Biertjes drinken met je klanten, netwerken. We kennen het uit het bedrijfsleven, maar het blijkt ook voor kunstenaars, als cultureel ondernemers, een recept voor mogelijk succes. Je voorstellingen of uitvoeringen met je publiek bespreken, onder genot van een drankje en een hapje. Klanten het gevoel geven dat ze er werkelijk toe doen… Deze onverwachte uitspraken klonken tijdens het Boekmandebat over koerswijzigingen in de culturele sector. Het debat vond plaats tijdens het Art as Money Festival, op 9
februari in Club Trouw in Amsterdam.
De organisatoren van het festival, beeldend kunstenaar Dadara en Total in Support, slaagden in hun opzet: het werd een feestelijke bijeenkomst met seminars, workshops, een informatiemarkt, en zelfs een ‘nachtsymposium’ en afsluitend een feest. Kunstenaars, creatieve ondernemers, culturele organisaties, vertegenwoordigers van het bedrijfsleven en kunstliefhebbers wisselden gretig met elkaar van gedachten. Dat was precies het doel: de werelden van kunst en geld dichter bij elkaar brengen. Pure noodzaak, nu de overheid als inkomstenbron meer en meer wegvalt en kunstenaars en creatieven zich moeten bezinnen op alternatieve verdienmodellen.
Kunst bevindt zich op een keerpunt, stelde ook de redactie van Boekman in het winternummer vast. Voorafgaand aan de paneldiscussie presenteerde Cas Smithuijsen, directeur van de Boekmanstichting, Boekman 89, dat de basis vormde van dit Boekmandebat. De artikelen in het tijdschrift beschrijven én relativeren de gevolgen van de bezuinigingen, legde hij uit. De veranderingen bieden de sector ook nieuwe kansen en mogelijkheden. Hoe werkt dat nieuwe ondernemen in de cultuur eigenlijk? Gespreksleider Jorgen Tjon A Fong vroeg het cultureel ondernemers Wilmar de Visser (Splendor), Toine Donk (Das Magazin) en Doro Siepel (Theater ZuidPlein).
Voorafgaand aan het gesprek kreeg het drietal de kans met een kort filmpje (mooi verzorgd!) en een toelichting hun initiatieven aan het publiek te presenteren. Musicus Wilmar de Visser legde uit hoe zijn musicerende vrienden en hij bij gebrek aan betaalbare en adequate speelruimte in Amsterdam bij de gemeente aanklopten. Stadsdeel Centrum stelde vervolgens een voormalig badhuis beschikbaar, maar stelde als voorwaarde dat de musici 3,5 ton zouden bijdragen aan de verbouwing. De musici waren erg enthousiast, verenigden zich in Splendor, gingen eerst op zoek naar donateurs en gaven vervolgens obligaties uit. De obligaties ter waarde van 1.000 euro gingen als zoete broodjes over de toonbank, vertelt De Visser. Obligatiehouders kunnen zich jaarlijks trakteren op één optreden van één musicus per obligatie: rente in natura. ‘We verkregen niet alleen financiële middelen, maar bereikten tegelijkertijd ook een nieuw publiek’.
Toine Donk richtte samen met Daniël van der Meer in 2011 het literaire tijdschrift Das Magazin op. Door middel van crowdfunding via www.voordekunst.nl werd binnen 12 dagen het streefbedrag van 5.000 euro binnengehaald. Onder grote belangstelling verscheen vorig jaar september het nulnummer. Op 24 februari vindt de feestelijke presentatie plaats van de volgende aflevering. De redactie maakt creatief gebruik van sociale media (zie http://dasmagazin.nl). Over een sponsor deal met een groot champagnemerk is Donk ietwat vaag. Hij houdt de spanning er graag in.
Doro Siepel van het Rotterdamse Theater Zuidplein maakt geëngageerde podiumkunst. Het standaard podiumaanbod sluit niet aan op de wensen en verlangens van de multiculturele doelgroep van Theater Zuidplein, legde ze uit. ‘Soms sluit de setting van een theaterstuk niet aan op de belevingswereld van ons publiek, of vormt de taal een obstakel’, aldus Siepel. Daarom produceert het theater zelf stukken, samen met een groep gemotiveerde vrijwilligers. Dat scheelt in de kosten. Ze vertelde hoe ze door de omstandigheden geleerd heeft om kosten te reduceren. Het theater is bijvoorbeeld een erkend leer/werkbedrijf, dat levert geld op. Verder werken ze met jonge theatermakers, maken ze speciale voorstellingen en doen ze aan gastprogrammering. ‘Zie het als een soort zaalverhuur, maar denk vooral niet dat iedereen met een zak geld zo maar bij ons binnenkomt.’ Nog in een pril stadium, maar een interessante ontwikkeling noemde ze het aanbieden van hun expertise op het terrein van culturele diversiteit aan, bijvoorbeeld, het bedrijfsleven of de zorgsector.
Gespreksleider Tjon A Fong stelde de gasten een aantal vragen. Hoe erg zijn de bezuinigingen nu eigenlijk? Hij refereerde aan het artikel van Harmen Bockma in de Volkskrant van 3 februari 2012, waarin mensen uit het culturele veld beweren dat de kortingen ook voordelen bieden. Soms is een botte ingreep noodzakelijk om een beweging te bewerkstelligen, was de strekking van het artikel. ‘Slecht stuk’, bromde De Visser. Hij benadrukte de schadelijke gevolgen van de bezuinigingen. Het ambacht van musici lijdt onder de bezuinigingen. ‘Er zijn musici die gewoonweg stoppen met spelen’. Van kaalslag onder de literaire tijdschriften is geen sprake, concludeerde Van der Donk verrassend. Literaire tijdschriften krijgen voortaan alleen nog subsidie wanneer ze op digitaal overgaan. Desondanks houden alle tijdschriften vast aan de papieren versie en bestaan ze nog steeds. Blijkbaar redden ze het ook zonder subsidie, luidde zijn conclusie. Of ze passen zich aan, zoals De Gids die aansluiting zocht en vond bij de Groene Amsterdammer. Siepel hekelde nadrukkelijk het ontbreken van onderbouwde keuzes bij de bezuinigingen. Ze begrijpt niet dat het kabinet het belang van cultureel ondernemerschap onderkent, maar tegelijkertijd de productiehuizen wegvaagt.
Het enthousiasme van het drietal op het podium was aanstekelijk en hield het publiek tot het einde geboeid. Enthousiasme bleek ook binnen de besproken projecten van groot belang. Je moet er altijd in blijven geloven, riep De Vries, en de problemen bij de horens vatten. Nergens voor weglopen.
Op de vraag van de moderator of cultureel ondernemen een kwestie is van ‘gewoon doen’, wees Donk op het belang van timing. Voor Das Magazin bleek de zomer van 2011 om verschillende redenen een geschikt moment voor crowdfunding. Aan dit succesvolle initiatief gingen overigens mislukte plannen vooraf, relativeerde hij. In die zin is het wel degelijk een kwestie van ‘gewoon doen’ en niet bang zijn om op je bek te gaan. Een sterk punt van Das Magazin noemde hij het gecultiveerde imago van ‘klungeligheid’ dat de redacteuren beogen. Dat zorgt voor een hoge ‘gunfactor’: mensen geven meer als ze je aardig vinden. Maar hoe lang kun je eigenlijk op goodwill bij je publiek voortdrijven? Zolang je je relatiemanagement maar niet uit het oog verliest, vertelde De Visser. ‘Af en toe een biertje drinken met je donateurs is van cruciaal belang’. Donk beaamde dit: bier drinken met je relaties vergroot de ‘gunfactor’. Net als passie tonen, netwerken en zakelijk zijn, vulde Siepel aan. Tjon A Fong vatte samen: ga economisch met je tijd om, des te meer tijd blijft er over voor netwerken en nog meer gezamenlijke biertjes.
Wilmar De Visser stelde nog voor om over een jaar of vijf of tien nogmaals de gevolgen van de bezuinigingen te bespreken. Het zou een geschikt thema voor Boekman en een Boekmandebat kunnen zijn. Dan stellen we Donk de vraag hoeveel literaire tijdschriften het werkelijk zonder subsidie gered hebben.
Boekman 89 ‘Kunst op een keerpunt’ kost 17,50 euro en is te verkrijgen bij de Boekmanstichting, www.boekman.nl, en in de boekhandel.
Jack van der Leden
Het laatste nieuws van de redactie van Boekman en medewerkers van de Boekmanstichting op het gebied van symposia, benoemingen, promoties, publicaties.
Posts tonen met het label podiumkunsten. Alle posts tonen
Posts tonen met het label podiumkunsten. Alle posts tonen
vrijdag 10 februari 2012
maandag 5 september 2011
Staat van het theater: Joop van den Ende roept kunstsector op tot actie
Het nieuwe theaterseizoen werd op donderdag 1 september traditiegetrouw geopend met de Staat van het Theater, de openingstoespraak van het Nederlands Theater Festival. Dit jaar was de eer aan Joop van den Ende, die met een positieve blik en enkele concrete ideeën naar de toekomst van de kunsten keek.
Het eerste woord van de avond was aan presentatrice Clairy Polak. Als juryvoorzitter van het festival selecteerde zij de beste voorstellingen van het afgelopen theaterseizoen. “We zijn gewogen en te links bevonden”, verwoordde ze de koers van het huidige kabinet. Door de regeringsmaatregelen wordt een avondje theater een luxeproduct en wordt kunst elitairder, stelde ze. Kunstenaars moeten kiezen op wie ze zich willen richten: een doelgroep of juist een breed publiek? Volgens Polak kunnen instellingen en kunstenaars juist nu gewaagde keuzes maken, omdat de sector niks meer te verliezen heeft. “Het mag wel wat minder veilig. We leven tenslotte in gevaarlijke tijden.”
Stoppen met klagen
Joop van den Ende begon zijn toespraak met een beschrijving van zijn liefde voor theater, die gegroeid was in de Amsterdamse Stadsschouwburg. Hij noemde de cultuurbezuinigingen “heel erg”, maar erger vond hij het dedain waarmee de politiek over de kunsten spreekt. Als onafhankelijk producent heeft Van den Ende niets te maken met subsidies en de bezuinigingen daarop. Als ondernemer met eigen theaters in onder meer Duitsland, Groot-Brittannië, Spanje en Italië benadrukte hij echter dat het belangrijk is om goede contacten met de gesubsidieerde sector te onderhouden. In Nederland is er volgens Van den Ende te weinig eenheid binnen de kunstwereld. Als die er eenmaal is, valt er veel te winnen. “Laten we stoppen met klagen en een antwoord bedenken op wat er nu gebeurt.”
Onbenutte mogelijkheden
Volgens Van den Ende is de kwaliteit van de Nederlandse podiumkunsten, film en muziek van internationaal niveau, zijn de kunstopleidingen goed en trekken de podiumkunsten jaarlijks al meer publiek dan alle sporten bij elkaar. De houding van de cultuursector kon dan ook rekenen op de nodige kritiek: “We doen net of we zieke kinderen zijn, terwijl het beroep van kunstenaar een beroep van de toekomst is. We moeten het alleen anders inkleden. Wij kunnen een antwoord bieden aan mensen die totaal niet creatief zijn”. De mediamagnaat pleitte voor een betere kunstlobby in Den Haag, zeker nu er niemand namens de kunstensector betrokken is bij het opzetten van de Geefwet. Van den Ende vindt dat het de sector ontbreekt aan een gezaghebbende woordvoerder die namens de gehele sector spreekt. “Alle belangenorganisaties in de kunst moeten geld opzij zetten voor zo’n lobby, zodat we een volwaardige gesprekspartner worden.” Mecenassen als de VandenEnde Foundation worden in de toekomst belangrijker voor de inkomsten van culturele instellingen; zeker als de Geefwet er is. Ook is er volgens hem nog veel Europees geld beschikbaar voor de kunsten, dat we in Nederland laten liggen.
Aan het werk
Wat betreft programmering moeten er volgens Van den Ende scherpe keuzes gemaakt worden, waarbij het publiek verrast wil worden. Een afwisselend aanbod blijft ook belangrijk. “Onder het geweld van grote producties moeten er kleinere voorstellingen zijn, die niet voor een groot publiek gemaakt worden.” Van den Ende concludeerde zijn toespraak met een oproep aan theatermakers, directeuren en medewerkers van het ministerie om er het beste van te maken, ondanks de ellende. “Er is veel mogelijk; creativiteit zal altijd overwinnen. Aan het werk.”
Na afloop van zijn toespraak kreeg Joop van den Ende de VSCD Oeuvreprijs uitgereikt. Hij kreeg de prijs vanwege zijn grote en blijvende bijdrage aan de Nederlandse podiumkunsten. “Van den Ende heeft de musical als genre in Nederland geïntroduceerd, groot gemaakt en altijd met bijzondere kwaliteit op de planken gezet”, vermeldde het juryrapport.
Kim van der Meulen
Het eerste woord van de avond was aan presentatrice Clairy Polak. Als juryvoorzitter van het festival selecteerde zij de beste voorstellingen van het afgelopen theaterseizoen. “We zijn gewogen en te links bevonden”, verwoordde ze de koers van het huidige kabinet. Door de regeringsmaatregelen wordt een avondje theater een luxeproduct en wordt kunst elitairder, stelde ze. Kunstenaars moeten kiezen op wie ze zich willen richten: een doelgroep of juist een breed publiek? Volgens Polak kunnen instellingen en kunstenaars juist nu gewaagde keuzes maken, omdat de sector niks meer te verliezen heeft. “Het mag wel wat minder veilig. We leven tenslotte in gevaarlijke tijden.”
Stoppen met klagen
Joop van den Ende begon zijn toespraak met een beschrijving van zijn liefde voor theater, die gegroeid was in de Amsterdamse Stadsschouwburg. Hij noemde de cultuurbezuinigingen “heel erg”, maar erger vond hij het dedain waarmee de politiek over de kunsten spreekt. Als onafhankelijk producent heeft Van den Ende niets te maken met subsidies en de bezuinigingen daarop. Als ondernemer met eigen theaters in onder meer Duitsland, Groot-Brittannië, Spanje en Italië benadrukte hij echter dat het belangrijk is om goede contacten met de gesubsidieerde sector te onderhouden. In Nederland is er volgens Van den Ende te weinig eenheid binnen de kunstwereld. Als die er eenmaal is, valt er veel te winnen. “Laten we stoppen met klagen en een antwoord bedenken op wat er nu gebeurt.”
Onbenutte mogelijkheden
Volgens Van den Ende is de kwaliteit van de Nederlandse podiumkunsten, film en muziek van internationaal niveau, zijn de kunstopleidingen goed en trekken de podiumkunsten jaarlijks al meer publiek dan alle sporten bij elkaar. De houding van de cultuursector kon dan ook rekenen op de nodige kritiek: “We doen net of we zieke kinderen zijn, terwijl het beroep van kunstenaar een beroep van de toekomst is. We moeten het alleen anders inkleden. Wij kunnen een antwoord bieden aan mensen die totaal niet creatief zijn”. De mediamagnaat pleitte voor een betere kunstlobby in Den Haag, zeker nu er niemand namens de kunstensector betrokken is bij het opzetten van de Geefwet. Van den Ende vindt dat het de sector ontbreekt aan een gezaghebbende woordvoerder die namens de gehele sector spreekt. “Alle belangenorganisaties in de kunst moeten geld opzij zetten voor zo’n lobby, zodat we een volwaardige gesprekspartner worden.” Mecenassen als de VandenEnde Foundation worden in de toekomst belangrijker voor de inkomsten van culturele instellingen; zeker als de Geefwet er is. Ook is er volgens hem nog veel Europees geld beschikbaar voor de kunsten, dat we in Nederland laten liggen.
Aan het werk
Wat betreft programmering moeten er volgens Van den Ende scherpe keuzes gemaakt worden, waarbij het publiek verrast wil worden. Een afwisselend aanbod blijft ook belangrijk. “Onder het geweld van grote producties moeten er kleinere voorstellingen zijn, die niet voor een groot publiek gemaakt worden.” Van den Ende concludeerde zijn toespraak met een oproep aan theatermakers, directeuren en medewerkers van het ministerie om er het beste van te maken, ondanks de ellende. “Er is veel mogelijk; creativiteit zal altijd overwinnen. Aan het werk.”
Na afloop van zijn toespraak kreeg Joop van den Ende de VSCD Oeuvreprijs uitgereikt. Hij kreeg de prijs vanwege zijn grote en blijvende bijdrage aan de Nederlandse podiumkunsten. “Van den Ende heeft de musical als genre in Nederland geïntroduceerd, groot gemaakt en altijd met bijzondere kwaliteit op de planken gezet”, vermeldde het juryrapport.
Kim van der Meulen
Labels:
bezuinigingen,
cultuurbeleid,
draagvlak,
kunstbeleid,
lezing,
podiumkunsten,
programmering,
publiek,
theater,
verslag
woensdag 15 december 2010
Hoe verkopen we cultuur? (in tijden van besparingen)
De Commissie Cultureel Verdrag Vlaanderen – Nederland (CVN) organiseerde op dinsdag 14 december in de Bosche Verkadefabriek een expertmeeting over mogelijkheden voor de culturele sector om meer inkomsten uit de bezoekers te halen. Het zwaartepunt lag daarbij op de podiumkunsten.
Na een korte inleiding van dagvoorzitter Annick Schramme, hoofd van de masteropleiding Cultuurmanagement en de opleiding Creatieve Industrieën van de Antwerp Management School aan de Universiteit Antwerpen, schetste de Nederlandse voorzitter van CVN, Wim van Gelder, het kader van de bijeenkomst. Hij sprak zijn onbegrip uit over de buitenproportionele bezuinigingen op cultuur die de Nederlandse regering van plan is te verwezenlijken en benadrukte het belang van een goede culturele infrastructuur en het participeren in cultuur.
Vervolgens waren er vier korte presentaties van keynotesprekers die eerlijk over Vlaanderen en Nederland verdeeld waren. Cees Langeveld, bijzonder hoogleraar Economie van de Podiumkunsten aan de Erasmus Universiteit en directeur van het Chassé Theater Breda, schetste aan de hand van een theoretisch kader de mogelijkheden om meer inkomsten uit de bezoekers te genereren. Hij benadrukte dat er teveel van het aanbod gedacht wordt en niet vanuit de klant. Langeveld zag wel degelijk mogelijkheden om meer inkomsten uit de bezoekers te halen. Zo constateerde hij dat er relatief weinig rangen in de theaters zijn, terwijl mensen best bereid zijn meer te betalen voor een betere plek. Opvallend is hierbij ook het verschil in de prijzen voor een kaartje voor de Rolling Stones tijdens hun Amerikaanse en Europese tournee in 2006. Waar de prijzen in Amerika schommelden tussen 50 en 381 Euro, was het in Europa tussen 79 en 129 Euro. Zijn conclusie was dan ook dat culturele organisaties veel meer vanuit de klant moeten gaan denken. Hij voegde de daad bij het woord en vertrok direct na zijn lezing naar een volgende klant.
Dirk De Corte, professor Financieel Management aan de Universiteit Antwerpen, betrad daarop het spreekgestoelte. In een bijzonder onderhoudende lezing, kondigde hij aan dat ook in Vlaanderen stevige bezuinigingen te verwachten zijn. Ze zouden dan te maken krijgen met een nieuw fenomeen: de Hollandse kaasschaaf. Hoe kunnen de podiumkunsteninstellingen hun inkomsten verhogen? Uit onderzoek blijkt dat er steeds meer producties worden aangeboden, dat er minder voorstellingen per productie zijn en dat het aantal toeschouwers stabiel is. Belangrijkste advies was dan ook om de creatieve kant kritischer te bekijken. Moet wel elk idee uitgevoerd worden? Aan de hand van vijf bedenkingen bood hij mogelijke uitwegen. Allereerst is daar het economie van het teveel, zoals al aangehaald. Ook moeten instellingen zich afvragen of zij zich wel goed verkopen. En wat zijn de mogelijkheden van geven om te krijgen? Hij haalde daarbij de voetbalclub Barcelona aan die tot voor kort de enige club was zonder commerciële shirtsponsoring. In plaats daarvan gaf de club jaarlijks een donatie aan Unicef en vermeldde deze organisatie op de shirts. Tegenover het verlies aan inkomsten uit shirtsponsoring staan echter veelvoudige inkomsten uit andere bronnen juist dankzij de relatie met Unicef. Wat zijn de mogelijkheden hiervan voor de culturele sector? Zoek dat eens uit? Zijn vierde bedenking was, investeer in cultuur. Als voorbeeld noemde hij een popmuzikant die zijn fans aandelen liet kopen om een productie mogelijk te maken. Hij sloot af met Matteüs, 25 v. 14-30, de parabel van de talenten.
Vervolgens was het woord aan Marjolein Fischer, verbonden aan de Faculteit der Historische en Kunstwetenschappen aan de Erasmus Universiteit Rotterdam en assistent zakelijk leider van Magogo Kamerorkest. Fischer heeft onderzoek gedaan naar de bereidheid onder opera- en poppubliek om meer te betalen voor hun kaartje en hoe beide publieken er over dachten als er meer geld naar de andere sector zou gaan. Opvallend was dat het poppubliek grotendeels geen mening had over een verhoging van de bijdrage aan opera, omdat zij hier totaal onbekend mee is. (Ik was nog wel benieuwd naar de bereidheid onder het operapubliek om meer geld aan de popsector beschikbaar te stellen, maar dat hoorde schijnbaar niet bij het onderzoek). Fischer concludeerde hieruit dat er vooral een taak ligt bij de operagezelschappen om meer bekendheid onder bredere lagen van de bevolking te krijgen. Ze illustreerde dit aan de hand van haar werk bij het Magogo Kamerorkest, die vooralsnog zonder subsidie volle zalen trekt. De problemen doen zich echter voor op het moment dat het orkest haar voorstelling aan andere zalen wil verkopen en gewoonweg te duur is in vergelijking met gesubsidieerde orkesten.
De laatste keynotespeech was van Leen Laconte, directeur en artistiek leider van het Vlaams Cultuurhuis de Brakke Grond. Laconte hield een verhaal over het wederzijdse belang van Nederland en Vlaanderen voor elkaars producties en werkte dit brede verhaal toe naar de specifieke omstandigheden van de Brakke Grond. Wat bied je aan en hoe doe je dat? Kunst wordt in haar optiek te veel gecommuniceerd als iets exclusiefs. Daardoor voelen veel mensen zich al niet aangesproken. Door meer aandacht voor de inhoud van de voorstelling in plaats van voor de vorm betrek je mensen al meer bij de voorstelling.
Na een korte pauze volgde een discussie tussen de keynotesprekers en vier panelleden. Aan tafel namen ook Joop de Jong, hoofddocent Arts & Heritage van de Universiteit Maastricht, Bart Temmerman, directeur Cultuurnet Vlaanderen, An Moons, adviseur cultuur van gedeputeerde Gilbert Van Baelen, provincie Limburg, en Letty Ranshuysen, onderzoekster in de kunst- en cultuursector, plaats. De discussie ging aanvankelijk vooral over het door Dirk De Corte aangehaalde overaanbod en de manier waarop selectie plaats moest vinden. Ranshuysen voegde daar aan toe dat er volgens haar teveel aanbod in het ‘lage’ en ‘hoge’ segment is en dat het vooral ontbreekt aan voldoende middensegment. Zo kunnen mensen zonder ervaring met het ‘hogere’ segment gemakkelijker doorstromen. Temmerman wees op een computerprogramma dat beschrijvingen in folders kan beoordelen. De meeste blijken onbegrijpelijk en daarnaast ook nog slecht geschreven te zijn. Gaandeweg verschoof de discussie naar het huidige kunstklimaat in Nederland, dat door voorstanders van de bezuinigingen als elitair wordt afgeschilderd. De panelleden en sprekers waren het er over eens dat dat vooral een gevolg was van de manier waarop de kunstsector zich van het publiek heeft vervreemd, wat weer aansloot bij de eerdere opmerking van Letty Ranshuysen. Dirk De Corte vergeleek de culturele sector met andere sectoren. Overal, met name in het bedrijfsleven, worden creatieve ideeën eerst beoordeeld voor ze uitgevoerd worden. Er wordt gekeken of er een markt voor is of er wordt een markt voor gecreëerd. Joop de Jong vulde aan dat alleen in de culturele sector het markmechanisme is weggehaald. Moderator Guy Janssens, algemeen secretaris CVN, leidde het gesprek naar een einde en gaf de zaal de mogelijkheid te reageren. Het slotwoord was van de Vlaamse voorzitter van CVN, Herman Balthazar. Daarna konden de deelnemers aanschuiven voor een uitgebreide lunch om het gesprek informeel voort te zetten.
CVN probeert zich met deze bijeenkomst weer meer te positioneren, na een jarenlang bestaan aan de zijlijn. Een geslaagd initiatief. Nederland en Vlaanderen blijken veel gemeen, maar ook veel ongemeen te hebben, maar kunnen zeker veel van elkaar leren, zoals deze dag duidelijk bleek.
André Nuchelmans
Na een korte inleiding van dagvoorzitter Annick Schramme, hoofd van de masteropleiding Cultuurmanagement en de opleiding Creatieve Industrieën van de Antwerp Management School aan de Universiteit Antwerpen, schetste de Nederlandse voorzitter van CVN, Wim van Gelder, het kader van de bijeenkomst. Hij sprak zijn onbegrip uit over de buitenproportionele bezuinigingen op cultuur die de Nederlandse regering van plan is te verwezenlijken en benadrukte het belang van een goede culturele infrastructuur en het participeren in cultuur.
Vervolgens waren er vier korte presentaties van keynotesprekers die eerlijk over Vlaanderen en Nederland verdeeld waren. Cees Langeveld, bijzonder hoogleraar Economie van de Podiumkunsten aan de Erasmus Universiteit en directeur van het Chassé Theater Breda, schetste aan de hand van een theoretisch kader de mogelijkheden om meer inkomsten uit de bezoekers te genereren. Hij benadrukte dat er teveel van het aanbod gedacht wordt en niet vanuit de klant. Langeveld zag wel degelijk mogelijkheden om meer inkomsten uit de bezoekers te halen. Zo constateerde hij dat er relatief weinig rangen in de theaters zijn, terwijl mensen best bereid zijn meer te betalen voor een betere plek. Opvallend is hierbij ook het verschil in de prijzen voor een kaartje voor de Rolling Stones tijdens hun Amerikaanse en Europese tournee in 2006. Waar de prijzen in Amerika schommelden tussen 50 en 381 Euro, was het in Europa tussen 79 en 129 Euro. Zijn conclusie was dan ook dat culturele organisaties veel meer vanuit de klant moeten gaan denken. Hij voegde de daad bij het woord en vertrok direct na zijn lezing naar een volgende klant.
Dirk De Corte, professor Financieel Management aan de Universiteit Antwerpen, betrad daarop het spreekgestoelte. In een bijzonder onderhoudende lezing, kondigde hij aan dat ook in Vlaanderen stevige bezuinigingen te verwachten zijn. Ze zouden dan te maken krijgen met een nieuw fenomeen: de Hollandse kaasschaaf. Hoe kunnen de podiumkunsteninstellingen hun inkomsten verhogen? Uit onderzoek blijkt dat er steeds meer producties worden aangeboden, dat er minder voorstellingen per productie zijn en dat het aantal toeschouwers stabiel is. Belangrijkste advies was dan ook om de creatieve kant kritischer te bekijken. Moet wel elk idee uitgevoerd worden? Aan de hand van vijf bedenkingen bood hij mogelijke uitwegen. Allereerst is daar het economie van het teveel, zoals al aangehaald. Ook moeten instellingen zich afvragen of zij zich wel goed verkopen. En wat zijn de mogelijkheden van geven om te krijgen? Hij haalde daarbij de voetbalclub Barcelona aan die tot voor kort de enige club was zonder commerciële shirtsponsoring. In plaats daarvan gaf de club jaarlijks een donatie aan Unicef en vermeldde deze organisatie op de shirts. Tegenover het verlies aan inkomsten uit shirtsponsoring staan echter veelvoudige inkomsten uit andere bronnen juist dankzij de relatie met Unicef. Wat zijn de mogelijkheden hiervan voor de culturele sector? Zoek dat eens uit? Zijn vierde bedenking was, investeer in cultuur. Als voorbeeld noemde hij een popmuzikant die zijn fans aandelen liet kopen om een productie mogelijk te maken. Hij sloot af met Matteüs, 25 v. 14-30, de parabel van de talenten.
Vervolgens was het woord aan Marjolein Fischer, verbonden aan de Faculteit der Historische en Kunstwetenschappen aan de Erasmus Universiteit Rotterdam en assistent zakelijk leider van Magogo Kamerorkest. Fischer heeft onderzoek gedaan naar de bereidheid onder opera- en poppubliek om meer te betalen voor hun kaartje en hoe beide publieken er over dachten als er meer geld naar de andere sector zou gaan. Opvallend was dat het poppubliek grotendeels geen mening had over een verhoging van de bijdrage aan opera, omdat zij hier totaal onbekend mee is. (Ik was nog wel benieuwd naar de bereidheid onder het operapubliek om meer geld aan de popsector beschikbaar te stellen, maar dat hoorde schijnbaar niet bij het onderzoek). Fischer concludeerde hieruit dat er vooral een taak ligt bij de operagezelschappen om meer bekendheid onder bredere lagen van de bevolking te krijgen. Ze illustreerde dit aan de hand van haar werk bij het Magogo Kamerorkest, die vooralsnog zonder subsidie volle zalen trekt. De problemen doen zich echter voor op het moment dat het orkest haar voorstelling aan andere zalen wil verkopen en gewoonweg te duur is in vergelijking met gesubsidieerde orkesten.
De laatste keynotespeech was van Leen Laconte, directeur en artistiek leider van het Vlaams Cultuurhuis de Brakke Grond. Laconte hield een verhaal over het wederzijdse belang van Nederland en Vlaanderen voor elkaars producties en werkte dit brede verhaal toe naar de specifieke omstandigheden van de Brakke Grond. Wat bied je aan en hoe doe je dat? Kunst wordt in haar optiek te veel gecommuniceerd als iets exclusiefs. Daardoor voelen veel mensen zich al niet aangesproken. Door meer aandacht voor de inhoud van de voorstelling in plaats van voor de vorm betrek je mensen al meer bij de voorstelling.
Na een korte pauze volgde een discussie tussen de keynotesprekers en vier panelleden. Aan tafel namen ook Joop de Jong, hoofddocent Arts & Heritage van de Universiteit Maastricht, Bart Temmerman, directeur Cultuurnet Vlaanderen, An Moons, adviseur cultuur van gedeputeerde Gilbert Van Baelen, provincie Limburg, en Letty Ranshuysen, onderzoekster in de kunst- en cultuursector, plaats. De discussie ging aanvankelijk vooral over het door Dirk De Corte aangehaalde overaanbod en de manier waarop selectie plaats moest vinden. Ranshuysen voegde daar aan toe dat er volgens haar teveel aanbod in het ‘lage’ en ‘hoge’ segment is en dat het vooral ontbreekt aan voldoende middensegment. Zo kunnen mensen zonder ervaring met het ‘hogere’ segment gemakkelijker doorstromen. Temmerman wees op een computerprogramma dat beschrijvingen in folders kan beoordelen. De meeste blijken onbegrijpelijk en daarnaast ook nog slecht geschreven te zijn. Gaandeweg verschoof de discussie naar het huidige kunstklimaat in Nederland, dat door voorstanders van de bezuinigingen als elitair wordt afgeschilderd. De panelleden en sprekers waren het er over eens dat dat vooral een gevolg was van de manier waarop de kunstsector zich van het publiek heeft vervreemd, wat weer aansloot bij de eerdere opmerking van Letty Ranshuysen. Dirk De Corte vergeleek de culturele sector met andere sectoren. Overal, met name in het bedrijfsleven, worden creatieve ideeën eerst beoordeeld voor ze uitgevoerd worden. Er wordt gekeken of er een markt voor is of er wordt een markt voor gecreëerd. Joop de Jong vulde aan dat alleen in de culturele sector het markmechanisme is weggehaald. Moderator Guy Janssens, algemeen secretaris CVN, leidde het gesprek naar een einde en gaf de zaal de mogelijkheid te reageren. Het slotwoord was van de Vlaamse voorzitter van CVN, Herman Balthazar. Daarna konden de deelnemers aanschuiven voor een uitgebreide lunch om het gesprek informeel voort te zetten.
CVN probeert zich met deze bijeenkomst weer meer te positioneren, na een jarenlang bestaan aan de zijlijn. Een geslaagd initiatief. Nederland en Vlaanderen blijken veel gemeen, maar ook veel ongemeen te hebben, maar kunnen zeker veel van elkaar leren, zoals deze dag duidelijk bleek.
André Nuchelmans
Labels:
CVN,
inkomsten,
kunstbeleid,
muziek centrum nederland,
podiumkunsten,
publiek,
verslag,
Vlaanderen
Abonneren op:
Posts (Atom)
