Posts tonen met het label presentatie. Alle posts tonen
Posts tonen met het label presentatie. Alle posts tonen

maandag 11 maart 2013

Presentatie Boekman 94: i-Cultuur. Schnabels inspirerende inzichten

Een feestelijke middag is het in de Singelkerk in Amsterdam. Voor het eerst staat een editie van Boekman volledig in het teken van het werk van één man: Paul Schnabel, voor de gelegenheid getooid in een oranje stropdas. De gerenommeerde socioloog neemt per 1 mei afscheid als directeur van het Sociaal Cultureel Planbureau. In Boekman #94, i-Cultuur. Schnabels inspirerende inzichten, wordt de visie die hij in de afgelopen twintig jaar ontwikkelde over de culturele sector samengevat en geanalyseerd.

Na een korte introductie van hoofd projecten van de Boekmanstichting, Marielle Hendriks, en een optreden van strijkkwintent Firma Continuo vertelt directeur Cas Smithuijsen over de totstandkoming van dit unieke nummer. Hiervoor werden vijf artikelen geselecteerd die een beeld geven van Schnabels culturele visie, die zijn afgezet tegen de vijf i's die hij in 2000 op verzoek van toenmalig premier Wim Kok opstelde. Kok vroeg hoe de toekomst van Nederland er uit zou zien. ‘Het zal je maar gevraagd worden’, zegt Smithuijsen. Schnabel signaleerde met het SCP vijf processen: informalisering, individualisering, internationalisering, intensivering en informatisering. In het Boekmannummer koppelen Ger Groot, Cas Smithuijsen, José van Dijck, Bart Verschaffel en Ton Bevers ieder een van deze maatschappelijke processen aan de culturele sector. René Boomkens sluit het nummer af met een slotbeschouwing. Daarnaast is er in de columns in het nummer ook aandacht voor de diverse bestuursfuncties die Schnabel bekleedt.

Voor de presentatie is aan chef wetenschap van het NRC Ellen de Bruin gevraagd om de artikelen over de vijf i's te duiden. De Bruin weet op een luchtige manier samen te vatten dat de ontwikkelingen immer actueel zijn. Zo wordt de verdere individualisering van consumptie  gekoppeld aan de aankoop van een thuisbioscoop, is het feit dat Paul Schnabel graag naar The Voice kijkt een indicator van het vervagen van culturele scheidingen tussen klassen en zorgt de informatisering ervoor dat we ons sociale en culturele leven plannen op een smartphone. De processen die Schnabel ruim tien jaar geleden signaleerde, blijken niet aan zeggingskracht te hebben ingeboet.

Om duidelijk te maken dat Schnabel niet louter theoreticus maar ook practicus is, vertelt Marita Mathijsen (emeritus hoogleraar Moderne Nederlandse letterkunde aan de UvA) over haar ervaringen met Schnabel als voorzitter van de jury van literaire prijs de Gouden Ganzeveer. Mathijsen stelde vijf o's op om het leiderschap van Schnabel te omschrijven: origineel, omzichtig, overrompelend, onorthodox en onweerstaanbaar.  In een jury  bestaande uit ‘captains of industry’, literaire deskundigen en liefhebbers, die allen hun eigen favoriet hebben, weet Schnabel het telkens omzichtig en met onweerstaanbaar charisma voor elkaar te krijgen om een winnaar aan te wijzen waar iedereen tevreden mee kan zijn. ‘Paul is de onorthodoxe dirigent die het geheel tot een overdonderende samenhang weet te brengen.’

Mathijsen mag de eerste Boekman #94 uitreiken aan Paul Schnabel. Nadat hij een uur lang door iedereen in het zonnetje is gezet, is het tijd voor de hoofdrolspeler om het woord te nemen. Heel even lijkt hij overdonderd, maar hij heeft zijn aanwezige collega's van het SCP nog niet bedankt of hij steekt van wal met een analyse van het huidige kunstbeleid en de sociaal-culturele processen die hij zo vaak heeft onderzocht. ’Dat cultuur verheffend moet zijn is eigenlijk onmogelijk, toch blijft het doorklinken in beleid.’ Maar dat Schnabel meer optimist dan pessimist is wordt al snel duidelijk als hij ook de positieve kanten van bijvoorbeeld de informatisering aanstipt. De digitalisering van cultuur kan de beleving persoonlijker maken en verdiepen, daarnaast biedt het ongekende mogelijkheden voor onderzoek. Schnabel analyseert, filosofeert en haalt het ene na het andere praktijkvoorbeeld aan om zijn theorieën te onderbouwen. Na een geïmproviseerd college van twintig minuten pauzeert hij even: ’Dat was al genoeg stof voor een nieuw artikel.’

Duidelijk is dat Schnabel dan misschien terugtreedt als directeur van het SCP, klaar met werken is hij allerminst. In  onder meer zijn functies bij de Universiteit van Utrecht, het Concertgebouworkest, Museum Bredius en de Gouden Ganzeveer blijft hij zich inzetten voor de kunsten. ‘Feit is dat kunst iets is wat niet hoeft, maar je mist het als het er niet is. Het is essentieel voor een mens om geïnspireerd te worden door wat mensen maken.’

Na afloop van de presentatie geeft Schnabel nog een waarschuwing aangaande de bezuinigingen in het huidige cultuurbeleid: ’Kunst wordt een vrijetijdsactiviteit en dat gaat ten koste van de kwaliteit.’ Hoewel iedereen het er over eens lijkt dat het niet kon blijven zoals het was, waakt hij voor overhaaste beslissingen. Deze adviezen zal Schnabel blijven geven, alleen niet meer via het SCP. Daar lijkt hij zelf geen moeite mee te hebben: ’Ik blijf me inzetten, alleen het planbureau houdt voor mij op. Maar de nieuwe directeur (Prof. dr. Kim Putters, RW) is al bekend gemaakt dus dat komt ook wel goed.’

Rutger Westerhof

vrijdag 8 april 2011

Keihard & Swingend. De jongensjaren van Muziekkrant Oor


Het publiek in de kleine zaal van Paradiso was afgelopen maandagmiddag voor een groot deel 60-plus. Het popjournaille uit de beginjaren van Muziekkrant Oor had zich verzameld voor de feestelijke presentatie van Keihard & Swingend. De jongensjaren van Muziekkrant Oor van oprichter Barend Toet. Velen hadden elkaar jaren niet gezien, zo leek het althans uit de enthousiaste omhelzingen en vaag herkennende blikken. Anderhalf uur na de presentatie voerde het jonge publiek weer de boventoon, toen het muzikale gedeelte van het jubileumfeest begon. Zo werd eens te meer duidelijk dat popmuziek inmiddels voor alle generaties is.

Een respectabele leeftijd voor een muziektijdschrift, 40 jaar. Dat hebben in Nederland, en zelfs in de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk, niet veel soortgelijke tijdschriften gehaald. Reden te meer om er bij stil te staan. En wie kan er dan beter over schrijven dan de man die het allemaal in gang heeft gezet. Zijn eigen geheugen heeft hij aangevuld met interviews met diverse betrokkenen en buitenstaanders.
Het zwaartepunt van het boek ligt bij de periode dat Toet zelf actief was voor Muziekkrant Oor, van 1971 tot en met 1981. De ondertitel is wat dat betreft goed gekozen. De eerste 10 jaar waren een soort van puberjaren: alles was mogelijk, journalisten trokken dagen achtereen met hun idool op en geld kwam pas op de tweede plaats. Gaandeweg het eerste decennium begint de organisatie echter steeds meer volwassen trekken te vertonen, al bleef het financieel een onduidelijke zaak. Er ontstaat gaandeweg binnen de redactie een duidelijk hiërarchie en de zakelijke en artistieke leiding worden gescheiden. Zo staat er in 1982 een tijdschrift waar geen enkele serieuze popliefhebber om heen kan.
De periode na zijn directe betrokkenheid beschrijft Toet met meer afstand. Hij signaleert veranderingen in de popmuziek en de manier waarop de platenindustrie met journalisten omgaat. Als je het boek gelezen hebt, krijg je toch al snel de indruk dat die eerste jaren toch wel de beste jaren waren. Het genre was overzichtelijk, popmuzikanten over het algemeen gemakkelijk te benaderen en de journalist was belangrijk voor de artiest om hem met zijn achterban in contact te brengen.
Met fototoestel en pen en papier in de aanslag toog Toet in 1970 naar het Holland Popfestival aan de Kralingse Plas in Rotterdam om een reportage voor De Nieuwe Linie te maken. Uiteindelijk was dit de aanleiding om een eigen tijdschrift te beginnen dat zich uitsluitend op popmuziek richtte. In tegenstelling tot Aloha/Hitweek dat zich meer op de jongeren-/tegencultuur algemeen richtte, waar popmuziek slechts een onderdeel van vormde. De werkwijze zoals Toet die in Kralingen hanteerde, was in de beginjaren van Oor gemeengoed onder de schrijvers voor het blad. Tot de komst van Constant Meijers. Door Toet met een goed salaris gelokt uit de burelen van Aloha, rangeert Meijers hem al snel op een zijspoor door een scheiding tussen zakelijke en artistieke leiding voor te stellen, waarbij Toet zich met de financiën gaat bemoeien en Meijers de inhoud van het blad voor zijn rekening neemt. ‘Door me toch die kant op te laten sturen, nam ik onbedoeld een afslag met verstrekkende gevolgen voor mijn eigen loopbaan, die me uiteindelijk niet goed is bevallen’, zo formuleert Toet het nog netjes (p. 106-107). Dat het ook anders kan bewees Jann Wenner, oprichter van The Rolling Stone, die nog altijd zowel de inhoudelijke als de zakelijke kant voor zijn rekening neemt.

Keihard & Swingend leest als een jongensboek en bevat zeker voor de jongere lichting popjournalisten jaloersmakende anekdotes. Wie kan er nu nog een paar dagen op stap met een muzikant. De meesten mogen al blij zijn als ze een half uurtje krijgen en te laat komen moet je al helemaal niet doen, want dan is de artiest al vertrokken.
In het tweede deel heeft Toet meer oog voor de veranderingen in de platenindustrie en de rol die de popjournalist nog speelt in de tijd van internet. Tegenwoordig is iedereen popjournalist in de zin dat iedereen een recensie van een concert of cd op zijn blog op internet kan zetten. De rol van een papieren tijdschrift lijkt daarmee ondergraven te worden. En inderdaad zijn de oplagecijfers van Oor de laatste jaren ontzettend gedaald. Toch ziet Toet wel degelijk mogelijkheden voor de popjournalist (en daarmee voor een muziektijdschrift) om zich van deze liefhebbers te onderscheiden. Hij blijkt goed op de hoogte van de laatste ontwikkelingen op het internet. Voor de popjournalist ziet hij vooral een rol als gids, die nieuwe bands, ontwikkelingen en stromingen kan duiden. Oor heeft zich de opmerkingen van de oprichter schijnbaar aangetrokken, want ter gelegenheid van het jubileum is de website opgepimpt. Het speciale jubileumnummer van Oor biedt een mooie aanvulling op het boek van Toet. In een interviewserie blikken oud-Oormedewerkers Bert van de Kamp, Paul Evers, Mark van Schaick en Kees de Koning uitgebreid terug. In kortere bijdragen geven artiesten en popjournalisten aan wat Oor in hun muziekleven betekende. Op naar de 50!

Barend Toet - Keihard & Swingend. De jongensjaren van Muziekkrant OOR - Amsterdam: Boekerij, 2011 - ISBN 9789022555149 - Prijs: € 19,95

André Nuchelmans

donderdag 1 april 2010

Presentatie Geschiedenis van de Nederlandse bibliofilie

De opkomst was groot, woensdag 31 maart, bij de presentatie van de nieuwe publicatie van P.J. Buijnsters, Geschiedenis van de Nederlandse bibliofilie, op de afdeling Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam (UvA). Net als vier jaar geleden in de Aula van de UvA toen daar zijn vorige standaardwerk, Geschiedenis van het Nederlandse antiquariaat, werd gepresenteerd. De feestelijkheid vond dit keer plaats in de Nina van Leer zaal van het Allard Pierson Museum. Steph Scholten, directeur van de Divisie Erfgoed van de UvA, sprak een welkomstwoord. Hij noemde het een geweldige prestatie dat Buijnsters er in is geslaagd met zoveel passie en professionaliteit binnen zo’n korte tijd twee indrukwekkende overzichtswerken te schrijven. In de Geschiedenis van de Nederlandse bibliofilie beschrijft Buijnsters de tot op heden min of meer verborgen wereld van particuliere boek- en prentverzamelaars vanaf 1750 tot heden. Als pioniers en trendsetters hebben zij met hun collecties altijd de grondslag gelegd voor de publieke musea en bibliotheken. Passies van individuen kunnen leiden tot indrukwekkende collecties, legde Scholten uit. Buijnsters schreef zijn boek mede ter gelegenheid van het 75-jarig bestaan van de Nederlandse Vereeniging van Antiquaren (NVA). Frank Rutten van de NVA hield een geestige verhandeling over de overeenkomsten tussen verzamelaars en antiquaren. ‘Het zijn vrijwel altijd mannen met een sterk jachtinstinct’. Het doel is nooit het bereiken van een complete verzameling, want dat betekent eigenlijk de dood in de pot, maar de jacht zelf, aldus Rutten. De verzamelaar en antiquaar vullen elkaar aan, de band is zeer nauw. Hij toonde zich bezorgd over de gevolgen van de digitale toekomst, maar de relatie tussen de twee genoemde partijen zal daar alleen maar inniger door worden. Hij pleitte voor een derde publicatie waarin Buijnsters de geschiedenis van de boekencultuur uit de doeken doet. ‘Laten we dat doen bij het 100-jarig jubileum’. Daarna kreeg Buijnsters het woord. Hij toonde zich dankbaar voor de vele bekende en onbekende bibliofielen die hij tijdens zijn zoektocht door het gehele land had ontmoet. Hij bestreed het bij iedereen bekende beeld van Boudewijn Büch die boeken altijd met witte handschoenen aanraakte. ‘Helemaal niet nodig, met handschoenen poets je zilver’. Het eerste exemplaar reikte hij uit aan zijn goede vriend Freek Heijbroek, conservator prenten bij het Rijksmuseum. Verzamelaars zijn raadselachtige mensen, aldus Heijbroek, en juist daarom noemde hij het overzichtswerk bewonderenswaardig. Ook hij had een voorstel voor een te schrijven derde deel: de geschiedenis van het veilingwezen. Een borrel in het Museumcafé van Bijzondere Collecties sloot de feestelijkheid af. In het herfstnummer van Boekman verschijnt een bespreking van het boek.

Jack van der Leden



Geschiedenis van de Nederlandse bibliofilie verscheen bij uitgeverij Vantilt en is in de reguliere boekhandel verkrijgbaar (Prijs: € 45,- ISBN 9789460040436) en natuurlijk te leen in de bibliotheek van de Boekmanstichting.