Posts tonen met het label debat. Alle posts tonen
Posts tonen met het label debat. Alle posts tonen

donderdag 27 september 2012

Discussiemiddag Boekmanstichting en KNAW: Liberaal cultuurbeleid: de voor- en nadelen


Samen met de KNAW organiseerde de Boekmanstichting 25 september in Het Trippenhuis in Amsterdam een discussiemiddag over liberaal kunstbeleid. Directe aanleiding voor de besloten bijeenkomst was de uitgave Manifestaties van de vrijheid des geestes van de Teldersstichting. Hierin wordt vanuit liberale invalshoek gekeken naar o.a. erfgoed en de kunsten, maar ook doneren aan cultuur, sportieve ambities, leefstijlbeleid en bewegingsonderwijs. Onder voorzitterschap van Kitty Zijlmans gaven Mark van de Velde, staflid Teldersstichting en een van de auteurs van het boek, en Frans Becker, adjunct-directeur Wiardi Beckman Stichting, een korte inleiding. Daarna kregen drie respondenten tijd om te reageren namens resp. D66, CDA en GroenLinks. Een discussie volgde. Is een sociaal-liberale grondslag voor kunst- en cultuurbeleid een realistische ambitie?

Mark van de Velde gaf de kern van het rapport weer: de overheid dient zich bij kunstbeleid niet te laten leiden door instrumentele motieven. Met kunst als inzet van industriepolitiek vergroot je haar kwetsbaarheid, aldus Van de Velde. Hij zocht de legitimering in neutraliteit van de overheid en het bieden van kans op ontplooiing voor de burger.

Waarom toch die nadruk op het willen beschermen van nationaal erfgoed? En hoe kun je enerzijds het cultuuronderwijs willen stimuleren, maar anderzijds de gedachte achter cultuurspreiding loslaten? Frans Becker plaatste vraagtekens bij het verhaal van zijn liberale opponent. Vervolgens waagde hij de sprong naar de actualiteit. Hij zei: als de PvdA en de VVD samen gaan regeren, dient er flink gerepareerd te worden. Hij refereerde specifiek aan de situatie van een aantal zwaar gedupeerde instellingen (Reisopera, Rijksmuseum Twenthe e.a.) en pleitte voor een opwaardering van de positie van kunst en cultuur in het openbaar bestuur.

De discussie dient over het proces gaan, over de vertaalslag van ideologie, reageerde Alexander Rinnooy Kan (D66). Kijk naar de subsidiesystematiek, een terugkerende bron van problemen. De hoogleraar economie en bedrijfskunde aan de UvA vroeg zich af waarom kunstenaars en instellingen niet het heft in handen nemen en zelf, op basis van gezag en vertrouwen, een verdeelsleutel leveren.

Ook Bart van Meijl (lid dagelijks bestuur CDA) richtte zich op de vertaalslag naar beleid, en minder op ideologie. Wat dat betreft vertoont het CDA weinig variatie in de afgelopen dertig jaar, aldus Van Meijl. Centraal staan regionale spreiding en cultuuronderwijs. Cultureel ondernemerschap dient beleidsmatig gestimuleerd te worden in de vorm van opdrachten, ter aanvulling op subsidies.

Kritiek op de neutrale staat bij de liberalen kwam er vooral van Dick Pels, directeur Bureau de Helling, wetenschappelijk bureau GroenLinks. Als het de markt is die bepaalt wat van waarde is (VVD), dan bedoel je het grote publiek, waarschuwde hij. Dat mag niet de bedoeling zijn. Een warm pleidooi voor een opvoedende overheid, die meer wil bewerkstelligen dan het spreiden van cultuur, volgde. Volgens Pels dient de overheid burgers te begeleiden in het proces van oordeelsvorming en te beschermen tegen de invloed van media en markt. ‘Maar wij zijn zelf de markt’, verzuchtte Van de Velde.

Van toenadering tussen hen zou het deze middag niet meer komen. Over de waarde van kunst en cultuur waren ze het evenwel allemaal eens, vatte Zijlmans samen. Over de uitwerking veel minder.

In de daaropvolgende discussie werd de afstand tussen de ideologieën niet beslecht, hooguit opgehelderd. Interessant was de vergelijking die Hugo van der Poel, directeur van de Mulier Instituut, maakte tussen de cultuur- en de sportsector. Een opvallend en groot verschil is de hoge mate van zelforganisatie die de sportwereld kenmerkt maar de cultuursector ontbeert. Daar zijn verschillende verklaringen voor. Eén ervan is dat sportbeleid grotendeels gemeentelijk beleid is. Sport kent bovendien een enorm draagvlak. Gemeentebesturen springen vurig in de bres voor hun voetbalclub, maar doen dat minder snel voor hun orkest of zangkoor.

Jeroen Bartelse, algemeen secretaris van de Raad voor Cultuur, toonde zich, terecht, nieuwsgierig naar het gewicht van de liberale beginselen zodra het gaat om bijvoorbeeld talentontwikkeling. Maar Van de Velde kon daar kort over zijn: talentontwikkeling, vernieuwing, het zijn geen onderdelen van liberaal cultuurbeleid. Want wie kan nu al aangeven wat in de toekomst tot erfgoed gerekend zal worden? Liberaal cultuurbeleid richt zich op bewezen kwaliteit. Een merkwaardige redenering, vond Valerie Frissen, hoogleraar ICT en sociale verandering aan de EUR en lid van het Topteam Creatieve Industrie. Vernieuwing in de wetenschap kun je toch ook niet uitsluiten? Kwestie van gevoel, aldus Van de Velde. Wetenschap dient het algemeen belang. Bartelse benadrukte hierop juist de meerwaarde van kunstenaars voor innovatieve processen en experiment. Becker viel hem bij en refereerde aan Emanuel Boekman die eveneens oog had voor het belang van experiment. Volgens Becker getuigde het, meer dan van een ideologie, van een soort houding tegenover kunst en cultuur.
Mark van de Velde bracht nog het cultuuronderwijs op islamitische scholen ter sprake. Daar is geen plaats voor moderne dans en theater in het lesprogramma. Allochtonen staan niet voor niets telkens laag genoteerd in statistieken over cultuurdeelname.
Tot een onvoorwaardelijk antwoord op de hoofdvraag van de bijeenkomst, of een sociaal-liberale grondslag voor kunst- en cultuurbeleid een realistische ambitie is, kwam het deze middag niet. Het is dan ook lastige materie verschillende fundamenten te vertalen naar beleid, aldus voorzitter Kitty Zijlmans in haar slotwoord. Zolang we maar een bewindvoerder van formaat krijgen in Den Haag, iemand die kunst en cultuur werkelijk een warm hart toedraagt, sprak Cas Smithuijsen, directeur van de Boekmanstichting.


Jack van der Leden



vrijdag 10 februari 2012

Boekmandebat Kunst op een keerpunt, tijdens Art as Money

Biertjes drinken met je klanten, netwerken. We kennen het uit het bedrijfsleven, maar het blijkt ook voor kunstenaars, als cultureel ondernemers, een recept voor mogelijk succes. Je voorstellingen of uitvoeringen met je publiek bespreken, onder genot van een drankje en een hapje. Klanten het gevoel geven dat ze er werkelijk toe doen… Deze onverwachte uitspraken klonken tijdens het Boekmandebat over koerswijzigingen in de culturele sector. Het debat vond plaats tijdens het Art as Money Festival, op 9 februari in Club Trouw in Amsterdam.

De organisatoren van het festival, beeldend kunstenaar Dadara en Total in Support, slaagden in hun opzet: het werd een feestelijke bijeenkomst met seminars, workshops, een informatiemarkt, en zelfs een ‘nachtsymposium’ en afsluitend een feest. Kunstenaars, creatieve ondernemers, culturele organisaties, vertegenwoordigers van het bedrijfsleven en kunstliefhebbers wisselden gretig met elkaar van gedachten. Dat was precies het doel: de werelden van kunst en geld dichter bij elkaar brengen. Pure noodzaak, nu de overheid als inkomstenbron meer en meer wegvalt en kunstenaars en creatieven zich moeten bezinnen op alternatieve verdienmodellen.

Kunst bevindt zich op een keerpunt, stelde ook de redactie van Boekman in het winternummer vast. Voorafgaand aan de paneldiscussie presenteerde Cas Smithuijsen, directeur van de Boekmanstichting, Boekman 89, dat de basis vormde van dit Boekmandebat. De artikelen in het tijdschrift beschrijven én relativeren de gevolgen van de bezuinigingen, legde hij uit. De veranderingen bieden de sector ook nieuwe kansen en mogelijkheden. Hoe werkt dat nieuwe ondernemen in de cultuur eigenlijk? Gespreksleider Jorgen Tjon A Fong vroeg het cultureel ondernemers Wilmar de Visser (Splendor), Toine Donk (Das Magazin) en Doro Siepel (Theater ZuidPlein).

Voorafgaand aan het gesprek kreeg het drietal de kans met een kort filmpje (mooi verzorgd!) en een toelichting hun initiatieven aan het publiek te presenteren. Musicus Wilmar de Visser legde uit hoe zijn musicerende vrienden en hij bij gebrek aan betaalbare en adequate speelruimte in Amsterdam bij de gemeente aanklopten. Stadsdeel Centrum stelde vervolgens een voormalig badhuis beschikbaar, maar stelde als voorwaarde dat de musici 3,5 ton zouden bijdragen aan de verbouwing. De musici waren erg enthousiast, verenigden zich in Splendor, gingen eerst op zoek naar donateurs en gaven vervolgens obligaties uit. De obligaties ter waarde van 1.000 euro gingen als zoete broodjes over de toonbank, vertelt De Visser. Obligatiehouders kunnen zich jaarlijks trakteren op één optreden van één musicus per obligatie: rente in natura. ‘We verkregen niet alleen financiële middelen, maar bereikten tegelijkertijd ook een nieuw publiek’.

Toine Donk richtte samen met Daniël van der Meer in 2011 het literaire tijdschrift Das Magazin op. Door middel van crowdfunding via www.voordekunst.nl werd binnen 12 dagen het streefbedrag van 5.000 euro binnengehaald. Onder grote belangstelling verscheen vorig jaar september het nulnummer. Op 24 februari vindt de feestelijke presentatie plaats van de volgende aflevering. De redactie maakt creatief gebruik van sociale media (zie http://dasmagazin.nl). Over een sponsor deal met een groot champagnemerk is Donk ietwat vaag. Hij houdt de spanning er graag in.

Doro Siepel van het Rotterdamse Theater Zuidplein maakt geëngageerde podiumkunst. Het standaard podiumaanbod sluit niet aan op de wensen en verlangens van de multiculturele doelgroep van Theater Zuidplein, legde ze uit. ‘Soms sluit de setting van een theaterstuk niet aan op de belevingswereld van ons publiek, of vormt de taal een obstakel’, aldus Siepel. Daarom produceert het theater zelf stukken, samen met een groep gemotiveerde vrijwilligers. Dat scheelt in de kosten. Ze vertelde hoe ze door de omstandigheden geleerd heeft om kosten te reduceren. Het theater is bijvoorbeeld een erkend leer/werkbedrijf, dat levert geld op. Verder werken ze met jonge theatermakers, maken ze speciale voorstellingen en doen ze aan gastprogrammering. ‘Zie het als een soort zaalverhuur, maar denk vooral niet dat iedereen met een zak geld zo maar bij ons binnenkomt.’ Nog in een pril stadium, maar een interessante ontwikkeling noemde ze het aanbieden van hun expertise op het terrein van culturele diversiteit aan, bijvoorbeeld, het bedrijfsleven of de zorgsector.

Gespreksleider Tjon A Fong stelde de gasten een aantal vragen. Hoe erg zijn de bezuinigingen nu eigenlijk? Hij refereerde aan het artikel van Harmen Bockma in de Volkskrant van 3 februari 2012, waarin mensen uit het culturele veld beweren dat de kortingen ook voordelen bieden. Soms is een botte ingreep noodzakelijk om een beweging te bewerkstelligen, was de strekking van het artikel. ‘Slecht stuk’, bromde De Visser. Hij benadrukte de schadelijke gevolgen van de bezuinigingen. Het ambacht van musici lijdt onder de bezuinigingen. ‘Er zijn musici die gewoonweg stoppen met spelen’. Van kaalslag onder de literaire tijdschriften is geen sprake, concludeerde Van der Donk verrassend. Literaire tijdschriften krijgen voortaan alleen nog subsidie wanneer ze op digitaal overgaan. Desondanks houden alle tijdschriften vast aan de papieren versie en bestaan ze nog steeds. Blijkbaar redden ze het ook zonder subsidie, luidde zijn conclusie. Of ze passen zich aan, zoals De Gids die aansluiting zocht en vond bij de Groene Amsterdammer. Siepel hekelde nadrukkelijk het ontbreken van onderbouwde keuzes bij de bezuinigingen. Ze begrijpt niet dat het kabinet het belang van cultureel ondernemerschap onderkent, maar tegelijkertijd de productiehuizen wegvaagt.

Het enthousiasme van het drietal op het podium was aanstekelijk en hield het publiek tot het einde geboeid. Enthousiasme bleek ook binnen de besproken projecten van groot belang. Je moet er altijd in blijven geloven, riep De Vries, en de problemen bij de horens vatten. Nergens voor weglopen. Op de vraag van de moderator of cultureel ondernemen een kwestie is van ‘gewoon doen’, wees Donk op het belang van timing. Voor Das Magazin bleek de zomer van 2011 om verschillende redenen een geschikt moment voor crowdfunding. Aan dit succesvolle initiatief gingen overigens mislukte plannen vooraf, relativeerde hij. In die zin is het wel degelijk een kwestie van ‘gewoon doen’ en niet bang zijn om op je bek te gaan. Een sterk punt van Das Magazin noemde hij het gecultiveerde imago van ‘klungeligheid’ dat de redacteuren beogen. Dat zorgt voor een hoge ‘gunfactor’: mensen geven meer als ze je aardig vinden. Maar hoe lang kun je eigenlijk op goodwill bij je publiek voortdrijven? Zolang je je relatiemanagement maar niet uit het oog verliest, vertelde De Visser. ‘Af en toe een biertje drinken met je donateurs is van cruciaal belang’. Donk beaamde dit: bier drinken met je relaties vergroot de ‘gunfactor’. Net als passie tonen, netwerken en zakelijk zijn, vulde Siepel aan. Tjon A Fong vatte samen: ga economisch met je tijd om, des te meer tijd blijft er over voor netwerken en nog meer gezamenlijke biertjes.

Wilmar De Visser stelde nog voor om over een jaar of vijf of tien nogmaals de gevolgen van de bezuinigingen te bespreken. Het zou een geschikt thema voor Boekman en een Boekmandebat kunnen zijn. Dan stellen we Donk de vraag hoeveel literaire tijdschriften het werkelijk zonder subsidie gered hebben.

Boekman 89 ‘Kunst op een keerpunt’ kost 17,50 euro en is te verkrijgen bij de Boekmanstichting, www.boekman.nl, en in de boekhandel.

Jack van der Leden

donderdag 10 november 2011

Niet tellen, maar wegen

Jet de Ranitz, voorzitter van het College van Bestuur van de Amsterdamse Hogeschool voor de kunsten, wordt de nieuwe voorzitter van Kunsten ’92. Met dat nieuwtje opende de huidige voorzitter Ad ’s-Gravesande het Kunsten '92 en Boekmandebat Niet tellen maar wegen op 8 november in het uitverkochte Amsterdamse Compagnietheater. Het debat vond plaats aansluitend op de besloten ledenvergadering van Kunsten ’92, waar de voordracht was aanvaard. Aanleiding voor het debat was de publicatie van Boekmanstudies Niet tellen, maar wegen. Over de zin en onzin van prestatieafspraken in de culturele sector. Na een korte inleiding op het programma, gaf 's-Gravesande het woord aan Maud van de Wiel die het debat in goede banen moest leiden. Wethouder Michiel van Wessem, die in Arnhem namens de VVD cultuur in zijn portefeuille heeft, moest helaas verstek laten gaan. Er bleken echter meerdere lokale politici in de zaal aanwezig op wie Van der Wiel een beroep mocht doen tijdens het debat over hoe prestatieafspraken vorm te geven en de rol die cijfers daar in spelen.

Marjolein Februari, publiciste en adviseur over maatschappelijke en bestuurlijke onderwerpen, zette de publicatie Niet tellen maar wegen en het gebruik van cijfermateriaal in een breder kader, door een voorbeeld uit de luchtvaart aan te halen. Ze betoogde dat getallen de situatie op papier kunnen verbeteren, terwijl die in de praktijk verslechtert. Cijfers gaan een eigen leven leiden. In 2003 ontstond commotie onder de bewoners in de buurt van Maastricht Aachen Airport omdat 87 woningen binnen de contour bleken te liggen waar een grotere kans op overlijden als gevolg van het vliegverkeer was. Het model was gebaseerd op aannames. Door deze te wijzigen werd het aantal woningen al gereduceerd tot 23 huizen. Als klap op de vuurpijl werd de landingsbaan met 150 meter ingekort en bleek er geen enkele woning meer binnen de gevarenzone met verhoogd risico te liggen. Het probleem was opgelost. Februari haalde dit voorbeeld aan om aan te tonen dat de fixatie op papier zo groot is dat de werkelijkheid uit het zicht verdwijnt. Ze besloot haar lezing met drie opmerkingen naar aanleiding van het boek. De eerste was dat het boek binnen de tijdgeest past dat niet alles binnen het nutsdenken te vangen is. Er is steeds meer sprake van een algehele ontevredenheid over meten en de consequenties van een verantwoordingsplicht. Daarnaast wees het boek haar op het verschil tussen ideaal en norm, dat haar al langer bezig houdt. Normen sturen iedereen naar het midden, alles wordt bijgeschaafd naar het gemiddelde. Tegenover het SMART-principe (specifiek, meetbaar, acceptabel, realistisch, tijdgebonden) van doelstellingen stelde zij het FUZZY-principe (feestelijk, uitdagend, zuiver, zindelijk, yes). Tot slot ging ze in op de begrippen vitaliteit en weerbaar. Ze bedoelde hiermee dat je instelling moet zijn om je werk goed te doen, in plaats van achteraf te kijken hoe je het gedaan hebt. Niet de regels sturen je, maar je eigen professionaliteit. Dit is in de kunstwereld niet zo vanzelfsprekend en dat moet in deze barre tijden onder ogen gezien worden. Er is maar één ding dat werkt en dat is je werk beter doen!

Vervolgens ondervroeg Maud van de Wiel Hans de Bruijn, hoogleraar bestuurskunde aan de Technische Universiteit Delft, als relatieve buitenstaander naar zijn mening over prestatieafspraken. De Bruijn refereerde daarbij vooral aan de prestatieafspraken zoals die tot voor kort in de universitaire wereld gelden. Daar hanteerde men voor elke publicatie een puntensysteem, afhankelijk van onder andere het soort publicatie en de taal. Het enige doel was nog om aan het gestelde aantal punten te komen. De inhoud deed er niet meer toe. In de universitaire wereld is de kritiek op het verantwoordingsdenken inmiddels ingedaald. Maar, zo nuanceerde hij zijn betoog, cijfers kunnen zeker heilzaam zijn in alle sectoren. Hij bedoelde daar vooral simpele cijfers mee, zoals bijvoorbeeld publiekcijfers. Als degene die de cijfers levert, moet je er begrip voor opbrengen dat er behoefte is aan cijfers. Maar het moet niet alleen bij de cijfers blijven. Van belang is dat er een goed gesprek over ontstaat over de achtergronden van de cijfers. Zijn advies was om je als kunstinstelling proactief op te stellen. Laat merken dat je cijfers wel degelijk van belang vindt, maar dat er daarnaast nog iets anders is, zoals kwaliteit. Ga daarover het gesprek aan.

Na deze relatieve buitenstaanders, kwamen de meest direct betrokkenen aan het woord: de auteurs. Van de Wiel ondervroeg Claartje Bunnik en Edwin van Huis over de achtergronden van het boek. Uit hun dagelijkse adviespraktijk viel hun op dat subsidiegevers en –ontvangers verschillende talen spraken en dat de inhoud nauwelijks aan de orde kwam. Wat vertellen cijfers eigenlijk? Ze haalden Rotterdam als voorbeeld aan van hoe het moet. Daar wordt een gesprek met de subsidiënten gevoerd op basis van de bredere doelstellingen van de stad en praten ook verschillende sectoren met elkaar. Bunnik sprak de tijdgeest die Februari constateerde tegen. In de cultuursector richt men zich volgens haar nog steeds meer op cijfers. Van Huis sloot zich hierbij aan en hoopte dat culturele instellingen toch vooral zichzelf blijven. Sta er bij stil waar je het voor doet en doe mee, maar blijf jezelf, was zijn advies.

De paneldiscussie sloot hier direct op aan. Aan tafel namen George Lawson, directeur van het Fonds Podiumkunsten, Benno Tempel, directeur van het Gemeentemuseum Den Haag en Hans Waege, algemeen directeur van het Rotterdam Philharmonisch Orkest, plaats. In de zaal kon gesprekleidster Van de Wiel een beroep doen op Eric van der Want, wethouder namens D66 in Hilversum. Tussen de panelleden heerste opvallend veel eensgezindheid. Zo benadrukten ze dat de culturele sector veel te breed is om onderlinge vergelijkingen mogelijk te maken. Cijfers zeggen in zo’n geval niets. Het is appels met peren vergelijken. Ook hechten alle panelleden aan een gesprek tussen subsidiegever en subsidiënt. Natuurlijk zijn cijfers ook belangrijk, maar ze zijn niet alleszeggend. Een gesprek kan duidelijk maken waarom de cijfers zijn zoals ze zijn. Waege kon zich vinden in de complimenten van auteur Van Huis voor de gemeente Rotterdam. Maatschappelijke verankering speelt daar een grote rol en is wel degelijk te meten door bijvoorbeeld het aantal wijkconcerten, lokale sponsoren en concerten op scholen. Maar naast die cijfermatige verantwoording moet je het ook woordelijk doen. Tempel wees op een artikel in Trouw waarin het feit dat enkele musea er nu in geslaagd zijn particulier geld te vinden als het gelijk van staatssecretaris Zijlstra wordt gezien. Musea zijn onderling echter zo verschillend, je kunt een kunstmuseum niet met een historisch museum vergelijken. Lawson hecht er erg veel waarde aan dat het fonds de logica van de subsidiering aan de subsidiënten en de buitenwereld duidelijk kan maken. Peerreviews zijn daarin van groot belang, naast andere criteria. De fysieke waarneming van kwaliteit speelt mee in de beoordeling. Door deze helderheid te creëren kom je als partners tegenover elkaar te staan.

Naar het einde toe mengde ook de zaal zich nadrukkelijker in het gesprek. Meest opvallend daarin was wel de mededeling van Rob Boonzajer Flaes, voormalig lid van de Raad voor Cultuur, dat je het allemaal niet erger moet maken dan het is. ‘De overheid doet niets met alle aangeleverde gegevens. Vul gewoon in wat ze vragen, ze onthouden het toch niet. Als ze je willen korten, doen ze dat toch wel.’ Maud van de Wiel besloot het debat dat naast een interessante discussie ook nog een aantal alternatieve titels had opgeleverd, zoals Tellen is niet weten; Eerst wegen, dan tellen; en Intelligent tellen en dan wegen.

André Nuchelmans

maandag 29 augustus 2011

Paradisodebat – Stad versus staat: tegenhangen of meebuigen?

Vorig jaar werd tijdens het Paradisodebat, traditiegetrouw de afsluiting van de Uitmarkt, geconcludeerd dat de bezuinigingen van 20% op het totale cultuurbudget de gehele sector zouden ontwrichten. Een jaar, vele Kamerdiscussies en demonstraties en een Btw-verhoging van zes naar negentien procent op de podiumkunsten later, zijn de bezuinigingen onvermijdelijk. Onder het thema Stad versus staat: tegenhangen of meebuigen? werd gisteren in een drukbezocht Paradiso besproken wat de keuzes van het Rijk betekenen voor stad en provincie. Berekeningen van Bureau Berenschot en Atlas voor Gemeenten lieten verontrustende toekomstscenario’s zien voor zowel de maatschappij als de economie, die van toepassing zijn wanneer steden het rijksbeleid volgen in de grootscheepse bezuinigingen. Onder leiding van Ruben Maes werd vervolgens gediscussieerd over stedelijk cultuurbeleid en welke keuzes gemaakt moeten worden. Deelnemers aan het debat waren cultuurwethouders Mary-Ann Schreurs (Eindhoven), Michiel van Wessem (Arnhem) en Antoinette Laan (Rotterdam), Frits Lintmeijer (Utrecht), Marijke van Hees (Enschede) en Ton Schroor (Groningen). Overige deelnemers aan het debat waren enkele leden van de Tweede Kamer: cultuurwoordvoerders Jetta Klijnsma (PvdA), Bart de Liefde (VVD), Boris van der Ham (D66), Liesbeth van Tongeren (GL) en Jasper van Dijk (SP). Grote afwezige was de PVV. Het debat liet vooral zien dat de kaasschaafmethode niet werkt en dat lokale beleidsvoerders scherpe keuzes moeten maken. Er werd, wellicht tevergeefs, gepleit voor het terugdraaien van de Btw-verhoging. Onbegrip voor de snelheid waarmee de bezuinigingsplannen zijn doorgevoerd en het gebrek aan een duidelijke visie van staatssecretaris Zijlstra werden regelmatig aangehaald met begrijpelijke, maar weinig nieuwe argumenten.


Utrecht maakt scherpe keuzes
Ad ’s-Gravesande, voorzitter Kunsten ’92, opende de middag door het belang van kunst en cultuur voor steden te onderstrepen. Hij pleitte voor een gemeentelijk beleid waarbij gekozen wordt voor slimme bezuinigingen, met behoud van diversiteit en kwaliteit in het cultureel aanbod. Naast het terugdraaien van de Btw-verhoging wenste hij van de Tweede Kamer een goede regeling rond de Geefwet en de juiste omstandigheden voor zelfstandig ondernemers. Ook de burgemeester van Utrecht, Aleid Wolfsen, schetste het stedelijk belang van kunst en cultuur. Een gezond cultureel klimaat maakt een stad aantrekkelijk, leefbaar, stimuleert de huizenmarkt, genereert werkgelegenheid en levert geld op. De stad Utrecht is tegen de rijksbezuinigingen en is van plan jaarlijks twee miljoen extra te investeren in kunst en cultuur om de culturele infrastructuur op peil te houden en te versterken. Bij subsidiëring maakt de stad keuzes op basis van vernieuwing en de verbinding tussen cultuur en onderwijs, wijken en het bedrijfsleven.

Te weinig tijd voor alternatieven
De cijfers van Bureau Berenschot vormden de meest concrete informatie van de bijeenkomst. Bastiaan Vinkenburg liet zien hoe de inkomsten en uitgaven van de cultuursector eruitzagen bij de start van de cultuurnotaperiode in 2009 en hoe ze eruit zullen zien in 2013. Het onderzoek liet zien dat subsidies van gemeenten, provincies en het Rijk samen 64% van de inkomsten vormden in 2009. De overige 36% werden binnengehaald met eigen inkomsten: van entreekaartjes tot zaalverhuur, horeca en lesgelden voor workshops. Voor 2013 wordt verwacht dat deze eigen inkomsten mogelijk stijgen naar 41%, door een toename van bijdragen uit private fondsen. Beperkt weliswaar, omdat deze voortdurend onder druk staan van beleggingsresultaten. In sponsoring zit volgens Bureau Berenschot weinig beweging en het mecenaat heeft nog jaren nodig om zich te ontwikkelen. Een weinig rooskleurig toekomstperspectief, aangezien nu al afnemende entreekosten en een beperkt cultureel aanbod zichtbaar zijn. Bovendien zullen de lasten van de cultuursector blijven toenemen. Als zowel Rijk als gemeenten en provincies 25% bezuinigen op kunst en cultuur, zijn de inkomsten voor de culturele sector in 2013 maximaal 1 miljard euro lager dan in 2009. Alle cijfers van Bureau Berenschot zijn hier te bekijken.

Gerard Marlet liet namens Atlas voor Gemeenten zien wat de maatschappelijke en economische schade van de cultuurbezuinigingen zijn. Een onderzoek dat naar eigen zeggen beter vooraf door het Rijk uitgevoerd had kunnen worden. Aan de hand van vijf maatschappelijke waarden, variërend van sociale waarden (leefbaarheid, werkgelegenheid, gezondheid) tot economische waarden (toerisme, export van cultuur) liet Marlet zien welke bijdrage kunst en cultuur leveren aan de welvaart van een stad. Hoewel steden de maatschappelijke schade kunnen tegengaan door extra sponsoring, efficiëntieverhoging en inkomstenoptimalisatie, kunnen culturele instellingen deze opties onmogelijk binnen twee jaar doorvoeren. Conclusie: het welvaartsverlies blijft hoger dan de overheidsfinancieringen. Het gevolg van te snelle en te drastische bezuinigingen. Het onderzoek is binnenkort terug te vinden op www.atlasvoorgemeenten.nl.

Herhaling van zetten
In het debat tussen de cultuurwethouders en -woordvoerders, dat uitstekend werd geleid door Ruben Maes, was te merken dat veel steden het voorbeeld van Utrecht volgen door scherpe keuzes te maken in plaats van te schaven en door niet evenredig aan het Rijk te bezuinigen. De cultuurwethouders lieten weten de bezuinigingen niet te kunnen compenseren en samen met de sector en fondsen keuzes te maken en naar alternatieven te zoeken. Frits Lintmeijer (Utrecht) pleitte voor innovatie van de sector en daarmee op voortschrijdend inzicht van de staatssecretaris – ook al mochten brieven van de G8 naar Den Haag niet baten. Hoewel bij de cultuurwethouders de wens leeft niet afhankelijk te willen zijn van rijkssubsidie en zij niet willen meebuigen, noemden ze nog weinig concrete criteria om de noodzakelijke keuzes binnen hun eigen stad te maken. Het gebrek aan visie van Zijlstra en de snelheid waarmee de maatregelen worden doorgevoerd, werd regelmatig aangehaald. Jasper van Dijk (SP) noemde de Btw-verhoging een ordinaire belastingverhoging en volgens Jetta Klijnsma (PvdA), zelf oud-staatssecretaris, kan Zijlstra nog op zijn besluit terugkomen. Ton Schroor (Groningen) gaf aan dat de dialoog tussen lokale bestuurders en Den Haag ontbreekt en ook Michiel van Wessem (Arnhem) wil een dringend beroep op de staatssecretaris doen om opnieuw in gesprek te gaan over het maatschappelijk en economisch belang van kunst en cultuur. Het leidde tot een discussie die al regelmatig gevoerd is in de Tweede Kamer. Bart de Liefde (VVD) benadrukte dat zijn partij hart voor cultuur heeft en de snelle bezuinigingen doorvoert vanuit het geloof in een herstructurering van de sector. De doemscenario’s die eerder geschetst zijn, noemde hij weinig overtuigend. Boris van der Ham (D66) liet weten dat de PVV, grote afwezige bij het debat, besprekingen over het terugdraaien van de Btw-verhoging in de Tweede Kamer regelmatig tegenhoudt. Het beeld dat het kabinet bewust afrekent met kunst en cultuur, blijft daarmee overeind – en de oplossing nog ver weg.

Kim van der Meulen

donderdag 28 april 2011

Immaterieel Erfgoed en Volkscultuur


Op 28 april 2011 werd in Spui 25 te Amsterdam een debat georganiseerd naar aanleiding van de verschijning van de publicatie Immaterieel erfgoed en volkscultuur. Almanak bij een actueel debat. Actueel vanwege de (komende) ratificatie van de UNESCO conventie ter Bescherming van het Immaterieel Erfgoed (2003), die wereldwijd de diversiteit aan tradities en rituelen moet waarborgen, onderwerp van gesprek was.
Prof. Dr. Markus Tauschek van het Instituut van Europese Etnologie/Volkskunde van de Universiteit van Kiel hield een inleiding met als titel Water into wine? The construction of intangable heritage over (zijn) onderzoek naar erfgoed waarin hij onder meer stelde dat cultureel erfgoed een kwestie is van ideologie en product van onderhandeling en competitie tussen betrokken partijen en daardoor politiek instrument. Hij sprak zelfs van cultureel darwinisme. Tauschek’s opmerkingen waren met name gebaseerd op zijn onderzoek naar fenomenen als het carnaval in Binche (België) en 18de eeuwse Doima muziek uit Roemenië.
Vervolgens kregen een voorstander en een tegenstander van de conventie het woord onder leiding van de directeur van het Nederlands Openluchtmuseum te Arnhem Pieter-Matthijs Gijsbers. Cas Smithuijsen directeur van de Boekmanstichting was duidelijk voorstander van de Conventie. Hij sprak van een inhaalslag ten opzichte van andere Europese landen en benadrukte de noodzaak van discussie over cultureel erfgoed op wereldniveau en niet op nationale schaal en het belang van interculturele dialoog.
Prof. Dr. Rob van der Laarse, Algemene Cultuurwetenschapper aan de Universiteit van Amsterdam en de Vrije Universiteit sprak zich uit als fervent tegenstander van de Conventie en stelde dat vragen over ‘the making of heritage’ belangrijk zijn: Van wie is het? Wie maakt het voor wie? Wie eigent het zich toe? Het onderscheid tussen materieel en immaterieel is niet nodig, elk erfgoed is immaterieel. Van belang is dat het wordt gedragen; door groepen, culturen, entiteiten. Er is volgens hem geen gemeenschap, het zijn allemaal constructies: tradities worden toegeschreven.
Beide stellingnames leidden tot een levendige onderlinge discussie maar ook uit de zaal meldden voor- en tegenstanders van de conventie zich. Zo werd er een pleidooi gehouden voor safegarding in plaats van protection. Ook kwamen de verschillende opinies over de kwestie aan de orde dat in de Conventie het initiatief ligt bij de gemeenschappen waardoor de vraag ontstaat wat de rol van de natiestaat dan nog is, aan de orde.
De bijeenkomst werd besloten met de uitreiking van het boek Immaterieel Erfgoed en volkscultuur. Almanak bij een actueel debat aan een vertegenwoordiger van de Nationale Unescocommissie en een medewerker van de directie Cultureel Erfgoed van het Ministerie van OCW in ontvangst genomen. Als uitsmijter en bij wijze van ‘voer voor etnologen‘ las middagvoorzitter Peter Jan Margry van het Meertensinstituut een passage uit het boek De helaasheid der dingen van Dimitri Verhulst uit 2006 waarin de auteur in een hilarische passage zowel de volkscultuur aan het woord laat als zich kritisch uitlaat over de perversiteit van de ‘oprechte interesse in het volk’ van de ‘professoren in de volkskunde’.

Hester Dibbits (et al.) - Immaterieel erfgoed en volkscultuur. Almanak bij een actueel debat - Amsterdam: Amsterdam University Press, 2011 - ISBN 9789089641618 - Prijs: € 14,50

Truus Gubbels

zondag 29 augustus 2010

Paradisodebat: Kunst en cultuur: het investeren waard?

Donkere wolken hadden zich toepasselijk samengepakt boven het hoofdstedelijke Paradiso voor het jaarlijkse Paradisodebat ter afsluiting van de Uitmarkt. Onder het thema Kunst en cultuur: het investeren waard? liet een aantal relatieve buitenstaanders en betrokkenen hun licht schijnen over de betekenis van kunst voor de samenleving en gingen Hans Waege (directeur van het Rotterdams Philharmonisch Orkest), Axel Rüger (directeur van het Van Gogh Museum) en Pierre Audi (directeur van het Holland Festival en De Nederlandse Opera) het debat aan met politici van de grootste partijen. Grote afwezige was de PVV, die voorstander is van ongekende ingrepen in de kunstsubsidies. In NRC Handelsblad en de Volkskrant verschenen voorafgaand aan het debat in de kunstbijlages al bijdragen over de mogelijke consequenties van de aanstaande bezuinigingen. Uit het debat kwam naar voren dat de kunstensector zich niet aan de bezuinigingen wil onttrekken en dat er wel degelijk nog efficiënter gewerkt en de organisatie verbeterd kan worden. Op de vraag waarom in de kunstensector buitenproportioneel bezuinigd zal gaan worden, bleven de betrokken politieke partijen (VVD en CDA) het antwoord schuldig.

Ad ’s-Gravesande, voorzitter Kunsten ’92, opende het debat al met de mededeling dat het geen leuke middag zou worden en schetste een beeld van de consequenties van de aangekondigde bezuinigingen van 200 miljoen euro. Als de erfgoed- en museumsector en de openbare bibliotheken ontzien worden, zullen de podiumkunsten en beeldende kunsten het met 30% minder moeten doen. Bastiaan Vinkenburg van bureau Berenschot gaf de resultaten van een onderzoek naar de economische betekenis van de kunsten. De resultaten bevestigden de conclusies uit eerder onderzoek dat de kunstensector niet alleen direct maar ook indirect economisch rendabel is. Ook was onderzocht hoe de aangekondigde bezuinigingen gerealiseerd konden worden. De kaasschaafmethode bleek daarbij geen optie, er moeten keuzes gemaakt worden. Het onderzoek is te vinden op de www.kunsten92.nl en www.berenschot.nl.
Na Vinkenburg namen 4 sprekers het woord die het belang van de kunsten vanuit verschillende invalshoeken onder woorden brachten. Zef Hemel, stadsplanner en adjunct-directeur van de Dienst Ruimtelijke Ordening Amsterdam benadrukte het belang van kunst en cultuur in de aantrekkelijkheid en de uitstraling van steden. In zijn ogen moest er dan ook niet langer van subsidies maar van investeringen gesproken worden. Eric Eerdenburg, directeur Lowlands en directielid van Mojo Concerts schetste het belang van het Nederlandse clubcircuit voor vernieuwing en experiment in de popmuziek. De popsector vormt een uitzondering op andere sectoren in die zin dat er geen individuen of groepen gesubsidieerd worden maar de infrastructuur. Hoewel de sector weinig subsidie krijgt en veel eigen inkomsten genereert, komt het ontwikkelen en de doorstroming van talent met het wegvallen van subsidies in het geding. De sector zou wel als inspiratiebron voor andere sectoren kunnen dienen waar het gaat om de verwerving van eigen inkomsten. Vervolgens was het woord aan Jos Vranken, directeur van het Nederlands Bureau voor Toerisme en Congressen. Hij verwoordde de betekenis van kunst en cultuur voor toerisme en andersom. Uit onderzoek blijkt dat kunst en cultuur een belangrijke reden voor toeristen is om Nederland te bezoeken. Culturele toeristen geven bovendien meer geld uit dan de doorsnee toerist. Alexander Rinnooy Kan, voorzitter van het Prins Bernhard Cultuurfonds, benoemde tenslotten de do’s en don’ts voor de kunstensector in het huidige klimaat. Van belang is vooral om het economisch belang te onderkennen, maar tegelijkertijd te laten weten dat kunst en cultuur ook andere effecten hebben. Wat de sector vooral niet moet doen is de bezuinigingen als onuitvoerbaar te kenschetsen. De sector moet onderzoeken waar mogelijkheden voor bezuinigingen zijn en zich voorbereiden. Ook een kaasschaafdebat is uit den boze. De sector moet meer naar buiten treden met argumenten en wijzen op dwarsverbanden met andere sectoren.
Hierna namen Hans Waege, Axel Rüge en Pierre Audi plaats op het podium. Debatleider Twan Huys legde hen een aantal vragen voor. De aanwezige cultuurwoordvoerders van PvdA (Jette Klijnsma), D66 (Boris van der Ham), SP (Jasper van Dijk), GroenLinks (Mariko Peters), VVD (Mark Harbers) en bij afwezigheid van Joop Atsma, Nicolien van Vroonhoven voor het CDA, reageerden op de directies en elkaar.
Twan Huys vroeg de directeuren naar de consequenties van een bezuiniging op de rijkssubsidie van 20%. Het RPhO zou nog meer op de bezetting, die al miniem is, moeten bezuinigen, Axel Rüger zou het op de programmering verhalen waarbij vooral het aanbod voor de Nederlandse bezoeker in het geding zou komen. Pierre Audi gaf aan dat de hele organisatie opnieuw gestructureerd moest worden. De directeuren gaven aan het niet meer dan als vanzelfsprekend te beschouwen dat als er landelijk bezuinigd moet worden ook de kunsten hier hun steentje aan bijdragen. De aangekondigde bezuinigingen van 20% op het totale cultuurbudget hebben echter als consequentie dat de gehele sector ontwricht raakt. De betrokken politici van CDA en VVD deden zoals te verwachten was geen uitspraken over mogelijke scenario’s, al gaf Mark Harbers wel wat voorbeelden waar de 200 miljoen vandaan zou kunnen komen. De cultuurkaarten voor middelbare scholieren konden afgeschaft worden, aangezien de ouders ook de boeken al vergoed kregen. Daarnaast zag hij de WWIK als mogelijkheid. Ook zou het aantal landelijk gesubsidieerde orkesten van 13 naar 11 teruggebracht kunnen worden, konden culturele instellingen meer dan 30% eigen inkomsten genereren en kunnen de inkomsten uit entree omhoog.
Ruben Maes, bureau Maes/Ockhuijsen, vertelde op uitnodiging van Huys iets over het overleg dat binnen de kunstensector gaande is over een reactie op de aangekondigde bezuinigingen. Ook hieruit kwam naar voren dat de sector wel degelijk wil nadenken over bezuinigingen, maar dat de 20% waarvan vooralsnog sprake is, buitenproportioneel is. Vooralsnog is er echter nog geen sprake van een reactie vanuit de politiek. Vanuit de zaal en vanaf het podium werd ook ingebracht dat verdere bezuinigingen onmogelijk zijn bij een gelijkblijvend takenpakket. De sector verwacht van de overheid meer duidelijkheid over wat er dan verwacht wordt. Diverse aanwezigen vroegen zich ook af wat de rol van de Raad voor Cultuur in de huidige situatie zou moeten zijn. Boris van der Ham, D’66, gaf aan dat de sector wel erg lijdzaam alles op zich af heeft laten komen. Harbers, VVD, verwees naar het debat van vorig jaar, waarbij de VVD al had aangegeven ingrijpende bezuinigingen op de kunstensector voor te staan. De sector heeft daar echter in het geheel niet op gereageerd of geanticipeerd. Maar zoals het debat duidelijk maakte is daarin inmiddels verandering gekomen.

André Nuchelmans