Vorig jaar werd tijdens het Paradisodebat, traditiegetrouw de afsluiting van de Uitmarkt, geconcludeerd dat de bezuinigingen van 20% op het totale cultuurbudget de gehele sector zouden ontwrichten. Een jaar, vele Kamerdiscussies en demonstraties en een Btw-verhoging van zes naar negentien procent op de podiumkunsten later, zijn de bezuinigingen onvermijdelijk. Onder het thema Stad versus staat: tegenhangen of meebuigen? werd gisteren in een drukbezocht Paradiso besproken wat de keuzes van het Rijk betekenen voor stad en provincie. Berekeningen van Bureau Berenschot en Atlas voor Gemeenten lieten verontrustende toekomstscenario’s zien voor zowel de maatschappij als de economie, die van toepassing zijn wanneer steden het rijksbeleid volgen in de grootscheepse bezuinigingen. Onder leiding van Ruben Maes werd vervolgens gediscussieerd over stedelijk cultuurbeleid en welke keuzes gemaakt moeten worden. Deelnemers aan het debat waren cultuurwethouders Mary-Ann Schreurs (Eindhoven), Michiel van Wessem (Arnhem) en Antoinette Laan (Rotterdam), Frits Lintmeijer (Utrecht), Marijke van Hees (Enschede) en Ton Schroor (Groningen). Overige deelnemers aan het debat waren enkele leden van de Tweede Kamer: cultuurwoordvoerders Jetta Klijnsma (PvdA), Bart de Liefde (VVD), Boris van der Ham (D66), Liesbeth van Tongeren (GL) en Jasper van Dijk (SP). Grote afwezige was de PVV. Het debat liet vooral zien dat de kaasschaafmethode niet werkt en dat lokale beleidsvoerders scherpe keuzes moeten maken. Er werd, wellicht tevergeefs, gepleit voor het terugdraaien van de Btw-verhoging. Onbegrip voor de snelheid waarmee de bezuinigingsplannen zijn doorgevoerd en het gebrek aan een duidelijke visie van staatssecretaris Zijlstra werden regelmatig aangehaald met begrijpelijke, maar weinig nieuwe argumenten.
Utrecht maakt scherpe keuzes
Ad ’s-Gravesande, voorzitter Kunsten ’92, opende de middag door het belang van kunst en cultuur voor steden te onderstrepen. Hij pleitte voor een gemeentelijk beleid waarbij gekozen wordt voor slimme bezuinigingen, met behoud van diversiteit en kwaliteit in het cultureel aanbod. Naast het terugdraaien van de Btw-verhoging wenste hij van de Tweede Kamer een goede regeling rond de Geefwet en de juiste omstandigheden voor zelfstandig ondernemers. Ook de burgemeester van Utrecht, Aleid Wolfsen, schetste het stedelijk belang van kunst en cultuur. Een gezond cultureel klimaat maakt een stad aantrekkelijk, leefbaar, stimuleert de huizenmarkt, genereert werkgelegenheid en levert geld op. De stad Utrecht is tegen de rijksbezuinigingen en is van plan jaarlijks twee miljoen extra te investeren in kunst en cultuur om de culturele infrastructuur op peil te houden en te versterken. Bij subsidiëring maakt de stad keuzes op basis van vernieuwing en de verbinding tussen cultuur en onderwijs, wijken en het bedrijfsleven.
Te weinig tijd voor alternatieven
De cijfers van Bureau Berenschot vormden de meest concrete informatie van de bijeenkomst. Bastiaan Vinkenburg liet zien hoe de inkomsten en uitgaven van de cultuursector eruitzagen bij de start van de cultuurnotaperiode in 2009 en hoe ze eruit zullen zien in 2013. Het onderzoek liet zien dat subsidies van gemeenten, provincies en het Rijk samen 64% van de inkomsten vormden in 2009. De overige 36% werden binnengehaald met eigen inkomsten: van entreekaartjes tot zaalverhuur, horeca en lesgelden voor workshops. Voor 2013 wordt verwacht dat deze eigen inkomsten mogelijk stijgen naar 41%, door een toename van bijdragen uit private fondsen. Beperkt weliswaar, omdat deze voortdurend onder druk staan van beleggingsresultaten. In sponsoring zit volgens Bureau Berenschot weinig beweging en het mecenaat heeft nog jaren nodig om zich te ontwikkelen. Een weinig rooskleurig toekomstperspectief, aangezien nu al afnemende entreekosten en een beperkt cultureel aanbod zichtbaar zijn. Bovendien zullen de lasten van de cultuursector blijven toenemen. Als zowel Rijk als gemeenten en provincies 25% bezuinigen op kunst en cultuur, zijn de inkomsten voor de culturele sector in 2013 maximaal 1 miljard euro lager dan in 2009. Alle cijfers van Bureau Berenschot zijn hier te bekijken.
Gerard Marlet liet namens Atlas voor Gemeenten zien wat de maatschappelijke en economische schade van de cultuurbezuinigingen zijn. Een onderzoek dat naar eigen zeggen beter vooraf door het Rijk uitgevoerd had kunnen worden. Aan de hand van vijf maatschappelijke waarden, variërend van sociale waarden (leefbaarheid, werkgelegenheid, gezondheid) tot economische waarden (toerisme, export van cultuur) liet Marlet zien welke bijdrage kunst en cultuur leveren aan de welvaart van een stad. Hoewel steden de maatschappelijke schade kunnen tegengaan door extra sponsoring, efficiëntieverhoging en inkomstenoptimalisatie, kunnen culturele instellingen deze opties onmogelijk binnen twee jaar doorvoeren. Conclusie: het welvaartsverlies blijft hoger dan de overheidsfinancieringen. Het gevolg van te snelle en te drastische bezuinigingen. Het onderzoek is binnenkort terug te vinden op www.atlasvoorgemeenten.nl.
Herhaling van zetten
In het debat tussen de cultuurwethouders en -woordvoerders, dat uitstekend werd geleid door Ruben Maes, was te merken dat veel steden het voorbeeld van Utrecht volgen door scherpe keuzes te maken in plaats van te schaven en door niet evenredig aan het Rijk te bezuinigen. De cultuurwethouders lieten weten de bezuinigingen niet te kunnen compenseren en samen met de sector en fondsen keuzes te maken en naar alternatieven te zoeken. Frits Lintmeijer (Utrecht) pleitte voor innovatie van de sector en daarmee op voortschrijdend inzicht van de staatssecretaris – ook al mochten brieven van de G8 naar Den Haag niet baten. Hoewel bij de cultuurwethouders de wens leeft niet afhankelijk te willen zijn van rijkssubsidie en zij niet willen meebuigen, noemden ze nog weinig concrete criteria om de noodzakelijke keuzes binnen hun eigen stad te maken. Het gebrek aan visie van Zijlstra en de snelheid waarmee de maatregelen worden doorgevoerd, werd regelmatig aangehaald. Jasper van Dijk (SP) noemde de Btw-verhoging een ordinaire belastingverhoging en volgens Jetta Klijnsma (PvdA), zelf oud-staatssecretaris, kan Zijlstra nog op zijn besluit terugkomen. Ton Schroor (Groningen) gaf aan dat de dialoog tussen lokale bestuurders en Den Haag ontbreekt en ook Michiel van Wessem (Arnhem) wil een dringend beroep op de staatssecretaris doen om opnieuw in gesprek te gaan over het maatschappelijk en economisch belang van kunst en cultuur. Het leidde tot een discussie die al regelmatig gevoerd is in de Tweede Kamer. Bart de Liefde (VVD) benadrukte dat zijn partij hart voor cultuur heeft en de snelle bezuinigingen doorvoert vanuit het geloof in een herstructurering van de sector. De doemscenario’s die eerder geschetst zijn, noemde hij weinig overtuigend. Boris van der Ham (D66) liet weten dat de PVV, grote afwezige bij het debat, besprekingen over het terugdraaien van de Btw-verhoging in de Tweede Kamer regelmatig tegenhoudt. Het beeld dat het kabinet bewust afrekent met kunst en cultuur, blijft daarmee overeind – en de oplossing nog ver weg.
Kim van der Meulen
Het laatste nieuws van de redactie van Boekman en medewerkers van de Boekmanstichting op het gebied van symposia, benoemingen, promoties, publicaties.
maandag 29 augustus 2011
dinsdag 26 juli 2011
Dr. Rat. Godfather van de Nederlandse graffiti

‘Sommige mensen willen overleven onder alle omstandigheden. Anderen willen alleen maar branden, zo fel mogelijk’. Deze regels, op de achterzijde van de biografie van Ivar Vičs, beter bekend als Dr. Rat, zijn een treffende typering van het ‘enfant terrible’. Vičs (1960-1981) staat te boek als de eerste bekende Nederlandse graffitikunstenaar en speelde een hoofdrol in de Amsterdamse punkscene van het einde van de jaren zeventig. Journalist Martijn Haas brengt het korte leven van de ‘godfather’ in kaart aan de hand van tientallen interviews met vrienden en andere betrokkenen en een groot aantal gedrukte en (audio)visuele documenten. Ook de familie van Vičs is bij de publicatie betrokken geweest, maar heeft de uitgave niet geautoriseerd.
Het resultaat van wat Haas een ‘oral history’ noemt, is een bevlogen, bijna intiem verslag over een getalenteerde jongeman die van jongsafaan moeite heeft in het gareel te blijven. Vurig, opstandig, extreem en ongeremd. Zo omschrijven zijn vrienden hem als kind. School interesseerde hem weinig, vertelt een klasgenoot. Hij spijbelde en hield het op geen enkele school lang uit. Tijdens zijn schooljaren rookte hij hasj, maar al snel wordt hij een, in hulpverlenersjargon, experimenteel polygebruiker, iemand die van alles eens wat probeert.
In 1978 komt hij opnieuw in contact met Diana Ozon, het meisje waar hij als kind mee speelde en dat uitgroeide tot een van de hoofdrolspelers in de chaotische punkbeweging in Amsterdam. Hij voelt zich in de punk- en krakersbeweging direct thuis. ‘Ivar houdt van punk’, schrijft Haas, ‘hij omarmt het, kneedt het, drukt het aan zijn borst.’ Ozon, Christiaan Maat en Hugo Kaagman, early adopters, hielden zich in de punkbeweging bezig met verschillende artistieke, geengageerde projecten, zoals het blaadje Koecrant. Vičs ging er aan de slag als redacteur en ontwikkelde zich als graffitikunstenaar. Hij ontpopte zich als obervator, boodschapper en initiator van de punkbeweging, legt Haas uit. Met zijn eigen stijl, typografieën en slogans laat hij overal in de stad zijn sporen achter, op muren, straatmeubilair, op (maar ook in) trams en bussen. Ook telefooncellen, die toen nog bestonden, werden door hem ‘versierd’. Fans volgden Dr. Rat massaal met hun eigen graffiti. De naam Dr.Rat was overigens een verwijzing naar de gelijknamige roman van William Kotzwinkle over experimenten met proefdieren, waarin ratten tevergeefs in opstand komen.
Niemand minder dan punkzangeres Nina Hagen raadde Vičs aan om zich meer te richten op zijn creatieve talent in plaats van zijn drugsverslaving, en zelfs zijn naam te veranderen in Dr. Art. Hagen beschrijft het relaas in haar autobiografie uit 2006, volgens Haas. In 1979 bracht ze enige tijd met Vičs door in het gekraakte NRC gebouw aan de Nieuwezijds Voorburgwal in Amsterdam. Zelfs zij was behoorlijk geschrokken van de grote hoeveelheid drugs die de pandbewoners tot zich namen. De LSD trip die zij er samen met Vičs beleefde, leidde voor haar tot het goddelijk geluk: Hagen is sindsdien een devoot christen. Voor Dr. Rat liep het geheel anders. Hij nam Hagens advies niet aan want hij was van mening dat zijn creativiteit en drugsgebruik onlosmakelijk met elkaar verbonden waren, aldus Haas.
Dr. Rat had inmiddels de status van graffitilegende, hij was een cultfiguur geworden. De media besteeddenveel aandacht aan hem. Uit de vele verhalen van zijn vrienden ontstaat het beeld van iemand die steeds meer ongrijpbaar en onnavolgbaar was. Het ene moment stond hij midden in de belangstelling en dook hij overal op, op het andere moment verdween hij spoorloos om na een paar dagen een kaartje te sturen vanuit de jeugdgevangenis in Scheveningen. De verslagen geven ook aan dat zijn drugsgebruik volledig uit de hand liep. In de zomer van 1981 overleed hij aan een overdosis.
De gesprekken die Haas met betrokkenen heeft gevoerd leveren een schat aan informatie op. Maar hij geeft zijn informanten soms teveel ruimte om hun verhaal te vertellen en had hier en daar beter een verslag van de gesprekken kunnen maken in plaats van de geïnterviewden alsmaar te citeren.
Is de straatkunst van Ivar kunst te noemen? Daarover zijn de meningen verdeeld, aldus Haas in zijn epiloog. Fans zien zijn oeuvre vooral als een handschrift. Nog steeds doen ze dat, het aantal fans blijft zelfs groeien. Twintig jaar na het overlijden van Dr. Rat organiseert Haas samen met het IISG een tentoonstelling in het IISG-gebouw aan de Cruquiusweg 31 in Amsterdam, met artwork van Dr. Rat, bestaande uit posters, muurtekeningen en fanzines. De expositie is een unieke gelegenheid om kennis te maken met zijn werk, want de graffitikunstwerken zijn goeddeels uit het stadsbeeld verdwenen. Tot en met 29 juli kunt u er nog terecht (www.iisg.nl)
Martijn Haas - Godfather van de Nederlandse graffiti – Amsterdam: Lebowski, 2011 – ISBN 9789048808519 – prijs: euro 19,90
Jack van der Leden
Labels:
amsterdam,
boekbespreking,
graffiti,
jaren zeventig,
straatkunst
vrijdag 1 juli 2011
United Art Forces

In het verlengde van het congres Cultuur rekent op draagvlak en het zomernummer van Boekman over verbreding van het draagvlak voor kunst, organiseerde Boekmanstichting op 30 juni in de Singelkerk in Amsterdam United Art Forces, een debat over de vraag hoe cultuurliefhebbers de krachten effectief kunnen bundelen.
In zijn inleiding introduceerde Cas Smithuijsen, directeur van de Boekmanstichting, het zogenaamde Carrouselmodel. Hij onderscheidde hierin zes maatschappelijke sectoren die als de zijden van een carrousel het dak van kunst en cultuur dragen. In het ideale model zijn de zes zijden even hoog, waardoor het dak er stevig op rust. De zes sectoren die het draagvlak voor kunst en cultuur vormen zijn het politieke bestuur, de coalitiepartijen, de culturele instellingen (producenten van kunst), steunkringen zoals vriendenverenigingen, politieke verenigingen/het electoraat, en het algemene publiek. Idealiter zijn de vlakken door een draaibeweging met elkaar in verbinding.
Na deze theoretische onderbouwing van het draagvlak voor kunst en cultuur was het woord aan Jan Jaap de Graeff, directeur van de vereniging Natuurmonumenten. Hoe pakt deze brancheorganisatie het aan om een zo breed mogelijk draagvlak voor natuur te mobiliseren? Om de overeenkomsten tussen de natuur- en de cultuursector te bevestigen verving De Graeff het woord cultuur in de uitnodiging voor het debat door natuur. Ook zijn sector ligt onder vuur en wordt bedreigd met verregaande bezuinigingen en wordt weggezet als iets elitairs. Hoe nu verder? Hij gaf vier adviezen. Allereerst moet de sector niet onderschatten wat er aan de hand is. Daarnaast hoeft ze niet meer te rekenen op het poldermodel. Het klimaat is verschoven: de overheid is minder aanspreekbaar en voelt zich niet gebonden door eerder gemaakte afspraken. Het is dan ook van belang elkaars hand vast te houden en elkaar niet af te vallen. Tot slot moet de sector het niet opgeven. Het is juist nu van belang om je te manifesteren naar een groot publiek. Je moet mensen raken waar hun belevingswereld ligt. Ook Natuurmonumenten merkt dat het draagvlak voor haar werkterrein slinkt: tegenover een jarenlange stijging van het aantal leden, heeft de vereniging de afgelopen twee jaar met een daling te maken.
Na deze twee inleidingen riep gespreksleider Martijn Sanders, onder meer voorzitter van de Vereniging Rembrandt en het Holland Festival, de panelleden aan tafel. Naast Jan Jaap de Graeff waren dat Margot Gerené (directeur Nederlands UITBURO), Simone van den Ende (hoofd kunst en cultuur AVRO), Josine Meurs (directeur Publiek), Hans Onno van den Berg (voorzitter Federatie Cultuur) en Roel van de Weijer (Cinecrowd). Sanders vroeg de panelleden om hun reactie op de lezing van De Graeff. Margot Gerené erkende dat het voor de kunstensector onmogelijk is om met één stem te spreken. Je kunt echter wel voor de gehele sector meer draagvlak verwerven door je op de bezoekers te richten en die duidelijk te maken wat de schade zal zijn die het huidige beleid aanricht. Maar doe dat dan niet direct tijdens of na de voorstelling. Laat mensen eerst nog even nagenieten om ze hier een of twee dagen later op te wijzen. Simone van den Ende gaf aan dat de AVRO het segment kunst en cultuur binnen haar programma’s verder uit wil breiden. Vervolgens werden de aanwezigen op een kort filmisch overzicht van het huidige aanbod getrakteerd. Op een vraag uit de zaal waarom het allemaal leuk en grappig moet zijn, reageerde Van den Ende, dat dit slechts bij een klein deel van de programma’s is, de meeste zijn vooral informatief en laagdrempelig. De bezuinigingen bij de omroep zullen vooral die programma’s treffen die niet tot de speerpunten van de taken van de publieke omroep behoren, zoals human interest programma’s en quizzen. Hans Onno van den Berg benadrukte dat het vooral een kwestie van taal is. Het draagvlak voor kunst en cultuur is in principe enorm. ‘Iedereen luistert de godganse dag naar muziek. Kunst en cultuur zijn identiteitsbepalend voor de dagelijkse omgang tussen mensen’. De kunstensector heeft de rekening gepresenteerd gekregen voor haar hoogmoed. Het gaat zijns inziens tegenwoordig niet meer over genieten, maar over begrijpen. Als je het dan niet begrijpt, haak je af. De kunsten moeten op zoek naar een nieuwe taal om met het publiek te communiceren. Josine Meurs sloot zich hierbij aan. Ze sloot zich ook aan bij De Graeff door te onderkennen dat de sector te maken heeft met een ernstig probleem. Het is meer dan een taalprobleem. De dialoog was beperkt tussen overheid en kunst en kunst is daardoor met de rug naar het publiek gaan staan. Roel van de Weijer introduceerde Cinecrowd, een initiatief van crowdfunding voor film. Op de website wordt een aantal projecten geïntroduceerd waar mensen in kunnen investeren. Als het project doorgaat kunnen die investeerders bijvoorbeeld op de set aanwezig zijn, een bijrolletje krijgen of bij de première aanwezig zijn. Het doel van Cinecrowd is om een van de bouwstenen van de totale financiering te vormen. Hun financiering maakt de aftrap van een project mogelijk.
Na deze reacties van de paneltafel betrok Sanders het publiek bij de discussie. Een van de meest aansprekende voorbeelden om het publiek bij evenementen te betrekken is het initiatief van Lowlands om haar internetcommunity te betrekken bij de programmering van een deel van het festival. Communityleden kunnen bandjes en artiesten voordragen voor het festival, waarvan de organisatie er een aantal programmeert.
Jan Jaap de Graeff reageerde op de opmerking dat de sector een andere taal moet gaan spreken. Hij legde uit dat je je als sector niet te veel moet inperken en haalde zijn eerder genoemde voorbeeld van elitenatuur aan. Hij constateerde dat de kunstensector bijvoorbeeld nogal smalend doet over het levenslied. Je doet er als sector echter beter aan dit ook tot je domein te rekenen. Hiermee sloot hij zich aan bij de opmerking van hoogmoed van Hans Onno van den Berg. De zaal kon het echter niet eens worden over hoe dit dan in de praktijk vorm moet krijgen. Waar Hans Onno van den Berg pleitte voor minder nadruk op vernieuwing en doe gewoon het oude nog een jaar als het succesvol is, vond een aantal aanwezigen dat het juist de taak van de kunst is om zich te vernieuwen en voor de maatschappij uit te lopen. Die volgt vanzelf. Het lijkt in de huidige constellatie echter raadzaam met enige regelmaat achterom te kijken of de maatschappij nog wel volgt of dat de afstand wellicht te groot wordt.
Tot slot vroeg Sanders alle panelleden om een aanbeveling hoe de huidige impasse te doorbreken. Simone van den Ende stelde intensievere samenwerking met anderen voor. ‘Zet de poorten voor iedereen open’. Josine Meurs opperde dat alle culturele instellingen de helft van hun marketingbudget in een grote pot stoppen. Een deel hiervan kan dan gebruikt worden voor gezamenlijke marketing van de gehele sector en een ander deel om in educatie te steken. Margot Gerené zocht het in het verlengde van Boekman 87 in het aangaan van verbanden met andere sectoren zoals bijvoorbeeld het toerisme. Van belang is daarnaast een gezamenlijke visie. ‘En leg de afzonderlijke agenda’s open op tafel’.
In een kort slotwoord drukte Cas Smithuijsen de aanwezigen op het hart dat de huidige omslag slechts een indicator is van een grotere omslag. Het is zaak dat de sector op allerlei manieren publiek mobiliseert voor kunst.
Lees ook het verslag van het debat in het online tijdschrift van het Centrum Beeldende Kunst Utrecht, Lucy.
André Nuchelmans
Labels:
bezuinigingen,
kunst,
kunstbeleid,
maatschappelijk draagvlak,
publiek,
verslag
vrijdag 27 mei 2011
Cultuur en Markt

Op 26 mei vond ter afsluiting van het NWO onderzoekprogramma Transformaties in Kunst en Cultuur in Scheltema in Leiden het symposium Cultuur en Markt plaats. Organisatoren Kitty Zijlmans (Universiteit Leiden) en Judith Thissen (Universiteit Utrecht) heetten de deelnemers welkom, waarna Zijlmans een kort overzicht gaf van de tien jaar dat het onderzoeksprogramma heeft geduurd. Het programma richtte zich op drie transformaties: commercialisering, globalisering en technologisering. Het laatste onderwerp heeft uiteindelijk de meeste aandacht gekregen, terwijl commercialisering relatief weinig aandacht kreeg.
Vervolgens was het woord aan René Boomkens, die de eerste keynote speech, Ontaarding van de kunst, hield. Zoals hij zelf al aankondigde, ‘zonder plaatjes, heel serieus, want daar is de toestand naar’. In zijn boeiende betoog trok Boomkens een vergelijking tussen de situatie waarin de kunsten zich aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog bevonden en zoals ze er nu voor staan. In beide periodes was er sprake van een kloof tussen avant-gardistische kunst en het brede publiek. De oorzaak van deze kloof zocht hij in de overgang van een Fordistische naar een post-Fordistische maatschappij en in de opkomst van populaire cultuur. De eerste oorzaak kwam later op de dag nog uitgebreid aan de orde in de lezing van Pascal Gielen, vandaar dat Boomkens zich vooral op de tweede oorzaak richtte. Hij voerde aan dat de opkomst van een mondiale populaire cultuur de vreedzame coëxistentie tussen kunst en volkscultuur verstoorde, omdat populaire cultuur de concurrentie met beide aan gaat. Onder invloed van de media krijgt het publiek een steeds belangrijkere rol toebedeeld. Hierdoor is kunst haar traditionele waarden verloren en tot koopwaar verworden.De esthetische functie die kunst aanvankelijk had, wordt overgenomen door andere sectoren, waaronder de populaire cultuur. Verwijzend naar een LP-titel van Elvis Presley, 50 million Elvis fans can’t be wrong (dus dan moet het wel goed zijn), lijkt het in het huidige tijdsbeeld niet meer dan normaal dat als 6 miljoen Nederlandse kunstsubsidie niet ondersteunen, die dan ook maar afgeschaft moet worden. Door de publieke sfeer op deze manier aan de markt over te leveren, diskwalificeert de politiek zichzelf. Zagen de nazi’s kunst als onderworpen aan de macht, in de neo-liberale ideologie is kunst onderworpen aan de markt, aan het nut. In een nieuwe vorm van ontaarding kan wellicht volgens Boomkens een uitweg gevonden worden. In plaats van het verlies van de autonomie te bejammeren, moeten kunstenaars terugvallen op voorbeelden van niet-autonomie: kunst als ambacht, als onderzoek, als documentatie, als curator van de stedelijke ruimte. Na afloop van de lezing merkte Zijlmans toepasselijk op dat Boomkens ontaarding van een negatieve naar een positieve lading had verschoven.
Hierna waren er twee parallelle seminar sessies, waarbij ik koos voor Culturele omnivoren en Het M-woord: markt en mecenaat in de huidige kunstwereld. In de eerste sessie gaf Koen van Eijck (Erasmus Universiteit) een kort college over de intrede van de culturele omnivoor in de sociale wetenschappen en de kritiek op deze theorie. André van der Velden (Universiteit Utrecht) gaf hem daar vanuit de historische en geesteswetenschappen een reactie op. Het blijft opvallend hoe sterk de verschillende wetenschapsgebieden op zichzelf gericht zijn en nauwelijks buiten hun eigen gebied kijken. Wanneer ze dit wel doen, komen er al direct interessante constateringen aan de oppervlakte. Zo bleek uit historisch onderzoek dat sociale mobiliteit in de 19de eeuw juist tot een verdere afperking van de hoge cultuur leidde. De elite onderscheidde zich daarmee nog meer dan voorheen. In de 20ste eeuw leidde sociale mobiliteit juist tot een bredere smaak, zo constateerde sociologen. Voer voor verder onderzoek!
Het M-woord seminar richtte zich op de rol van het bedrijfsleven in de kunsten en het mecenaat in Nederland. Arno Witte (Universiteit van Amsterdam) gaf een historisch overzicht van de achterliggende gedachten bij bedrijfscollecties. Renée Steenbergen (Bureau Renée Steenbergen) belichtte de mogelijkheden voor mecenaat in Nederland. Eva Rovers (Rijksuniversiteit Groningen) pleitte voor een masteropleiding mecenaat en kunst verzamelen. Er is de afgelopen jaren veel aandacht voor het mecenaat en de particuliere en bedrijfsverzamelaar, maar het ontbreekt de culturele sector aan kennis om de particuliere geldschieter op de juiste manier te benaderen.
In de tweede keynote speech ging Pascal Gielen (Rijksuniversiteit Groningen en Fontys Academie) in Creative Labor in a Network Society. Gielen verving Angela McRobbie (Goldsmiths, University of London), die op het laatste moment af had moeten zeggen. Gezien zijn korte voorbereidingstijd, kon hij helaas niet op het onderzoek waar hij momenteel mee bezig is, ingaan en beperkte hij zich tot eerder genoemd onderwerp waarover hij al gepubliceerd heeft. Gielen constateert een verschuiving van Fordisme naar post-Fordisme. De term Fordisme verwijst naar Henry Ford, de man achter de T-ford. Het Fordisme kenmerkt zich door een materieel product. Het gaat om de gebruikswaarde en het is een product economie. Ook de arbeidskracht is materieel. Hij is immobiel, heeft standaard werktijden en wordt geacht iets te doen. In het post-Fordisme is dat veranderd naar een immaterieel product, het gaat vooral om ‘sign value’ en het is consumentgerichte economie. In navolging hierop is ook de arbeidskracht immaterieel geworden. Hij is zowel fysiek als mentaal mobiel, heeft flexibele arbeidstijden, communicatie en aanpassing zijn belangrijk en het draait vooral om ideeën. In de kunstwereld aan het eind van de 19de eeuw ziet Gielen al een voorproefje van het post-Fordisme in de vorm van de ‘bohemien’. Creativiteit speelt in het post-Fordisme een centrale rol. Het beperkt zich daarmee niet meer tot de kunstenaar, maar ook de manager wordt geacht creatief te zijn. Door tijdgebrek kwam Gielen niet helemaal toe aan een mooie afronding van zijn verhaal. Maar daarvoor kunnen geïnteresseerden in zijn publicaties terecht.
Ter afsluiting maakte Rob Zwijnenberg nog een aantal slotopmerkingen over het symposium. In het verlengde van het marktdenken filosofeerde hij over het eigenaarschap. Wie is er eigenaar van kunst, natuur, ja zelfs van de mens. Overal is inmiddels een markt voor, zodat zelfs de dode mens een marktwaarde heeft. Het programma was mooi gevarieerd en diende door de invulling niet alleen als een afsluiting van het huidige programma, maar evenzeer als een opmaat voor nieuw onderzoek.
Meer informatie is te vinden op www.nwo.nl/programmatransformaties.
André Nuchelmans
vrijdag 20 mei 2011
Mandeville lezing: Mecenaat in Nederland
In een afgeladen aula van de Erasmus Universiteit sprak Joop van den Ende op 19 mei 2011 de zeventiende Mandeville lezing uit, getiteld ‘Mecenaat in Nederland’. De Mandeville Lezing is een initiatief van de Erasmus Universiteit, het Rotterdamse bedrijfsleven (Club Rotterdam) en de Vereniging Trustfonds EUR. Joop van den Ende werd deze middag onderscheiden met een maatschappelijk eredoctoraat vanwege zijn pioniersrol in de live entertainment sector maar ook voor zijn waardevolle impulsen voor de cultuur in Nederland.
Van den Ende hield een gepassioneerd en persoonlijk verhaal over zijn leven als cultureel ondernemer en weldoener. Als klein jochie uit Amsterdam Oost raakt hij via de amateurtoneelvereniging verslingerd aan de wereld van het toneel. Hij speelde in Cyrano de Bergerac, 'de mooiste liefdesgeschiedenis ooit' en kwam in aanraking met Pinters werk, Anne Frank en Gijsbrecht van Aemstel. 'Ik snapte er niets van, maar vond het zo móói'. Die jeugdervaring bleek bepalend voor de rest van zijn leven en nog geen vijftien jaar later was hij op zijn achtentwintigste de grootste vrije theaterproducent van Nederland. Hij brak, hoe toepasselijk, echt door met de musical Cyrano de Bergerac. Niet veel later volgde de stap naar televisie. Ook daar werd het een zegetocht: binnen tien jaar schopte hij het tot de grootste televisieproducent van Nederland. Zijn ambities reikten inmiddels verder. En via een omweg – de politiek en de publieke omroep bleken destijds niet ontvankelijk voor zijn cultureel ondernemerschap – begon hij met RTL4 vanuit Luxemburg. Binnen een jaar had RTL4 een marktaandeel van 38 procent. De buitenlandse podia lonkten, en Van den Ende nam zijn geliefde Cyrano mee naar Broadway. Het werd een flop, maar de ervaring had hij niet willen missen. Hij belandde op een punt in zijn carrière waarin hij zich moest bezinnen op nieuwe stappen. Ook privé had hij een hectische tijd achter de rug door een scheiding. Toen hij zijn grote liefde Janine ontmoette, met haar trouwde en twee kinderen kreeg, keerde de energie en de hem kenmerkende creativiteit weer terug. Samen met John de Mol start hij Endemol, dat binnen acht jaar uitgroeit tot de grootste televisieproducent ter wereld. Na tachtig overnames opereert Endemol in achttien landen en werken er ruim 4000 mensen. Allemaal fantastische mensen, die hart hadden voor de onderneming. Maar het harde werken eiste zijn tol. Er volgde een burn-out en Joop en John besluiten hun bedrijf te verkopen. En toen, 58 jaar, vermogend, kwam de vraag wat nu? Van den Ende richt Stage Entertainment op en dat wordt wederom een groot succes: 3.500 mensen werken in acht landen waar het 25 theaters heeft. In diezelfde tijd besluiten Joop en Janine om hun onbezoldigde werk, zoals het oprichten van een zorghotel voor gehandicapten en het incidenteel steunen van kunst en cultuur, meer richting te geven en hun hart te volgen. De VandenEnde Foundation ziet het licht, inmiddels het grootste culturele fonds van Nederland. Hun pijlers zijn cultureel ondernemerschap, talentontwikkeling, kansen creëren voor jong talent en – omdat Joop dat zelf pas later in zijn leven mocht ontdekken – zo veel mogelijk internationale contacten op doen. De geweldige activiteiten van de VandenEnde Foundation zijn schier eindeloos: van het steunen van de virtuoze jonge pianisten Arthur en Lucas Jussen tot het betalen van het salaris van een marketing directeur voor het Holland Festival. De VandenEnde Foundation stelt daarbij randvoorwaarden, maar zal zich nooit met het creatieve beleid bemoeien. De kroon op hun mecenaatwerk is hun eigen cultuurhuis aan de Marnixstraat: het DeLaMar Theater. Van den Ende benadrukt hoe trots hij op het resultaat is, en hoe groot de voldoening om zo’n waardevol cadeau aan de stad Amsterdam, en breder, de maatschappij te mogen geven. Hij wil zich sterk maken om andere vermogende Nederlanders te vertellen hoe leuk het is om aan cultuur te geven en te helpen met hun know-how. Die blije gezichten, het goede gevoel, het geeft onnoemelijk veel voldoening aan het echtpaar Van den Ende. Hij is er ongelofelijk trots op dat hij, zoals hij het zelf zei ‘een stukje verschil heeft mogen maken’.
Naast het ‘geven’ wil hij ook graag het cultureel ondernemerschap stimuleren. Van den Ende ageert dan ook tegen de rigoureuze bezuinigingen op de kunsten van dit kabinet. Een regering die zich via zijn landsadvocaat verdedigt voor de voorgenomen BTW-verhoging op toegangskaartjes door te stellen dat de podiumkunsten ‘voor welgestelden zijn, die dat makkelijk zelf kunnen betalen’, die is bijna gevaarlijk, aldus Van den Ende.
Als cultureel ondernemer in hart en nieren rekent hij voor hoe cultuur een geweldige motor voor een stad kan zijn. Hij noemt het Guggenheim Museum in Bilbao, ‘het Hengelo van Spanje’, en hoe de komst van dit museum de hele stad ten positieve heeft veranderd dankzij de 1,2 miljoen bezoekers die sindsdien speciaal voor dit museum komen. Er zijn meer hotels, leukere restaurants, de opleidingen zijn beter, de middenstand verdient meer en dat alles dankzij het cultureel ondernemerschap van twee wethouders die dit grootse plan aandurfden.
Of neem Hamburg, waar Van den Ende drie theaters bezit. 22 Procent van de hotelovernachtingen is direct gelieerd aan het musicalbezoek aan zijn theaters. In de haven wordt nu de mooiste concertzaal van Duitsland gebouwd, dankzij vooruitstrevende lokale politici die hun huiswerk hebben gedaan. Cultuur is wel degelijk profijtelijk voor een stad, een regio.
En, dichter bij huis, Scheveningen, waar voor de komst van het Circustheater alleen de patatjeugd rondhing. Nu komen er alleen al voor het theater 800 duizend mensen per jaar.
Van den Ende eindigt zijn lezing met een advies aan de staatssecretaris. Kunst is geen linkse hobby, kunst is belangrijk. Hoe kunnen we dit financieren? Zijn advies: richt een overheidsfonds van 100 miljoen voor grote, mooie blockbuster tentoonstellingen in Nederlands belangrijke musea. Reserveer de helft van dit bedrag voor internationale marketing om deze bijzondere tentoonstelling in Nederland te komen zien. In de slipstream van deze tentoonstellingen zullen ook de Nederlandse Opera, het ballet en de symfonische orkesten meeprofiteren van deze stroom toeristen. We kennen de cijfers uit Londen, New York en Parijs en hij rekent het op basis van die cijfers graag even voor: er zullen 3,4 miljoen meer toeristen naar Nederland komen. Gemiddeld besteden die 388 euro per persoon, wat neerkomt op 1,3 miljard inkomsten. Daarvan vloeit 650 miljoen via belastingen zo de staatskas in. Met een investering van 100 miljoen praat je over 500 procent bruto winst. Dames en heren, cultuur is eerder een rechtse hobby!
Na afloop van zijn lezing vertolkten de broertjes Jussen een prachtig quatre-mains van Schubert, sprak prof. dr. Cees Langeveld zijn laudatio uit en sprak Ben Vree, voorzitter van Club Rotterdam, Van den Ende toe. Beiden roemden zijn vernieuwende en beeldbepalende bijdrage aan het cultureel ondernemerschap, het mecenaat, de culturele industrie en zijn onnavolgbare leiderschapskwaliteiten. Maar bovenal zijn tomeloze enthousiasme en betrokkenheid bij de kunsten. Aansluitend reikte Henk Schmidt, rector magnificus van de Erasmus Universiteit het maatschappelijke eredoctoraat uit aan een zichtbaar tevreden Van den Ende.
Lees ook de blog bij NRC Next en de reacties daarop.
Marielle Hendriks
Van den Ende hield een gepassioneerd en persoonlijk verhaal over zijn leven als cultureel ondernemer en weldoener. Als klein jochie uit Amsterdam Oost raakt hij via de amateurtoneelvereniging verslingerd aan de wereld van het toneel. Hij speelde in Cyrano de Bergerac, 'de mooiste liefdesgeschiedenis ooit' en kwam in aanraking met Pinters werk, Anne Frank en Gijsbrecht van Aemstel. 'Ik snapte er niets van, maar vond het zo móói'. Die jeugdervaring bleek bepalend voor de rest van zijn leven en nog geen vijftien jaar later was hij op zijn achtentwintigste de grootste vrije theaterproducent van Nederland. Hij brak, hoe toepasselijk, echt door met de musical Cyrano de Bergerac. Niet veel later volgde de stap naar televisie. Ook daar werd het een zegetocht: binnen tien jaar schopte hij het tot de grootste televisieproducent van Nederland. Zijn ambities reikten inmiddels verder. En via een omweg – de politiek en de publieke omroep bleken destijds niet ontvankelijk voor zijn cultureel ondernemerschap – begon hij met RTL4 vanuit Luxemburg. Binnen een jaar had RTL4 een marktaandeel van 38 procent. De buitenlandse podia lonkten, en Van den Ende nam zijn geliefde Cyrano mee naar Broadway. Het werd een flop, maar de ervaring had hij niet willen missen. Hij belandde op een punt in zijn carrière waarin hij zich moest bezinnen op nieuwe stappen. Ook privé had hij een hectische tijd achter de rug door een scheiding. Toen hij zijn grote liefde Janine ontmoette, met haar trouwde en twee kinderen kreeg, keerde de energie en de hem kenmerkende creativiteit weer terug. Samen met John de Mol start hij Endemol, dat binnen acht jaar uitgroeit tot de grootste televisieproducent ter wereld. Na tachtig overnames opereert Endemol in achttien landen en werken er ruim 4000 mensen. Allemaal fantastische mensen, die hart hadden voor de onderneming. Maar het harde werken eiste zijn tol. Er volgde een burn-out en Joop en John besluiten hun bedrijf te verkopen. En toen, 58 jaar, vermogend, kwam de vraag wat nu? Van den Ende richt Stage Entertainment op en dat wordt wederom een groot succes: 3.500 mensen werken in acht landen waar het 25 theaters heeft. In diezelfde tijd besluiten Joop en Janine om hun onbezoldigde werk, zoals het oprichten van een zorghotel voor gehandicapten en het incidenteel steunen van kunst en cultuur, meer richting te geven en hun hart te volgen. De VandenEnde Foundation ziet het licht, inmiddels het grootste culturele fonds van Nederland. Hun pijlers zijn cultureel ondernemerschap, talentontwikkeling, kansen creëren voor jong talent en – omdat Joop dat zelf pas later in zijn leven mocht ontdekken – zo veel mogelijk internationale contacten op doen. De geweldige activiteiten van de VandenEnde Foundation zijn schier eindeloos: van het steunen van de virtuoze jonge pianisten Arthur en Lucas Jussen tot het betalen van het salaris van een marketing directeur voor het Holland Festival. De VandenEnde Foundation stelt daarbij randvoorwaarden, maar zal zich nooit met het creatieve beleid bemoeien. De kroon op hun mecenaatwerk is hun eigen cultuurhuis aan de Marnixstraat: het DeLaMar Theater. Van den Ende benadrukt hoe trots hij op het resultaat is, en hoe groot de voldoening om zo’n waardevol cadeau aan de stad Amsterdam, en breder, de maatschappij te mogen geven. Hij wil zich sterk maken om andere vermogende Nederlanders te vertellen hoe leuk het is om aan cultuur te geven en te helpen met hun know-how. Die blije gezichten, het goede gevoel, het geeft onnoemelijk veel voldoening aan het echtpaar Van den Ende. Hij is er ongelofelijk trots op dat hij, zoals hij het zelf zei ‘een stukje verschil heeft mogen maken’.
Naast het ‘geven’ wil hij ook graag het cultureel ondernemerschap stimuleren. Van den Ende ageert dan ook tegen de rigoureuze bezuinigingen op de kunsten van dit kabinet. Een regering die zich via zijn landsadvocaat verdedigt voor de voorgenomen BTW-verhoging op toegangskaartjes door te stellen dat de podiumkunsten ‘voor welgestelden zijn, die dat makkelijk zelf kunnen betalen’, die is bijna gevaarlijk, aldus Van den Ende.
Als cultureel ondernemer in hart en nieren rekent hij voor hoe cultuur een geweldige motor voor een stad kan zijn. Hij noemt het Guggenheim Museum in Bilbao, ‘het Hengelo van Spanje’, en hoe de komst van dit museum de hele stad ten positieve heeft veranderd dankzij de 1,2 miljoen bezoekers die sindsdien speciaal voor dit museum komen. Er zijn meer hotels, leukere restaurants, de opleidingen zijn beter, de middenstand verdient meer en dat alles dankzij het cultureel ondernemerschap van twee wethouders die dit grootse plan aandurfden.
Of neem Hamburg, waar Van den Ende drie theaters bezit. 22 Procent van de hotelovernachtingen is direct gelieerd aan het musicalbezoek aan zijn theaters. In de haven wordt nu de mooiste concertzaal van Duitsland gebouwd, dankzij vooruitstrevende lokale politici die hun huiswerk hebben gedaan. Cultuur is wel degelijk profijtelijk voor een stad, een regio.
En, dichter bij huis, Scheveningen, waar voor de komst van het Circustheater alleen de patatjeugd rondhing. Nu komen er alleen al voor het theater 800 duizend mensen per jaar.
Van den Ende eindigt zijn lezing met een advies aan de staatssecretaris. Kunst is geen linkse hobby, kunst is belangrijk. Hoe kunnen we dit financieren? Zijn advies: richt een overheidsfonds van 100 miljoen voor grote, mooie blockbuster tentoonstellingen in Nederlands belangrijke musea. Reserveer de helft van dit bedrag voor internationale marketing om deze bijzondere tentoonstelling in Nederland te komen zien. In de slipstream van deze tentoonstellingen zullen ook de Nederlandse Opera, het ballet en de symfonische orkesten meeprofiteren van deze stroom toeristen. We kennen de cijfers uit Londen, New York en Parijs en hij rekent het op basis van die cijfers graag even voor: er zullen 3,4 miljoen meer toeristen naar Nederland komen. Gemiddeld besteden die 388 euro per persoon, wat neerkomt op 1,3 miljard inkomsten. Daarvan vloeit 650 miljoen via belastingen zo de staatskas in. Met een investering van 100 miljoen praat je over 500 procent bruto winst. Dames en heren, cultuur is eerder een rechtse hobby!
Na afloop van zijn lezing vertolkten de broertjes Jussen een prachtig quatre-mains van Schubert, sprak prof. dr. Cees Langeveld zijn laudatio uit en sprak Ben Vree, voorzitter van Club Rotterdam, Van den Ende toe. Beiden roemden zijn vernieuwende en beeldbepalende bijdrage aan het cultureel ondernemerschap, het mecenaat, de culturele industrie en zijn onnavolgbare leiderschapskwaliteiten. Maar bovenal zijn tomeloze enthousiasme en betrokkenheid bij de kunsten. Aansluitend reikte Henk Schmidt, rector magnificus van de Erasmus Universiteit het maatschappelijke eredoctoraat uit aan een zichtbaar tevreden Van den Ende.
Lees ook de blog bij NRC Next en de reacties daarop.
Marielle Hendriks
donderdag 19 mei 2011
De overheid en het mecenaat - water en vuur?
‘Waarom geen Museumjaarkaart of bibliotheekpas in het kerstpakket?’ Dat was één van de suggesties van Sigrid Hemels, hoogleraar Belastingrecht aan de Erasmus Universiteit Rotterdam, tijdens een bijeenkomst over mecenaat, op 18 mei bij SPUI25. Sinds maart organiseren SPUI25 en het Prins Bernhard Cultuurfonds een zesdelige lezingenreeks over mecenaat. Het onderwerp wordt vanuit diverse invalshoeken en telkens door verschillende sprekers belicht. Op 18 mei werd ingegaan op de voorwaarden voor een vruchtbare voedingsbodem voor het mecenaat. Op welke manier kunnen fiscale en overheidsinvloeden de geefcultuur in Nederland stimuleren? Wat is idealiter de rol van de overheid bij het stimuleren van het mecenaat in Nederland? En wat is de realiteit?
Adriana Esmeijer, directeur van het Prins Bernhard Cultuurfonds, heette de aanwezigen welkom. De belangstelling was groot, net als tijdens de vorige bijeenkomsten. Esmeijer vreest de gevolgen van de bezuinigingen en verwacht, na juni, wanneer de staatssecretaris van zich heeft laat horen, een enorme toename van het aantal aanvragen bij het PBF. Maar ook het aantal fondsen-op-naam, te beschouwen als een vorm van modern mecenaat, zal groeien. Nu zijn het er circa 260.
Aan de hand van historische voorbeelden besprak Ellinoor Bergvelt vervolgens het Nederlandse mecenaat sinds 1795, met voorbeelden als Pieter Teyler en Adriaan van der Hoop. Hoe lagen de verhoudingen tussen overheid en particuliere kunstliefhebbers en wat kan het verleden ons leren? Bergvelt had op grond van haar analyse een duidelijke boodschap: mocht je als particulier een kunstcollectie willen nalaten, dan kun je het beste een stichting in het leven roepen én zorgen voor een flinke som geld ten behoeve van het onderhoud en het beheer van de collectie. Want in het verleden heeft de overheid zich niet altijd een betrouwbare beheerder getoond. Nederland kent geen traditie op het gebied van kunstmecenaat, legde Bergvelt uit.
Sigrid Hemels ging daarna in op de vraag of fiscale voordelen ook daadwerkelijk een geefcultuur tot stand kunnen brengen. De fiscale voordelen in Nederland zijn niet gering, legde Hemels uit. Maar fiscaliteit is op zich geen voorwaarde voor het bewerkstelligen en onderhouden van een geefcultuur. Wel kan het een stimulerende werking hebben. De overheid steunt mecenaat, maar het is aan culturele instellingen om nu eindelijk eens meer hun best te gaan doen om een geefcultuur te creëren! Ze moeten proberen met name de middengroep aan te spreken, de mensen die goed verdienen, regelmatig een voorstelling of museum bezoeken en bereid zijn om er méér geld voor uit te trekken. Zoek je publiek op en behandel ze met respect, was haar boodschap voor culturele instellingen. Ze benadrukte het belang van een geefcultuur: particulieren zijn niet alleen interessant als geldschieters, maar bieden als zodanig ook een meer stabiele basis dan de overheid en vormen het draagvlak voor kunst en cultuur. ‘Giften versterken de band tussen een instelling en de gever’.
Cees de Graaff, directeur van de SICA (Stichting Internationale Culturele Activiteiten), vergeleek de situatie van mecenaat in Nederland met die in andere landen. In Turkije wordt 95% van de cultuur gefinancierd door het mecenaat en in Brazilië kunnen bedrijven 20% van de Vennootschapsbelasting investeren in cultuur. In Frankrijk en Duitsland is er veel meer belangstelling en waardering bij de overheid voor kunst en cultuur, legde hij uit. Nederland gaat zwaar gebukt onder een gebrek aan waardering voor kunst en cultuur. Hij toonde zich bezorgd. De fiscale wetgeving in Nederland is weliswaar niet slecht, maar de overheid ziet kunst slechts als franje. ‘Trek de gordijnen open en haal inspiratie van buiten’, was zijn emotionele oproep aan het kabinet.
Hans den Hartog Jager leidde de discussie tussen de drie sprekers. Een van de kwesties die werden besproken was het feit dat de overheid zich meer zou moeten inspannen om het mecenaat te stimuleren, door middel van wetgeving maar ook door te zorgen voor een gezond cultureel klimaat. Verder was iedereen het er over eens dat het mecenaat nooit de rol van de overheid kan overnemen. Esmeier: ‘Wij zijn allemaal mecenassen, maar de basis moet door de overheid worden gelegd’. Vanuit de zaal waren er meerdere reacties te beluisteren. Renée Steenbergen benadrukte dat het mecenaat ook voor experimentele kunst een belangrijke rol speelt. Zij ziet de toekomst van het mecenaat met optimisme tegemoet. Minder positief was Maarten Asscher. De oproep aan de cultuursector, vanuit de zaal door Julienne Straatman, om nu eindelijk eens grondig te gaan samenwerken, ook op het gebied van mecenaat, vond bij Asscher geen weerklank. ‘Dat gaat echt niet lukken, de sector is te heterogeen’, riep hij uit. Eigenlijk benoemde hij daarmee het dilemma van deze gehele bijeenkomst: het is lastig praten over de overheid, de sector en het mecenaat, alsof het eenduidige begrippen zijn. De vraagstelling had scherper gekund. Straatman liet het er overigens niet bij. Ze legde uit dat de sector al veel eerder over samenwerking had moeten nadenken. Maar instellingen zijn alsmaar bang voor verlies van hun eigen positie en hebben daardoor geen antwoord op de huidige ontwikkelingen. Aldus Straatman. Later merkte Asscher op dat in de Verenigde Staten bestuursleden van culturele instellingen tevens gulle gevers zijn, terwijl dat in Nederland niet het geval is. Hemels viel hem bij: ‘Bestuurders roepen particulieren op om geld te schenken, maar zelf doen ze het niet!’ En waarom zou je als instelling eigenlijk een politicus in je bestuur wensen?’, vroeg Hemels. ‘Ga beter op zoek naar rijke particulieren en het bedrijfsleven.’ Nog een laatste tip van Hemels: Geef geld aan cultuur in plaats van een handtekening onder een petitie. 'Put your money where your mouth is’.
Jack van der Leden
Adriana Esmeijer, directeur van het Prins Bernhard Cultuurfonds, heette de aanwezigen welkom. De belangstelling was groot, net als tijdens de vorige bijeenkomsten. Esmeijer vreest de gevolgen van de bezuinigingen en verwacht, na juni, wanneer de staatssecretaris van zich heeft laat horen, een enorme toename van het aantal aanvragen bij het PBF. Maar ook het aantal fondsen-op-naam, te beschouwen als een vorm van modern mecenaat, zal groeien. Nu zijn het er circa 260.
Aan de hand van historische voorbeelden besprak Ellinoor Bergvelt vervolgens het Nederlandse mecenaat sinds 1795, met voorbeelden als Pieter Teyler en Adriaan van der Hoop. Hoe lagen de verhoudingen tussen overheid en particuliere kunstliefhebbers en wat kan het verleden ons leren? Bergvelt had op grond van haar analyse een duidelijke boodschap: mocht je als particulier een kunstcollectie willen nalaten, dan kun je het beste een stichting in het leven roepen én zorgen voor een flinke som geld ten behoeve van het onderhoud en het beheer van de collectie. Want in het verleden heeft de overheid zich niet altijd een betrouwbare beheerder getoond. Nederland kent geen traditie op het gebied van kunstmecenaat, legde Bergvelt uit.
Sigrid Hemels ging daarna in op de vraag of fiscale voordelen ook daadwerkelijk een geefcultuur tot stand kunnen brengen. De fiscale voordelen in Nederland zijn niet gering, legde Hemels uit. Maar fiscaliteit is op zich geen voorwaarde voor het bewerkstelligen en onderhouden van een geefcultuur. Wel kan het een stimulerende werking hebben. De overheid steunt mecenaat, maar het is aan culturele instellingen om nu eindelijk eens meer hun best te gaan doen om een geefcultuur te creëren! Ze moeten proberen met name de middengroep aan te spreken, de mensen die goed verdienen, regelmatig een voorstelling of museum bezoeken en bereid zijn om er méér geld voor uit te trekken. Zoek je publiek op en behandel ze met respect, was haar boodschap voor culturele instellingen. Ze benadrukte het belang van een geefcultuur: particulieren zijn niet alleen interessant als geldschieters, maar bieden als zodanig ook een meer stabiele basis dan de overheid en vormen het draagvlak voor kunst en cultuur. ‘Giften versterken de band tussen een instelling en de gever’.
Cees de Graaff, directeur van de SICA (Stichting Internationale Culturele Activiteiten), vergeleek de situatie van mecenaat in Nederland met die in andere landen. In Turkije wordt 95% van de cultuur gefinancierd door het mecenaat en in Brazilië kunnen bedrijven 20% van de Vennootschapsbelasting investeren in cultuur. In Frankrijk en Duitsland is er veel meer belangstelling en waardering bij de overheid voor kunst en cultuur, legde hij uit. Nederland gaat zwaar gebukt onder een gebrek aan waardering voor kunst en cultuur. Hij toonde zich bezorgd. De fiscale wetgeving in Nederland is weliswaar niet slecht, maar de overheid ziet kunst slechts als franje. ‘Trek de gordijnen open en haal inspiratie van buiten’, was zijn emotionele oproep aan het kabinet.
Hans den Hartog Jager leidde de discussie tussen de drie sprekers. Een van de kwesties die werden besproken was het feit dat de overheid zich meer zou moeten inspannen om het mecenaat te stimuleren, door middel van wetgeving maar ook door te zorgen voor een gezond cultureel klimaat. Verder was iedereen het er over eens dat het mecenaat nooit de rol van de overheid kan overnemen. Esmeier: ‘Wij zijn allemaal mecenassen, maar de basis moet door de overheid worden gelegd’. Vanuit de zaal waren er meerdere reacties te beluisteren. Renée Steenbergen benadrukte dat het mecenaat ook voor experimentele kunst een belangrijke rol speelt. Zij ziet de toekomst van het mecenaat met optimisme tegemoet. Minder positief was Maarten Asscher. De oproep aan de cultuursector, vanuit de zaal door Julienne Straatman, om nu eindelijk eens grondig te gaan samenwerken, ook op het gebied van mecenaat, vond bij Asscher geen weerklank. ‘Dat gaat echt niet lukken, de sector is te heterogeen’, riep hij uit. Eigenlijk benoemde hij daarmee het dilemma van deze gehele bijeenkomst: het is lastig praten over de overheid, de sector en het mecenaat, alsof het eenduidige begrippen zijn. De vraagstelling had scherper gekund. Straatman liet het er overigens niet bij. Ze legde uit dat de sector al veel eerder over samenwerking had moeten nadenken. Maar instellingen zijn alsmaar bang voor verlies van hun eigen positie en hebben daardoor geen antwoord op de huidige ontwikkelingen. Aldus Straatman. Later merkte Asscher op dat in de Verenigde Staten bestuursleden van culturele instellingen tevens gulle gevers zijn, terwijl dat in Nederland niet het geval is. Hemels viel hem bij: ‘Bestuurders roepen particulieren op om geld te schenken, maar zelf doen ze het niet!’ En waarom zou je als instelling eigenlijk een politicus in je bestuur wensen?’, vroeg Hemels. ‘Ga beter op zoek naar rijke particulieren en het bedrijfsleven.’ Nog een laatste tip van Hemels: Geef geld aan cultuur in plaats van een handtekening onder een petitie. 'Put your money where your mouth is’.
Jack van der Leden
Labels:
kunstbeleid,
mecenaat,
particulier initiatief,
subsidies,
verslag
maandag 16 mei 2011
Plaatsen van verbeelding

Jaarlijks bezoeken duizenden mensen Nieuw-Zeeland om te zien waar The Lord of the Rings is opgenomen; in New York staan vrouwen in de rij om een cocktail te drinken in de favoriete bars van hun heldinnen uit Sex and the City en in Oxford is het aantal Inspector Morse-tours niet meer te tellen. Geen nieuw fenomeen, stelt Stijn Reijnders in zijn recente publicatie Plaatsen van verbeelding, al in de negentiende eeuw waren populaire romans van de gezusters Brönte aanleiding voor zogenaamd ‘literair toerisme’. Over die vorm van toerisme is, zo blijkt uit de bronnen die Reijnders in de introductie aanhaalt, relatief veel onderzoek gedaan. Het is de nadruk op de snelle schaalvergroting en popularisering van dit fenomeen, een ontwikkeling van de laatste twee decennia, die Plaatsen van verbeelding vernieuwend maakt – en herkenbaar.
Reijnders, universitair hoofddocent Cultureel Erfgoed aan de Erasmus Universiteit Rotterdam, deed drie jaar onderzoek naar het fenomeen dat hij ‘mediatoerisme’ noemt. Een term waarmee hij de veelomvattendheid van het sociologische verschijnsel hoopt te dekken. Met succes, want de auteur maakt in zijn boek duidelijk dat het bezoeken van locaties uit tv-series en films een volwaardig onderdeel is van de huidige mediacultuur. Een stevige basis voor deze veronderstelling legt hij in het eerste hoofdstuk, bestaande uit een uitgebreid theoretisch kader. Hierin bouwt hij voort op theorieën uit de mediawetenschap, communicatiewetenschap en filosofie. Een van de belangrijkste is die van Pierre Nora, die in de jaren tachtig lieux de mémoire introduceerde. Deze Franse historicus en deconstructivist stelt dat mensen fysieke plaatsen en objecten nodig hebben om herinneringen vorm te geven. Reijnders concretiseert deze benadering door er lieux d’imagination van te maken, waarbij verbeelding niet per se hoeft terug te slaan op een herinnering – ook voor het vormgeven van fictieve objecten, gebeurtenissen en plaatsen hebben we fysieke plaatsen nodig. Een interessant uitgangspunt, dat wordt afgezet tegen de veelgehoorde veronderstelling dat mensen steeds minder behoefte zouden hebben aan fysieke verbeelding vanwege het enorme aanbod aan digitale cultuur. Reijnders stelt dat het tegenovergestelde waar is: juist doordat we ons fictieve werelden toe-eigenen en we ons identificeren met plaatsen en personages, ontstaat er behoefte aan een werkelijke ervaring hiervan.
Reijnders deed empirisch onderzoek, met financiële steun van de NWO (Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek). Hij bezocht diverse ‘mediatoeristische’ locaties in Europa, die als case studies in zijn boek dienen. Ter plaatse sprak hij met onder meer toeristen, toerismeprofessionals en omwonenden. De resultaten verweeft hij met een verdere toepassing van zijn theoretisch kader in drie prettig leesbare, rijk geïllustreerde hoofdstukken. Deze zijn thematisch geordend (eerst tv-detectives als Baantjer en Inspector Morse, vervolgens James Bond en tot slot Dracula) en benadrukken de uiteenlopende redenen van toeristen om de bekende locaties te bezoeken. Reijnders doet afstand van een vergelijking met religieuze pelgrimages, die in eerdere studies werd gemaakt. In plaats daarvan onderscheidt hij twee basisredenen (die hij ‘modi’ noemt). Allereerst is er een rationele zoektocht naar ‘de waarheid’, waarbij toeristen uitzoeken of de grootte van gebouwen, afstanden en aantallen traptreden overeenkomen met die in de film of serie. De tweede reden is een meer emotionele, intuïtieve zoektocht naar lichamelijke nabijheid: fans willen in de wereld van hun favoriete personage opgaan door reenactment: een biertje bestellen in het café van Morse of langsgaan op crime scenes uit Baantjer. De vele voorbeelden en citaten van geïnterviewden maken het boek levendig en aansprekend. Waar de grens tussen verbeelding, herinnering en werkelijkheid ligt is niet altijd duidelijk, zo weet de auteur helder te onderbouwen. Met die conclusie pleit Reijnders voor een grotere waardering voor verbeelding als volwaardig onderzoeksobject binnen de (media)wetenschap. Hij geeft hoe dan ook aanleiding genoeg tot vervolgonderzoek naar een interessant fenomeen binnen onze huidige mediacultuur.
Stijn Reijnders – Plaatsen van verbeelding. Media, toerisme & fancultuur – Alphen aan de Maas: Veerhuis, 2011 – ISBN 9789087300357 – Prijs: € 19,95
Kim van der Meulen
Labels:
boekbespreking,
cultuurtoerisme,
film,
televisieseries
Abonneren op:
Posts (Atom)