUG) vertelde dat de jury voor de Boekman Dissertatieprijs 2012 zich geconfronteerd zag met drie excellente proefschriften. Alle drie zijn innovatief op hun terrein: dat van Amanda Brandellero avontuurlijk, van Christian Handke methodisch scherpzinnig, en van Leentje Volker praktisch toepasbaar. ‘Wie die drie zeer uiteenlopende proefschriften wil vergelijken stuit op het appels-en-peren-syndroom: een cliché, toegegeven, maar daarom in dit geval niet minder waar.’

De jury, die bestond uit Jaap Boter (VU en UvA) Helleke van den Braber (Radboud), Erik Hitters (EUR) en Judith Thissen (UU), heeft volgens Dorleijn echter na ‘lang en zorgvuldig beraad’ unaniem en van harte gekozen voor een proefschrift dat prikkelend en uitdagend is. ‘Waarin resultaten worden gepresenteerd die richting kunnen geven aan verder onderzoek op het terrein en die beleidsmakers iets kunnen leren. Het is een proefschrift waarmee wetenschappers en de culturele sector nog lang mee vooruit kunnen’. De winnende dissertatie is van Amanda Brandellero en heeft als titel The art of being different: exploring diversity in the cultural industrie. De eer ging helaas voorbij aan Christian Handke met zijn proefschrift The creative destruction of copyright: innovation in the record industry and digital copying en Leentje Volker met haar proefschrift Deciding about design quality: value judgements and decision making in the selection of architects by public clients under European tendering regulations. In het dankwoord ging Amanda in op wat het onderzoek haar heeft gebracht: ‘So what this thesis allowed me to delve are questions of cultural boundaries, and how they come to matter in the production and appreciation of cultural products. Cultures are increasingly deterritorialising and being reproduced, recreated and shaped through the serendipitous and deliberate encounters and exchanges across groups. As cultures travel, keeping them alive might also be to support them in their new environments, forms of expression and dynamic practices.’

‘In sum, my research concluded that diversity has different values. It can be both an economic force (of different forms) and a force for developing cultural identity. But those identities aren't fixed, and can be a means of bringing people together. Understanding these dynamics is the first step in a longer journey. A journey in which institutions learn and respond to what is happening on the ground.’

Ook Boekman 91 over Kunst en onderzoek werd gepresenteerd. Hierin komt naar voren dat bestuurders onderzoek met ongewenste uitkomsten het liefst in de la laten verdwijnen. Relevante cijfers en conclusies dringen maar mondjesmaat door tot de praktijk. Met als schoolvoorbeeld rapporten die de laatste tien jaar aandacht vroegen voor de groeiende kloof tussen podiumkunst en publiek. Commerciële consultants halen de meeste opdrachten binnen terwijl universitaire onderzoekers onvoldoende meedoen aan het binnenlandse cultuurdebat. Onderzoekers moeten meer van zich laten horen, is de conclusie. Vooral analyses op basis van harde cijfers zijn van belang. Daarom in het nieuwe nummer van Boekman een stevig pleidooi voor de Cultuurindex Nederland die de Boekmanstichting in samenwerking met het SCP wil gaan maken.

In het e-journal Cultural Policy Update dat eind juni verschijnt op de website van de Boekmanstichting komt co-creatie naar voren als een veelbelovende nieuwe vorm van kennisontwikkeling. Onderzoekers gaan allianties aan met kunstinstellingen voor de verzameling van onderzoeksmateriaal, of met de overheid voor de evaluatie vanaf het prille begin van gevoerd beleid. Een andere suggestie, hier en daar al uitgevoerd in de praktijk, is het beleggen van bijeenkomsten voor onderzoekers, cultuurmanagers en beleidsmakers om onderzoeksresultaten te bespreken. De Boekman Dissertatieprijs is een samenwerkingsverband van de Boekmanstichting met NWO Geesteswetenschappen. Uitgebreide informatie over de drie genomineerde dissertaties, de lijst met de 62 geselecteerde deelnemers aan de prijs met de titels van hun dissertaties en de 1e uitreiking van de Boekman Dissertatieprijs aan Marijke de Valck voor haar studie naar filmfestivals is te vinden op de website van de Boekmanstichting.

Marjolein van der Steen

woensdag 23 mei 2012

Concertinnovatie moet belangstelling voor klassieke muziek verbreden

Oude muziek in nieuwe jassen?

Tien jaar geleden was er een concertserie in Groningen waar de formule van klassieke muziek in een relaxte omgeving werd uitgeprobeerd. De deuren bleven open, je mocht in en uit lopen, drankjes waren toegestaan. De aanleiding vormde mijn boek over de concertetiquette. Onderzoek naar dat verschijnsel bracht het inzicht dat in de loop van een paar eeuwen mensen elkaar voor de lengte van een concert het zwijgen hadden opgelegd. Ik werd vaak gevraagd wat ik daar eigenlijk zèlf van vond. Ik ontweek die vragen omdat ik er eigenlijk geen antwoord op had. Nog steeds vind ik het ellendig als iemand de pianistieke hoogstandjes van een Meesterpianist stukhoest. Aan de andere kant begrijp ik dat de stiltedwang potentiële concertbezoekers afschrikt. In een recent verschenen vrolijk boekje geeft Johan Idema meer dan 40 voorbeelden van muzikale ontmoetingen tussen musici en repertoire. Verrassend en inspirerend om te lezen en ook bemoedigend voor al diegenen die geloven in de vitaliteit van klassieke muziek. Het interessante van Idema’s inventarisatie is dat alle voorbeelden afkomstig zijn van buíten de concertzaal: van parken en zwembaden tot musea en theatrale kerkgebouwen. Het merendeel van de gevallen betreft kleine ensembles of solisten. Die zijn van nature flexibeler dan grote orkesten, en daarmee sterker ingetuned op kansen die innovatie aanreiken. Op basis van de gevalsbeschrijvingen ontvouwt Idema twee strategieën over hoe het verder zou moeten: voeg een beeldverhaal of andere zintuiglijke prikkelingen toe aan de muziek om er zo een performance van te maken die je totaal in beslag neemt. En daarnaast: maak het klassieke repertoire urgenter door het te verbinden met actuele voorvallen. Dat gaat behoorlijk boven Groningen uit en daarmee lijkt buiten de concertzaal toch wel degelijk een nieuwe context voor ons kostbare muzikale erfgoed te zijn gevonden.

Regio - Randstad

Hoe het verder binnen die zalen moet, daarover breekt Miranda van Drie zich het hoofd. Zij publiceerde een scenariostudie met betrekking tot het Nederlandse orkestenbestel, op basis van een serie interviews en aanvullend bronnenonderzoek. Orkesten zijn – in tegenstelling tot de ensembles van Idema – vrijwel altijd veroordeeld tot intramurale bedrijvigheid. De zaaldiscipline geeft ze de mogelijkheid op te stijgen naar het hoogste niveau van muzikale excellentie, maar daarmee komt de concertetiquette weer om de hoek kijken. In de kosmopolitisch wereld van de Randstad lijkt dat minder problematisch. Daar is het type van de culturele omnivoor dik gezaaid. En die is gewend plezier af te wisselen met inspanning, ook in de cultuur. Dit type bezoeker wordt ook niet meteen afgeschrikt door een stevig bedrag dat voor een concertkaartje moet worden betaald. Dat zit ingebakken in zijn leefstijl. Buiten de Randstad wordt ook wel grif betaald, maar dan wel voor een muzikale amuse. Het is het domein van André Rieu. Een musicus die furore maakt op het Vrijthof, maar met zijn klassieke repertoire nooit is te vinden in het Concertgebouw. Die sociaalgeografische tweedeling bemoeilijkt de positie van het regionale orkest in het bestel. Het wordt door de subsidies gedwongen afstand te houden van André Rieu, maar een vergelijking met het Koninklijk Concertgebouworkest pakt vrijwel altijd ongunstig uit. Miranda van Drie probeert deze spagaat te neutraliseren door er een kwadrant van te maken. De linkerhelft van dat kwadrant krijgt veel subsidie, de rechterhelft weinig of geen. Linksboven heeft het genoemde Concertgebouworkest zich geposteerd. Het heeft in Nederland als enig symfonieorkest een top bereikt die is te vergelijken met het Rijksmuseum. Linksonder plaatst Van Drie (blazers) ensembles, die nieuwe routes vinden waarlangs ze nieuw klassiek repertoire aan de man brengen. Rechtsboven profiteert de klassieke muziek van events als de EK, van het publiek dat kaartjes koopt voor concerten met Music for the Millions. En rechtsonder zijn muziekorganisatoren bezig langlopende verkoopformats te vinden waardoor zij met één of een paar producties jaren achtereen in hun inkomsten kunnen voorzien. Van Drie voorziet nogal wat migratie van de regionale orkesten, waarbij de overheden de richting aangeven. Het beste zou toch zijn als ze door de regio worden omarmd. Maar de regio hoopt natuurlijk dat het rijk blijft betalen... De twee boeken geven stof tot denken, debat en dialoog. Ze verschijnen op een moment dat de rijksoverheid zelf met haar eigen scenario komt: fuseren. Dat scenario zien we al vanaf de jaren 1970 periodiek de kop opsteken. Het is het scenario van het chronisch vooruitgeschoven keuzemoment. Aan de onderzoekers zal het niet liggen, die komen met voldoende stof tot nadenken, tot het legitimeren van keuzen. Nu maar blijven hopen dat het kwartje een keer valt bij de verzamelde bestuurders.

Cas Smithuijsen

Miranda van Drie, Erfgoed of innovatie. De toekomst van het orkestbedrijf. Forque Press, 2012. Prijs: 24,50 euro

Johan Idema, Present! Rethinking Live Classical Music. Muziek Centrum Nederland, 2012. Prijs: 23,95 euro

Cas Smithuijsen, Stilte! Over het ontstaan van concertetiquette. Podium, 2001. Uitverkocht, beschikbaar in bibliotheek Boekmanstichting

dinsdag 19 april 2011

Popular Music: Theory and Practice in the Lowlands

Het was alweer 10 jaar geleden dat de Beneluxafdeling van de International Association for the Study of Popular Music (IASPM) een groot congres organiseerde. In 2001 was het evenement Access to Amsterdam, georganiseerd door het Nationaal Popinstituut, voor IASPM Benelux de kapstok om een aantal lezingen te organiseren. In de tussentijd zijn er wel bijeenkomsten georganiseerd, maar deze waren vaak kleinschalig. Afgelopen donderdag 14 en vrijdag 15 april was Hogeschool Inholland in Haarlem de locatie voor een tweedaags symposium met nationale en internationale sprekers over onderzoek naar popmuziek. De organisatoren waren zichtbaar tevreden met de aanmeldingen van onderzoekers uit binnen- en buitenland en de publieke belangstelling voor het congres.

Na een kort welkomstwoord van Koos Zwaan en Tom ter Bogt namens IASPM Benelux en Regine von Stieglitz namens Inholland konden de deelnemers kiezen uit twee parallelle sessies met de thema’s lokaliteit en globalisering en onderzoeksmethoden. Ik was aanwezig bij de eerste waar Stan Rijven (o.a. Trouw, World Music Forum Nl) in ging op de rol van havens en wereldwateren in de verspreiding van muziek. Rijven ziet de oceanen als 6e continent. In het verleden vervulde het water de rol van de digitale kabels tegenwoordig. Er zijn duidelijke stromen van muziekstijlen van de ene haven naar de andere waarneembaar. De tweede lezing ging in op de manier waarop het Zuidafrikaanse genre Maskanda wordt beloofd door de vertolkers en door de bezoekers van concerten in Nederland. Onderzoeksters Barbara Titus (Universiteit Utrecht) en Kathryn Olsen (University of KwaZulu-Natal, Durban, SA) belichten beiden vanuit hun perspectief de authenticiteit van de uitvoerders. De bezoekers van een concert in RASA (Utrecht) hebben een heel andere visie op authenticiteit dan de vertolkers van de muziek. De laatste presentatie was van Amanda Brandellero (Erasmus Universiteit Rotterdam (EUR)). Zij belichtte haar onderzoek naar Popular music heritage, cultural memory and cultural identity (POPID). Doel van het onderzoek is om te kijken welke muzikale herinneringen in rol spelen in de identiteitsvorming van luisteraars. De verwachting is dat dit lokaal gebonden is. Maar in hoeverre is de geschreven geschiedenis hier een houvast en wijken lokale belevingen hier van af? Het onderzoek vindt plaats in een aantal Europese landen, zodat de gegevens met elkaar vergeleken kunnen worden.

De tweede begon met een keynote speech van David Hesmondhalgh (Professor of Media and music industries, University of Leeds, UK), Towards a politics of music. Hesmondhalgh wijdde uit over de rol die muziek in het emotionele leven van mensen kan spelen. Hij baseerde zich daarbij op theorieën van Martha Nussbaum. Hij stak een helder en interessant verhaal af, waarin hij aantoonde dat popmuziek meer belangen heeft dan alleen het economische, waar het veelal over gaat. Een mooi begin van de tweede dag van de conferentie. Hierna volgden drie parallelle sessies op telkens twee verschillende thema’s. Ik koos voor de thema’s Music industry changes; stream 1: Music industry & business models; Selling the artist: stream 1: Music industry & business models; en Journalism & media; stream 2: Popular music media & cultures.
In de eerste sessie ging Victor Sarafian (University of Toulouse, France) in op de zoektocht van de muziekindustrie naar de heilige graal. Sinds de komst van Napster in 1998 is de verkoop van geluidsdragers niet langer de belangrijkste inkomstenbron van de muziekindustrie. Wat heeft zij gedaan om hier op in te spelen? Op www.iaspm.nl is een korte impressie van zijn lezing te lezen. Wes Wierda (Hogeschool Inholland) ging vervolgens op de invloed van macro-economische cycli op muziekconsumptie in. Uit zijn lezing kwam een verband tussen beide naar voren. De laatste presentatie in de eerste sessie was van Erik Hitters (EUR) en Miriam van der Kamp (Universiteit Leiden). Zij gaven op basis van de veranderingen in de muziekindustrie suggesties voor mogelijke nieuwe onderzoeksrichtingen. Ook de tweede sessie richtte zich op de muziekindustrie, maar dan meer vanuit de artiest. Jonathan Shaw (University of the Witwatersrand, Johannesburg, SA) ging in op de verschuiving van het album als centraal begrip in de muziekindustrie naar de artiest. De industrie richt zich na de instorting van de geluidsdrager als inkomstenbron, steeds meer op andere aspecten. Dit resulteerde o.a. in de zogenaamde 360 graden deal, waarbij de muziekindustrie in alle inkomstenbronnen van de artiest. Niet de muziek is uitgangspunt, maar de artiest. Hierna belichtte Joke Fictoor (Inholland) haar promotieonderzoek. Zij onderzoekt de reacties van professionele Nederlandse artiesten op veranderingen in hun omgeving. Wat is de rol van internet, twitter en andere sociale media in het muzikantenbestaan? Hoe gaan artiesten om met hun fans en met de muziekindustrie? Lee Marshall (University of Bristol, UK) besloot de sessie met een lezing over de rol van sterrendom in popmuziek en specifieker de muziekindustrie. Hij borduurde daarmee voort op de lezing van Shaw in de zin dat de industrie gebaat is bij een sterstatus van hun artiesten. Zo behouden ze hun inkomsten en kunnen die uitbreiden.
De laatste sessie die ik bezocht had journalistiek en media als thema. Pauwke Berkers (EUR) gaf inzage in zijn onderzoek naar de verschillende manieren waarop de Engelse ‘serieuze’ pers de rock ‘n’ roll levensstijlen van Amy Winehouse en Pete Doherty benaderde. Voor vrouwen blijkt het toch minder geaccepteerd als zij er een dergelijke levensstijl op na houden. Nienke van Olphen (EUR) deed verslag van het onderzoek voor haar masterscriptie naar de export van Nederlandse rock- en dance muziek en hoe de Britse en Duitse muziekpers hier aandacht aan besteden. In hoeverre is Holland hier een referentiepunt? Lieselotte Goessens (Vrije Universiteit Brussel) ging hierna in op de rol die Vlaamse radio speelde in de vorming van een Vlaamse identiteit in het decennium voorafgaande aan de Tweede Wereldoorlog. Net als Nederland kende Vlaanderen in die tijd een verzuild omroepbestel, dat na WO II is afgeschaft. Arno van der Hoeven (EUR) sloot de laatste sessie af met zijn onderzoek naar piratenzenders in Nederland. Ze blijken er nog steeds te zijn en inmiddels heeft een aantal de overstap gemaakt van ether naar internet. Het onderzoek maakt deel uit van het op de eerste dag gepresenteerde onderzoek POPID.
Shane Homan (Monash University, Australia) besloot het congres met een keynotespeech over het Australische overheidsbeleid met betrekking tot auteursrecht. Hij belichtte een aantal rechtszaken, waarbij de muziekindustrie afdracht van hotels, fitnessstudio’s en nachtclubs af probeerde te dwingen en hoe de overheid reageerde op de vraag van de muziekindustrie om het downloaden aan banden te leggen.

Bovenstaande is nog maar de helft van de onderzoeken die tijdens het congres aan bod kwamen, maar geeft een aardig beeld van de verschillende invalshoeken die de bestudering van popmuziek op kan gaan. Het congres geeft daarmee een mooie stand van zaken van het onderzoek weer, niet alleen in Nederland maar ook daarbuiten. Een must voor iedereen die zich in de Lage Landen op een of andere manier wetenschappelijk met popmuziek bezig houdt. Doel van IASPM Benelux is om deze onderzoekers met elkaar in contact en op de hoogte van elkaars onderzoek te brengen. Een zeer inspirerend congres dat hopelijk een vervolg krijgt op een regelmatigere basis van tot nu toe het geval was. Reden te meer om je als onderzoeker op dit terrein aan te melden als IASPM Beneluxlid, waarmee je ook direct lid bent van de wereldwijde IASPM.

Op www.iaspm.nl is meer informatie over een aantal lezingen en het congres algemeen te vinden.

André Nuchelmans

dinsdag 20 april 2010

NOVA: Kunstsubsidies onder druk

Voor zes op de tien Nederlanders staan kunst en cultuur in de top vijf van de populairste posten waarop bezuinigd mag worden. Ontwikkelingssamenwerking staat op één, kunst en cultuur en Defensie op een gedeelde tweede plaats, gevolgd door wonen, en landbouw en visserij. Dit blijkt uit onderzoek van Synovate onder 1000 kiesgerechtigde Nederlanders, verricht in opdracht van NOVA. In de uitzending van maandag 19 april maakte het nieuwsprogramma de uitslag bekend en liet een aantal betrokkenen aan het woord.
De kunstsubsidies hebben nog nooit zo onder druk gestaan als op dit moment, aldus Clairy Polak. Sommige politieke partijen spreken zich openlijk uit voor bezuinigingen op kunst en cultuur. Waarom wel inleveren als het gaat om veiligheid en gezondheidszorg, en niet op orkesten en beeldende kunst? Op de vraag waarop absoluut niet bezuinigd mag worden koos slechts drie procent van de Nederlanders voor kunst en cultuur. De kunstsector heeft alle reden om zich zorgen te maken. Hoeveel subsidie gaat er naar de kunstsector en kan het niet wat minder? Hoe denkt de bevolking over bezuinigingen op kunst en cultuur?

NOVA sprak met columnist Bas Heijne, econoom Gerard Marlet en VVD-kamerlid Mark Harbers. Ook volgde NOVA twee kunstenaars tijdens hun subsidieaanvraag bij het Amsterdamse Fonds voor de Kunst, en sprak ze met studenten van het Utrechtse conservatorium.
Van de 4,5 miljard euro die de sector jaarlijks aan inkomsten binnenkrijgt, is tweederde afkomstig van het ministerie van OCW. Een derde komt uit kaartverkoop en sponsorgelden. Volgens Bastiaan Vinkenburg van Berenschot is de Rijksbijdrage niet hoog wanneer je het bedrag relateert aan het aantal inwoners. Per inwoner besteedt het Rijk 55 euro per jaar aan kunst en cultuur. De vier grote gemeenten betalen meer dan 200 euro per jaar per inwoner, de kleinere gemeenten gemiddeld 88 euro. Slechts 0,56% van de rijksbegroting gaat naar kunst en cultuur. Toch wordt dit nog minder, waarschuwde NOVA. ‘Kunstenaars moeten eraan geloven’.
Dat kunstsubsidies niet langer heilig zijn bleek uit de reactie van twee Kamerleden. Volgens Tweede Kamerlid Mark Harbers zijn steeds meer instellingen subsidieverslaafd geraakt. Hij pleitte voor minder subsidie en meer geld uit het land. Later lichtte hij toe dat instellingen gewezen moeten worden op alternatieve financiering zoals sponsoring. Ook het schenken door particulieren moet fiscaal gestimuleerd worden door middel van een ‘geefwet’. Ook de PVV is kritisch, bleek uit een televisiefragment waarin Tweede Kamerlid van de PVV Sietse Fritsma uitriep: ‘Waarom moet Jan Modaal betalen voor het Residentieorkest voor een klein elitegroepje’.
Waarom zijn kunst en cultuur belangrijk? De economische meerwaarde is aangetoond, legde econoom Gerard Marlet uit. De simpele aanwezigheid van cultureel aanbod is goed voor een stad, want het vergroot de aantrekkingskracht en de economie. Dat komt alle inwoners ten goede.
Een groot probleem is volgens NOVA dat kunstenaars zelf niet altijd goed kunnen uitleggen waarom subsidies van belang zijn. Een studente aan het Utrechts Conservatorium was hier een voorbeeld van. ‘Subsidies zijn belangrijk, want als er geen orkesten zijn zit ik straks zonder werk’. Ook de beeldend kunstenaars die een subsidie aanvroegen bij het AFK kwamen niet overtuigend over. Een van de kunstenaars die subsidie aanvroeg bij het AFK was Dorette Evers. Zij gaf desgevraagd aan dat ze haar project als vrijwilliger zou voortzetten wanneer ze geen subsidie zou krijgen. De andere kunstenaar, Jeroen Kramer, beaamde dat het steeds moeilijker wordt om subsidie krijgen, maar hij zag het als een uitdaging aan kunstenaars om nog serieuzer met subsidieaanvragen om te gaan.
Bas Heijne slaagde er wel in kunstsubsidies te verdedigen. Hij legde uit dat de kunstwereld vaak roept dat kunst nu eenmaal belangrijk is, maar argumenten achterwege laat. De kunstwereld kijkt alleen maar naar zichzelf. Maar soms zijn subsidies maatschappelijk moeilijk te verdedigen. ‘Ik betaal zelf ook mee aan dingen waar ik niets mee heb, zoals voetbal. Is voetbal belangrijk voor een samenleving? Voor mij niet. Een levensvoorwaarde is het niet, maar wanneer het ophoudt te bestaan betekent dat voor veel mensen een identiteitscrisis. Hetzelfde geldt voor kunst. Hij stelt voor: ‘laten we gelijk oversteken. Dan zeuren we er niet meer over’. Heijne wijst ook op de intrinsieke waarde van kunst. Kunst is verbeelding. Hij noemt als voorbeeld Romeo en Julia. Het verhaal over liefde en verraad bepaalt je blik op liefde. Kunst laat je opnieuw kijken naar je leven en je wereld.
Van de ondervraagden vindt 45% dat er te veel geld wordt uitgegeven aan kunst en cultuur, 26 % vindt het net goed, 8% noemt het te weinig. Het subsidiëren van kunst en cultuur moet daarom vaker ter discussie staan en geen automatisme zijn, aldus Vinkenburg. Iedere culturele instelling zal zijn recht op subsidie moeten verdedigen.
Nederlanders gunnen het meeste geld aan musea, daarna volgen film, festivals en orkesten. Dans en beeldende kunst komen er slecht vanaf. Geen aandacht was er in het onderzoek voor cultuurbehoud, waaronder monumentenzorg, bibliotheken en archieven. Ook kunsteducatie en amateurkunst bleven buiten beeld. Dat is een gemiste kans, want circa een derde van de bevolking houdt zich met amateurkunst bezig.
Boekman 81 over kunst en politiek bevat een volledig overzicht van de standpunten van de politieke partijen over kunst- en cultuurbeleid. Boekman 77 bevat een aantal overtuigende meningen en visies over het belang van kunst. Actuele informatie over maatschappelijk draagvlak voor kunst en de aandacht voor kunst in de verkiezingsprogramma kunt u vinden in de bibliotheek van de Boekmanstichting.

Jack van der Leden

maandag 12 april 2010

NBV/VWB-Congres Aanstormend en gevestigd, boekonderzoek in de Lage Landen

Onder de titel Aanstormend en gevestigd, boekonderzoek in de Lage Landen organiseerden de Nederlandse Boekhistorische vereniging (NBV) en de Vlaamse Werkgroep Boekgeschiedenis (VWB) op 9 april een congres in het Academiegebouw van de Universiteit van Utrecht. De belangstelling was overweldigend, al een week voor het congres moesten de organisatoren de aanmeldingen stopzetten omdat het maximum van 120 deelnemers bereikt was.
In de volle Senaatszaal hield Frans A. Jansen (emeritus hoogleraar van de Universiteit van Amsterdam (UvA)) de openingslezing. Hij verving de aangekondigde John MacKenzie Owen (hoogleraar Informatiewetenschap aan de UvA), die wegens ziekte verstek moest laten gaan. Jansen ging in op de confrontaties tussen de zogenaamde Franse en Engelse school in de boekwetenschap. Over en weer wijzen zij elkaar in voetnoten en hoofdteksten op elkaars tekortkomingen. Na deze openingslezing, konden de bezoekers zich middels parallelsessies laten informeren over het onderzoek dat aan Nederlandse en Vlaamse universiteiten over het onderwerp boekgeschiedenis plaatsvindt. Tussen de verschillende presentaties kregen onderzoekers de kans hun afzonderlijke project onder de aandacht te brengen. Vertegenwoordigers van de Universiteit van Amsterdam, Universiteit Antwerpen, Rijksuniversiteit Groningen, Universiteit Utrecht, Universiteit Leiden, Katholieke Universiteit Leuven, Erasmus Universiteit Rotterdam en Radboud Universiteit geven een indruk van het onderzoek dat momenteel gedaan wordt.
Bij elke universiteit ging een algemene inleiding aan twee specifiekere presentaties vooraf. Voor de Universiteit van Amsterdam gaf Lisa Kuitert een inleiding over wat de capaciteitsgroep (de nieuwe benaming voor de vroegere onderzoeksgroep) Boekwetenschap en handschriftenkunde inhoudt en aanbiedt. Vervolgens liet Paul Dijstelberge zien welke mogelijkheden het internet en digitalisering bieden voor het onderzoek naar initialen ornamenten uit de 16e en 17e eeuw. Arnold Lubbers gaf een impressie van het onderzoek dat hij aan de UvA en Janneke Weijermars aan de Universiteit Antwerpen doen naar de rol en plaats van boeken tijdens de kortstondige periode dat Nederland en Vlaanderen één natie vormden als Verenigd Koninkrijk der Nederlanden (1815-1830).
Namens de Universiteit Antwerpen belichtten vervolgens Stijn Van Rossem en Kevin Absilis hun onderzoek. Van Rossem doet onderzoek naar de uitgeversstrategieën van de familie Verdussen. Ten onrechte wordt de indruk gewekt dat de familie Plantin-Moretus de enige drukkers/uitgevers van betekenis in Vlaanderen zijn geweest. Het onderzoek van Van Rossem laat zien dat er meer is aan de Vlaamse uitgevershorizon. Via onderzoek naar contacten van de familie Verdussen met Spaanse boekverkopers en hun relaties in Zuid-Amerika schetst hij een beeld van een wijdvertakt netwerk. De Verdussens namen ook boeken van anderen over in hun fonds en verspreidden die met een eigen impressum.
Kevin Absilis bracht in zijn recentie publicatie Vechten tegen de bierkaai: over het uitgevershuis van Angèle Manteau (1932-1970) het redactiebeleid van uitgeverij Manteau in kaart (een bespreking van deze publicatie door Frank de Glas komt in het zomernummer van Boekman dat 15 juni verschijnt). Hij trok de link door van de reacties op de door extremistische moslims verstoorde lezing van Benno Barnard op 31 maart aan de Antwerpse Universiteit naar het Vlaamse literaire klimaat. Net als de extremistische moslimgemeenschap tegenwoordig beticht wordt van niet moderne en achterhaalde denkbeelden, zo zagen de Vlamingen in het verleden. Schrijvers trokken naar Nederlandse uitgevers in plaats van naar hun Vlaamse collega’s. Vlamingen hebben, onder meer op literair terrein, lange tijd hun eigen cultuur als minderwaardig en ouderwets gezien. Nu betichten zij een ander van eenzelfde mentaliteit. Een onverwachte, maar zeker niet minder interessante invalshoek.
Een andere interessante bijdrage was er van de Universiteit Leiden. Na een inleiding van Paul Rutten over wat de onderzoeksgroep Book and Digital Media behelst en het onderzoek dat er gedaan wordt, gaf Paul Hoftijzer een overzicht van de Leidse traditie op het gebied van boekhistorisch onderzoek. Hij gaf te kennen lang getwijfeld te hebben of hij wel acte de presence in Utrecht zou moeten geven. Vanuit de Universiteit Leiden voelt de vakgroep zich niet bepaald ondersteund en is het slachtoffer van bezuinigingen en aangekondigde fusies. Hieruit blijkt geen enkele waardering voor het verrichte onderzoek en het aangeboden onderwijs. Onvoorstelbaar, gezien de indrukwekkende lijst onderzoekers en onderwerpen die in zijn lezing de revue passeerden.
Een project dat al op vele symposia werd aangekondigd, is het onderzoek van Boudien de Vries naar lezers in de negentiende eeuw. Ze begon haar bijdrage met te vertellen dat het nu echt zo ver was: de titel stond al zo goed als vast en Vantilt had zich gemeld als geïnteresseerde uitgever. Dus of we de najaarscatalogus in de gaten wilden houden. Uit het onderzoek van De Vries komt onder andere naar voren dat de schrijvers uit de negentiende eeuw die tegenwoordig enig aanzien genieten, niet de meest gelezen schrijvers in hun eigen tijdvak waren. Die eer was weggelegd voor schrijvers wiens naam nu niemand meer iets zegt.
Meer informatie over de activiteiten van NBV en VWB is te vinden op www.boekgeschiedenis.nl en www.boekgeschiedenis.be. Daar is binnenkort ook een uitgebreid verslag van het congres en een aantal presentaties te vinden. U kunt daar ook terecht voor het complete programma om zo een indruk te krijgen van de verschillende onderzoeken die aan universiteiten in de Lage Landen lopen.

André Nuchelmans